Gewascodes voor grasland in 2019

Per 1 januari 2019 zijn de gewascodes voor grasland die dienen te worden gebruikt voor de Gecombineerde Opgave gewijzigd. De meest opvallende wijziging is dat gewascode 336 voor grasland (natuurlijk grasland, hoofdfunctie natuur) is komen te vervallen. Voor de percelen die in 2018 gewascode 336 hadden,  moet in 2019 de gewascode 265 of 331 worden gebruikt. Welke code van toepassing is, is afhankelijk van de (verwachte) drogestof opbrengst per ha. Een kort overzicht van de gewascodes voor grasland in 2019.

Uitgesloten percelen

Om betalingsrechten te kunnen verzilveren op een perceel moeten dit perceel overwegend voor landbouwactiviteiten worden gebruikt. Op de percelen mogen weliswaar niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden, echter de duur van deze activiteiten mag niet meer dan 90 dagen per jaar plaatsvinden. Daarnaast zijn percelen met meer dan 50 bomen per hectare uitgesloten van betalingsrechten.

Grasland

Voor percelen (die voor een deel) bestaan uit grasland zijn voor 2019 vijf gewascodes beschikbaar. De indeling vindt in eerste instantie plaats op basis van de opbrengst aan drogestof per hectare:

Hoger dan 5 ton:

  • gewascode 266:  Tijdelijk grasland.
  • gewascode 265:  Blijvend grasland

Lager dan 5 ton:

  • gewascode 331:  Grasland natuurlijk, wel landbouwactiviteiten
  • gewascode 332:  Grasland natuurlijk, beperkte landbouwactiviteiten
  • gewascode 335:  Natuurterrein (hoewel deze gewascode niet wordt gezien als grasland).

Bij een hogere opbrengst dan 5 ton drogestof per ha dient het perceel te worden geboekt onder gewascode 265 (blijvend grasland) of gewascode 266 (tijdelijk grasland). Gewascode 266 dient daarbij te worden gebruikt voor  grasland dat minder dan vijf jaar aaneengesloten grasland is geweest.

Wanneer sprake is van een drogestofopbrengst van minder dan 5 ton drogestof per ha dan is  gewascode 331 (natuurlijk grasland, wel landbouwactiviteiten) mogelijk van toepassing. Dan moet wel sprake zijn van een landbouwkundig gebruik en moet het perceel tenminste eenmaal per jaar worden gemaaid.

Dit betekent dat ook extensief gebruikt grasland onder deze categorie kan vallen. Het betreft dan voor de ‘Meststoffenwet’ gewoon landbouwgrond, maar het wordt op basis van het opbrengstcriterium voor de Gecombineerde Opgave onder natuurlijk grasland geboekt.

Het omgekeerd kan ook het geval zijn. Het kan voor komen dat natuurterrein dat als grasland wordt gebruikt een opbrengst van meer dan 5 ton droge stof per ha heeft. In dat geval moet dan  gewascode 265 worden gebruikt.

Bovenstaande betekent dat ook gronden die voor de ‘Meststoffenwet’ als natuur worden aangeduid, voor de gecombineerde opgave als landbouwgrond gelden. Echter wanneer uit de gebruiksovereenkomst blijkt dat er beperkingen zijn met betrekking tot de beschikkingsmacht wordt het perceel voor de Meststoffenwet dat weer niet als landbouwgrond aangeduid en kunnen er geen gebruiksnormen aan worden ontleend.

Percelen met een lagere opbrengst en zonder of met weinig landbouwactiviteiten moeten onder  gewascode 332 worden opgegeven bij de gecombineerde opgave. Indien de grond meer dan 50% (of geheel) ‘verruigd’ is en het aandeel gras beperkt is, kan ook gekozen worden voor de gewascode 335. Het onderscheid met gewascode 332 is  niet strikt te maken. Beiden komen echter niet in aanmerking voor betalingsrechten of gebruiksnormen.

klik op het plaatje voor een vergroting in pdf

Resumerend betalingsrechten

Resumerend vinden op percelen met grasland onder de gewascodes 265, 266 en 331 landbouwactiviteiten plaats en kunnen deze worden gebruikt voor de uitbetaling van betalingsrechten, indien dit grasland feitelijk bij het bedrijf in gebruik is als landbouwgrond.

Gebruiksnormen

Voor de ‘Meststoffenwet’ is naast het feitelijke gebruik ook van groot belang of de gebruiker voldoende beschikkingsmacht heeft over de betreffende percelen. Het begrip beschikkingsmacht betekent dat de gebruiker in de praktijk in staat is het teeltplan en het bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in hun samenhang te realiseren’. Dit binnen de landbouwpraktijk van het bedrijf. In een groot aantal overeenkomsten voor het gebruik van percelen extensief gebruikt grasland is echter geen sprake van feitelijke beschikkingsmacht. Vaak zijn beperkende voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op het gebruik en het bemestingsplan beïnvloeden (er mogen maar een bepaald deel van het jaar dieren worden geweid, met een maximale veebezetting, er mag geen of een bepaalde hoeveelheid en soort mest op, er worden eisen gesteld aan het kunstmestgebruik, er worden eisen aan het maaibeheer gesteld). Daarnaast maakt een overeenkomst soms melding van zaken die door het waterschap zelf worden geregeld op de dijken. Het geheel van die voorwaarden kan tot de conclusie leiden dat  geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht.

Primaire waterkeringen

Wanneer een bedrijf een primaire waterkering in gebruik heeft, waar men niet de feitelijke beschikkingsmacht over heeft, moet dit aangegeven worden in de opgave. Dit heeft gevolgen voor de mestgebruiksnormen.

 

Klik hier voor het stroomschema van RVO

Grondgebruikersverklaring ook schriftelijk beëindigen

Wanneer zogenaamde ‘losse grond’  tijdelijk in gebruik wordt genomen of uit gebruik wordt gegeven wordt dit vaak via een zogenaamde grondgebruikersverklaring geformaliseerd. Daarbij komt het regelmatig voor dat daarbij een stilzwijgende verlenging wordt afgesproken of de gebruikersverklaring wordt aangegaan ‘tot wederopzegging‘. Dat het verstandig is om ook een einddatum op te nemen in een dergelijke overeenkomst of de overeenkomst schriftelijk te beëindigen blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs uitspraak deed.

Appellante heeft op 12 mei 2016 een Gecombineerde opgave bij RVO ingediend waarin zij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor 2016, alsmede om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers heeft verzocht.

Bij primair besluit heeft RVO het door appellante opgegeven perceel 107 met een oppervlakte van 7,21 ha niet in deze aanvraag meegenomen, omdat appellante van dit perceel niet het gebruik en beheer had op 15 mei 2016, bij gebreke van een daartoe strekkende geldige juridische titel. De rechtbank had eerder al geconcludeerd dat appellante dit perceel voor de duur van zes jaar (ingaande op 1 november 2013 en eindigend op 1 november 2019) van [naam] had gepacht, maar [naam] en appellante hebben gelijktijdig een grondgebruikersverklaring getekend, op grond waarvan het beheer van perceel 107 tot wederopzegging weer bij [naam] is komen te liggen. Niet is gebleken dat deze grondgebruikersverklaring is geëindigd.

In beroep heeft appellante – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij vanaf 1 november 2013 pacht appellante perceel 107 van [naam] heeft gepacht. In 2014 en 2015 is het perceel krachtens een grondgebruikersverklaring bij [naam] in gebruik geweest. Appellante heeft deze grondgebruikersverklaring in november 2015 in goed overleg met [naam] per 1 januari 2016 mondeling opgezegd. Met ingang van die datum was appellante exclusief gerechtigd tot het gebruik en beheer van het perceel op grond van eerder genoemde pachtovereenkomst. Nu appellante op 15 mei 2016 perceel 107 in beheer had, heeft zij recht op de aangevraagde betalingsrechten en betalingen, aldus appellante.

Het College overwoog als volgt: Ingevolge artikel 33, eerste lid, van Verordening 1307/2013 geeft de landbouwer met het oog op de activering van betalingsrechten aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010, ECLI:EU:C:2010:606, Landkreis Bad Dürkheim, C-61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van zijn landbouwactiviteiten te gebruiken.

In artikel 15, tweede lid, van Verordening 639/2014 is bepaald dat als twee of meer aanvragers een aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten voor eenzelfde in het eerste lid bedoelde subsidiabele hectare indienen, het betrokken betalingsrecht wordt toegewezen aan de aanvrager die bevoegd is om te besluiten welke landbouwactiviteiten op die hectare worden verricht en die de uit deze activiteiten voortvloeiende voordelen geniet en financiële risico’s draagt.

Vast staat dat op de peildatum van 15 mei 2016 [naam] de eigenaar was van perceel 107. Ook indien de rechtsgeldigheid van de hiervoor genoemde pachtovereenkomst als uitgangspunt wordt genomen, laat dat onverlet dat met ingang van 1 november 2013 tussen [naam] en appellante een grondgebruikersverklaring is gesloten op grond waarvan het gebruik en beheer van perceel 107 weer aan [naam] toekwam. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de grondgebruikersverklaring per 1 januari 2016 door opzegging is geëindigd.

Uit een door appellante overgelegde verklaring van een loonwerker van 14 april 2017 waarin deze verklaart over de werkzaamheden die hij in opdracht van appellante op het betreffende perceel heeft verricht, kan dit ieder geval niet worden afgeleid. Mogelijk heeft appellante het perceel feitelijk gebruikt, maar dat enkele feit betekent niet dat appellante op basis van een geldige titel ook de bevoegdheid had om het perceel met een zekere autonomie voor de uitoefening van haar landbouwactiviteiten te gebruiken.

RVO heeft daarmee volgens het College terecht geoordeeld dat perceel 107 op 15 mei 2016 niet tot het bedrijf van appellante behoorde.

Lees hier de volledige uitspraak

Dijken: landbouwgrond of niet?

LET OP: Dit artikel dateert uit 2018. Sinds het kalenderjaar 2019 is de regelgeving gewijzigd. Onderstaande geldt uitsluitend voor het kalenderjaar 2018. Het gewas natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw (gewascode 336) kunt u niet meer opgeven in Mijn percelen en in de Gecombineerde opgave. Nu geeft u in de Gecombineerde opgave aan dat u percelen als natuurterrein in gebruik heeft volgens de mestwetgeving. Of u heeft een primaire waterkering zoals een dijk in gebruik en heeft hierover niet de beschikkingsmacht. Daarna geeft u per perceel aan voor welke percelen dit geldt. Voor de regels in 2019 wordt verwezen naar de pagina in deze link.

 

Begin april 2018 gaf RVO in haar nieuwsbrieven die zijn gericht op de Meststoffenwet en de Gecombineerde Opgave aan dat men primaire waterkeringen (dijken die het land beschermen tegen buitenwater uit de Noordzee, de Waddenzee, de grote rivieren en het IJssel- en Markermeer) vanaf dit jaar automatisch aan zou merken als ‘natuurlijk grasland’ (gewascode 336). Recentelijk heeft  RVO, na gesprekken met vertegenwoordigers van LTO en waterschappen echter aangegeven dat haar duidelijk is geworden dat deze lijn voor problemen zorgt en haar standpunt gewijzigd. Enerzijds omdat RVO haar insteek pas laat bekend heeft gemaakt. Anderzijds omdat er verschillende pachtcontracten en beheertypen zijn voor dergelijke waterkeringen.

klik op het plaatje voor een vergroting

Dit gewijzigde standpunt van RVO  betekent echter niet dat primaire waterkeringen daarmee ook automatisch als landbouwgrond worden aangemerkt. Integendeel, de zinsnede ‘niet standaard’ moet  worden gelezen als dat per situatie de regels van de Meststoffenwet zullen worden gelegd op de feitelijke omstandigheden ter plekke. In die zin wordt de beoordelingssystemantiek gevolgd die men ook voor andere percelen grasland hanteert en waarvan hiernaast het schema is gegeven.

Het is en blijft daarom  van belang dat een juiste beoordeling wordt gemaakt van de indeling van het grasland. De verschillen lijken klein, maar kunnen grote gevolgen hebben. Zo telt natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw onder code 331 mee voor  de gebruiksnormen en derogatie, maar telt natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw onder code 336 daar niet voor mee.  Wanneer een dijk (die door RVO standaard zou worden aangemerkt als code 336) onterecht wordt aangemerkt als landbouwgrond kan dit, wanneer dit later toch niet het geval blijkt te zijn, aanzienlijke gevolgen hebben.

Om dijken voor gebruiksnormen in aanmerking te laten moet sprake van zogenaamde feitelijke beschikkingsmacht. De interpretatie van het begrip ‘feitelijke beschikkingsmacht’ hangt af het geheel van de omstandigheden die betrekking hebben op het gebruik van een perceel. Wie beschikt over de feitelijke beschikkingsmacht is ‘In praktijk in staat is teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren’. Dit binnen de landbouwpraktijk van het bedrijf.

In een groot aantal overeenkomsten voor het gebruik van dijken is echter geen sprake van feitelijke beschikkingsmacht. Vaak zijn beperkende voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op het gebruik en het bemestingsplan beïnvloeden (er mogen maar een bepaald deel van het jaar dieren worden geweid, met een maximale veebezetting, er mag geen of een bepaalde hoeveelheid en soort mest op, er worden eisen gesteld aan het kunstmestgebruik, er worden eisen aan het maaibeheer gesteld). Daarnaast maakt een overeenkomst soms melding van zaken die door het waterschap zelf worden geregeld op de dijken. Het geheel van die voorwaarden kan tot de conclusie leiden dat  geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht.

Aan natuurlijk grasland met de hoofdfunctie natuur (gewascode 332) of de hoofdfunctie landbouw maar zonder feitelijke beschikkingsmacht (gewascode 336) worden geen gebruiksnormen toegekend. Wel mag er (wanneer de onderliggende overeenkomst dat toelaat) maximaal 170 kg stikstof of dierlijke mest en 70 kg fosfaat worden afgezet naar deze percelen, maar deze moet dan ook daadwerkelijk (via uitscharen dieren of afvoer dierlijke mest) naar de grond worden afgezet.

In het schema hiernaast staan de hoofdlijnen van de beoordeling gegeven. Wanneer sprake is van landbouwgrond (blijvend en tijdelijk grasland) of wanneer sprake is van natuurlijk grasland met hoofdfunctie landbouw, zonder beperking van het gebruik van meststoffen (gewascode 331), telt de grond voor de gebruiksnormen mee.

De beoordeling of wel of niet sprake is van landbouwgrond zal plaatsvinden op basis van de feitelijke omstandigheden en (vooral) op basis van hetgeen blijkt uit de onderliggende overeenkomst waarin de onderlinge afspraken en de afspraken met betrekking tot het gebruik van het perceel zijn vastgelegd. Het is dus van belang dat wanneer in de overeenkomst beperkingen zijn opgenomen die afwijken van het gebruik in de praktijk de overeenkomst daarop wordt aangepast.  Gelden er wel beperkingen of bent u niet zeker van of wel sprake is van het feit dat u de feitelijke beschikkingsmacht heeft, kies dan het zekere voor het onzekere en voer de mest af naar de percelen in gebruik, schaar de dieren die er grazen uit naar de percelen in gebruik en tel de percelen niet mee voor de 80% eis in het kader van derogatie.

Conclusie van bovenstaande is dat hoewel RVO  recentelijk heeft aangegeven primaire waterkeringen niet standaard aan te merken als ‘natuurlijk grasland’ dit zeker niet betekent dat primaire waterkeringen als landbouwgrond kunnen en zullen worden aangemerkt. Dit wordt bepaald op basis van het beoordelingskader van de Meststoffenwet. Daarin speelt de feitelijke beschikkingsmacht een bepalende rol vooral de beperkingen met betrekking tot de toegestane bemesting en beweiding. Dat was zo en dat blijft ook zo.

 

Landbouwgrond, natuurterrein of overige grond?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) kent in haar basis slechts een onderscheid tussen landbouwgrond en andere grond. Waarbij deze andere grond bijvoorbeeld bestaat uit natuurterrein en overige grond. De scheidslijn tussen wat kan worden gezien als landbouwgrond en wat niet is soms niet bij voorbaat helder, maar wel belangrijk. Immers de titel landbouwgrond impliceert dat de grond meetelt voor de gebruiksnormen. De discussie over wat mag worden gezien als landbouwgrond doet zich vooral voor bij grasland. Grasland kan zowel landbouwgrond (weideperceel), natuurterrein (blauwgrasland) als overige grond (grond in gebruik bij particulier) zijn. De vraag is dan ook: wat is landbouwgrond?

Landbouwgrond is grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Landbouw wordt omschreven als: ‘akkerbouw, veehouderij – daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm van houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden – , tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet’.

stockfotos 015a

uitscharen of gebruiksnormen?

Het begrip natuurterrein is als zodanig niet gedefinieerd in de Msw. De achtergrond hiervan is dat gekozen is voor gescheiden regimes: voor landbouwgrond, waarop de gebruiksnormen van de Msw van toepassing zijn, en voor natuurterrein en overige gronden, waarvoor afzonderlijke beheersregelingen en het, op de Wet bodemsanering gebaseerde, Besluit Gebruik Meststoffen gelden (BGM). Daarbij is niet van belang of het gronden betreft in gebruik bij landbouwbedrijven, natuurbeschermingsorganisaties, landgoederen, particulieren of anderszins.

Bij de discussie of een gegeven perceel grasland mag worden aangemerkt als landbouwgrond is vooraleerst van belang dat het perceel niet de hoofdfunctie natuur heeft en op het perceel sprake is van de teelt van gras dat bestemd is voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren.

Vervolgens geldt dat op het perceel sprake dient te zijn van een normale landbouwpraktijk. Hiervoor is bepalend dat de landbouwer over de feitelijke beschikkingsmacht over deze grond heeft, in die zin dat hij in de praktijk in staat is zijn teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren. Dit betekent dat de geldende beheers- en gebruiksmaatregelen op een perceel (bewerking, bemesting, beweiding) niet zodanig beperkend mogen zijn dat van een ‘normale landbouwpraktijk’ ten dienste van het landbouwbedrijf geen sprake kan zijn. Dit is geen zwart/wit verhaal: het dient te worden beoordeeld op basis van de feitelijke omstandigheden.

Een voorbeeld: Een perceel grasland (paardenweide) van een particulier is in gebruik bij een landbouwbedrijf, waarbij de particulier het perceel beweid met paarden en de verzorging van het gewas voor zijn rekening neemt. RVO oordeelt dat de feitelijke beschikkingsmacht niet bij de landbouwer ligt en daarmee telt het perceel niet mee als landbouwgrond bij het landbouwbedrijf.

Een tweede voorbeeld: Een perceel in de uiterwaarden dat wordt gehuurd door een landbouwbedrijf. De percelen mogen niet worden bemest en in beperkte mate worden geweid. Bij hoog water moet het perceel per direct worden ontruimd. Er moet regelmatig worden gemaaid om onkruiden te verwijderen. Verder zijn er geen subsidieregelingen van kracht op het perceel. Wat denkt u: landbouwgrond of niet? Er is sprake van grasland, dat wordt beweid door dieren die deel uitmaken van een landbouwbedrijf. Er zijn weliswaar beperkingen met betrekking tot het gebruik en beheer, maar is daarmee sprake van een dermate beperking dat geen sprake kan zijn van landbouwgrond? RVO oordeelt, op basis van de feitelijke omstandigheden dat dit het geval is en telt het perceel niet mee als landbouwgrond. De dieren die er grazen dienen te worden meegenomen als uitgeschaarde dieren. Het is de vraag of dit standpunt van RVO terecht is. Om dit standpunt te weerleggen zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat ondanks de beheersmaatregelen de mogelijkheden van het landbouwbedrijf om het teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen niet worden beperkt.

Sancties onjuist opgegeven grond in Gecombineerde opgave 2015

In de Gecombineerde opgave 2015 is in een aantal gevallen grond ten onrechte opgegeven voor de uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling. Het gaat vaak om percelen die geheel of gedeeltelijk niet aangemerkt kunnen worden als landbouwgrond of te groot zijn opgegeven.

Dit blijkt uit de eerste controles door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) van geregistreerde percelen, zo geeft RVO aan op haar website. Voor de oppervlakte die niet aan de voorwaarden van subsidiabele landbouwgrond voldoet, worden geen betalingsrechten toegekend en vindt ook geen GLB-betaling plaats.

foto01a

Uit eerdere berichten van RVO lijkt dat in deze gevallen in 2015 geen sanctie wordt toegepast. De Europese Commissie heeft echter aangegeven dat er wel wordt gesanctioneerd. Nederland gaat in gesprek met de Europese Commissie over het sanctioneren in het eerste jaar.

Percelen wijzigen kan tot en met 7 oktober

Europese regelgeving geeft aan dat bij afwijkingen groter dan 2 ha, of meer dan 3%, een sanctie wordt toegepast op de GLB-betaling.

Heeft u bij de Gecombineerde opgave 2015 grond ten onrechte opgegeven voor de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling? Dan kunt u nog percelen intrekken of het vinkje weghalen bij de uitbetaling voor betalingsrechten. Dit mag alleen als nog geen fysieke controle is aangekondigd, of wanneer u nog niet in kennis bent gesteld van een afwijking in uw steunaanvraag.

Intrekken kan door de Gecombineerde opgave aan te passen en opnieuw in te dienen. Dit kan tot en met 7 oktober 2015 via mijn.rvo.nl.

Welke grond telt mee?

De meststoffenwet kent een verantwoordingsplicht voor de geproduceerde en aangevoerde meststoffen. Een deel van die verantwoordingsplicht kan worden ingevuld met de gebruiksnormen die kunnen worden ontleend aan de in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is (artikel 1 lid 1 onder m Msw). Meestal is het duidelijk welke grond dit betreft, maar soms ook niet. En soms denkt een medewerker van de NVWA anders over het antwoord op deze vraag dan u. Dan kan worden besloten deze niet mee te tellen. De gevolgen van het (achteraf) niet mee mogen tellen van deze grond kunnen enorm zijn. Het is dus belangrijk van tevoren duidelijk te hebben welke percelen wel en welke percelen niet voor gebruiksnormen in aanmerking komen.

foto01a

Om grond mee te mogen tellen voor de gebruiksnormen is de feitelijke beschikkingsmacht van belang.

Sinds 2006 (Kamerstukken II 2004/05, 29, 930, nr 3, blz 107 en verder) is bij de bepaling of grond meetelt bij het bedrijf niet zozeer de juridische titel maar eerder de feitelijke  beschikkingsmacht van belang. Het begrip ‘ feitelijke beschikkingsmacht’   veronderstelt wellicht de aanwezigheid van een geldige juridische titel, maar hecht meer waarde aan de beslissingsbevoegdheid over de teelt en de teeltmaatregelen (grondbewerkingen, bemesting, teeltkeuze, oogst, etc) op een perceel. Vooral bij gehuurde percelen (op afstand) leidt dit wel eens tot situaties waarin het bevoegde gezag twijfelt of sprake is van de ‘ feitelijke beschikkingsmacht’. Hieronder een tweetal voorbeelden:

Grond op afstand (ECLI:NL:CBB:2013:BZ1613)

In deze casus was de vraag of de in 2007 gehuurde percelen landbouwgrond in Friesland mochten worden  aangemerkt als tot het bedrijf (gelegen Gelderland) behorende oppervlakte landbouwgrond. De staatssecretaris meent van niet en heeft de betreffende grond niet betrokken in de “Berekening gebruik meststoffen 2007”. Na deze correctie op de oppervlakte landbouwgrond heeft de staatssecretaris geconstateerd dat de gebruiksnormen in 2007 zijn overschreden en meerdere bestuurlijke boetes opgelegd, voor een bedrag van in totaal € 173.413,50.

Het College voor Beroep van het Bedrijfsleven (hierna: het College) herzag deze boete.  Naar het oordeel van het College was genoegzaam komen vast te staan dat het bedrijf het exclusieve gebruiksrecht van de betreffende percelen had, dat zij dat recht met uitsluiting van ieder ander hebben uitgeoefend en dat zij derhalve ook de feitelijke beschikkingsmacht hadden. Daarbij werd in aanmerking genomen dat uit  het AID-rapport bij deze casus bleek dat het bedrijf beschikte over een gebruiksovereenkomst, een factuur betreffende  huur grasland, drie analyseverslagen en een factuur van Mest- & Kalkhandel G, waarop onder andere stond vermeld: ‘saldo gemaakte kosten en gewasopbrengsten voor u: 0,00 Euro’.

Voor zover de staatssecretaris betoogde dat het bedrijf niet het economisch risico van de teelt droeg zag hij er aan voorbij dat het bedrijf onbestreden heeft aangevoerd dat het, gelet op de kosten van transport en het prijsniveau van ruwvoer in het betreffende jaar, economisch de meest verantwoorde beslissing was om met Mest- en Kalkhandel G overeen te komen dat de gewasopbrengst zou worden verrekend met de door hem voor zijn werkzaamheden in rekening te brengen kosten.

 

Inscharen of grond in gebruik (ECLI:NL:CBB:2014:CA2239)

In deze casus waren partijen primair verdeeld of het bedrijf enkele in 2007 van een eigenaar gehuurde percelen landbouwgrond konden aanmerken als tot hun bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. De staatssecretaris meent van niet en heeft de betreffende percelen niet betrokken in zijn “Berekening gebruik meststoffen 2007”. Na deze correctie op de oppervlakte landbouwgrond heeft de staatssecretaris geconstateerd dat de gebruiksnormen in 2007 zijn overschreden en aan het bedrijf meerdere bestuurlijke boetes opgelegd voor een bedrag van in totaal € 145.646,50.

In haar beslissing verwees het College naar de verklaring van de eigenaar die tegenover de AID had aangegeven dat hij de dieren omweidde en controleerde, het gras maaide en het slootwerk betaalde. Ook regelde de eigenaar  het bemesten, zonder vergoeding of opdracht van het bedrijf. De eigenaar heeft tevens zonder overleg met het bedrijf besloten om één van de betreffende percelen niet met mais in te zaaien en heeft in dit verband voorts verklaard dat hij altijd zelf de regie over de betreffende percelen heeft gehad. Het bedrijf heeft verklaard dat hem pas in de zomer werd meegedeeld dat de inzaai van maïs niet was doorgegaan en dat hij er niet van op de hoogte was dat er mest op de percelen was uitgereden. Een en ander maakte dat het College tot de slotsom kwam dat het bedrijf  niet de feitelijke beschikkingsmacht over deze percelen heeft gehad. Het voorgaande leidde tot de conclusie dat de boete terecht was opgelegd.

 

Conclusie

In de twee voorbeelden hierboven is het wellicht vrij duidelijk of sprake is van ‘eigen grond’ of niet, maar in de praktijk kunnen veel tussenvormen voor komen. Moraal van het verhaal is echter altijd: het is van doorslaggevend belang dat door middel van  documenten, afspraken en de  feitelijke omstandigheden invulling wordt gegeven aan het begrip feitelijke beschikkingsmacht. Is dat niet of onvoldoende mogelijk, zoek dan naar een andere oplossing: wellicht minder praktisch, maar wel zo veilig.