Onderzaai bij mais mislukt, wat nu?

Al eerder besteden we op deze website aandacht aan de gewijzigde verplichting tot de teelt van een vanggewas na maïs op zand- en lossgrond.  In het kort: aan de verplichting tot de teelt van een nagewas kan  op 3 manieren invulling worden gegeven:

  1. Door onderzaai van een vanggewas;
  2. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 1 oktober – een vanggewas in te zaaien;
  3. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 31 oktober –  een wintergraan te telen, waarbij het wintergraan als hoofdteelt gebruikt dient te worden in het volgende kalenderjaar.

Veel maistelers hebben vanwege de ‘deadline’ van 1 oktober gekozen voor onderzaai van een vanggewas.  De droogte van dit jaar heeft echter  als een van de gevolgen dat bij een groot deel van de percelen waarbij voor de optie van onderzaai is gekozen de opkomst van de onderzaai dit jaar is mislukt,  deels is mislukt of dreigt te zijn mislukt.

Wie daarbij redeneert ‘jammer dan’. Ik heb onderzaai gedaan en daarmee aan mij verplichting voldaan komt echter bedrogen uit. RVO en de NVWA stellen nadrukkelijk dat sprake dient te zijn van van een bedekte bodem. Wanneer de mais dan niet voor 1 oktober wordt geoogst betekent dit dat geen invulling kan worden gegeven aan de verplichting tot het tijdig (voor 1 oktober) inzaaien van een vanggewas. RVO heeft inmiddels deze situatie onderkend en aangegeven daar bij een controle rekening mee te houden.  Maïstelers bij wie de onderzaai is mislukt, mogen ook na 1 oktober – onder vaoorwaarden – opnieuw een vanggewas inzaaien of vanggewas bijzaaien.

 

 

RVO stelt nu dat bedrijven bij wie de onderzaai mislukt is  direct na de oogst een vanggewas mogen bijzaaien of opnieuw mogen inzaaien. Daarbij mogen de gewassen worden gebruikt uit de tabel. Wanneer maar een deel van de onderzaai is mislukt kan alleen dat deel van het perceel opnieuw worden ingezaaid. Wel is een nadrukkelijke voorwaarde dat bij controle aannemelijk kan worden gemaakt dat eerder onderzaai is verricht en dat er normaal gesproken een vanggewas zou moeten hebben gestaan.  Dit betekent dat aannemelijk moet worden gemaakt wie, wat, wanneer en hoe het vanggewas is gezaaid. .

Deze toezegging van RVO is in zekere zin in tegenspraak met de informatiebrief die RVO onlangs heeft gestuurd over het inzaaien van een vanggewas als hoofdteelt. Deze brief had uitsluitend betrekking op optie 3 van de mogelijkheden om te voldoen aan de verplichting (vanggewas als hoofdteelt). Het hier besprokene heeft uitsluitend betrekking op optie 1 (vanggewas door onderzaai).

 

 

Vanggewas na mais: de regels op een rij

Sinds dit jaar zijn de regels rond het inzaaien van een vanggewas na maïs op zand en lössgrond enigszins aangepast. Verandering betekent altijd enige onduidelijkheid. Vandaar, hieronder  een samenvatting van de regels en de voorwaarden met betrekking tot het inzaaien van een vanggewas.

Waarom een vanggewas na maïs?

De wetgever stelt dat dat maïsteelt op zand- en lössgrond een groot risico voor uitspoeling van stikstof heeft. Mais stopt na juli met opnemen van stikstof, maar na die tijd komt er nog veel stikstof vrij. Deze stikstof blijft in de bodem achter die uit kan spoelen gedurende de winter. Om deze uitspoeling te voorkomen is de verplichting om  direct na de oogst van maïs op zand- en lössgrond een vanggewas telen ingevoerd. Dit vanggewas moet de dan nog in de bodem aanwezige stikstof vastleggen en daarmee behoeden voor uitspoeling.

Wil dit gebeuren dan moet het vanggewas zich voldoende goed kunnen ontwikkelen. Daarom zijn vanaf 2019 uiterlijke inzaaidatums voor het vanggewas gedefinieerd. Gezien het doel van het vanggewas mag, in tegenstelling tot een groenbemester, een vanggewas ook niet worden niet worden bemest. Bemesten mag pas weer als de uitrijdperiodes van het volgende kalenderjaar zijn ingegaan.

Uiterste inzaaidatum vanggewas

De uiterste inzaaidatum van het vanggewas na de teelt van biologische snijmaïs, korrelmaïs, suikermaïs, Corn Cob Mix of Maïskolvensilage is 31 oktober. Voor de teelt van een vanggewas na snijmais is de uiterste inzaaidatum 1 oktober.

Wijze van inzaaien

Aan de verplichting van het vanggewas na maïs kan worden voldaan door:

  • onderzaai tijdens de maïsteelt. Het is belangrijk om tussen de rijen maïs te telen, zodat de wortels van het vanggewas de bodem kunnen doorwortelen.
  • direct na de oogst van de maïs een vanggewas in te zaaien
  • direct na de oogst van snijmaïs wintergraan te telen als hoofdteelt voor het volgende kalenderjaar.

In alle situaties is goede landbouwpraktijk het uitgangspunt. Wanneer de inzaai ‘mislukt’ zal de teler moeten aantonen dat al de nodige moeite is gedaan om de opkomst van het vanggewas te laten slagen. Denk hierbij aan het gebruik van voldoende en goed zaaizaad en een geschikte machine.

Wanneer vanggewas uiterlijk inzaaien?

Er zijn verschillende uiterlijke datums om een vanggewas in te zaaien. De datum hangt af van het soort maïs dat u teelt en hoe het vanggewas wordt geteeld. In de tabellen hieronder is per maïssoort gegeven wanneer uiterlijk het vanggewas moet zijn ingezaaid en welk vanggewas mag worden ingezaaid. In de Gecombineerde Opgave geeft u bij het maïsperceel het vanggewas als volgteelt op. Doorgeven kan uiterlijk 1 oktober.

Vanggewas na snijmaïs

Onderstaande tabel geldt bij de teelt van  snijmaïs.

U teelt een vanggewas: door onderzaai direct na de oogst direct na de oogst als hoofdteelt
Wanneer uiterlijk zaaien 1 oktober
(geen uiterste oogstdatum)
1 oktober 31 oktober
Welk gewas zaaien Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Spelt
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst

 

Vanggewas na andere soorten maïs

Onderstaande tabel gebruikt u als u een van de volgende maïssoorten teelt: biologische snijmaïs, korrelmaïs, suikermaïs, Corn Cob Mix of Maïskolvensilage.

U teelt een vanggewas: door onderzaai direct na de oogst direct na de oogst
Wanneer uiterlijk zaaien 1 oktober
(geen uiterste oogstdatum)
1 oktober, onderstaande gewassen 31 oktober, onderstaande gewassen
Welk gewas zaaien Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Spelt
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst

Mengsel als vanggewas

Het is toegestaan  een mengsel van verschillende gewassen als vanggewas telen. Het mengsel bestaat dan wel voor ten minste twee derde uit een of meer vanggewassen uit de tabellen hierboven. Voorwaarde is dat ook dat het ingezaaide mengsel in het najaar tot ontwikkeling is gekomen.

Vernietigen vanaf 1 februari

Het vanggewas mag niet worden vernietigd vóór 1 februari van het volgende jaar. Het maakt niet uit of het vanggewas als onderzaai of direct na de oogst is  gezaaid. Is gekozen voor een vanggewas als hoofdteelt na snijmaïs, dan mag het niet worden vernietigd. Het gewas moet dan later in het jaar als hoofdteelt worden geoogst.

Gras ingezaaid?

Wanneer gras als vanggewas wordt ingezaaid, mag dit als veevoer worden gebruikt (weiden of maaien) in het volgende jaar. Wel moeten daarna de regels voor het scheuren van grasland  worden betracht. Als het gras wordt gebruikt als veevoer, ziet RVO dit vanaf 1 februari van het volgende kalenderjaar als tijdelijk grasland met alle bijbehorende regels en voorwaarden voor tijdelijk grasland.

Het is uiteraard ook toegestaan vanaf 1 februari van het volgende jaar het grasland te vernietigen en een ander gewas te zaaien als hoofdteelt voor dat jaar als u het vanggewas niet als grasland gebruikt. In die situatie gelden de regels voor het scheuren van grasland niet.

Controle en handhaving

Indien er geen of een onjuist vanggewas wordt geteeld, niet aan de uiterste inzaaidatum wordt voldaan of anderszins niet aan de regels rondom de teelt van een vanggewas wordt voldaan is sprake van een overtreding. Dit kan een boete en  mogelijk ook een randvoorwaardenkorting betekenen. Bovendien kan het gevolgen hebben voor de derogatievergunning. Opletten dus!

NVWA: controle op vanggewassen via satellietdata

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) maakt bekend dat men dit jaar voor het eerst gebruik zal maken van satellietdata bij de controles op de teelt van een vanggewas. Het gebruik van satellietdata is al bekend uit de zogenaamde teledetectiecontroles die RVO uitvoert naar de gegevens omtrent de landbouwkundig beteelde oppervlakte van de bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen.

Het gebruik van satelietbeelden en -informatie bij toezicht en handhaving is al bekend bij de zogenaamde teledetectiecontroles

Met behulp van de satellietdata kunnen de toezichthouders van de NVWA zien of op de percelen waarop dit verplicht is of waarvoor dit is opgegeven bij de Gecombineerde Opgave ook daadwerkelijk een vanggewas wordt geteeld. De NVWA geeft aan dat deze nieuwe werkwijze er voor zal zorgen dat men meer percelen, gerichter kan controleren.

Bij percelen op zand- en lössgrond waarop maïs is geteeld is het verplicht  om direct na de maisoogst een vanggewas in te zaaien. De inspecties op de teelt van een vanggewas na de teelt van maïs bestaan uit zichtcontroles waarbij vastgesteld wordt of op percelen waar maïs geoogst is het gewenste vanggewas geteeld wordt en dit vanggewas voldoende lang op het perceel staat.

Maar ook na de teelt van andere gewassen kan  een vanggewas worden geteeld bijvoorbeeld om daarmee invulling te geven aan de zogenaamde vergroening (Ecologische Aandachtsgebieden) in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB).  De satellietdata zullen  ook worden gebruikt om te controleren of op dergelijke percelen gedurende 10 weken een vanggewas wordt geteeld. En of er, voordat de 10 weken verstreken zijn, geploegd is of een andere grondbewerking heeft plaatsgevonden.

Belangrijk om nog eens te stellen is dat het voldoen aan alle voorwaarden van het GLB vervolgens weer een voorwaarde om gebruik te kunnen maken van derogatie. Hier grijpen het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) en de Meststoffenwet dan weer in elkaar.

Een extra paar ogen erbij dus die controleren of een vanggewas tijdig wordt ingezaaid en lang genoeg ongestoord op het perceel staat. Wanneer tijdens een inspectie blijkt dat niet aan de wettelijke verplichting wordt voldaan kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Daarnaast beslist de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) over het korten van de subsidie en/of het vervallen van de derogatie.

Vernietigen van een nagewas niet voor 1 februari van het volgende jaar

Bij de teelt van mais op een perceel zand- of lössgrond is, op basis van artikel 8a Besluit Gebruik meststoffen (hierna: BGM) de teelt van een nagewas verplicht. De regels die daarbij moeten worden gehanteerd (naast de keuze van het nagewas) zijn (kort samengevat):

  • Direct na de oogst van maïs moet een vanggewas worden geteeld. Dit mag via onderzaai in de maïs of via zaaien na de oogst van de maïs.
  • Het vanggewas mag niet worden vernietigd voor 1 februari van het daaropvolgende jaar
nagewas-na-mais

de teelt van een nagewas is verplicht op percelen op zand- en lössgrond na de teelt van mais

Wie maïs heeft verbouwd, maar geen vanggewas teelt, is in overtreding. Dan kan een boete worden opgelegd, maar ook een randvoorwaardenkorting. Maar wat nu als het vanggewas wel wordt geteeld, maar niet tot 1 februari van het daaropvolgende jaar blijft staan?

Het kan immers voorkomen dat in de periode vanaf de inzaai van het vanggewas tot 1 februari van het daarop volgende jaar op het perceel werkzaamheden plaatsvinden die resulteren in het afsterven van het gewas. Denk daarbij aan het bedekken van de bodem met (vaste) mest het omspitten of ophogen van een deel van het perceel. Hoe zit het dan?

Onder vernietigen worden alle activiteiten gezien (bijvoorbeeld ook doodspuiten of bedekken) die resulteren in het afsterven van het gewas. Dus ook het laten afsterven van het gewas door (tijdelijke) opslag van meststoffen, opbrengen van grond, etc. In uitzonderingsgevallen (bijvoorbeeld een landinrichtingsplan, herinrichtingsplan of reconstructieplan, kan worden voorzien in een uitzondering van de eis tot niet mogen vernietigen. Maar dan is een vergunning/toestemming nodig van het bevoegde gezag.

Controle op de verplichting tot het telen en in stand houden van een vanggewas vindt plaats door de NVWA. Wanneer een overtreding wordt vastgesteld, wordt een  proces-verbaal opgemaakt dat zowel naar het Openbaar Ministerie als naar RVO wordt gestuurd.

Het Openbaar Ministerie kan een geldboete opleggen, maar omdat in de meeste gevallen slechts sprake zal zijn van een klein deel van het perceel kan dit meevallen.

RVO zal bepalen dat een deel van het perceel niet kan worden aangemerkt als landbouwgrond (dus geen plaatsingsruimte en mogelijk vervallen derogatie) en dat daarmee een afwijking is ontstaan tussen de oorspronkelijk gedane Gecombineerde Opgave en de feitelijke situatie. Om deze reden kan eventueel een randvoorwaardekorting op de GLB-subsidies worden toegepast. Het kortings- of sanctiebedrag  is afhankelijk van het afwijkingspercentage tussen de eigenlijke Gecombineerde opgave en de opgegeven oppervlakte in de Gecombineerde Opgave die is ingediend. Het kortings- of sanctiebedrag wordt in mindering gebracht op de uitbetaling en kan bovendien gevolgen hebben voor het kortingspercentage in latere jaren.

Afwijkingspercentage/hectares Korting of sanctie
≤ 3% of ≤ 2 ha< Geen sanctie, wel een correctie van de oppervlakte, waardoor niet alle betalingsrechten en de vergroeningsbetaling uitbetaald en benut kunnen worden.
Meer dan 3% of 2 ha Sanctie van 1,5 keer de afgekeurde oppervlakte keer de gemiddelde waarde van de betalingsrechten.
Eerste keer 3 tot 10% of 2 ha Toekenning gele kaart. Het sanctiebedrag wordt verminderd met de helft en is dan 0,75 keer de afgekeurde oppervlakte keer de gemiddelde waarde van de betalingsrechten.
Bij herhaling meer dan 3% of 2 ha De gele kaart vervalt en de 50% vermindering wordt alsnog in rekening gebracht. Daarnaast wordt voor het betreffende jaar een sanctie opgelegd van 1,5 keer de afgekeurde oppervlakte keer de gemiddelde waarde van de betalingsrechten.
> 10% Het recht op een gele kaart vervalt.
Uitsluiting van subsidie vindt plaats als het sanctiebedrag hoger is dan het bedrag dat wordt ontvangen voor de goedgekeurde oppervlakte. Dit is het geval bij een afwijking van meer dan 66,67%.

 

Duidelijk moet zijn dat bij alle handelingen die resulteren in het afsterven van het vanggewas, sprake is van een overtreding en daarbij het risico bestaat dat een sanctie wordt opgelegd in de vorm van een korting op de betalingsrechten en het risico op een mestboete vanwege een overschrijding van de gebruiksnormen.

 

UPDATE: beperkt uitstel uitrijverbod voor bouwland

Alleen voor bouwland waar een groenbemester of winterkoolzaad wordt ingezaaid wordt het uitrijverbod voor drijfmest met twee weken verlengd. Dat besluit heeft Staatssecretaris van Dam in een brief gericht aan de Tweede Kamer medegedeeld. Met het besluit, dat vergelijkbaar is met de in 2015 verleende vrijstelling,  wordt tegemoet gekomen aan een verzoek vanuit de sector. 

Het besluit is ingegeven door de weersomstandigheden van de afgelopen maanden waardoor op akkerbouwbedrijven de oogst wat later ligt dan gebruikelijk. Daardoor lukt het in veel gevallen niet om tijdig mest uit te rijden en een groenbemester of winterkoolzaad in te zaaien. De periode waarin het uitrijden van drijfmest is toegestaan wordt daarom in 2016 met twee weken verlengd, tot en met 15 september. Voorwaarde is dan wel dat de groenbemester of het winterkoolzaad op deze akkers uiterlijk op 16 september worden ingezaaid.

Structurele oplossing
De TCB constateert dat een verzoek om uitstel van het uitrijdverbod frequent terugkomt en adviseert om te zoeken naar een structurele oplossing. De Staatssecretaris heeft aangegeven om dit in de komende periode op te willen pakken. Het lijkt logisch daarbij aansluiting te zoeken bij het zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn dat in zal gaan per 2018.

Lees hier de brief van de Staatssecretaris inclusief het advies van de TCB

Lees hier de officiële bekendmaking in de Staatscourant

Overmacht Basisbetalingsregeling GLB

Wie door overmacht, zoals bijvoorbeeld vanwege uitzonderlijke (weers)omstandigheden, niet  of niet volledig kan voldoen aan de voorwaarden voor de uitbetaling van betalingsrechten, vergroeningsbetaling, extra betaling jonge landbouwers of graasdierpremie (Basisbetalingsregeling) kan een beroep doen op  overmacht. Hiervoor kent de systematiek een regeling.

Redenen voor overmacht

Redenen voor overmacht zijn onder andere het overlijden van de begunstigde, een dier- of plantenziekte of een niet voorziene onteigening. Echter ook extreme weersomstandigheden kunnen een reden voor overmacht zijn. Gezien de extreme weersomstandigheden in sommige delen van ons land is deze reden op dit moment actueel. Wordt een beroep op overmacht goedgekeurd, dan blijft het recht op uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling bestaan.

extreme neerslag

Extreme weersomstandigheden kunnen een reden zijn voor een beroep op overmacht als niet kan worden voldaan aan de voorwaarden van de basisbetalingsregeling.

Extreme weersomstandigheden in juni 2016

In juni 2016 was sprake van extreme weersomstandigheden onder andere in Zuidoost-Nederland. Het kan zijn dat door de overvloedige regen en hagel de toestand van de gewassen zodanig is dat er geen andere keuze rest dan het aanpassen van het bouwplan. Hierdoor wordt afgeweken van hetgeen op de Gecombineerde Opgave is aangegeven en kan wellicht niet meer aan de voorwaarden worden voldaan die gelden voor de Basisbetalingsregeling. Wat nu?

  • Kijk altijd eerst of met het alternatieve bouwplan alsnog kan worden voldaan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling. Lukt dit, dan hoeft er geen beroep te worden gedaan op overmacht. Wel moeten de wijzigingen in het bouwplan tijdig worden doorgegeven aan RVO. Dit kan via ‘mijn dossier’ op de site van RVO.
  • Lukt het niet om met een alternatief bouwplan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling te voldoen, dan kan een beroep worden gedaan op overmacht. Hiertoe moet een melding worden gedaan. In deze melding moet worden  aangegeven dat de wijzigingen in het bouwplan noodzakelijk zijn, maar ook waarom niet kan worden voldaan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling. In dat geval hoeven de wijzigingen in het bouwplan niet te worden doorgegeven.

Wijziging in bouwplan

Bij het aanbrengen van wijzigingen van het bouwplan is het belangrijk dat eerst wordt gekeken of op een andere wijze kan worden voldaan aan de voorwaarden. Bijvoorbeeld door op hetzelfde perceel een ander toegestaan vanggewas voor ecologisch aandachtsgebied (EA) te zaaien of een volgteelt EA op een ander perceel te zaaien. Bijvoorbeeld als u na een mislukte hoofdteelt nog een tweede hoofdteelt wilt zaaien en deze niet voor 30 september wordt geoogst.

neerslagrecord juni

Met name het zuidoosten van ons land kreeg in juni van dit jaar grote hoeveelheden neerslag te verwerken (bron: website KNMI)

Wat te doen:

Gewijzigde bouwplan voldoet wel aan de voorwaarden

U wijzigt uw bouwplan en u kunt daarmee nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling.

  • Wijzigt vóór 15 juli de hoofdteelt, geef dit dan door in ‘Mijn percelen’ van de Gecombineerde Opgave in het digitale dossier op de site van RVO. Houd bij wijzigingen vóór 15 juli ook rekening met de verplichtingen die gelden voor gewasdiversificatie. Voor gewasdiversificatie moeten de gewassen in de periode van 15 mei tot en met 15 juli op het land staan.
  • Wijzigt de ingangsdatum van de volgteelt voor ecologisch aandachtsgebied? Geef dit dan uiterlijk op de dag van inzaai door met de Gecombineerde opgave op de site van RVO. Bij een vanggewas als ondervrucht in het hoofdgewas geldt de oogstdatum van het hoofdgewas als inzaaidatum van het vanggewas. De uiterste ingangsdatum van de volgteelt voor ecologisch aandachtsgebied is 30 september.

Gewijzigde bouwplan voldoet niet aan de voorwaarden : Beroep doen op overmacht 

Kunt u met een gewijzigd bouwplan toch niet voldoen aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling? Dan kunt u met het formulier Melding Overmacht Basisbetalingsregeling GLB een beroep worden gedaan op overmacht beroep doen op overmacht (kijk bij Direct Regelen). Bij de melding moet op het daarvoor bestemde formulier worden aangegeven, aan welke voorwaarden niet kan worden voldaan en waarom niet. Daarbij moet worden aangegeven om welke percelen het gaat. Bij de melding overmacht moeten ook bewijsstukken worden meegestuurd van de overmachtssituatie zoals bijvoorbeeld foto’s en een schaderapport. Zorg er tenslotte voor dat de melding zo snel mogelijk wordt gedaan. Alleen dan kan RVO op basis van een feitelijke controle constateren dat inderdaad sprake is van een uitzonderlijke situatie. De ingediende melding en de meegestuurde bewijsstukken worden door RVO beoordeeld. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de specifieke situatie zoals die zich heeft voorgedaan op het bedrijf in kwestie en wordt gebruik gemaakt van gegevens van onder andere het KNMI (neerslaggegevens) en actuele satellietbeelden.

Wanneer een beroep op overmacht wordt gedaan volstaat de melding en hoeft het gewijzigde bouwplan niet aan RVO te worden doorgegeven.

 

Wijzigingen naar aanleiding van knelpunten graszaadsector

De graszaadsector heeft een aantal knelpunten voor de sector die voortvloeien het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van 2 juli 2014 aangekaart bij de staatssecretaris. Die heeft deze knelpunten voorgelegd aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) voor advies. Op basis van het CDM advies wordt één herstelmaatregel direct doorgevoerd en twee andere maatregelen zullen worden doorgevoerd, mits de Europese Commissie ook van mening is dat daarmee geen afbreuk plaatsvindt aan de doelen van het vijfde Nederlandse actieprogramma Nitraatrichtlijn. Een overzicht:

Latere gift van stikstofkunstmest

Het eerste punt betreft de stikstofkunstmestgift in september/oktober op overjarig rietzwenkgras dat wordt geteeld voor de zaadwinning. Mede op basis van het advies van de CDM zal het per 1 januari 2016 mogelijk worden in de graszaadteelt van rietzwenkgras in de periode van 16 september t/m 15 oktober stikstofkunstmest te geven. Deze verruiming is onderdeel van de wijziging van het Besluit gebruik meststoffen; deze is op dit moment in procedure en voor het eind van het jaar afgerond.

Graszaadgewas gelijk stellen aan groenbemester

De sector heeft ook verzocht een graszaadgewas gelijk te stellen aan een groenbemester, zodat daarop in de maand augustus ook drijfmest mag worden uitgereden. Er zijn volgens de CDM geen redenen om in de stoppel van een bestaand graszaadgewas niet toe te staan in de maand augustus drijfmest uit te rijden. Ook kan in een dergelijk gewas de stikstofgebruiksnorm van een niet-vlinderbloemige groenbemester worden toegepast, mits dit gewas net als een groenbemester na enige tijd zal worden vernietigd. Wel is het noodzakelijk ter voorkoming van uitspoeling van nitraat dat de graszode op kleigrond tot minimaal acht weken na toediening van de drijfmest niet wordt vernietigd. Ervan uitgaande dat drijfmest eind augustus wordt toegediend, zal op kleigrond vernietiging niet voor 1 november mogen plaatsvinden. Op zand-, löss- en veengrond zal vernietiging niet voor 1 december mogen plaatsvinden.

 Wel is het van belang dat het gaat om bemesting als een groenbemester op bouwland. Indien de stoppel in september als voedergewas voor landbouwhuisdieren zou worden gebruikt (door maaien of beweiden), is geen sprake meer van bouwland, maar van grasland. Dan gelden dus niet de voorschriften voor bouwland, maar voor grasland. Dat betekent dat de graszode van deze graszaadstoppel als grasland wordt aangemerkt en niet mag worden vernietigd voor 1 februari van het volgende jaar.

Hogere stikstofgift op bepaalde grassoorten

Tenslotte is verzocht om hogere stikstofgebruiksnormen voor eerstejaars en overjarige gewassen voor de winning van zaad van de grassoorten Engels raai, rietzwenk en veldbeemd. Op basis van onderzoeksgegevens en bestaande expertise concludeert de CDM dat er voor de graszaadteelt van eerstejaars veldbeemd voldoende onderbouwing is om de stikstofgebruiksnorm in de mestregelgeving te verhogen, tot in de orde van grootte van 130 kg per hectare. Voor de teelt van graszaad van Engels raai en rietzwenk zijn er geen duidelijke aanwijzingen om vanwege landbouwkundige redenen de bestaande gebruiksnormen te verhogen.

NVWA start deze week met controles op inzaai vanggewas na maïs

nagewas na mais

het inzaaien van een nagewas na de teelt van mais is verplicht op zand- en lössgrond.

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit heeft aangegeven in de week van 9 november te starten met controles op het verplicht inzaaien van een vanggewas na de oogst van de maïs. Maïstelers op zand- en lössgrond zijn verplicht om na de maïsoogst een vanggewas n te zaaien en dit in ieder geval tot 1 februari 2016 op het land te laten staan. Het zaaien van een vanggewas na maïs is bedoeld om uitspoeling van stikstof in het najaar en de winter te voorkomen. Dit moet bijdragen aan de realisatie van de nitraatrichtlijn op de zogenaamde uitspoelingsgevoelige grondsoorten.

De regels voor het telen en vernietigen van een vanggewas zijn:

  • Het vanggewas moet direct na de oogst van maïs worden geteeld. Dit mag via onderzaai in de maïs of via zaaien na de oogst van de maïs.
  • Het vanggewas mag niet worden vernietigd voor 1 februari van het daaropvolgende jaar.

Niet alle gewassen zijn toegestaan als vanggewas na maïs. De toegestane vanggewassen zijn:

  • bladkool
  • bladrammenas
  • gras
  • japanse haver
  • triticale
  • wintergerst
  • winterrogge
  • wintertarwe

Wie na maïs (op zand- en lössgrond) geen vanggewas teelt, is in overtreding. Hierop gaat de NVWA dus de komende periode controleren. De NVWA stelt bij niet voldoen niet alleen een boete in het vooruitzicht, maar ook een randvoorwaardenkorting.

Klik hier voor het persbericht van de NVWA.