RVO publiceert een aantal handhavingsmarges

Onlangs heeft RVO een aantal handhavingsmarges gepubliceerd die men toepast bij  de uitvoering en handhaving van de Meststoffenwet. RVO behandelt op de pagina een aantal correcties of handhavingsmarges. U kunt ze vinden op deze pagina. Concreet worden genoemd:

 

18%-correctie fosfaat bij voeren van brijvoer aan varkens

Brijgevoerde varkens leggen 18% meer fosfaat vast dan drooggevoerde varkens (11,9 vs. 10,1 g/kg levend gewicht); dit blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Omdat er meer fosfaat in het dier wordt vastgelegd, wordt er minder fosfaat uitgescheiden via de mest. Als u aannemelijk maakt dat de varkens gevoerd zijn met brijvoer, dan houdt RVO hier  de posten begin- en eindvoorraad dieren en aan- en afgevoerde dieren hier rekening mee door het forfait uit tabel 7 met 18% te verhogen.

 

Stikstofgat (staldieren)

De stikstofgatberekening is geïntroduceerd om rekening te houden met het verschil tussen de verhouding fosfaat/stikstof in de productie van staldieren en de afgevoerde mest van die dieren. Hoe zo’n berekening gaat, staat in deze voorbeeldberekening (pdf). Bij de afvoer moet worden uitgegaan van de afgevoerde bemonsterde dierlijke mest die niet behandeld is. Tot nu toe wordt de correctie voor het stikstofgat alleen toegepast op bedrijven met staldieren.

 

Bezinklaag (mestopslagen varkensmest)

Sinds een aantal jaren is het mogelijk een bezinklaag op te geven wanneer deze aanwezig is een mestopslag met varkensmest (zie Praktijkrapport Varkens 21 WUR ‘Bezinklagen en bemonstering van varkensmest’).  Voor de jaarlijkse aangroei van de bezinklaag gaan wij uit van 2 centimeter over de oppervlakte van de opslag (het volume). De gehalten voor stikstof en fosfaat worden vermenigvuldigd met factor 2. Dit leidt ertoe dat wij rekenen met de waardes in onderstaande tabel:

Diersoort Stikstofgehalte (kg/ton) bezinklaag Fosfaatgehalte (kg/ton) bezinklaag Jaarlijkse toename bezinklaag onderzoek (cm)
Guste en dragende zeugen 10,94 18,44 2
Kraamzeugen 15,54 38,72 2
Vleesvarkens 20,46 26,64 2
Opfokzeugen 10,54 35,36 2
Biggen 26,42 45,5 2

Onaannemelijke analysewaarden in aan- en afgevoerde vaste dierlijke meststoffen

Bij vaste dierlijke meststoffen is er een onderscheid tussen ’gewone’ vaste meststoffen en de dikke fractie na mestscheiding (koek na mestscheiding).

’Gewone’ vaste mest

Het kan voorkomen dat de aan-/afgevoerde vrachten vaste dierlijke meststoffen gehalten fosfaat en stikstof bevatten, die buiten de zogenaamde ‘grenswaarden’ vallen. Op basis van onderzoek van de Wageningen University Research (rapport 553 WUR ‘Grenswaarden voor N- en P-gehalte in vaste mest‘) past RVO.nl/NVWA onderstaande grenswaarden toe voor stikstof en fosfaat bij het beoordelen van gehalten vaste mest.

Grenswaarden voor stikstof en fosfaat in vaste mest

Stikstof (gram/kilogram) Fosfaat (gram/kilogram)
Diersoort Mestcode Minimum Maximum Minimum Maximum
Rundvee 10 27,2 9,45
Leghennen 31 9,46 60,3 5,81 64,3
32 14,3 57,0 10,2 47,9
33 17,4 64,5 13,5 51,0
35 13,6 53,5 12,7 50,7
Vleeskuikens 39 21,3 53,2 8,87 32,4
Varkens 40 54,2 27,2

Dikke fractie na mestscheiding (mestcode 13 en 43)

Voor vrachten dikke fractie na mestscheiding (mestcodes 13 en 43) gelden absolute bovengrenzen voor het fosfaatgehalte in dikke fractie na mestscheiding. Dit is het resultaat van onderzoek van de Wageningen University & Research. Uit het onderzoek volgen onderstaande bovengrenzen:

Grenswaarden voor fosfaat in dikke fractie na mestscheiding

Fosfaat (gram/kilogram)
Diersoort Mestcode Maximum
Rundvee 13 15,0
Varkens 43 31,0

Als de gehalten in vrachten gewone vaste mest buiten de grenswaarden vallen, gebruikt RVO het bedrijfsgemiddelde gehalte van overige van het bedrijf afgevoerde vrachten bemonsterd en geanalyseerde onbewerkte mest voor. Als gegevens van dergelijke vrachten niet beschikbaar zijn, gebruikt RVO  het desbetreffende forfait voor de afwijkende gehalten. Als de gehalten in dikke fractie na mestscheiding niet onder de absolute bovengrenzen vallen, gebruiken RVO daar geen alternatieve waarden voor. RVO houdt geen rekening met  vrachten met onmogelijke waarden en schrapt de vrachten volledig.

Dit betekent dus dat RVO stelt dat koek na mestscheiding afkomstig van rundveemest (mestcode 13) niet meer fosfaat kan bevatten dan 15 kg per ton en koek na mestscheiding van varkensmest (mestcode 43) niet meer dan 31 kg fosfaat.

Een stikstofgat op graasdierbedrijven: kan dat?

Het gebeurt regelmatig: bij het opstellen van een berekening om te bezien of is voldaan aan de  gebruiksnormen op een veehouderijbedrijf: Er wordt ruim voldaan aan de gebruiksnorm voor fosfaat, maar voor de gebruiksnorm voor stikstof in dierlijke mest is dit niet het geval is.  Dit terwijl er (berekend op basis van de verwachting) en de mutatie van de voorraden dierlijke mest meer dan voldoende dierlijke mest (volume) werd afgevoerd. Dit fenomeen wordt het ‘stikstofgat’ of ‘stikstofhiaat’ genoemd.

een stikstofgat voor graasdieren?

Het probleem van het stikstofgat wordt ook binnen het beleid en de handhavingspraktijk onderkend. Inmiddels is correctie voor het stikstofgat gangbare praktijk in bepaalde sectoren (staldieren) en onder bepaalde omstandigheden (voldoende representatieve mestafvoer). De wijze van corrigeren voor het stikstofgat is ontwikkeld op basis van een toezegging van de toenmalige minister Veerman (2006) en gebaseerd op de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de geanalyseerde (representatieve) mestafvoer  ten opzichte van de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de op de voorgeschreven wijze berekende mestproductie. Met deze correctie voor het stikstofgat  worden de gevolgen van onvermijdelijke verliezen van stikstof (in de vorm van een op te leggen bestuurlijke boete) teniet gedaan.

Voor bedrijven met staldieren dus, maar hoe zit het dan op bedrijven met graasdieren? Ook daar zien we hetzelfde fenomeen, maar is de correctie niet van toepassing. Dit  betekent dat graasdierbedrijven, die met dit fenomeen worden geconfronteerd, mede omdat ze huiverig zijn om niet te voldoen aan de gebruiksnorm dierlijke mest er vaak voor kiezen het tekort via een correctie op de aanwezige eindvoorraad dierlijke mest (tijdelijk) te verbloemen. Dit geldt zeker wanneer het betreffende bedrijf beschikt over derogatie en die bij het niet voldoen aan de gebruiksnormen van rechtswege kan worden ingetrokken.

Het feit dat het stikstofgat ook voor kan komen op bedrijven met graasdieren is al herhaaldelijk bij RVO en beleidsmakers aangekaart en onder de aandacht gebracht. Hoewel begripvol wordt gereageerd, biedt de regelgeving hiervoor nog geen uitzondering en houdt RVO dan ook vast aan het feit dat alleen op bedrijven waar staldieren worden gehouden rekening dient worden gehouden met een aanvulling op het stikstofverlies in de vorm van het stikstofgat. De motivering daarvoor zoekt RVO in het feit dat de toezegging met betrekking tot het stikstofgat alleen is gedaan voor staldieren en in de normstelling voor de stikstofexcretie voor graasdieren reeds rekening is gehouden met de stikstofverliezen die optreden. Dit is geen sterk argument gezien het feit dat in de berekening van de stalbalans voor staldieren ook een dergelijk verlies, in de vorm van een vast norm voor het stikstofverlies per diercategorie, is opgenomen.

Het verschil tussen graasdieren en staldieren is gelegen in het aandeel ruwvoer in het rantsoen.

In een recente uitspraak ging de Rechtbank ’s Hertogenbosch onlangs mee met deze insteek van RVO. Kortweg stelt de Rechtbank. ‘Uit de Nota van Toelichting bij het Uitvoeringsbesluit Msw (Staatsblad 2005, 645, p. 37) volgt dat het onderscheid tussen graasdieren en staldieren is gebaseerd op de weidegang en het relatief grote aandeel van ruwvoer in het rantsoen van graasdieren. Daarnaast blijkt uit de Nota van Toelichting bij de Uitvoeringsregeling Msw (Staatscourant 2005, 226, p. 34) dat in de forfaitaire norm die wordt gehanteerd bij de door graasdieren geproduceerde hoeveelheid meststoffen al rekening is gehouden met de stikstofverliezen die bij de excretie van graasdieren optreden. Op grond daarvan hoefde verweerder van de rechtbank bij zijn berekening niet nog een keer rekening te houden met het door eiseres gestelde stikstofgat.’ Daarbij verwijst de rechtbank naar een eerdere uitspraak (ECLI:RBOBR:2017:1977) in deze problematiek (onder overweging 8).

In mijn optiek geen sterke motivering. De gronden waarop men hier beslist doen zich immers ook voor bij de berekening van de excretie van de staldieren en het is en wordt niet duidelijk waarom soortgelijke processen wel bij staldieren en niet op zouden kunnen treden bij graasdieren. Hoe dan ook:  het is wel een feit dat  zonder nadere en vooral specifieke,  verifieerbare en eenduidige motivering een stikstofgat op melkveebedrijven niet zal worden toegekend.

Vernietigen van een nagewas niet voor 1 februari van het volgende jaar

Bij de teelt van mais op een perceel zand- of lössgrond is, op basis van artikel 8a Besluit Gebruik meststoffen (hierna: BGM) de teelt van een nagewas verplicht. De regels die daarbij moeten worden gehanteerd (naast de keuze van het nagewas) zijn (kort samengevat):

  • Direct na de oogst van maïs moet een vanggewas worden geteeld. Dit mag via onderzaai in de maïs of via zaaien na de oogst van de maïs.
  • Het vanggewas mag niet worden vernietigd voor 1 februari van het daaropvolgende jaar
nagewas-na-mais

de teelt van een nagewas is verplicht op percelen op zand- en lössgrond na de teelt van mais

Wie maïs heeft verbouwd, maar geen vanggewas teelt, is in overtreding. Dan kan een boete worden opgelegd, maar ook een randvoorwaardenkorting. Maar wat nu als het vanggewas wel wordt geteeld, maar niet tot 1 februari van het daaropvolgende jaar blijft staan?

Het kan immers voorkomen dat in de periode vanaf de inzaai van het vanggewas tot 1 februari van het daarop volgende jaar op het perceel werkzaamheden plaatsvinden die resulteren in het afsterven van het gewas. Denk daarbij aan het bedekken van de bodem met (vaste) mest het omspitten of ophogen van een deel van het perceel. Hoe zit het dan?

Onder vernietigen worden alle activiteiten gezien (bijvoorbeeld ook doodspuiten of bedekken) die resulteren in het afsterven van het gewas. Dus ook het laten afsterven van het gewas door (tijdelijke) opslag van meststoffen, opbrengen van grond, etc. In uitzonderingsgevallen (bijvoorbeeld een landinrichtingsplan, herinrichtingsplan of reconstructieplan, kan worden voorzien in een uitzondering van de eis tot niet mogen vernietigen. Maar dan is een vergunning/toestemming nodig van het bevoegde gezag.

Controle op de verplichting tot het telen en in stand houden van een vanggewas vindt plaats door de NVWA. Wanneer een overtreding wordt vastgesteld, wordt een  proces-verbaal opgemaakt dat zowel naar het Openbaar Ministerie als naar RVO wordt gestuurd.

Het Openbaar Ministerie kan een geldboete opleggen, maar omdat in de meeste gevallen slechts sprake zal zijn van een klein deel van het perceel kan dit meevallen.

RVO zal bepalen dat een deel van het perceel niet kan worden aangemerkt als landbouwgrond (dus geen plaatsingsruimte en mogelijk vervallen derogatie) en dat daarmee een afwijking is ontstaan tussen de oorspronkelijk gedane Gecombineerde Opgave en de feitelijke situatie. Om deze reden kan eventueel een randvoorwaardekorting op de GLB-subsidies worden toegepast. Het kortings- of sanctiebedrag  is afhankelijk van het afwijkingspercentage tussen de eigenlijke Gecombineerde opgave en de opgegeven oppervlakte in de Gecombineerde Opgave die is ingediend. Het kortings- of sanctiebedrag wordt in mindering gebracht op de uitbetaling en kan bovendien gevolgen hebben voor het kortingspercentage in latere jaren.

Afwijkingspercentage/hectares Korting of sanctie
≤ 3% of ≤ 2 ha< Geen sanctie, wel een correctie van de oppervlakte, waardoor niet alle betalingsrechten en de vergroeningsbetaling uitbetaald en benut kunnen worden.
Meer dan 3% of 2 ha Sanctie van 1,5 keer de afgekeurde oppervlakte keer de gemiddelde waarde van de betalingsrechten.
Eerste keer 3 tot 10% of 2 ha Toekenning gele kaart. Het sanctiebedrag wordt verminderd met de helft en is dan 0,75 keer de afgekeurde oppervlakte keer de gemiddelde waarde van de betalingsrechten.
Bij herhaling meer dan 3% of 2 ha De gele kaart vervalt en de 50% vermindering wordt alsnog in rekening gebracht. Daarnaast wordt voor het betreffende jaar een sanctie opgelegd van 1,5 keer de afgekeurde oppervlakte keer de gemiddelde waarde van de betalingsrechten.
> 10% Het recht op een gele kaart vervalt.
Uitsluiting van subsidie vindt plaats als het sanctiebedrag hoger is dan het bedrag dat wordt ontvangen voor de goedgekeurde oppervlakte. Dit is het geval bij een afwijking van meer dan 66,67%.

 

Duidelijk moet zijn dat bij alle handelingen die resulteren in het afsterven van het vanggewas, sprake is van een overtreding en daarbij het risico bestaat dat een sanctie wordt opgelegd in de vorm van een korting op de betalingsrechten en het risico op een mestboete vanwege een overschrijding van de gebruiksnormen.

 

Vastlegging van fosfaat door vleesvarkens: Effecten van brijvoer

De afgelopen maanden kwam de vastlegging van fosfaat door dieren gevoerd met brijvoer regelmatig voorbij als discussiepunt. Mag deze nu wel of niet worden toegepast?  In dit bericht kort de stand van zaken.

Bij het berekenen van de afvoer van fosfaat  in dierlijke producten in de varkenshouderij wordt gebruik gemaakt van een forfaitair gehalte aan vastlegging van fosfaat per kilogram levend gewicht. Dit fosfaat-gehalte is gebaseerd op  onderzoek door  Jongbloed en Kemme. Een belangrijke aanname in dit onderzoek was dat de rantsoensamenstelling geen wezenlijke invloed heeft op de hoeveelheid fosfaat die wordt vastgelegd door het varken.

20170424 vastlegging

De normen voor mineralenafvoer in dieren zijn voortdurend onderwerp van discussie

Uit een latere literatuurstudie van Bikker en Jongbloed bleek echter dat de vastlegging van fosfaat bij varkens die werden gevoerd met natte voeders  hoger was dan het forfaitaire gehalte dat voor de vastlegging voor fosfaat per kilogram levend gewicht volgens de Meststoffenwet moet worden gebruikt. In vier verschillende studies werden een retentie (vastlegging) van fosfaat in het varken gevonden die zo’n  7 – 15% hoger was bij bedrijven met brijvoer, vergeleken met bedrijven die droogvoer toepasten.

Een hogere vastlegging van fosfaat betekent dat meer fosfaat in het dier achterblijft en dus minder fosfaat in de mest terecht komt. Op basis van dit feit zouden bedrijven met brijvoer die hun afvoer van fosfaat via de afgevoerde dieren berekenen op basis van de forfaitaire normen hun balans niet sluitend kunnen krijgen. De hoeveelheid fosfaat die uiteindelijk in de mest terecht kom is immers, door de hogere vastlegging in de dieren, lager dan nodig zou zijn om voldoende afvoer te krijgen.

RVO hanteerde naar aanleiding van bovenstaand onderzoek dan ook in zienswijze en bezwaarprocedures een correctie op de afvoerpost fosfaat van vleesvarkens van 18% voor bedrijven met natte brijvoeders. Ook sommige management- en rekenprogramma’s pasten hun berekeningswijze hierop aan. Bijvoorbeeld door de norm voor de afvoer van vleesvarkens te verhogen naar 0,014 of zelfs 0,015 kg fosfaat per kg levend gewicht.

De correctie heeft echter nooit een wettelijke basis gekregen. Om te bepalen of dit nodig zou zijn heeft het ministerie  van Economische Zaken enige tijd geleden dan ook aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om na te gaan of varkens gevoerd met brijvoer een hoger forfaitaire norm zouden moeten hebben voor de vastlegging in het dier  dan varkens gevoerd met droog voer. In haar advies naar aanleiding van dit verzoek nuanceert de CDM het standpunt omtrent de hogere vastlegging bij bedrijven met brijvoer enigszins.

De CDM stelt dat weliswaar blijkt dat varkens gevoerd met brijvoer een hogere retentie van fosfaat hebben, maar dat deze hogere vastlegging terug te voeren valt tot een betere verteerbaarheid van fosfaat van het voer (een hoger vP-gehalte). Brijvoeders bevatten waarschijnlijk een hoger verteerbaar P-gehalte (vP) dan op papier is berekend waardoor de dieren meer vP krijgen dan nodig zou zijn.

In het advies van de CDM wordt daarnaast verwezen naar onderzoek  dat laat zien dat het forfaitair fosfaat gehalte in vleesvarkens (0.0123 kg/kg levend gewicht) een redelijk schatting is voor het gemiddelde gehalte van vleesvarkens. Recente onderzoek zou laten zien dat er weliswaar een variatie in P-gehalte bestaat, maar deze variatie valt terug te voeren tot verschillen in  het P-gehalte in het rantsoen: hoe hoger het P-gehalte in het rantsoen: hoe hoger het fosfaat-gehalte in het vleesvarken.

Op basis hiervan geeft de CDM het advies dat er geen aanpassingen nodig zijn van de huidige forfaits voor de vastlegging van fosfaat in vleesvarkens. Als op behoefte aan fosfor wordt gevoerd met brijvoedering dan zal de vastlegging van  fosfaat door deze varkens niet veel afwijken van het huidige forfait.

Tot op heden hanteert RVO in haar besluiten  nog steeds de 18% correctie, zoals men dit voorheen ook deed.

Klik hier voor het advies van de CDM

 

RVO waarschuwt voor fouten met gebruik opmerkingscode 61

RVO geeft een waarschuwing met betrekking tot de Vervoersdocumenten Dierlijke Mest (VDM) die opgemaakt worden voor mest  die rechtstreeks van veehouderijbedrijven aan mestverwerkende bedrijven wordt geleverd. De waarschuwing heeft vooral betrekking op VDM’s die in het kader van de verplichte mestverwerking zijn voorzien van opmerkingscode 61 en daarmee tevens dienen als mestverwerkingsovereenkomst.

plaatje 3PO

Als mest niet rechtstreeks aan een verwerker wordt geleverd kan opmerkingscode 61 niet worden gebruikt.

RVO.nl registreerde tot 30 september van dit jaar ruim 71.000 mestverwerkingsovereenkomsten via opmerkingscode 61 op het VDM. Dat is ruim 54% van het totaal aantal geregistreerde mestverwerkingsovereenkomsten. Er is 26,7 miljoen kilo fosfaat gemoeid. RVO constateert dat het hier om een onwaarschijnlijk grote stroom gaat en geeft aan dat waarschijnlijk de nodige mest ten onrechte wordt geregistreerd als rechtstreeks geleverd aan een mestverwerkend bedrijf. 

Opmerkingscode 61 mag  uitsluitend worden gebruikt wanneer mest rechtstreeks van veehouder naar een mestverwerker gaat.  Dit is in de volgende gevallen:

  • vervoer van dierlijke mest in het kader van de mestverwerkingsplicht van veehouder naar een verwerkingsinstallatie (bijvoorbeeld BMC moerdijk)
  • vervoer van dierlijke mest in het kader van de mestverwerkingsplicht van veehouder naar de tussenopslag van de verwerker (die vervolgens de afgesproken kilogram fosfaat exporteert)
  • export van dierlijke mest in het kader van de mestverwerkingsplicht vanaf veehouderij rechtstreeks naar een buitenlandse afnemer (uitgevoerd door een exporteur).

Dus alleen bij een VDM met een partij die er zelf voor zorgt dat de mest uit de markt voor dierlijke mest in Nederland wordt gehaald is sprake van een mestverwerkingsovereenkomst op basis van opmerkingscode 61 op het VDM. Is sprake van een bewerking, waarna bijvoorbeeld de dikke fractie wordt geëxporteerd door een derde partij, dan kan opmerkingscode 61 niet worden gebruikt, maar moet met een Drie Partijen Overeenkomst, tussen veehouder, bewerker en exporteur, worden gewerkt.

Wanneer de contracten voor mestverwerking onjuist geregistreerd blijken, dan kan (mogelijk) een boete volgen van 300 euro per onjuist geregistreerd VDM vanwege het niet naar waarheid opmaken van een VDM en daarnaast kan (mogelijk) een boete van 11 euro per kilogram fosfaat worden opgelegd wanneer blijkt dat er te weinig fosfaat is verwerkt door de betreffende veehouder. Of dat ook zo uitwerkt valt nog te bezien, maar nu de mogelijkheid nog bestaat om zaken te corrigeren, geldt dat voorkomen beter is dan genezen.

Sancties onjuist opgegeven grond in Gecombineerde opgave 2015

In de Gecombineerde opgave 2015 is in een aantal gevallen grond ten onrechte opgegeven voor de uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling. Het gaat vaak om percelen die geheel of gedeeltelijk niet aangemerkt kunnen worden als landbouwgrond of te groot zijn opgegeven.

Dit blijkt uit de eerste controles door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) van geregistreerde percelen, zo geeft RVO aan op haar website. Voor de oppervlakte die niet aan de voorwaarden van subsidiabele landbouwgrond voldoet, worden geen betalingsrechten toegekend en vindt ook geen GLB-betaling plaats.

foto01a

Uit eerdere berichten van RVO lijkt dat in deze gevallen in 2015 geen sanctie wordt toegepast. De Europese Commissie heeft echter aangegeven dat er wel wordt gesanctioneerd. Nederland gaat in gesprek met de Europese Commissie over het sanctioneren in het eerste jaar.

Percelen wijzigen kan tot en met 7 oktober

Europese regelgeving geeft aan dat bij afwijkingen groter dan 2 ha, of meer dan 3%, een sanctie wordt toegepast op de GLB-betaling.

Heeft u bij de Gecombineerde opgave 2015 grond ten onrechte opgegeven voor de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling? Dan kunt u nog percelen intrekken of het vinkje weghalen bij de uitbetaling voor betalingsrechten. Dit mag alleen als nog geen fysieke controle is aangekondigd, of wanneer u nog niet in kennis bent gesteld van een afwijking in uw steunaanvraag.

Intrekken kan door de Gecombineerde opgave aan te passen en opnieuw in te dienen. Dit kan tot en met 7 oktober 2015 via mijn.rvo.nl.

Het fosfaatgat (2)

In het vorige bericht over dit onderwerp, werd al aangegeven dat het fosfaatgat op een aantal manieren (tijdelijk) wordt opgelost. Als voorbeelden zijn genoemd:

  1. Men verhoogt de eindvoorraad op papier. Hiermee schuift men het probleem echter slechts voor zich uit. Het probleem wordt elk jaar groter.
  2. Ditzelfde geldt ook voor de introductie van een zogenaamde bezinklaag in de mestopslag. De normen die hiervoor gebruikt worden zijn erg hoog en slechts gebaseerd op een beperkt aantal waarnemingen. Door het opnemen van een bezinklaag wordt het tekort voor het betreffende jaar opgeheven, maar let op dat de bezinklaag niet te groot wordt ingeschat;
  3. Men ‘lost’ het voorraadprobleem op door een eenmalige actie die buiten de wet omgaat. Dit is een oplossing die niet kan en niet mag, maar onder druk van hoge boetes of optie 1 wel voorkomt;
  4. Men geeft de daadwerkelijke eindvoorraad op en accepteert de consequenties.

In dit bericht wordt verder ingegaan op de omvang van het fosfaatgat. In het algemeen kan worden gesteld dat het vaststellen van een fosfaatgat niet eenvoudig is. Er zijn grotere aantallen waarnemingen nodig van bedrijven waarop zich geen andere bijzonderheden hebben voorgedaan. Na een rondvraag onder bedrijven is een selectie gemaakt van situaties waarvan met zekerheid kon worden gesteld dat hierboven genoemde optie 1,2 en 3 niet hadden plaatsgevonden en beschikten over een beperkt areaal grond. Op basis hiervan is een basisbestand met 155 waarnemingen verzameld. Het gemiddelde van deze waarnemingen is weergegeven in onderstaande tabel.

tabel fosfaatgatIn de Tabel is het mestvolume (ton), de hoeveelheid fosfaat (kg) en stikstof (kg) in verschillende posten (van beginvoorraad tot eindvoorraad) gegeven. Vervolgens is gekeken naar de mate waarin door de betreffende bedrijven aan de verwerkingsplicht (artikel 14 van de Meststoffenwet) kon worden voldaan. Daarbij is voor stikstof gecorrigeerd voor het stikstofgat, conform de daarvoor gangbare methodiek. Het gemiddelde stikstofgat bedroeg 5.239 kg. Dit is 17,5% van de stikstofproductie. Met de correctie voor het stikstofgat kon voor stikstof vrijwel volledig aan de verantwoordingsplicht worden voldaan. Ook de balans van het mestvolume is vrijwel rond. Voor fosfaat resteert echter een tekort van  478 kg (3,5% van de mestproductie of 2,2% van de totaal te verantwoorden mest). Om dit te compenseren zou toch ruim 100 ton mest nodig zijn.

Een tekort van 478 kg op een te verantwoorden hoeveelheid van 21.801 kg  is gezien de spreiding tussen jaren misschien niet direct een factor die opvalt, maar eerder een factor die accumuleert gedurende een aantal jaren. Waarbij pas dan zichtbaar wordt hoe hoog het inmiddels opgelopen tekort is.  Na 5 jaar bedraagt het gat (gemiddeld) meer dan 10% en is geen correctie meer mogelijk. Precies daarin schuilt het gevaar.

Op dit moment wordt bij de beoordeling van de mestverantwoordingsplicht slechts in zeer beperkte mate rekening gehouden met een gat in de verantwoording van fosfaat. Het is de vraag of hiervoor niet enige marge zou moeten worden gehanteerd. Zeker wanneer er hoge boetes worden opgelegd zoals nu het geval is en de afwijking dermate gering lijkt. In gerechtelijke procedures waarbij dit argument is aangevoerd heeft de rechter aangegeven dat het aan de wetgever is hiervoor criteria te definiëren, niet aan de rechtbank. Wordt vervolgd!

5 vragen over de verplichte mestverwerking

Voor het einde van het jaar moet elke veehouder met een fosfaatoverschot op zijn bedrijf hebben voldaan aan de voorwaarden van de verplichte mestverwerking. Tot nu toe is het redelijk stil geweest rond de verwerkingsplicht en de daarbij behorende overeenkomsten.  Dat betekent niet dat alles al geregeld is. Hier en daar moeten er nog wat spreekwoordelijke puntjes op de evenzo spreekwoordelijke i’s worden geplaatst. Vandaar in dit bericht: 5 vragen over de verplichte mestverwerking.

1. Kunnen ingestuurde mestverwerkingsovereenkomsten (MVO) worden gecorrigeerd?

Neen, zodra een MVO is ingestuurd kan deze niet meer worden gecorrigeerd. Als u de MVO niet wilt laten doorgaan en nog niet alle partijen hebben de MVO ondertekend, laat u de MVO vervallen. Eventueel stuurt u een nieuwe MVO in met de juiste gegevens.

Corrigeren kan dus niet: intrekken wel. Hiervoor moeten wel alle partijen ondertekenen. Eventueel stuurt u een nieuwe MVO in met de juiste gegevens. Wanneer u een nieuwe MVO instuurt, moet dat wel in het zelfde kalenderjaar waarop de MVO betrekking heeft.

vraag 2: Kan ik na afloop van het kalenderjaar nog MVO’s, vervangende verwerkingsovereenkomsten (VVP) of driepartijenovereenkomsten (3PO) afsluiten en insturen?

Voor 3PO’s en -VVO’s geldt: Nee, u moet deze gedurende het kalenderjaar afsluiten en de gegevens daarvan insturen. Voor rechtstreekse transporten naar de verwerker of rechtstreekse export (Vervoersdocument (VDM) geldt als MVO) geldt dat de gegevens van het VDM in verband met bemonstering, uiterlijk 30 werkdagen na de transportdatum moeten worden ingestuurd. Het transport zelf moet uiterlijk in het kalenderjaar waarvoor de mestverwerkingsplicht geldt zijn uitgevoerd.

vraag 3: Waar moet een mestbewerkingsinstallatie aan voldoen en wat zijn de verplichtingen voor een bewerker

Vanuit de Meststoffenwet worden geen eisen aan een mestbewerkingsinstallatie gesteld. Provincie en gemeente kunnen wel eisen stellen (via de vergunning). Wanneer een bewerker een 3PO  afsluit met een veehouder en een verwerker dan is de bewerker verplicht om de hoeveelheid dierlijke meststoffen (op basis van kilogram fosfaat) waarvoor 3PO’s zijn afgesloten aan een verwerker over te dragen. Hiervoor geldt een leverplicht!!

4. Valt export van champost onder verwerking

Neen, exporteren van champost wordt niet gezien als het verwerken van dierlijke meststoffen. Reden hiervoor is dat de champostketen is vrijgesteld van de mestverwerkingsplicht.

5. Ik ga in 2014 mijn bedrijf overdragen. Kan de nieuwe eigenaar de afgesloten MVO’s  overnemen?

De MVO’s, 3PO’s en VVO’s  gaan niet automatisch mee over. Dit moeten de partijen onderling regelen en melden bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland door de overeenkomsten nieuwe overeenkomsten in te dienen en eventueel in te trekken. De meest praktische weg daarin is om als de overdragende partij mestverwerkingsruimte over heeft, deze via een VVO over te dragen aan  degene die zijn bedrijf overneemt.

Heeft u nog meer vragen? Neem dan contact met ons op.

Melkveefosfaatreferentie: beschikkingen worden verstuurd

Op dit moment worden de beschikkingen van de melkveefosfaatreferentie verstuurd. Deze beschikking is hetbesluit omtrent het ontwikkelingsplafond waarbinnen een melkveebedrijf, zonder extra mestverwerking, extra grond of een combinatie van beiden,  mag ontwikkelen. De melkveefosfaatreferentie wordt berekend op basis van de in 2013 gehouden aantallen melkvee vermenigvuldigd met de forfaitaire fosfaatproductienormen op het moment van ingaan van de Wet (1 januari 2015) verminderd met de plaatsingsruimte voor fosfaat berekend op basis van oppervlakte landbouwgrond in 2013 vermenigvuldigd met de fosfaatgebruiksnormen van 2013. Komt uit deze berekening een negatief getal, dan wordt de melkveefosfaatreferentie op nul gesteld.

De beschikking is een besluit waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat. Gezien het belang van melkveefosfaatreferentie voor de ontwikkeling van het bedrijf is het van belang in ieder geval  te controleren of gebruik is gemaakt van de juiste uitgangsgegevens en indien nodig (binnen 6 weken) bezwaar te maken.

Belangrijke punten voor deze controle zijn:

  • Het gemiddeld aantal stuks melkvee (cat. 100, 101,102).
  • De melkproductie per koe.
  • De oppervlakte grond en fosfaattoestand.
  • De fosfaatruimte die is ingerekend voor natuurterreinen.
  • Het correct verwerkt zijn van een eventuele bedrijfsoverdracht.

Ook voor bedrijven die door ontwikkelingen of omstandigheden  benadeeld worden door de gehanteerde berekeningssystematiek is het zaak om tijdig bezwaar te maken tegen de nu berekende melkveefosfaatreferentie. Hoewel in de wet geen voorziening voor knelgevallen opgenomen, wil dit niet zeggen dat er geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de gevolgen van uitzonderlijke omstandigheden.

Tenslotte is het van belang om – ook wanneer het bedrijf niet uitbreidt – de consequenties van de melkveefosfaatreferentie voor dit jaar helder in beeld te brengen. Immers door de verlaging van de gebruiksnormen neemt het fosfaatoverschot op een groot aantal bedrijven dit jaar al toe. Mogelijk tot een niveau boven de melkveefosfaatreferentie. Zie hiervoor ook dit item.

In uw voordeel bijgesteld…

foto rapport van bevindingen

Het rapport bij de boeteberekening is de basis voor de opgelegde boete

Bij de beoordeling of een bedrijf voldoet aan de gebruiksnormen past RVO bij sommige posten bijstellingen toe in het voordeel van het bedrijf. De afvoer van dierlijke mest is zo’n post. In het toelichtend rapport bij de (boete)berekening wordt dan bijvoorbeeld gesteld: ‘De post ‘afvoer’ heb ik berekend aan de hand van de Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen waarbij u als leverancier staat geregistreerd. RVO heeft deze post in uw voordeel bijgesteld’. Dat is mooi! Toch is het van belang na te gaan op basis van welke gegevens een correctie is berekend.

Ter illustratie onderstaand voorbeeld van een vleesvarkensbedrijf. Voor het gemak is aangenomen dat de mutatie van voorraadposten voer, dieren (netto) nul  is geweest, het bedrijf niet beschikt over grond en de eindvoorraad mest gelijk was aan de beginvoorraad mest in het betreffende kalenderjaar. De in dit voorbeeld berekende mestproductie bedraagt 4.214 kg fosfaat en (na correctie voor het N-gat) 5.585 kg stikstof.  Dis is wel na de correctie voor het stikstofgat die 2.735 kg bedraagt. De mestafvoer bedraagt 4.150 kg fosfaat en 5.500 kg stikstof. Hierdoor blijft 64 kg fosfaat en 85 kg stikstof onverklaard.

fosfaat (kg) stikstof (kg)
aanvoer voer 7214 17920
aanvoer dieren 900 1800
afvoer dieren 3900 7800
N-verlies 3600
correctie N-gat 2735
mestproductie 4214 5585
mestafvoer 4150 5500
onverantwoord 64 85

 

In onderstaande situatie is de mestafvoer (denkbeeldig) ‘in uw voordeel’ door RVO aangepast. De aanpassing is niet groot, maar elke correctie in het voordeel is meegenomen. Voor stikstof bedraagt het voordeel in dit voorbeeld 110 kg. Het addertje onder het gras is dat dit voordeel in het voorbeeld weer vrijwel geheel teniet wordt gedaan door het feit dat de correctie voor het N-gat met 97 kg daalt. De mestproductie na de correctie bedraagt daarmee 4.214 kg fosfaat en 5.682 kg stikstof. De bijgestelde mestafvoer bedraagt 4.160 kg fosfaat en 5.610 kg stikstof. Hierdoor blijft 54 kg fosfaat en 72 kg stikstof onverklaard. Vooral dit laatste is nauwelijks lager dan in de uitgangssituatie het geval was.

 

fosfaat (kg) stikstof (kg)
aanvoer voer 7214 17920
aanvoer dieren 900 1800
afvoer dieren 3900 7800
N-verlies 3600
correctie N-gat 2638
mestproductie 4214 5682
mestafvoer 4160 5610
onverantwoord 54 72

 

Moraal van het verhaal: ‘in uw voordeel bijgesteld’ klinkt mooi en dat is het ook. Maar het is wel van belang te controleren of op het juiste niveau wordt gecorrigeerd en de doorgevoerde correcties geen nivellerende werking op elkaar hebben.  Wanneer dit wel het geval is, is het van belang daar in de zienswijze, het bezwaarschrift of het beroepschrift op in te gaan.