Vrijstelling wegen en bemonsteren bij afvoer mest uit te slopen stal?

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak die onder meer handelde over de verplichting tot het wegen, monsteren en analyseren van mest die wordt afgevoerd uit een te slopen stal.

In 2017 hielden toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op het bedrijf van appellante een controle op de naleving van de verplichtingen van de Meststoffenwet. De conclusie van dit onderzoek was dat appellante de monsterpotten van de mestmonsters van vier vrachten mest die waren afgevoerd niet door de automatische verpakkingsapparatuur had laten afsluiten en dat appellante deze mestmonsters vervolgens tussen de drie en vijf dagen onafgesloten heeft bewaard.

Hiervoor heeft de minister aan appellante, bestuurlijke boetes opgelegd van € 2.400,- vanwege het overtreden van artikel 54, eerste lid, en 80, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Urm). Het door appellante gemaakte bezwaar is door de minister ongegrond verklaard. Ook de rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overtredingen van de Urm. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat de door haar vervoerde mest afkomstig was van een sloopboerderij en de mest daarmee niet bemonsterd hoefde te worden, omdat er tussen CUMELA en (de rechtsvoorganger van) de NVWA een afspraak bestaat over de afvoer van restanten mest uit sloopboerderijen. Deze afspraak zou aansluiten bij de uitzonderingsregeling van artikel 90 van de Urm op grond waarvan geen bemonstering hoeft plaats te vinden. Deze afspraak is tot uitdrukking gebracht in paragraaf 6.11 van de Handleiding Mestwetgeving van CUMELA (hierna: de handleiding).

De minister heeft het bestaan van de door appellante bedoelde afspraak aanvankelijk ontkend. Ter zitting heeft de minister benadrukt dat de buitenwettelijke afspraak is gemaakt voor sloopbedrijven en alleen ziet op het toepassen van de opmerkingscode 35 op het vervoersdocument meststoffen. De verplichting om de te vervoeren mest onder meer te bemonsteren blijft bestaan, ook in het geval dat er voor een sloopboerderij geen relatienummer meer bestaat.

In haar uitspraak stelt het College vast dat paragraaf 6.11. van de handleiding luidt:

AFVOER VAN KLEIN BEDRIJF

Afvoer van mest van een klein landbouwbedrijf kan zonder bemonsteren, wegen en het gebruik van AGR/GPS. Wel moet een VDM worden gebruikt. Een geregistreerd intermediair is niet nodig.

Voorwaarden:
– De oppervlakte landbouwgrond van het bedrijf is kleiner dan drie hectare;
– De productie en de aanvoer van mest zijn samen minder dan 350 kilogram stikstof;
– De afvoer heeft alleen betrekking op de meststoffen die op het bedrijf zijn geproduceerd.
– De aflevering gebeurt rechtstreeks, zonder tussenopslag.
– De afstand tussen de betrokken bedrijven is hemelsbreed maximaal tien kilometer.

Deze uitzondering mag ook worden gebruikt voor de afvoer van een restant mest in een te slopen boerderij die inmiddels niet meer in eigendom is van een landbouwbedrijf, maar van bijvoorbeeld een overheid of projectontwikkelaar. Er is dan wel een VDM nodig. Dit moet volledig worden ingevuld, waarbij een inschatting wordt gemaakt van de soort mest die in de kelders aanwezig is.

Het College ziet, na lezing van deze passage en van de door appellante overlegde notulen van een overleg tussen CUMELA en de minister, geen reden te twijfelen aan het bestaan van de afspraak en ook de minister heeft ter zitting erkend dat de uitzondering van de verplichting tot bemonstering, zoals hiervoor is weergegeven, op zich geldend is.

De vraag is vervolgens of appellante ook aan de in de uitzondering vermelde voorwaarden heeft voldaan: Naar het oordeel van het College is dit niet het geval omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar vervoerde mest afkomstig was van een te slopen boerderij die niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf. Weliswaar blijkt uit de door appellante overgelegde stukken dat de desbetreffende varkensfokkerij zijn activiteiten begin 2017 heeft beëindigd en dat de stallen in de zomer van 2017 zijn gesloopt, maar hieruit kan, volgens het College niet worden afgeleid dat de boerderij op het moment dat appellante de mest uit de stallen van deze boerderij vervoerde niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Uit deze uitspraak blijkt enerzijds dat de uitzondering van wegen, het gebruik van AGR/GPS en bemonstering en analyse bij de afvoer van dierlijke mest ook mag worden toegepast voor de afvoer van een restant mest uit een te slopen boerderij. Anderzijds geldt dat deze uitzondering alleen mag worden toegepast onder strikte voorwaarden (te slopen stal, niet meer in eigendom is van een landbouwbedrijf, resten afvoer van dierlijke mest) en dus niet erg breed kan worden toegepast.

Lees hier de volledige uitspraak.

Veranderingen mestbeleid in 2020

Een nieuw jaar, nieuwe regels: In 2020 veranderen de regels voor het gebruik van mest. De equivalente maatregelen voor extra fosfaat vervallen en sommige voorwaarden veranderen. Ook verandert de hoeveelheid mest die mag worden toegediend aan overige grond. Hieronder zijn een aantal van de belangrijkste veranderingen kort samengevat:

Lagere fosfaatgebruiksnorm

De fosfaatgebruiksnorm voor grond met de fosfaattoestand hoog gaat in 2020 omlaag. Op grasland mag in 2020 nog 75 kilogram fosfaat worden gebruikt en op bouwland is deze hoeveelheid 40 kilogram.

Extra klasse voor fosfaattoestand

Voor wie in 2020 gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie is het belangrijk dat er een extra klasse voor de fosfaattoestand is ingevoerd. Dat betekent dat er nu 5 klassen zijn: hoog, ruim, neutraal, laag en arm. Hoeveel fosfaat er op landbouwgrond van de verschillende klassen mag worden toegediend wordt vermeld in onderstaande tabellen. Wie gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie dient wel tijdig het perceel te (laten) bemonsteren en analyseren volgens het daartoe voorgeschreven bemonsteringsprotocol. Indien een perceel niet is bemonsterd geldt automatisch fosfaattoestand ‘hoog’.

Equivalente maatregelen extra fosfaat vervallen

Wie gebruik maakte van de zogenaamde  equivalente maatregelen mocht  extra stikstof of fosfaat gebruiken op een perceel. Vanaf 2020 komen deze maatregelen voor fosfaat te vervallen. De 2 equivalente maatregelen voor extra stikstof blijven bestaan. Aanmelden kan vanaf 1 maart. Meer hierover leest u op pagina ‘equivalente maatregelen‘ op de site van RVO

Meer fosfaat bij fosfaattoestand hoog

Er is een nieuwe uitzondering waarmee het wordt toegestaan om meer fosfaat te gebruiken op een perceel. Als de fosfaattoestand van een perceel hoog is, mag 5 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend Dit kan alleen wanneer er mest wordt gebruikt die zorgt voor meer organische stof in de bodem. Aan die voorwaarde kan wordt voldaan wanneer tenminste  20 kilogram fosfaat per hectare van één van de onderstaande mestsoorten wordt gebruikt:

  • strorijke vaste mest van rundvee
  • strorijke vaste mest van schapen
  • strorijke vaste mest van geiten
  • strorijke vaste mest van paarden
  • dikke fractie van mest van rundvee
  • champost
  • gft-compost
  • groencompost

Op een biologisch bedrijf mag 10 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend. Naast de mestsoorten hierboven mag ook strorijke vaste mest van varkens worden gebruikt. Het perceel dient dan zo dicht mogelijk voor het inzaaien of poten van de gewassen te worden bemest.

Uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar dient te worden aangegeven op welk percelen in dat kalenderjaar extra fosfaat is gebruikt. RVO heeft aangegeven binnenkort bekend te maken op welke wijze dit kan worden doorgegeven.

Berekening melkveefosfaatoverschot langer bewaren

Als u uw melkveefosfaatoverschot 2014 (MFO 2014) berekent, gebruikt u de gegevens van 2014. Voor de grondgebonden en verantwoorde groei melkveehouderij blijft het MFO 2014 ook na 2019 belangrijk. Daarom is de periode voor het bewaren van de administratie en bewijsstukken van de berekening verlengd. Deze bewaart u 5 kalenderjaren, nadat u bent gestopt met uw bedrijf. Als u in december 2019 gestopt bent met het bedrijf, bewaart u de administratie over het jaar 2014 tot en met 31 december 2024.

Hoeveelheid mest op ‘overige grond’

Vanaf 1 januari 2020 is er een verschil tussen de toegestane hoeveelheid fosfaat op grasland en bouwland op overige grond. Op grasland op overige grond (paardenweitjes en dergelijke in gebruik bij particulieren) mag 90 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare uitrijden. Op bouwland is dit 60 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare.

De oude norm van 80 kilogram per hectare was voor grasland laag en voor bouwland te hoog. Door de aanpassing is de gebruiksnorm voor beide grondsoorten meer passend. De normen sluiten aan bij de fosfaatgebruiksnormen voor landbouwgrond met de fosfaattoestand neutraal. De norm voor stikstof blijft gelijk.

De normen gelden alleen voor mest op overige grond. Grasland op overige grond is bijvoorbeeld grond met hobbydieren. Bij bouwland kunt u denken aan volkstuinen. De hoeveelheden gelden voor dierlijke mest, compost, overige organische mest en herwonnen fosfaat.

Natuurgrond met pacht- of huurcontract

Voor natuurgrond staat soms in een pacht- of huurcontract (gebruiksovereenkomst) hoeveel mest er maximaal mag worden gebruikt. Vanaf dit jaar dient dit te worden beschreven in kilogrammen stikstof of fosfaat. Dit is alleen vereist in overeenkomsten die na 1 januari 2020 worden afgesloten. Voor overeenkomsten die voor deze datum zijn afgesloten  hoeft u dit alleen wanneer u deze overeenkomst verandert of verlengt.

Kerstwens

Na een jaar van hard werken is kerst een periode van terugblikken op het afgelopen jaar, maar ook van vooruitkijken naar de toekomst.

Nieuwe plannen, nieuwe uitdagingen, maar ook nieuwe energie om uitdagingen uit het verleden voortvarend op te pakken en af te ronden.

Wij wensen u fijne dagen toe en hopen dat 2020 u al het goede brengt.

 

 

Hoeveel fosfaat mag een veehouderijbedrijf verwerken?

Wie meer fosfaat op zijn bedrijf produceert dan kan worden geplaatst op de bij het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond (en niet voor één van de uitzonderingsregels in aanmerking komt) moet een percentage van dit fosfaatoverschot (laten) verwerken. Dit kan op drie manieren:

  • Mest afvoeren met op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM) de opmerkingscode 61;
  • Door middel van het afsluiten van een zogenaamde driepartijenovereenkomst mestverwerking (DPO);
  • Via het overdragen van een deel van de verwerkingsplicht aan een overnemende partij via een vervangende verwerkingsovereenkomst (VVO).

Een DPO of een VVO indienen kan tot en met 31 december 2019 via de pagina Mestverwerkingsplicht voor de landbouwer op mijn.rvo.nl. Na deze datum kunt u geen veranderingen meer doorgeven of overeenkomsten over 2019 worden ingediend. Daarom worden in deze periode van het jaar traditioneel veel overeenkomsten opgesteld. Immers pas nu is ongeveer bekend hoe hoog de verwerkingsplicht zal zijn, maar de overeenkomst moet wel tijdig worden geregistreerd.

Maar hoeveel mest mag een veehouderijbedrijf in een kalenderjaar verwerken via DPO’s of via een VDM met code 61 en hoeveel van de verwerkingsplicht kan dan via een VVO’ worden overgenomen van een andere veehouder?

RVO stelt op haar site: ‘Als overnemende partij mag u voor een maximale hoeveelheid fosfaat VVO’s afsluiten. Deze hoeveelheid is maximaal het aantal kilogram mest (in fosfaat) dat de dieren op het bedrijf een kalenderjaar produceren, verminderd met uw eigen verwerkingsplicht. De verwerkingsplicht die wordt overgenomen dient te worden verwerkt met een DPO of VDM met opmerkingscode 61 en mag niet worden ingevuld door hier zelf weer een VVO als overdrager voor af te sluiten‘.

De grondslag voor bovenstaande volgt uit artikel 33a derde lid van de Msw. Daarin wordt de hoeveelheid fosfaat die wordt verwerkt in een kalenderjaar beperkt tot ‘de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar op een bedrijf wordt geproduceerd’. Er kan dus niet meer worden verwerkt (via een VDM met code 61 of een DPO) dan de productie van fosfaat in het kalenderjaar op het bedrijf.

Vervolgens kunnen voor een deel van die hoeveelheid als overnemer van de verwerkingsplicht van een ander VVO’s worden afgesloten. Uit artikel 33a vijfde lid van de Msw dat de overgenomen verwerkingsplicht ook daadwerkelijk moet worden verwerkt (via DPO of mestcode 61) door het overnemende bedrijf en hiervoor geen VVO’s mogen worden ingezet.

Eventueel mag (een deel van) de eigen verwerkingsplicht dan weer wel worden ingevuld met VVO’s die worden aangeschaft van een partij die de verwerkingsplicht overneemt. Wel is van belang dat dat de som van de verwerkingsovereenkomsten (som van de hoeveelheid fosfaat via DPO, overgedragen VVO en code 61) niet hoger mag zijn dan de totale productie van hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogrammen fosfaat op het bedrijf in het betreffende kalenderjaar.
Een aantal voorbeelden: In alle onderstaande voorbeelden bedraagt de fosfaatproductie op het bedrijf in het betreffende kalenderjaar: 10.000 kg. De eigen verwerkingsplicht bedraagt 5.900 kg fosfaat.

  1. Een bedrijf draagt een verwerkingsplicht van 7.500 kg fosfaat over aan een collega veehouder via een VVO en sluit een VVO af overnemer af voor de teveel gecontracteerde (1.600 kg) VVO’s met een andere collega veehouder. Dit bedrijf voldoet niet aan de voorwaarden. Het bedrijf had de 1.600 kg overgenomen verwerkingsplicht immers moeten verwerken via een DPO of een VDM met code 61.
  2. Een bedrijf zet 10.000 kg fosfaat af via een DPO overeenkomst. Het bedrijf neemt via een VVO een verwerkingsplicht over van 4.100 kg fosfaat. Dit bedrijf voldoet wel aan de voorwaarden. Aan de eigen verwerkingsplicht wordt voldaan en het totaal van DPO is niet hoger dan de eigen jaarproductie.
  3. Een bedrijf zet 10.000 kg fosfaat af via een DPO overeenkomst. Het bedrijf neemt via een VVO een verwerkingsplicht over van 7.500 kg fosfaat. Om te kunnen voldoen aan de eigen verwerkingsplicht wordt een VVO afgesloten met een overnemer van 3.400 kg fosfaat. Dit bedrijf voldoet niet aan de voorwaarden: Aan de eigen verwerkingsplicht wordt weliswaar voldaan (2.500 kg via DPO en 3.400 kg via VVO). Maar de som van de afvoer via de DPO (10.000) en de extra afgesloten VVO’s (3.400), is groter dan de eigen productie aan fosfaat in het kalenderjaar en dat is niet toegestaan.
  4. Een bedrijf zet 5.000 kg fosfaat af via een DPO overeenkomst. Het bedrijf neemt 3.500 kg fosfaat over van een derde via een VVO. Het bedrijf draagt een verwerkingsplicht 4.400 kg over aan een overnemer met een VVO. Dit bedrijf wel voldoet aan de regels: Aan de eigen verwerkingsplicht wordt voldaan (4.400 kg VVO + 1.500 kg fosfaat via DPO). De som van de verwerkte hoeveelheid via de DPO (5.000 kg) plus de overgedragen VVO (4.400 kg) is lager dan de productie van fosfaat op het bedrijf (10.000 kg).

 

Kortom: let op bij het handelen in of met VVO’s, zeker wanneer u een aanzienlijk deel van de mestproductie op uw bedrijf heeft verwerkt via een VDM met code 61 of een DPO-overeenkomst.

Stikstofverliezen veehouderij driemaal hoger dan aangenomen ?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) heeft als uitgangspunt dat een bedrijf moet aantonen dat het voldoet aan de gebruiksnormen (artikel 7 Msw) of de verantwoordingsplicht (artikel 14 Msw). Uitgangspunt hiervoor is  de hoeveelheid stikstof en fosfaat in dierlijke mest die op een bedrijf wordt geproduceerd. Deze hoeveelheid wordt berekend op basis van excretieforfaits, de methode van de stalbalans of de vrije bewijslast (bijvoorbeeld de BEX). Bij de vaststelling van de excretie van stikstof wordt de berekende hoeveelheid uitgescheiden stikstof verminderd met gasvormige verliezen die optreden in de stal, bij beweiding en in de mestopslag. Hiervoor zijn forfaits beschikbaar. Deze forfaits worden per diercategorie, stalsysteem en geproduceerde mestsoort (drijfmest of vaste mest) bepaald.

bron: Trouw

De forfaits voor de (gasvormige) stikstofverliezen zijn berekend met het rekenmodel NEMA (National Emission Model for Agriculture) als de som van de verliezen van  ammoniak (NH3), stikstofoxide (NOx), lachgas (N20) en stikstofgas (N2).

Een alternatieve methode voor de bepaling van de stikstofverliezen zou, omdat fosfaat niet vervluchtigt, zijn om te kijken naar verandering in de stikstof/fosfaat-verhouding bij de geproduceerde mest (zonder correctie voor het stikstofverlies) en de afgevoerde mest en op basis van dat verschil de stikstofverliezen te berekenen. Onlangs verscheen van het CBS een publicatie deze vergelijking is gemaakt. waarin die vergelijking is gemaakt: de stikstofverliezen werden berekend op basis van de verandering in de stikstof/fosfaat-verhouding in de mest tussen het moment van excretie en bij de afvoer van dierlijke mest. De verkregen waarden werden vergeleken met de normen die nu worden gebruikt voor de stikstofverliezen en die zijn berekend met gebruikmaking van NEMA.

Uit eerder onderzoek naar mogelijke verschillen kwam al naar voren dat de gasvormige stikstofverliezen uit stallen en mestopslagen die met NEMA worden berekend, lager zijn dan de verliezen die kunnen worden afgeleid uit het verschil in de verhouding tussen stikstof en fosfaat bij excretie en bij mestafvoer van het bedrijf. Die conclusie wam ook uit dit onderzoek van het CBS. Bij de meeste mestsoorten is het stikstofverlies op basis van het verschil in de verhouding tussen stikstof/fosfaat-verhouding groter dan het verlies dat berekend wordt in NEMA. Bij reguliere huisvestingsystemen van rundvee, varkens en pluimvee komen de waarden redelijk overeen, maar bij emissie-arme huisvestingssystemen en vaste mestsoorten was het verschil groter. Een tweede conclusie van de auteurs was dat er geen duidelijk verschil in emissie werd waargenomen tussen de berekende verliezen van traditionele en emissie-arme huisvestingssystemen. Vooral dit laatste kwam in de publiciteit.

Deze laatste conclusie is uiteraard een reden van zorg, maar de bevindingen en resultaten van het CBS-onderzoek moeten wel met de nodige voorzichtigheid worden beschouwd. Immers:

  • Het is niet is bekend in welke vorm hoeveel stikstof verdwijnt. Het maakt nogal wat uit of het als NH3 of als N2 verdwijnt:
  • De uitgangspunten van het onderzoek zijn vrij grofmazig als het gaat om de samenstelling van de geproduceerde mest;
  • De vraag kan worden gesteld of de samenstelling van de afgevoerde mest wel representatief is voor de geproduceerde mest. De Msw gaat daar wel van uit (artikel 94a van de uitvoeringsregeling), maar of het ook werkelijk zo is;
  • Wordt alle stikstof die wordt afgevoerd ook wel teruggevonden in de analyse van het genomen monster?
  • Tenslotte is het de vraag of de opgestelde balans wel compleet is (denk aan spuiwater) en het waargenomen verschil inderdaad is verdwenen als gasvormig verlies.

Duidelijk lijkt echter wel dat de momenteel gebruikte correctiefactoren zoals die door NEMA worden berekend te laag zijn binnen de nu gebruikte systematiek en dit er voor kan zorgen dat veehouders administratief te weinig stikstof via mest af kunnen voeren. Dit probleem kennen we ook als de problematiek van het ‘stikstofgat’ dat we regelmatig in de praktijk waarnemen.

Wat dat betreft bevestigt het onderzoek van het CBS wat eigenlijk al wel bekend was. Nu is het zaak om – mede gezien de hele discussie over stikstof en de veehouderij – hier goed en gedegen op door te pakken. Dat geeft meer inzicht en verbetert de mogelijkheid om gericht maatregelen te nemen.

Lees hier het rapport van het CBS

Zijn de boetebedragen in de Meststoffenwet te hoog ? Of niet hoog genoeg?

Boetes voor overtredingen van de Meststoffenwet (hierna: Msw) kunnen fors zijn. Heel fors! Dit is ook de bedoeling van de minister. Dergelijke boetes moeten  ’afschrikwekkend’ zijn. Daarom zijn ze ook letterlijk in de wet opgenomen: wettelijk gefixeerd wordt dat genoemd. De vraag is dan ook deze wettelijk gefixeerde boetebedragen voldoen aan waar ze voor zijn bedoeld: afschrikwekkend zijn, zonder dat het bedrijven de kop kost?

In het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest heeft de minister de afgelopen periode het sanctiebeleid bij overtredingen van de Msw nader laten bekijken. Hiertoe heeft de minister de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) gevraagd om een advies over de hoogte van de bestuurlijke boetes ten opzichte van het economisch voordeel dat kan worden behaald bij fraude, om zodoende de genoemde afschrikwekkendheid van de boetes te kunne beoordelen. Dit advies is onlangs verschenen.

De CDM concludeert dat de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van artikelen 7, 8, 14, (gebruiksnormen en verantwoordingsplicht) 21 (verantwoorde groei melkveehouderij) en 33 (verwerkingsplicht) van de Msw voor varkens- en rundveemest gemiddeld genomen een factor 2 à 4 hoger zijn dan de mestafzetkosten die gemiddeld genomen in 2016 werden betaald. Dit impliceert dat de boetes gemiddeld hoog genoeg worden geacht om het directe economisch voordeel van mestfraude te ontnemen en tegelijkertijd bij te dragen aan het voorkomen van nieuwe overtredingen. Persoonlijk blijf ik het toch merkwaardig vinden dat de boete voor overtreding van artikel 33 (niet voldoen aan de verwerkingsplicht) op 11 euro per kilogram fosfaat wordt gesteld, terwijl een VVO ongeveer 1 euro of zelfs minder kost. Wat nu een factor 2 à 4 hoger? Dit is een factor 11 of nog hoger!

Voor pluimveemest zijn de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van de gebruiksnormen en mestafzet een factor 20 à 40 hoger dan de gemiddelde mestafzetkosten. Dat is te verklaren doordat de boetetarieven voor stikstof en fosfaat uniform zijn voor alle mestsoorten en pluimveemest veel hogere gehalten aan stikstof en fosfaat per ton mest bevat dan rundveemest en varkensmest, terwijl de mestafzetkosten voor pluimveemest relatief laag zijn.

Toch adviseert de CDM om bij het opleggen van boetes geen onderscheid te maken naar mestsoort (en dus de huidige systematiek in stand te houden), omdat mestsoorten niet altijd gemakkelijk zijn te herkennen en mestsoorten in de praktijk soms worden gemengd om een mestsamenstelling te krijgen die voldoet aan de wensen van de afnemer.

Naast de hoogte van het boetebedrag is de pakkans een bepalende factor in het boetebeleid. Oftewel, als een ondernemer de regels overtreedt, hoe groot is dan de kans dat hij wordt betrapt en een boete opgelegd krijgt. De CDM stelt op grond van berekeningen vast dat bij de huidige boetetarieven fraude bij de afzet van pluimveemest gemiddeld genomen niet loont bij een pakkans van 2% of meer. Bij varkensmest en rundveemest is dat gemiddeld genomen het geval bij een pakkans van 22% of meer. De CDM adviseert dan ook de pakkans te verhogen.

Naast het vergroten van de pakkans kan de afschrikwekkende werking van mestboetes wel verder worden verhoogd door meer onderscheid te maken naar de aard van de overtreder (grootte van het bedrijf) en naar recidive. Bij grote bedrijven dienen de boetetarieven hoger te zijn dan bij kleine bedrijven, aldus de CDM. Deze mogelijkheid wordt vermeld in de Boetewijzer die het ministerie van Justitie en Veiligheid recent heeft opgesteld om meer uniformiteit te krijgen in de hoogte van bestuurlijke boetes voor verschillende wettelijke domeinen.

De boetebedragen bestaan uit het wegnemen van het economisch voordeel en bovendien daarboven nog uit een bestraffend element. Op basis van het CDM-advies constateert de minister dat de huidige boetebedragen beide elementen afdekken. Een verdere verhoging van de boetes ligt dan ook niet in de rede, temeer omdat de mestafzetkosten in verhouding tot de totale bedrijfskosten met name bij varkensbedrijven aanzienlijk zijn.

De mestafzet is vooral voor varkensbedrijven een grote financiële opgave omdat de gemiddelde mestafzetkosten van dezelfde orde van grootte zijn als het ondernemersinkomen. Een verdere verhoging van boetes zal dan ook de financiële draagkracht van bedrijven te boven kunnen gaan. Daarbij weeg ik ook mee dat met de versterkte handhavingsstrategie mest naast het opleggen van boetes ook andere maatregelen en sancties worden genomen, zoals uitsluiting en terugvordering van subsidies, opname in een frauderegister en extra BIBOB-onderzoeken waardoor in het uiterste geval een vergunning kan worden ingetrokken.

Daarnaast ziet de minister verbetermogelijkheden in het maken van meer onderscheid naar recidive en bedrijfsgrootte. Dit zou betekenen hogere boetebedragen, maar meer mogelijkheden voor matiging bij een eerste overtreding of voor kleinere bedrijven. Daarnaast zet de minister in op het vergroten van de pakkans in het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest. Dit betekent gebiedsgerichte en risicogerichte handhaving, verbeteren van de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen toezichthouders, betere gebruikmaking van datatechnologie en modernisering van verantwoordingssystemen zodat meststromen ‘real time’ kunnen worden gevolgd.

Een voorzichtige conclusie is dan ook dat de boetebedragen op het huidige niveau zullen blijven of  mogelijk zelfs worden verhoogd in combinatie met  aanvullende sancties, meer mogelijkheden matiging en onderscheid naar bedrijfsomvang. Daarbij is het jammer dat de hoogte van de boetebedragen voortdurend en  rechtstreeks wordt gekoppeld aan fraude en deze boetebedragen ook van kracht zijn voor vergissingen of administratieve onvolkomenheden in de bedrijfsadministratie.

Lees hier het advies van het CDM

Handhavingsmarges ook bij forfaitaire normen?

De gevolgen van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) van 18 december 2018 (ELCI:NL:CBB:2018:652 t/m 654) worden steeds meer duidelijk. In zijn algemeenheid heeft het College in deze uitspraken geoordeeld dat ten onrechte geen inzicht was gegeven in de nauwkeurigheidsmarges die worden toegepast bij het vaststellen of en in welke omvang een overtreding van de gebruiksnormen of de verantwoordingsplicht in het kader van de Msw en in bezwaar, beroep en hoger beroep een betoog van appellante voorlag waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de geproduceerde of afgevoerde mest heeft bestreden

Maar wanneer is daarvan nu exact sprake? In juli 2019 deed het College uitspraak in casus waarin onder andere in geschil was of de marges ook zien op forfaitaire normen.

Appellante exploiteert een paardenstal en manege. Naar aanleiding van een onderzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de minister geconcludeerd dat dat appellante in het jaar 2010 de gebruiksnormen heeft overschreden.

In hoger beroep betoogt appellante onder andere dat de mest van de paarden die op het bedrijf worden gehouden ten onrechte is meegeteld als zijnde toegediend aan de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Dit omdat alle paardenmest die door het bedrijf wordt geproduceerd is afgevoerd.

Appellante stelt dat de berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof uit paardenmest, die ook aan de boete ten grondslag zijn gelegd, daarmee niet kunnen kloppen. De disbalans tussen productie en afvoer ontstaat doordat bij de forfaits voor de productie en de afvoer van mest verschillende waarden voor fosfaat en stikstof worden gehanteerd, waardoor het onmogelijk is een papieren overtreding te voorkomen.

Het College verwijst in de uitspraak in de eerste plaats naar de overwegingen onder 5.1.1 tot en met 5.1.13 in zijn uitspraak van 18 december 2018 in de zaak 15/382 (ECLI:NL:CBB:2018:652) en de overwegingen onder 5.3 tot en met 5.5 in de uitspraak van 18 december 2018 in de zaak 15/430 (ECLI:NL:CBB:2018:653), waarin het College nader is ingegaan op de in artikel 14 van de Msw en artikel 7, gelezen in samenhang met artikel 8 van de Msw, neergelegde normen en de toepassing daarvan door de minister/staatssecretaris in de praktijk.

Daarin wordt onder meer het volgende overwogen. Het systeem van de Msw berust op de veronderstelling dat als de mestboekhouding niet sluit of niet strookt met het beschikbare aantal hectares, onregelmatig mest is afgevoerd respectievelijk boven de norm is uitgereden. Doordat de mineralenhoeveelheid forfaitair wordt bepaald (productie) of wordt geschat (de mestput), en de afvoerbemonstering een foutmarge heeft, wijken de werkelijke hoeveelheden fosfaat en stikstof in meststoffen af van de hoeveelheden op papier, hetgeen leidt tot discrepanties tussen het werkelijke en het papieren gebruik of tot een gat in de verantwoording vn de afvoer. Het College acht een stapeling van (goeddeels buiten zijn directe invloedssfeer vallende) factoren denkbaar die een veehouder in de positie plaatst waardoor hij het plegen van de genoemde overtredingen maar moeilijk zal kunnen ontgaan, zelfs als hij zich materieel aan de (overige) geboden en verboden op dit terrein houdt.

Onder andere gelet op bovenstaande overweging oordeelt het College dat het hoger beroep gegrond is ten aanzien van de op het bedrijf van appellante geproduceerde paardenmest, nu de minister in deze zaak evenmin tijdig inzicht heeft geboden in de door haar gehanteerde (tolerantie-, zekerheids- of handhavings)marges, terwijl in bezwaar, beroep en hoger beroep een betoog van appellante voorlag waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de (paarden)mest heeft bestreden.

Lees hier de volledige uitspraak

Extra regels voor het wegen van dierlijke mest

Per 1 oktober 2019 zijn een aantal aanvullende regels voor het wegen van dierlijke mest van kracht geworden. Eerder dit jaar, op 1 april 2019, zijn al een aantal extra regels voor het wegen van dierlijke mest ingegaan. Die regels hebben vooral betrekking op de weeginstallatie en het moment van wegen:

  • De weeginstallatie moet voldoen aan de eisen van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers aan niet-automatische weegwerktuigen.
  • Het gewicht dient direct te worden bepaald of op zo’n manier dat het gewicht van het transportmiddel of container niet meegeteld wordt.
  • Bij gebruik van een weegbrug dient het nettogewicht van de vracht mest te worden bepaald door het gewicht van het transportmiddel zonder vracht, af te trekken van het gewicht van het transportmiddel met dierlijke meststoffen.
  • De mest moet direct gewogen worden na de start van het vervoer. Dit moet op een weegstation vlakbij het vertrekpunt zijn. Het weegstation moet wel op de route liggen. De vervoerder mag echter niet vlak voor de bestemming de vracht wegen.
  • Het is niet meer toegestaan om bij opeenvolgende vrachten het leeggewicht tussen de vrachten te wegen. Het gewicht van het lege transportmiddel moet direct voor het transport worden bepaald.
  • Bij export moet het gewicht van de vracht mest vooraf aan de export bepaald worden. Dus vóór het passeren van de Nederlandse grens.
  • Bij import moet het gewicht direct worden bepaald als het transportmiddel op Nederlandse grond rijdt.

Weegbon

Tijdens het transport dient de weegbon van het gewogen gewicht van de vracht dierlijke meststoffen aanwezig te zijn in de vrachtwagen. Deze weegbon komt uit één of meer weeginstallaties. Dit kan een papieren of een elektronisch bewijs zijn. Het bewijs van het wegen kan uit meer delen bestaan. Zoals een bewijs van wegen van een leeg transportmiddel of container en een bewijs van het gewicht van het geladen transportmiddel of container. Uit beide bewijzen moet het (netto) gewicht van de vracht dierlijke mest blijken. De weegbon moet in ieder geval 5 jaar worden bewaard.

Aanvullende regels

Vanaf 1 oktober 2019 komen hier een aantal extra regels voor de weegbon bij. Deze regels stellen dat op de weegbon dient te zijn vermeld:

  • gewicht
  • datum en tijd van wegen
  • identificatie van de weeginstallatie

Bij gebruik van een weegbrug moet de weegbon in ieder geval deze gegevens vermelden:

  • gewicht
  • datum en tijd van wegen
  • identificatie van de weeginstallatie
  • kenteken van het transportmiddel waarin de vracht wordt geladen (getrokken voertuig)

Identificatie van de weeginstallatie

De identificatie van weegsystemen kan op verschillende manieren. Welke informatie op de weegbon moet staan hangt af van de weeginstallatie.

Weegbrug

Bij een weegbrug wordt gebruikt minimaal één van de volgende gegevens op de weegbon vermeld:

  • uniek keuringsnummer van de weeginstallatie
  • adres van de weeginstallatie

Aanboordweegapparaat

Een aanboordweegapparaat wordt op basis van één of meer van de volgende gegevens geïdentificeerd:

  • kenteken van het geladen voertuig
  • combinatienummer (bij drijfmest)
  • uniek registratienummer van de weeginstallatie

Oudere goedgekeurde weeginstallaties

Bij oudere goedgekeurde weeginstallaties gebruikt u een bon met een uniek keuringsnummer. Op de bon moet een voorgedrukt adres staan van de weeginstallatie. Voorwaarde is dat de weeginstallatie niet geüpdatet kan worden en dat de verkoper dit openbaar heeft gemaakt. U mag het bewijs van weging dan afdrukken op zo’n bon.

Weegbrug

Bij gebruik van een weegbrug wordt het nettogewicht bepaald door het gewicht van het transportmiddel zonder vracht, af te trekken van het gewicht van het transportmiddel met vracht. Op het Vervoersbewijs wordt alleen het nettogewicht van de vracht ingevuld. Het gewicht van het lege transportmiddel wordt direct voor het vervoer bepaald. Het gewicht van het volle transportmiddel zo snel mogelijk na het laden van de vracht.

Containervervoer

Bij containervervoer van vaste mest dient eenmalig het leeggewicht van de container te worden bepaald. Dit gewicht moet te zien zijn op de container en moet niet verwijderbaar zijn.

Onderzaai bij mais mislukt, wat nu?

Al eerder besteden we op deze website aandacht aan de gewijzigde verplichting tot de teelt van een vanggewas na maïs op zand- en lossgrond.  In het kort: aan de verplichting tot de teelt van een nagewas kan  op 3 manieren invulling worden gegeven:

  1. Door onderzaai van een vanggewas;
  2. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 1 oktober – een vanggewas in te zaaien;
  3. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 31 oktober –  een wintergraan te telen, waarbij het wintergraan als hoofdteelt gebruikt dient te worden in het volgende kalenderjaar.

Veel maistelers hebben vanwege de ‘deadline’ van 1 oktober gekozen voor onderzaai van een vanggewas.  De droogte van dit jaar heeft echter  als een van de gevolgen dat bij een groot deel van de percelen waarbij voor de optie van onderzaai is gekozen de opkomst van de onderzaai dit jaar is mislukt,  deels is mislukt of dreigt te zijn mislukt.

Wie daarbij redeneert ‘jammer dan’. Ik heb onderzaai gedaan en daarmee aan mij verplichting voldaan komt echter bedrogen uit. RVO en de NVWA stellen nadrukkelijk dat sprake dient te zijn van van een bedekte bodem. Wanneer de mais dan niet voor 1 oktober wordt geoogst betekent dit dat geen invulling kan worden gegeven aan de verplichting tot het tijdig (voor 1 oktober) inzaaien van een vanggewas. RVO heeft inmiddels deze situatie onderkend en aangegeven daar bij een controle rekening mee te houden.  Maïstelers bij wie de onderzaai is mislukt, mogen ook na 1 oktober – onder vaoorwaarden – opnieuw een vanggewas inzaaien of vanggewas bijzaaien.

 

 

RVO stelt nu dat bedrijven bij wie de onderzaai mislukt is  direct na de oogst een vanggewas mogen bijzaaien of opnieuw mogen inzaaien. Daarbij mogen de gewassen worden gebruikt uit de tabel. Wanneer maar een deel van de onderzaai is mislukt kan alleen dat deel van het perceel opnieuw worden ingezaaid. Wel is een nadrukkelijke voorwaarde dat bij controle aannemelijk kan worden gemaakt dat eerder onderzaai is verricht en dat er normaal gesproken een vanggewas zou moeten hebben gestaan.  Dit betekent dat aannemelijk moet worden gemaakt wie, wat, wanneer en hoe het vanggewas is gezaaid. .

Deze toezegging van RVO is in zekere zin in tegenspraak met de informatiebrief die RVO onlangs heeft gestuurd over het inzaaien van een vanggewas als hoofdteelt. Deze brief had uitsluitend betrekking op optie 3 van de mogelijkheden om te voldoen aan de verplichting (vanggewas als hoofdteelt). Het hier besprokene heeft uitsluitend betrekking op optie 1 (vanggewas door onderzaai).

 

 

Over het verbod van reformatio in peius

Het verbod van reformatio in peius is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kortweg houdt het verbod in dat het instellen van bezwaar er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de procedure gebruikt om een verslechtering van de positie van appellant te bereiken die zonder deze procedure niet mogelijk zou zijn. Het betekent dus bijvoorbeeld dat wie bezwaar maakt tegen een bestuurlijke boete niet naar aanleiding van hetgeen blijkt uit deze procedure een hogere boete krijgt opgelegd. Op het verbod is echter ook een uitzondering: wanneer een bestuursorgaan dat over het bezwaar oordeelt tevens bevoegd is tot het wijziging of intrekken van een beschikking is het verbod niet van toepassing.

Hierdoor kan in dergelijke situaties het instellen van bezwaar of beroep toch resulteren in een slechtere positie. Zoals blijkt uit een zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak deed.

Appellante exploiteert een melkveehouderij. In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 19.103 kg. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Als bezwaar is aangevoerd dat verweerder ten onrechte twee melkkoeien, die wel in de rundveestaat waren opgenomen, niet in de berekening heeft betrokken. Voorts stelt appellante in het bezwaar dat verweerder ten onrechte zes nog andere bij appellante op de peildatum aanwezige koeien als zoogkoe (categorie 120 van bijlage D) heeft aangemerkt en niet als melkkoe.

In de beslissing op het bezwaar heeft verweerder erkend ten onrechte de twee melkkoeien niet in de berekening te hebben betrokken. Het bezwaar aangaande de zes dieren geregistreerd onder categorie 120 wordt niet toegekend. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante daarop vastgesteld op 19.473 kg. Appellante heeft daarop beroep ingesteld.

Hangende het beroep heeft verweerder echter een nieuw besluit op bezwaar genomen. Verweerder is alsnog volledig tegemoet gekomen aan hetgeen door appellante in bezwaar is gesteld. Hij heeft in het vervangingsbesluit op basis van de door appellante in bezwaar overgelegde stukken ook de zes koeien die in de eerdere besluitvorming als zoogkoe zijn aangemerkt als melkkoe aangemerkt.

De toekenning van fosfaatrechten aan deze zes koeien heeft echter ook invloed op de gemiddelde melkproductie per melkkoe die daardoor lager uitkomt. Als gevolg daarvan valt het excretieforfait per dier in een lagere klasse en komt het toe te kennen fosfaatrecht uit op een lager aantal ten opzichte van de eerdere beslissing, namelijk op 19.374 kg. Appellante is daarmee – door het instellen van beroep – slechter af en betoogt dat dit in strijd is met het verbod op reformatio in peius.

Het College oordeelt echter  in deze situatie dat de verlaging van het fosfaatrecht van appellante in rechtens aanvaardbaar is. Het betreft een beschikking en zolang het besluit nog niet onherroepelijk is, mocht appellante er niet op vertrouwen dat het haar toegekende fosfaatrecht niet zou worden verlaagd op het moment dat verweerder hetgeen in bezwaar was ingediend opnieuw zou beoordelen. Dat verweerder in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan in bezwaar doet daar, volgens het College, niet aan af.

Deze uitspraak laat zien dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet in alle gevallen volledig risicoloos is en in sommige situaties toch ten nadele van appellante kan worden gewijzigd. Desondanks biedt het verbod, vooral bij bestuurlijke boetes een garantie die de vrees voor een verslechtering in de situatie vanwege de procedure weg neemt.

Lees hier de volledige uitspraak