Stikstofverliezen veehouderij driemaal hoger dan aangenomen ?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) heeft als uitgangspunt dat een bedrijf moet aantonen dat het voldoet aan de gebruiksnormen (artikel 7 Msw) of de verantwoordingsplicht (artikel 14 Msw). Uitgangspunt hiervoor is  de hoeveelheid stikstof en fosfaat in dierlijke mest die op een bedrijf wordt geproduceerd. Deze hoeveelheid wordt berekend op basis van excretieforfaits, de methode van de stalbalans of de vrije bewijslast (bijvoorbeeld de BEX). Bij de vaststelling van de excretie van stikstof wordt de berekende hoeveelheid uitgescheiden stikstof verminderd met gasvormige verliezen die optreden in de stal, bij beweiding en in de mestopslag. Hiervoor zijn forfaits beschikbaar. Deze forfaits worden per diercategorie, stalsysteem en geproduceerde mestsoort (drijfmest of vaste mest) bepaald.

bron: Trouw

De forfaits voor de (gasvormige) stikstofverliezen zijn berekend met het rekenmodel NEMA (National Emission Model for Agriculture) als de som van de verliezen van  ammoniak (NH3), stikstofoxide (NOx), lachgas (N20) en stikstofgas (N2).

Een alternatieve methode voor de bepaling van de stikstofverliezen zou, omdat fosfaat niet vervluchtigt, zijn om te kijken naar verandering in de stikstof/fosfaat-verhouding bij de geproduceerde mest (zonder correctie voor het stikstofverlies) en de afgevoerde mest en op basis van dat verschil de stikstofverliezen te berekenen. Onlangs verscheen van het CBS een publicatie deze vergelijking is gemaakt. waarin die vergelijking is gemaakt: de stikstofverliezen werden berekend op basis van de verandering in de stikstof/fosfaat-verhouding in de mest tussen het moment van excretie en bij de afvoer van dierlijke mest. De verkregen waarden werden vergeleken met de normen die nu worden gebruikt voor de stikstofverliezen en die zijn berekend met gebruikmaking van NEMA.

Uit eerder onderzoek naar mogelijke verschillen kwam al naar voren dat de gasvormige stikstofverliezen uit stallen en mestopslagen die met NEMA worden berekend, lager zijn dan de verliezen die kunnen worden afgeleid uit het verschil in de verhouding tussen stikstof en fosfaat bij excretie en bij mestafvoer van het bedrijf. Die conclusie wam ook uit dit onderzoek van het CBS. Bij de meeste mestsoorten is het stikstofverlies op basis van het verschil in de verhouding tussen stikstof/fosfaat-verhouding groter dan het verlies dat berekend wordt in NEMA. Bij reguliere huisvestingsystemen van rundvee, varkens en pluimvee komen de waarden redelijk overeen, maar bij emissie-arme huisvestingssystemen en vaste mestsoorten was het verschil groter. Een tweede conclusie van de auteurs was dat er geen duidelijk verschil in emissie werd waargenomen tussen de berekende verliezen van traditionele en emissie-arme huisvestingssystemen. Vooral dit laatste kwam in de publiciteit.

Deze laatste conclusie is uiteraard een reden van zorg, maar de bevindingen en resultaten van het CBS-onderzoek moeten wel met de nodige voorzichtigheid worden beschouwd. Immers:

  • Het is niet is bekend in welke vorm hoeveel stikstof verdwijnt. Het maakt nogal wat uit of het als NH3 of als N2 verdwijnt:
  • De uitgangspunten van het onderzoek zijn vrij grofmazig als het gaat om de samenstelling van de geproduceerde mest;
  • De vraag kan worden gesteld of de samenstelling van de afgevoerde mest wel representatief is voor de geproduceerde mest. De Msw gaat daar wel van uit (artikel 94a van de uitvoeringsregeling), maar of het ook werkelijk zo is;
  • Wordt alle stikstof die wordt afgevoerd ook wel teruggevonden in de analyse van het genomen monster?
  • Tenslotte is het de vraag of de opgestelde balans wel compleet is (denk aan spuiwater) en het waargenomen verschil inderdaad is verdwenen als gasvormig verlies.

Duidelijk lijkt echter wel dat de momenteel gebruikte correctiefactoren zoals die door NEMA worden berekend te laag zijn binnen de nu gebruikte systematiek en dit er voor kan zorgen dat veehouders administratief te weinig stikstof via mest af kunnen voeren. Dit probleem kennen we ook als de problematiek van het ‘stikstofgat’ dat we regelmatig in de praktijk waarnemen.

Wat dat betreft bevestigt het onderzoek van het CBS wat eigenlijk al wel bekend was. Nu is het zaak om – mede gezien de hele discussie over stikstof en de veehouderij – hier goed en gedegen op door te pakken. Dat geeft meer inzicht en verbetert de mogelijkheid om gericht maatregelen te nemen.

Lees hier het rapport van het CBS

Zijn de boetebedragen te hoog ? Of niet hoog genoeg?

Boetes voor overtredingen van de Meststoffenwet (hierna: Msw) kunnen fors zijn. Heel fors! Dit is ook de bedoeling van de minister. Dergelijke boetes moeten ’afschrikwekkend’ zijn. De vraag is zijn ze dat en zijn ze niet te fors. In het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest heeft de minister de afgelopen periode het sanctiebeleid bij overtredingen van de Msw nader laten bekijken. Hiertoe heeft de minister de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) gevraagd om een advies over de hoogte van de bestuurlijke boetes ten opzichte van het economisch voordeel, om zodoende de genoemde afschrikwekkendheid van de boetes te beoordelen. Dit advies is onlangs verschenen.

De CDM concludeert dat de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van artikelen 7, 8, 14, (gebruiksnormen en verantwoordingsplicht) 21 (verantwoorde groei melkveehouderij) en 33 (verwerkingsplicht) van de Msw voor varkens- en rundveemest gemiddeld genomen een factor 2 à 4 hoger zijn dan de mestafzetkosten die gemiddeld genomen in 2016 werden betaald. Dit impliceert dat de boetes gemiddeld hoog genoeg worden geachte om het directe economisch voordeel van mestfraude te ontnemen en tegelijkertijd bijdraagt aan het voorkomen van nieuwe overtredingen. Persoonlijk blijf ik het toch merkwaardig vinden dat de boete voor overtreding van artikel 33 (niet voldoen aan de verwerkingsplicht) op 11 euro per kilogram fosfaat wordt gesteld, terwijl een VVO ongeveer 1 euro kost. Wat nu een factor 2 à 4 hoger

Voor pluimveemest zijn de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van de gebruiksnormen en mestafzet een factor 20 à 40 hoger dan de gemiddelde mestafzetkosten. Dat is te verklaren doordat de boetetarieven voor stikstof en fosfaat uniform zijn voor alle mestsoorten, en pluimveemest veel hogere gehalten aan stikstof en fosfaat per ton mest bevat dan rundveemest en varkensmest, terwijl de mestafzetkosten relatief laag zijn.

Toch adviseert de CDM om bij het opleggen van boetes geen onderscheid te maken naar mestsoort (en dus de huidige systematiek in stand te houden), omdat mestsoorten niet altijd gemakkelijk zijn te herkennen en mestsoorten in de praktijk soms worden gemengd om een mestsamenstelling te krijgen die voldoet aan de wensen van de afnemer.

Naast de hoogte van het boetebedrag is de pakkans een bepalende factor in het boetebeleid. Oftewel, als een ondernemer de regels overtreedt, hoe groot is dan de kans dat hij wordt betrapt en een boete opgelegd krijgt. De CDM stelt op grond van berekeningen vast dat bij de huidige boetetarieven fraude bij de afzet van pluimveemest gemiddeld genomen niet loont bij een pakkans van 2% of meer. Bij varkensmest en rundveemest is dat gemiddeld genomen het geval bij een pakkans van 22% of meer. De CDM adviseert dan ook de pakkans te verhogen.

Naast het vergroten van de pakkans kan de afschrikwekkende werking van mestboetes wel verder worden verhoogd door meer onderscheid te maken naar de aard van de overtreder (grootte van het bedrijf) en naar recidive. Bij grote bedrijven dienen de boetetarieven hoger te zijn dan bij kleine bedrijven, aldus de CDM. Deze mogelijkheid wordt vermeld in de Boetewijzer die het ministerie van Justitie en Veiligheid recent heeft opgesteld om meer uniformiteit te krijgen in de hoogte van bestuurlijke boetes voor verschillende wettelijke domeinen.

De boetebedragen bestaan uit het wegnemen van het economisch voordeel en bovendien daarboven nog uit een bestraffend element. Op basis van het CDM-advies constateert de minister dat de huidige boetebedragen beide elementen afdekken. Een verdere verhoging van de boetes ligt dan ook niet in de rede, temeer omdat de mestafzetkosten in verhouding tot de totale bedrijfskosten met name bij varkensbedrijven aanzienlijk zijn.

De mestafzet is vooral voor varkensbedrijven een grote financiële opgave omdat de gemiddelde mestafzetkosten van dezelfde orde van grootte zijn als het ondernemersinkomen. Een verdere verhoging van boetes zal dan ook de financiële draagkracht van bedrijven te boven kunnen gaan. Daarbij weeg ik ook mee dat met de versterkte handhavingsstrategie mest naast het opleggen van boetes ook andere maatregelen en sancties worden genomen, zoals uitsluiting en terugvordering van subsidies, opname in een frauderegister en extra BIBOB-onderzoeken waardoor in het uiterste geval een vergunning kan worden ingetrokken.

Daarnaast ziet de minister verbetermogelijkheden in het maken van meer onderscheid naar recidive en bedrijfsgrootte. Dit zou betekenen hogere boetebedragen, maar meer mogelijkheden voor matiging bij een eerste overtreding of voor kleinere bedrijven. Daarnaast zet de minister in op het vergroten van de pakkans in het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest. Dit betekent gebiedsgerichte en risicogerichte handhaving, verbeteren van de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen toezichthouders, betere gebruikmaking van datatechnologie en modernisering van verantwoordingssystemen zodat meststromen ‘real time’ kunnen worden gevolgd.

Een voorzichtige conclusie is dan ook dat de boetebedragen op het huidige niveau zullen blijven of  mogelijk zelfs worden verhoogd in combinatie met  aanvullende sancties, meer mogelijkheden matiging en onderscheid naar bedrijfsomvang. Daarbij is het jammer dat de hoogte van de boetebedragen voortdurend en  rechtstreeks wordt gekoppeld aan fraude en deze boetebedragen ook van kracht zijn voor vergissingen of administratieve onvolkomenheden in de bedrijfsadministratie.

Lees hier het advies van het CDM

Handhavingsmarges ook bij forfaitaire normen?

De gevolgen van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) van 18 december 2018 (ELCI:NL:CBB:2018:652 t/m 654) worden steeds meer duidelijk. In zijn algemeenheid heeft het College in deze uitspraken geoordeeld dat ten onrechte geen inzicht was gegeven in de nauwkeurigheidsmarges die worden toegepast bij het vaststellen of en in welke omvang een overtreding van de gebruiksnormen of de verantwoordingsplicht in het kader van de Msw en in bezwaar, beroep en hoger beroep een betoog van appellante voorlag waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de geproduceerde of afgevoerde mest heeft bestreden

Maar wanneer is daarvan nu exact sprake? In juli 2019 deed het College uitspraak in casus waarin onder andere in geschil was of de marges ook zien op forfaitaire normen.

Appellante exploiteert een paardenstal en manege. Naar aanleiding van een onderzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de minister geconcludeerd dat dat appellante in het jaar 2010 de gebruiksnormen heeft overschreden.

In hoger beroep betoogt appellante onder andere dat de mest van de paarden die op het bedrijf worden gehouden ten onrechte is meegeteld als zijnde toegediend aan de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Dit omdat alle paardenmest die door het bedrijf wordt geproduceerd is afgevoerd.

Appellante stelt dat de berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof uit paardenmest, die ook aan de boete ten grondslag zijn gelegd, daarmee niet kunnen kloppen. De disbalans tussen productie en afvoer ontstaat doordat bij de forfaits voor de productie en de afvoer van mest verschillende waarden voor fosfaat en stikstof worden gehanteerd, waardoor het onmogelijk is een papieren overtreding te voorkomen.

Het College verwijst in de uitspraak in de eerste plaats naar de overwegingen onder 5.1.1 tot en met 5.1.13 in zijn uitspraak van 18 december 2018 in de zaak 15/382 (ECLI:NL:CBB:2018:652) en de overwegingen onder 5.3 tot en met 5.5 in de uitspraak van 18 december 2018 in de zaak 15/430 (ECLI:NL:CBB:2018:653), waarin het College nader is ingegaan op de in artikel 14 van de Msw en artikel 7, gelezen in samenhang met artikel 8 van de Msw, neergelegde normen en de toepassing daarvan door de minister/staatssecretaris in de praktijk.

Daarin wordt onder meer het volgende overwogen. Het systeem van de Msw berust op de veronderstelling dat als de mestboekhouding niet sluit of niet strookt met het beschikbare aantal hectares, onregelmatig mest is afgevoerd respectievelijk boven de norm is uitgereden. Doordat de mineralenhoeveelheid forfaitair wordt bepaald (productie) of wordt geschat (de mestput), en de afvoerbemonstering een foutmarge heeft, wijken de werkelijke hoeveelheden fosfaat en stikstof in meststoffen af van de hoeveelheden op papier, hetgeen leidt tot discrepanties tussen het werkelijke en het papieren gebruik of tot een gat in de verantwoording vn de afvoer. Het College acht een stapeling van (goeddeels buiten zijn directe invloedssfeer vallende) factoren denkbaar die een veehouder in de positie plaatst waardoor hij het plegen van de genoemde overtredingen maar moeilijk zal kunnen ontgaan, zelfs als hij zich materieel aan de (overige) geboden en verboden op dit terrein houdt.

Onder andere gelet op bovenstaande overweging oordeelt het College dat het hoger beroep gegrond is ten aanzien van de op het bedrijf van appellante geproduceerde paardenmest, nu de minister in deze zaak evenmin tijdig inzicht heeft geboden in de door haar gehanteerde (tolerantie-, zekerheids- of handhavings)marges, terwijl in bezwaar, beroep en hoger beroep een betoog van appellante voorlag waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de (paarden)mest heeft bestreden.

Lees hier de volledige uitspraak

Extra regels voor het wegen van dierlijke mest

Per 1 oktober 2019 zijn een aantal aanvullende regels voor het wegen van dierlijke mest van kracht geworden. Eerder dit jaar, op 1 april 2019, zijn al een aantal extra regels voor het wegen van dierlijke mest ingegaan. Die regels hebben vooral betrekking op de weeginstallatie en het moment van wegen:

  • De weeginstallatie moet voldoen aan de eisen van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers aan niet-automatische weegwerktuigen.
  • Het gewicht dient direct te worden bepaald of op zo’n manier dat het gewicht van het transportmiddel of container niet meegeteld wordt.
  • Bij gebruik van een weegbrug dient het nettogewicht van de vracht mest te worden bepaald door het gewicht van het transportmiddel zonder vracht, af te trekken van het gewicht van het transportmiddel met dierlijke meststoffen.
  • De mest moet direct gewogen worden na de start van het vervoer. Dit moet op een weegstation vlakbij het vertrekpunt zijn. Het weegstation moet wel op de route liggen. De vervoerder mag echter niet vlak voor de bestemming de vracht wegen.
  • Het is niet meer toegestaan om bij opeenvolgende vrachten het leeggewicht tussen de vrachten te wegen. Het gewicht van het lege transportmiddel moet direct voor het transport worden bepaald.
  • Bij export moet het gewicht van de vracht mest vooraf aan de export bepaald worden. Dus vóór het passeren van de Nederlandse grens.
  • Bij import moet het gewicht direct worden bepaald als het transportmiddel op Nederlandse grond rijdt.

Weegbon

Tijdens het transport dient de weegbon van het gewogen gewicht van de vracht dierlijke meststoffen aanwezig te zijn in de vrachtwagen. Deze weegbon komt uit één of meer weeginstallaties. Dit kan een papieren of een elektronisch bewijs zijn. Het bewijs van het wegen kan uit meer delen bestaan. Zoals een bewijs van wegen van een leeg transportmiddel of container en een bewijs van het gewicht van het geladen transportmiddel of container. Uit beide bewijzen moet het (netto) gewicht van de vracht dierlijke mest blijken. De weegbon moet in ieder geval 5 jaar worden bewaard.

Aanvullende regels

Vanaf 1 oktober 2019 komen hier een aantal extra regels voor de weegbon bij. Deze regels stellen dat op de weegbon dient te zijn vermeld:

  • gewicht
  • datum en tijd van wegen
  • identificatie van de weeginstallatie

Bij gebruik van een weegbrug moet de weegbon in ieder geval deze gegevens vermelden:

  • gewicht
  • datum en tijd van wegen
  • identificatie van de weeginstallatie
  • kenteken van het transportmiddel waarin de vracht wordt geladen (getrokken voertuig)

Identificatie van de weeginstallatie

De identificatie van weegsystemen kan op verschillende manieren. Welke informatie op de weegbon moet staan hangt af van de weeginstallatie.

Weegbrug

Bij een weegbrug wordt gebruikt minimaal één van de volgende gegevens op de weegbon vermeld:

  • uniek keuringsnummer van de weeginstallatie
  • adres van de weeginstallatie

Aanboordweegapparaat

Een aanboordweegapparaat wordt op basis van één of meer van de volgende gegevens geïdentificeerd:

  • kenteken van het geladen voertuig
  • combinatienummer (bij drijfmest)
  • uniek registratienummer van de weeginstallatie

Oudere goedgekeurde weeginstallaties

Bij oudere goedgekeurde weeginstallaties gebruikt u een bon met een uniek keuringsnummer. Op de bon moet een voorgedrukt adres staan van de weeginstallatie. Voorwaarde is dat de weeginstallatie niet geüpdatet kan worden en dat de verkoper dit openbaar heeft gemaakt. U mag het bewijs van weging dan afdrukken op zo’n bon.

Weegbrug

Bij gebruik van een weegbrug wordt het nettogewicht bepaald door het gewicht van het transportmiddel zonder vracht, af te trekken van het gewicht van het transportmiddel met vracht. Op het Vervoersbewijs wordt alleen het nettogewicht van de vracht ingevuld. Het gewicht van het lege transportmiddel wordt direct voor het vervoer bepaald. Het gewicht van het volle transportmiddel zo snel mogelijk na het laden van de vracht.

Containervervoer

Bij containervervoer van vaste mest dient eenmalig het leeggewicht van de container te worden bepaald. Dit gewicht moet te zien zijn op de container en moet niet verwijderbaar zijn.

Onderzaai bij mais mislukt, wat nu?

Al eerder besteden we op deze website aandacht aan de gewijzigde verplichting tot de teelt van een vanggewas na maïs op zand- en lossgrond.  In het kort: aan de verplichting tot de teelt van een nagewas kan  op 3 manieren invulling worden gegeven:

  1. Door onderzaai van een vanggewas;
  2. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 1 oktober – een vanggewas in te zaaien;
  3. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 31 oktober –  een wintergraan te telen, waarbij het wintergraan als hoofdteelt gebruikt dient te worden in het volgende kalenderjaar.

Veel maistelers hebben vanwege de ‘deadline’ van 1 oktober gekozen voor onderzaai van een vanggewas.  De droogte van dit jaar heeft echter  als een van de gevolgen dat bij een groot deel van de percelen waarbij voor de optie van onderzaai is gekozen de opkomst van de onderzaai dit jaar is mislukt,  deels is mislukt of dreigt te zijn mislukt.

Wie daarbij redeneert ‘jammer dan’. Ik heb onderzaai gedaan en daarmee aan mij verplichting voldaan komt echter bedrogen uit. RVO en de NVWA stellen nadrukkelijk dat sprake dient te zijn van van een bedekte bodem. Wanneer de mais dan niet voor 1 oktober wordt geoogst betekent dit dat geen invulling kan worden gegeven aan de verplichting tot het tijdig (voor 1 oktober) inzaaien van een vanggewas. RVO heeft inmiddels deze situatie onderkend en aangegeven daar bij een controle rekening mee te houden.  Maïstelers bij wie de onderzaai is mislukt, mogen ook na 1 oktober – onder vaoorwaarden – opnieuw een vanggewas inzaaien of vanggewas bijzaaien.

 

 

RVO stelt nu dat bedrijven bij wie de onderzaai mislukt is  direct na de oogst een vanggewas mogen bijzaaien of opnieuw mogen inzaaien. Daarbij mogen de gewassen worden gebruikt uit de tabel. Wanneer maar een deel van de onderzaai is mislukt kan alleen dat deel van het perceel opnieuw worden ingezaaid. Wel is een nadrukkelijke voorwaarde dat bij controle aannemelijk kan worden gemaakt dat eerder onderzaai is verricht en dat er normaal gesproken een vanggewas zou moeten hebben gestaan.  Dit betekent dat aannemelijk moet worden gemaakt wie, wat, wanneer en hoe het vanggewas is gezaaid. .

Deze toezegging van RVO is in zekere zin in tegenspraak met de informatiebrief die RVO onlangs heeft gestuurd over het inzaaien van een vanggewas als hoofdteelt. Deze brief had uitsluitend betrekking op optie 3 van de mogelijkheden om te voldoen aan de verplichting (vanggewas als hoofdteelt). Het hier besprokene heeft uitsluitend betrekking op optie 1 (vanggewas door onderzaai).

 

 

Over het verbod van reformatio in peius

Het verbod van reformatio in peius is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kortweg houdt het verbod in dat het instellen van bezwaar er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de procedure gebruikt om een verslechtering van de positie van appellant te bereiken die zonder deze procedure niet mogelijk zou zijn. Het betekent dus bijvoorbeeld dat wie bezwaar maakt tegen een bestuurlijke boete niet naar aanleiding van hetgeen blijkt uit deze procedure een hogere boete krijgt opgelegd. Op het verbod is echter ook een uitzondering: wanneer een bestuursorgaan dat over het bezwaar oordeelt tevens bevoegd is tot het wijziging of intrekken van een beschikking is het verbod niet van toepassing.

Hierdoor kan in dergelijke situaties het instellen van bezwaar of beroep toch resulteren in een slechtere positie. Zoals blijkt uit een zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak deed.

Appellante exploiteert een melkveehouderij. In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 19.103 kg. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Als bezwaar is aangevoerd dat verweerder ten onrechte twee melkkoeien, die wel in de rundveestaat waren opgenomen, niet in de berekening heeft betrokken. Voorts stelt appellante in het bezwaar dat verweerder ten onrechte zes nog andere bij appellante op de peildatum aanwezige koeien als zoogkoe (categorie 120 van bijlage D) heeft aangemerkt en niet als melkkoe.

In de beslissing op het bezwaar heeft verweerder erkend ten onrechte de twee melkkoeien niet in de berekening te hebben betrokken. Het bezwaar aangaande de zes dieren geregistreerd onder categorie 120 wordt niet toegekend. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante daarop vastgesteld op 19.473 kg. Appellante heeft daarop beroep ingesteld.

Hangende het beroep heeft verweerder echter een nieuw besluit op bezwaar genomen. Verweerder is alsnog volledig tegemoet gekomen aan hetgeen door appellante in bezwaar is gesteld. Hij heeft in het vervangingsbesluit op basis van de door appellante in bezwaar overgelegde stukken ook de zes koeien die in de eerdere besluitvorming als zoogkoe zijn aangemerkt als melkkoe aangemerkt.

De toekenning van fosfaatrechten aan deze zes koeien heeft echter ook invloed op de gemiddelde melkproductie per melkkoe die daardoor lager uitkomt. Als gevolg daarvan valt het excretieforfait per dier in een lagere klasse en komt het toe te kennen fosfaatrecht uit op een lager aantal ten opzichte van de eerdere beslissing, namelijk op 19.374 kg. Appellante is daarmee – door het instellen van beroep – slechter af en betoogt dat dit in strijd is met het verbod op reformatio in peius.

Het College oordeelt echter  in deze situatie dat de verlaging van het fosfaatrecht van appellante in rechtens aanvaardbaar is. Het betreft een beschikking en zolang het besluit nog niet onherroepelijk is, mocht appellante er niet op vertrouwen dat het haar toegekende fosfaatrecht niet zou worden verlaagd op het moment dat verweerder hetgeen in bezwaar was ingediend opnieuw zou beoordelen. Dat verweerder in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan in bezwaar doet daar, volgens het College, niet aan af.

Deze uitspraak laat zien dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet in alle gevallen volledig risicoloos is en in sommige situaties toch ten nadele van appellante kan worden gewijzigd. Desondanks biedt het verbod, vooral bij bestuurlijke boetes een garantie die de vrees voor een verslechtering in de situatie vanwege de procedure weg neemt.

Lees hier de volledige uitspraak

Aanvullende voorwaarden bij nieuwe handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie

Op 12 juli 2019 is de nieuwe Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie gepubliceerd (hierna: Handreiking). Deze handreiking is de richtlijn voor melkveebedrijven die de BEX systematiek toepassen om daarmee aan te tonen dat de uitscheiding van stikstof en fosfaat lager is dan de forfaitaire normen. Voor bedrijven die over 2019 met de BEX-systematiek willen rekenen is het verplicht om de onlangs verschenen versie van de Handreiking tot te passen..

De nieuwe Handreiking bevat, zoals altijd bij een nieuwe versie, een aantal inhoudelijke wijzigingen of verbeteringen ten opzichte van de vorige versie. Opvallend bij deze versie is echter dat ook in de voorwaarden voor toepassing van de Handreiking een aantal aanvullende voorwaarden zijn toegevoegd.

Een van deze aanvullende voorwaarden is dat een bedrijf dat door middel van BEX methodiek de excretie van stikstof en fosfaat bij melkvee verantwoordt, de uitdraai van de resultaten van de BEX (via de Excretiewijzer, de KringloopWijzer of een ander programma met de berekeningswijze die in BEX is opgenomen) met de datum van uitdraai, op uiterlijk 1 februari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de BEX betrekking heeft,  in de administratie op moet nemen. Deze uitdraai – met een datum van vóór 1 februari,- dient altijd in de administratie bewaard te blijven, ook als blijkt dat op basis van een fout een nieuwe uitdraai na 1 februari wordt gemaakt om op te nemen in de administratie.

Een tweede procedurele voorwaarde die is toegevoegd aan de voorwaarden voor toepassing van de BEX is dat indien de Handreiking wordt gebruikt voor verantwoording van de lagere uitscheiding van stikstof en fosfaat, de daarin opgenomen invoergegevens over dieren, diervoeders en huisvesting gelijk dienen te zijn aan de invoergegevens die worden gebruikt voor de KringloopWijzer,  waarvan het resultaat over hetzelfde kalenderjaar ter beschikking dient te worden gesteld aan de afnemer(s) van de door geproduceerde koemelk. Hiermee legt de Handreiking een rechtstreekse koppeling met de Kringloopwijzer.

Beide aanvullingen lijken ingegeven door het feit dat de minister de borging van de BEX systematiek onvoldoende acht. Al eerder heeft de minister aangegeven dat de KringloopWijzer wel als voldoende geborgd werd geacht, maar de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie niet. Door de termijn van het opstellen te verkorten en de koppeling van invoergegevens tussen BEX en KringloopWijzer gelijk te stellen lijkt de minister de borging van de BEX te willen verbeteren.

Of wanneer niet aan deze voorwaarden ook kan of zal resulteren in het volledig afkeuren van een BEX berekening is de vraag. Immers zoals al eerder gesteld is de BEX van belang voor bedrijven waar sprake is van een  verschil tussen de feitelijke excretie van stikstof en fosfaat en de forfaitaire normen. Om dit verschil  te kunnen onderbouwen kan een beroep worden gedaan op de mogelijkheid van de zogenaamde ‘vrije bewijsleer’ die de Algemene wet bestuursrecht kent. De meest bekende methode van een dergelijke onderbouwing is de Bedrijfsspecifieke Excretie oftewel de BEX-berekening.

De reken- en verantwoordingswijze van de BEX-berekening kan worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze aan de hand waarvan bedrijven – gebruik makend van de Handreiking en de daarin genoemde voorwaarden – gemotiveerd en onderbouwd kunnen afwijken van de vastgestelde excretieforfaits voor melkveebedrijven. Hierbij wordt nadrukkelijk gesproken over een methode, niet over de of de enige methode. Er is immers sprake van vrije bewijsleer. Voor de BEX systematiek spreekt echter wel dat deze akkoord is bevonden door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM), breed wordt toegepast en, zoals reeds eerder vermeld, mag worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze voor de invulling van de zogenaamde vrije bewijsleer.

De vraag is of dat wanneer niet wordt voldaan aan de genoemde aanvullende voorwaarden of termijnen niet kan worden onderbouwd dat de mestproductie lager was en dus daarmee de inhoudelijke bewijsvoering niet zal worden geaccepteerd. Immers wanneer wel aan de overige inhoudelijke voorwaarden van de Handreiking wordt voldaan is de inhoudelijke onderbouwing op zich gelijk. Duidelijk is wel dat het niet voldoen aan de nieuwe procedurele termijnen zal leiden tot discussie en risico op afkeuring. Immers de veehouder zal aan moeten kunnen tonen dat sprake is van een juiste berekening en vooral correcte invoer.

 

Klik hier om de Handreiking te bekijken

De Handreiking taat ook online op drie pagina’s bij RVO:

 

Naast boete ook een randvoorwaardenkorting

Wie  een overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) begaat of niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit Gebruik Meststoffen (hierna: BGM) kan naast met een boete ook worden geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting op de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: GLB).

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Deze beheerseisen zijn door Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en bijlage 3 en bijlage 4 van deze uitvoeringsregeling en komen er – samengevat –  op neer dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen ervoor moet zorgen dat hij aan de gestelde regelgeving en voorwaarden van de uitvoeringsregeling voldoet.

Deze voorwaarden bestaan onder andere uit het voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit gebruik meststoffen (BGM), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm). Is dit niet het geval kan een korting worden doorgevoerd op deze rechtstreekse betalingen. Vaak betreft het dan een korting ter grootte van een percentage van 3%.

Voorgaande komt aan de orde in een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed. Verweerder heeft een randvoorwaardenkorting opgelegd aan appellante. Bij een bedrijfscontrole is geconstateerd dat voldoende opslagcapaciteit voor vaste mest ontbreekt, waarvoor verweerder een korting van 3% op de rechtstreekse betalingen heeft doorgevoerd.

Appellante heeft de niet-naleving betwist: volgens haar was de bestaande capaciteit van de mestopslag voldoende omdat enerzijds verweerder  de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest, kleiner is dan verweerder heeft berekend. Anderzijds stelt appellante dat de capaciteit van de mestopslagruimte op haar bedrijf toereikend is.

Wat betreft de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest overweegt het College dat verweerder deze heeft berekend op 263 m3, aan de hand van de rekenregels van artikel 28, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw en bijlage D, tabel I, kolom A, van de Uitvoeringsregeling Msw.

In artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat in vier gevallen de capaciteit van de mestopslagruimte kleiner kan zijn. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn:

a.       Indien kan worden aangetoond dat een contract voor afvoer van de extra mest is aanwezig is;
b.       Indien mest kan worden aangewend op een deel van de tot het bedrijf behorende bouwland of grasland waarvoor het uitrijverbod niet geldt
c.       Aangetoond kan worden het aantal tot het bedrijf behorende stallen kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan
d.       Aantoonbaar kan worden gemaakt dat in de periode augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren owrden gehouden.

Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij zich beroept op de uitzondering genoemd in het eerste lid, onder b. De enkele verwijzing door appellante naar de hopen vaste mest op de kopakker, die gereed zouden liggen om te worden uitgereden, acht het College als onderbouwing  echter onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder mogen uitgaan van een vereiste opslagruimte voor vaste mest van 263 m3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opslagruimte op het bedrijf voldoet aan die minimaal vereiste capaciteit. Allereerst moet worden vastgesteld dat het daarbij alleen gaat om opslagruimte voor vaste mest. De NVWA heeft over de bevindingen tijdens de controle een inspectieverslag opgesteld, waarin is vermeld dat de mestopslag voor vaste mest op het erf een inhoud heeft van 105 m3. Appellante heeft dit niet betwist. Wel betoogt zij dat ook de opslag van vaste mest op de kopakker moet worden meegerekend. Appellante heeft daarbij gesteld dat de opslag daar voldoet aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. In deze bepaling – een andere beheerseis waaraan een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt dient te voldoen op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.16, bij de Uitvoeringsregeling – zijn de eisen gesteld waaraan moet worden voldaan bij de opslag van agrarische bedrijfsstoffen op een onverhard oppervlak indien deze langer dan twee weken maar korter dan een half jaar worden opgeslagen. Eén van de eisen is dat het opslaan in elk geval zodanig plaatsvindt dat contact met hemelwater wordt voorkomen. Naar aanleiding van het betoog van appellante heeft de NVWA een aanvullend rapport uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2017.

In het aanvullend rapport is vermeld dat de mestopslag niet was afgedekt, zoals ook te zien is op de foto behorend bij het aanvullend rapport. Al daarom volgt het College het betoog van appellante niet dat voldaan is aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Dat er geen vloeistof van de mestvaalt in het oppervlaktewater is terechtgekomen, zoals appellante heeft betoogd, is niet relevant. Voor zover appellante lijkt te betogen dat niet hoefde te worden voldaan aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer, omdat de mest slechts kort op de kopakker werd opgeslagen, volgt het College appellantes redenering niet. In dat geval zou naar het oordeel van het College namelijk geen sprake zijn van opslagruimte voor meststoffen, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw, gelet op de definitie daarvan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, namelijk een ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de opslag van meststoffen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat reeds het storten van mest op de kopakker van die locatie een opslagruimte zou maken.

Verweerder heeft dus terecht het deel van de kopakker waar appellante de mest heeft gestort, niet meegerekend bij de vaststelling van de capaciteit van de mestopslagruimte. Nu de capaciteit van de mestopslagruimte op het bedrijf van appellante 105 m3 was, terwijl een capaciteit van 263 m3 vereist was, voldeed appellante niet aan de beheers-eis van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.18, bij de Uitvoeringsregeling en is de korting op de rechtstreekse betalingen terecht doorgevoerd.

Lees hier de volledige uitspraak

Vanggewas na mais: de regels op een rij

Sinds dit jaar zijn de regels rond het inzaaien van een vanggewas na maïs op zand en lössgrond enigszins aangepast. Verandering betekent altijd enige onduidelijkheid. Vandaar, hieronder  een samenvatting van de regels en de voorwaarden met betrekking tot het inzaaien van een vanggewas.

Waarom een vanggewas na maïs?

De wetgever stelt dat dat maïsteelt op zand- en lössgrond een groot risico voor uitspoeling van stikstof heeft. Mais stopt na juli met opnemen van stikstof, maar na die tijd komt er nog veel stikstof vrij. Deze stikstof blijft in de bodem achter die uit kan spoelen gedurende de winter. Om deze uitspoeling te voorkomen is de verplichting om  direct na de oogst van maïs op zand- en lössgrond een vanggewas telen ingevoerd. Dit vanggewas moet de dan nog in de bodem aanwezige stikstof vastleggen en daarmee behoeden voor uitspoeling.

Wil dit gebeuren dan moet het vanggewas zich voldoende goed kunnen ontwikkelen. Daarom zijn vanaf 2019 uiterlijke inzaaidatums voor het vanggewas gedefinieerd. Gezien het doel van het vanggewas mag, in tegenstelling tot een groenbemester, een vanggewas ook niet worden niet worden bemest. Bemesten mag pas weer als de uitrijdperiodes van het volgende kalenderjaar zijn ingegaan.

Uiterste inzaaidatum vanggewas

De uiterste inzaaidatum van het vanggewas na de teelt van biologische snijmaïs, korrelmaïs, suikermaïs, Corn Cob Mix of Maïskolvensilage is 31 oktober. Voor de teelt van een vanggewas na snijmais is de uiterste inzaaidatum 1 oktober.

Wijze van inzaaien

Aan de verplichting van het vanggewas na maïs kan worden voldaan door:

  • onderzaai tijdens de maïsteelt. Het is belangrijk om tussen de rijen maïs te telen, zodat de wortels van het vanggewas de bodem kunnen doorwortelen.
  • direct na de oogst van de maïs een vanggewas in te zaaien
  • direct na de oogst van snijmaïs wintergraan te telen als hoofdteelt voor het volgende kalenderjaar.

In alle situaties is goede landbouwpraktijk het uitgangspunt. Wanneer de inzaai ‘mislukt’ zal de teler moeten aantonen dat al de nodige moeite is gedaan om de opkomst van het vanggewas te laten slagen. Denk hierbij aan het gebruik van voldoende en goed zaaizaad en een geschikte machine.

Wanneer vanggewas uiterlijk inzaaien?

Er zijn verschillende uiterlijke datums om een vanggewas in te zaaien. De datum hangt af van het soort maïs dat u teelt en hoe het vanggewas wordt geteeld. In de tabellen hieronder is per maïssoort gegeven wanneer uiterlijk het vanggewas moet zijn ingezaaid en welk vanggewas mag worden ingezaaid. In de Gecombineerde Opgave geeft u bij het maïsperceel het vanggewas als volgteelt op. Doorgeven kan uiterlijk 1 oktober.

Vanggewas na snijmaïs

Onderstaande tabel geldt bij de teelt van  snijmaïs.

U teelt een vanggewas: door onderzaai direct na de oogst direct na de oogst als hoofdteelt
Wanneer uiterlijk zaaien 1 oktober
(geen uiterste oogstdatum)
1 oktober 31 oktober
Welk gewas zaaien Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Spelt
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst

 

Vanggewas na andere soorten maïs

Onderstaande tabel gebruikt u als u een van de volgende maïssoorten teelt: biologische snijmaïs, korrelmaïs, suikermaïs, Corn Cob Mix of Maïskolvensilage.

U teelt een vanggewas: door onderzaai direct na de oogst direct na de oogst
Wanneer uiterlijk zaaien 1 oktober
(geen uiterste oogstdatum)
1 oktober, onderstaande gewassen 31 oktober, onderstaande gewassen
Welk gewas zaaien Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Spelt
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst

Mengsel als vanggewas

Het is toegestaan  een mengsel van verschillende gewassen als vanggewas telen. Het mengsel bestaat dan wel voor ten minste twee derde uit een of meer vanggewassen uit de tabellen hierboven. Voorwaarde is dat ook dat het ingezaaide mengsel in het najaar tot ontwikkeling is gekomen.

Vernietigen vanaf 1 februari

Het vanggewas mag niet worden vernietigd vóór 1 februari van het volgende jaar. Het maakt niet uit of het vanggewas als onderzaai of direct na de oogst is  gezaaid. Is gekozen voor een vanggewas als hoofdteelt na snijmaïs, dan mag het niet worden vernietigd. Het gewas moet dan later in het jaar als hoofdteelt worden geoogst.

Gras ingezaaid?

Wanneer gras als vanggewas wordt ingezaaid, mag dit als veevoer worden gebruikt (weiden of maaien) in het volgende jaar. Wel moeten daarna de regels voor het scheuren van grasland  worden betracht. Als het gras wordt gebruikt als veevoer, ziet RVO dit vanaf 1 februari van het volgende kalenderjaar als tijdelijk grasland met alle bijbehorende regels en voorwaarden voor tijdelijk grasland.

Het is uiteraard ook toegestaan vanaf 1 februari van het volgende jaar het grasland te vernietigen en een ander gewas te zaaien als hoofdteelt voor dat jaar als u het vanggewas niet als grasland gebruikt. In die situatie gelden de regels voor het scheuren van grasland niet.

Controle en handhaving

Indien er geen of een onjuist vanggewas wordt geteeld, niet aan de uiterste inzaaidatum wordt voldaan of anderszins niet aan de regels rondom de teelt van een vanggewas wordt voldaan is sprake van een overtreding. Dit kan een boete en  mogelijk ook een randvoorwaardenkorting betekenen. Bovendien kan het gevolgen hebben voor de derogatievergunning. Opletten dus!

Gehalten in koek na mestscheiding

Monsters van vaste mest bestaande uit koek na scheiding van rundveemest (mestcode 13) en varkensmest (mestcode 43) mogen sinds 1 oktober 2017 alleen worden genomen door onafhankelijke monsternemers van een geaccrediteerde en erkende organisatie. Deze maatregel is destijds geïntroduceerd om manipulatie van gehalten bij de monstername uit te sluiten en de uniformiteit van de monstername (en daarmee van de analyse uitslagen) te verbeteren. Het ging er daarbij vooral om onverklaarbare (extreem) hoge gehalten uit te sluiten en discussies omtrent de rechtmatigheid daarvan te voorkomen.

Dat sommige gehalten als (te) hoog konden worden aangemerkt was duidelijk. Minder duidelijk is welke gehalten nu als ‘te’ hoog dienen te worden aangemerkt. In december 2017 hebben Cumela Nederland, LTO, POV, TLN en Rabobank (hierna: Cumela cs) hiervoor een aanzet gegeven in de vorm van een tabel met acceptabele bandbreedtes voor analyse-uitslagen van een aantal mestsoorten. Onder deze mestsoorten waren mestcode 13 en mestcode 43. Doel van de tabel is om eenvoudig te kunnen te bepalen of sprake is van onacceptabele gehalten in de aan- of afgevoerde mest. Hieronder de destijds gepubliceerde Tabel.

klik op het plaatje voor een vergroting

 

Cumela cs geeft als acceptabele bovengrenzen voor mestcode 13 gehalten van 8 kilogram stikstof per ton en 6 kilogram fosfaat per ton. Voor mestcode 43 zijn deze gehalten16 kilogram stikstof per ton en 20 kilogram fosfaat per ton.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft daarnaast voor analyses van koek na mestscheiding (mestcodes 13 en mestcodes 43) absolute bovengrenzen voor het fosfaatgehalte gedefinieerd. Deze bovengrenzen zijn het resultaat van onderzoek van de Wageningen University & Research. Uit het onderzoek volgt voor mestcode 13 een bovengrens van 15 kilogram fosfaat per ton. Voor mestcode 43 geldt een bovengrens van 31 kilogram fosfaat per ton.

Het is de vraag hoe zowel de Tabel van Cumela cs als de bovengrenzen van RVO zich verhouden tot hetgeen in de praktijk wordt waargenomen. Zeker met de onafhankelijke monsternemer als schakel in het monsternameproces. Door middel van een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur zijn de resultaten van de vervoersdocumenten dierlijke mest (VDM’s) voor mestcode 13 en 43 in de periode 1 oktober 2017 tot 1 september 2018 (één jaar) opgevraagd.

De resultaten van deze analyses zijn samengevat in onderstaande Tabel. Een drietal opvallende conclusies:

1. De forfaitaire gehalten van 2019 liggen voor met name stikstof aanzienlijk boven het gehalte dat gemiddeld in de praktijk wordt waargenomen. Voor fosfaat is ook sprake van een verschil, maar is het verschil kleiner.

2. Ruim 70% van de monsters van mestcode 13 liet een hoger gehalte zien dan het acceptabele gehalte voor stikstof of fosfaat in de tabel van Cumela cs. Voor mestcode 43 was dit nog bijna een kwart van de monsters.  Bij zulke percentages kunnen tenminste kanttekeningen worden geplaatst bij de term ‘acceptabele gehalten’.

3. De grens van de door RVO geformuleerde grenswaarde werd slechts respectievelijk 4% en 3% van de monsters overschreden. Dit zou het gevolg kunnen zijn van een nabehandeling (bijvoorbeeld drogen) van de betreffende vrachten. Als controlepunt lijken de gehalten dien door RVO worden gehanteerd echter wel reëel.

 

mestcode forfait (kg/ton) gemiddelde (kg/ton) % monsters boven norm 
stikstof fosfaat stikstof fosfaat bovengrens Cumela cs maximum RVO
mestcode 13 16,9 9,8 9,8 7,6 72,7 4,4
mestcode 43 25,7 21,4 10,9 18,0 23,0 2,8

 

Wie kijkt naar de gehalten die in de praktijk worden aangetroffen in koek na mestscheiding  in relatie tot de forfaitaire gehalten,  de acceptabele gehalten (Cumela cs) en de onaannemelijke gehalten (RVO) kan niet anders dan concluderen  dat zowel de forfaitaire gehalten voor deze mestcodes als de gehalten die worden gebruikt in de Tabel van Cumela cs als ‘acceptabele’ gehalten bijstelling behoeven.