Mestopslag (ver)huren? Afspraken maken!

Dat het belangrijk is om bij de huur of verhuur van een mestopslag vooraf duidelijke afspraken met elkaar te maken en die ook vast te leggen is helder. Duidelijkheid over de afspraken en voorwaarden is belangrijk voor zowel de huurder als de verhuurder, of het nu gaat over afspraken gedurende de overeenkomst, maar ook over de situatie bij aanvang van de (ver)huurperiode en bij de afloop daarvan.  Als is het maar om na afloop van de huurperiode jarenlange procedures te voorkomen,  zoals blijkt uit onderstaande zaak waarin het Gerechtshof ’s Hertogenbosch onlangs uitspraak deed.

Appellanten zijn de zonen van wijlen [vader van appellanten] en enig erfgenamen in diens nalatenschap. [vader van appellanten] is overleden op 1 november 2015. [geïntimeerden] hebben onder andere een varkenshouderij.

Begin februari 2015 hebben [geïntimeerden] en [vader van appellanten] afgesproken dat [geïntimeerden] voor korte tijd kosteloos mest mochten opslaan in de mestkelders van de bedrijfsgebouwen van [vader van appellanten]. De mest is in februari 2015 gebracht. Eind april 2015 hebben [geïntimeerden] mest opgehaald bij [vader van appellanten].

Het hoger beroep gaat om de vraag of [geïntimeerden] in april 2015 in totaal minder mest uit de kelder hebben gehaald dan zij er in februari 2015 in hebben gebracht en zo ja, of [geïntimeerden] in verband daarmee een vergoeding zijn verschuldigd aan [appellanten].

Aan hun vordering hebben [appellanten] samengevat  ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] door hen gebrachte mest niet volledig hebben afgevoerd. In de mestkelder is nog een aanmerkelijke hoeveelheid mest achtergebleven. Aangezien [geïntimeerden] de mestkelder niet voldoende leeg hebben gemaakt, maken zij daar nog steeds gebruik van. Hiervoor zijn zij een vergoeding verschuldigd uit hoofde van een stilzwijgende huurovereenkomst, dan wel onrechtmatige daad. Bovendien moeten [geïntimeerden] alsnog zorgdragen voor het volledig leegmaken van de kelder.

[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat er voor aanvang van de huurperiode al  mest in de mestkelder aanwezig was.

In het eindvonnis  heeft de kantonrechter overwogen dat het gelet op de  gemotiveerde toelichting van [geïntimeerden] op de weg van [appellanten] had gelegen om nader te onderbouwen dat [geïntimeerden] niet alle aangevoerde mest hebben weggehaald. [appellanten] hebben dit nagelaten. Voorts hebben [appellanten] geen indicatie geven hoeveel mest er door [geïntimeerden] is gelost en hoeveel mest er is opgehaald.

[appellanten] hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij hun vorderingen wel voldoende hebben onderbouwd en dat het juist [geïntimeerden] is die hun verweer nader hadden moeten onderbouwen. Volgens [appellanten] is het door [geïntimeerden] gevoerde verweer bovendien een bevrijdend verweer waarvoor [geïntimeerden] de bewijslast dragen. Als dit al anders is, moet de bewijslast volgens [appellanten] worden omgekeerd vanwege de bewijsnood van [appellanten] en de verplichtingen van [geïntimeerden] om een sluitende mestboekhouding bij te houden.

Het Hof oordeelt in hoger beroep dat omdat [appellanten] zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun stelling dat [geïntimeerden] in april 2015 in relevante mate minder mest uit de mestkelder van [vader van appellanten] hebben opgehaald dan zij er in februari 2015 in hebben gelost,  het aan [appellanten] is om daarvoor voldoende feiten te stellen. In het verlengde daarvan rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. de bewijslast voor deze stelling op [appellanten]. [appellanten] hebben betoogd dat de bewijslast in dit geval anders verdeeld moet worden, omdat [vader van appellanten] overleden is en omdat [geïntimeerden] verplicht zijn om een sluitende mestboekhouding bij te houden, zodat het voor [geïntimeerden] eenvoudig moet zijn om de aan hun verweer ten grondslag gelegde stelling te bewijzen. Volgens het tweede deel van artikel 150 Rv kan van de hoofdregel van bewijslastverdeling worden afgewezen als uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Naar het oordeel van het Hof vloeit in dit geval ook uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid niet voort dat moet worden afgeweken van de hoofdregel van bewijslastverdeling. Dat [appellanten] in de onmogelijkheid zouden verkeren om bewijs te leveren, valt niet in te zien. Dat [geïntimeerden] een sluitende mestboekhouding moeten bijhouden is in de gegeven omstandigheden niet van een zodanige aard of gewicht dat dit moet leiden tot omkering van de bewijslast. De hoofdregel van bewijslastverdeling blijft dus gelden in deze zaak. De eis van [appellanten] wordt afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak

Derogatie 2020 aanvragen

Wie voor 2020 gebruik wil maken van derogatie dient te beschikken over een zogenaamde derogatievergunning.  Een vergunning voor 2020 aanvragen kan in de periode van 3 augustus 2020 tot en met 4 september 2020. Hier kort samengevat de voorwaarden om een vergunning te krijgen en te behouden.

 

Nieuwe voorwaarde voor 2020
In 2020 is er één nieuwe voorwaarde. Gebruikt u een sleepvoetbemester op klei- of veengrond? Dan mag alleen mest worden uitgereden uit als de buitentemperatuur lager is dan 20 °C.  RVO Geeft aan dat hiervoor een kaart van het KNMI dient te worden gebruikt om te bepalen of u mag uitrijden. Op deze kaart ziet u voor iedere regio de buitentemperatuur. Die wordt gemeten door de weerstations van het KNMI en elke 10 minuten bijgewerkt. Klik op deze link om de temperatuur in uw regio te bekijken.

Alle voorwaarden voor 2020

Algemeen

  • U betaalt € 50 leges voor uw derogatievergunning.
  • U betaalt een tarief voor het monitoren van de milieueffecten. Meer hierover leest u hieronder bij Kosten voor derogatie. Misschien vragen wij u voor het monitoren om gegevens. Wij kunnen u ook vragen mee te werken aan metingen in het grond- en oppervlaktewater.
  • U houdt zich aan de regels uit de Meststoffenwet. Dat zijn bijvoorbeeld regels over de gebruiksnormen, het uitrijden van mest en vanggewassen na maïs op zand- en lössgrond. Er staan ook voorwaarden in voor het scheuren van grasland en het aan- en afvoeren van mest.
  • Wij hebben in 2019 geen derogatievergunning van u ingetrokken.

Mest gebruiken

  • De gebruiksnorm voor dierlijke mest wordt verhoogd van 170 kilogram naar 230 kilogram voor landbouwgrond op zand- en lössgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg. Voor landbouwgrond in de rest van Nederland is dit 250 kilogram.
  • U gebruikt bij de verhoging naar 230 of 250 kilogram alleen graasdierenmest. Heeft u ook staldieren? Wanneer die mest wordt toegediend aan landbouwgrond rekent u voor deze opervlakte met met 170 kilogram.
  • U gebruikt geen fosfaatkunstmest op uw bedrijf.
  • Zoals hierboven al genoemd gebruikt u een sleepvoetbemester op klei- en veengrond? Dan rijdt u alleen mest uit als de buitentemperatuur lager is dan 20 °C.

Landbouwgrond gebruiken

  • U gebruikt van 15 mei tot en met 15 september (onafgebroken) in elk geval 80% van uw landbouwgrond als grasland. Grasland dat u vernieuwt telt ook mee. Wij controleren uw oppervlakte landbouwgrond met de gegevens van uw Gecombineerde opgave.
  • Scheurt of vernietigt u grasland voor maïsteelt op zand- en lössgrond? Dan rekent u met een korting van 65 kilogram op de stikstofgebruiksnorm. De stikstofbemonsteringsplicht voor deze grond vervalt.
  • Scheurt of vernietigt u na 31 mei grasland voor graslandvernieuwing op zand- en lössgrond? Dan rekent u met een korting van 50 kilogram op de stikstofgebruiksnorm per hectare die gescheurd is.

Gegevens bewaren of versturen

  • U verstuurt de aanvullende gegevens over 2019 en 2020 op tijd. Heeft u in 2019 geen uitnodiging ontvangen voor het doorgeven van aanvullende gegevens? Dan mag u ze nog doorgeven. U doet dit uiterlijk 4 september 2020 via de pagina Aanvullende gegevens landbouwer.
  • U laat uw percelen bemonsteren door een geaccrediteerd laboratorium:met hun eigen methode; volgens het Protocol Fosfaatdifferentiatie en Derogatie.
    U maakt uiterlijk 4 september 2020 een bemestingsplan.

Bemestingsplan maken

  • Een voorwaarde voor derogatie is het maken van een bemestingsplan. U heeft hiervoor een analyserapport nodig van de bemonstering van uw landbouwgrond. Een geaccrediteerd (erkend) laboratorium moet dit uitvoeren en opstellen. Het grondmonster is op 4 september 2020 niet ouder dan 4 september 2015. U bewaart de rapporten op uw bedrijf. Opsturen hoeft niet.

Wanneer en hoe aanvragen

  • U kunt een derogatievergunning aanvragen van 3 augustus tot en met 4 september. Dit kan via de site van RVO. Voor het ondertekenen van uw aanvraag heeft u TAN-codes nodig.
  • Voor het aanvragen van uw vergunning betaalt u € 50 leges. U kunt deze op 2 manieren betalen:
    • U betaalt direct en ziet uw vergunning meteen in Mijn dossier.
    • U maakt het bedrag zelf over en ziet uw vergunning na enkele weken in Mijn dossier.
  • Aan het eind van het jaar betaalt u de kosten voor het monitoren van de milieueffecten. Het bedrag hangt af van uw aantal hectare landbouwgrond. RVO schrijft dit  bedrag automatisch af van uw rekening. U machtigt RVO  hiervoor bij de aanvraag van uw derogatievergunning.

Boetebeleid RVO Meststoffenwet

Deze site heeft als belangrijkste onderwerp wat er gebeurt wanneer RVO.nl constateert dat sprake zou kunnen zijn van het feit dat een agrarische ondernemer niet heeft gehandeld conform de regels van de Meststoffenwet. Wanneer RVO.nl deze mening is toegedaan, zal RVO.nl hiervoor boetes opleggen. Dit doet RVO.nl dan namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Soms gaat daar een onderzoek van de NVWA aan vooraf. Soms wordt een boete opgelegd naar aanleiding van een administratief onderzoek door RVO.nl zelf.

Voor het opleggen van boetes door RVO.nl is boetebeleid ontwikkeld. Dit boetebeleid van RVO op het gebied van de Meststoffenwet kent net zoals de regelgeving van de Mestbeleid vele facetten en aspecten.  Om de gangbare praktijk te bundelen heeft RVO.nl een document opgesteld waarin het  het boetebeleid dat RVO.nl voert, in aanvulling op het wettelijke kader, wordt beschreven.

Voor wie een uurtje of wat over heeft een interessant document om eens door te nemen of terzijde te houden als referentie.

Klik hier om het document te lezen of te downloaden.

Een herhaalde overtreding of herhaling van een overtreding?

Onlangs deed de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak in een zaak waarin onder andere het onderscheid tussen een herhaalde en een zelfstandige overtreding aan de orde kwam.

Eiseres heeft een vleesverwerkend bedrijf met onder meer een slachterij. Wanneer slachtvee (varkens en runderen) naar de slachterij wordt aangevoerd in veewagens, worden die wagens, nadat ze zijn gelost, ter plekke gereinigd en ontsmet. Daarbij wordt het in de veewagens gebruikte zaagsel uit de veewagens verwijderd. Dit zaagsel is tijdens het transport vermengd met uitwerpselen van het slachtvee. Sinds 2007 voert [bedrijf] B.V. (hierna: de vervoerder) dit mengsel van zaagsel en mest (hierna verder te noemen: ZM) af van de slachterij.

In het rapport van 12 december 2017 van de NVWA dat ten grondslag ligt aan de boete, staat dat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 voor 220 transporten van ZM door de vervoerder vanaf de slachterij geen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) zijn opgemaakt. De minister heeft eiseres hiervoor een boete van € 66.000,– opgelegd (220 maal € 300,–) en dat bij het bestreden besluit gehandhaafd.

In beroep heeft eiseres onder andere betoogd dat het niet proportioneel is dat de minister haar 220 keer eenzelfde boete heeft opgelegd. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de minister in een situatie waarin sprake is van een veelvoud van dezelfde overtredingen niet alle overtredingen beboet, maar slechts een beperkt aantal overtredingen, met dus als gevolg een veel lagere boete. Eiseres heeft als onderbouwing van dit betoog gewezen op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 april 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:1746). In die zaak was sprake van 187 overtredingen van artikel 57b van de Uitvoeringsregeling Msw (vervoer van dierlijke meststoffen buiten Nederland), maar heeft de minister slechts twee overtredingen beboet. Het beboeten van alle overtredingen werd door de minister onredelijk geacht.

Daarnaast heeft eiseres gewezen op twee gevallen die haar beroepshalve bekend zijn geworden, de zaken met nummers 2006002474 en 2017005818. In die zaken was sprake van onderscheidenlijk 168 en 25 overtredingen bij het opmaken van VDM’s, maar uiteindelijk is in beide zaken voor slechts twee overtredingen een boete opgelegd. Eiseres vindt dat de omstandigheid dat in haar geval de 220 overtredingen over een langere periode zouden zijn gepleegd, zoals de minister in het bestreden besluit als motivering heeft gegeven, niet rechtvaardigt dat elke overtreding moet worden beboet.

De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit als motivering van het standpunt dat het niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel om in dit geval alle 220 overtredingen te beboeten, heeft vermeld dat de overtreding langdurig heeft plaatsgevonden, omdat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 van 220 vrachten dierlijke mest geen VDM’s zijn opgemaakt. Ook heeft de minister erop gewezen dat elke zaak wordt beoordeeld naar zijn eigen feiten en omstandigheden en dat niet relevant is of de overtredingen opzettelijk zijn begaan. De rechtbank vindt dat de minister hiermee onvoldoende is ingegaan op het concrete beroep dat eiseres al in bezwaar had gedaan op de uitspraak van de rechtbank Overijssel. Het bestreden besluit is daarom niet voldoende gemotiveerd en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft de minister haar motivering hieromtrent aangevuld. De rechtbank zal daarom bekijken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Overijssel en de andere twee genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met de hier aan de orde zijnde zaak. In de zaak waarover de rechtbank Overijssel zich heeft gebogen, ging het om overtredingen die naar voren waren gekomen uit een administratieve controle van het systeem Client Export Mest waarin de exportmeldingen worden opgenomen. Die overtredingen waren gepleegd in een periode van één maand, namelijk in april 2015. In de hier aan de orde zijnde zaak gaat het om overtredingen die tijdens een fysieke controle zijn geconstateerd en zijn gepleegd over een langere periode. De twee andere zaken betroffen ook administratieve controles over een korte periode, namelijk in beide gevallen een maand. Dat ook in deze zaak sprake is van een administratieve controle omdat de administratie van eiseres is onderzocht, zoals eiseres tijdens de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. De minister heeft uitgelegd wat hij onder administratieve controle verstaat: dat is niet een controle in de administratie van een bedrijf, maar een controle van het Client Export Mestsysteem, waarin alle bedrijven hun gegevens moeten registreren. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan die toelichting.

De minister heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting ook toegelicht waarom dit onderscheid van belang is. Bij een controle van het systeem is op relatief eenvoudige wijze te achterhalen of er een overtreding is en in het geval van eiseres ligt dit anders. Er waren namelijk geen VDM’s geregistreerd, waardoor de overtreding niet eenvoudig was vast te stellen door raadpleging van het systeem. Door het niet opmaken van de VDM’s was er in feite sprake van heimelijke afvoer van dierlijke meststoffen die ook konden worden aangewend op de grond. Daardoor is meer dierlijke mest aangewend dan uit de administratie van eiseres zou blijken, terwijl het belang van een rechtmatig en terughoudend gebruik van meststoffen groot is. De meststromen van eiseres waren in de periode van 16 november 2016 tot en met 17 juni 2017 niet inzichtelijk, waardoor de meststroom niet in de gehele keten kon worden gevolgd. De minister heeft in het verweerschrift verder gewezen op intern beleid dat inhoudt dat er bij een rapport van de NVWA (een fysieke controle) voor wordt gekozen om alle overtredingen te beboeten, wanneer er voldoende aanknopingspunten zijn voor de opvatting dat de overtredingen bewust zijn begaan.

De minister vindt dat eiseres ervan op de hoogte moet zijn geweest dat er op een gegeven moment geen VDM’s werden opgemaakt voor ZM. Dat de vervoerder had aangegeven dat dit niet meer nodig was, vindt de minister niet geloofwaardig mede gelet op de verklaring van de salesmanager van eiseres dat het contract met de vervoerder niet was veranderd, dat het contract was voor de afvoer van ZM en dat dit ook zo in het systeem wordt gezet.

De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze uiteenzetting in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog genoegzaam heeft uitgelegd waarom de door eiseres genoemde gevallen voor de minister geen aanleiding hoeven vormen om slechts een beperkt aantal overtredingen te beboeten. De minister mag, zo oordeelt de rechtbank,  eiseres voor alle 220 overtredingen een boete. Van het 220 keer beboeten van één en dezelfde omstandigheid is daarbij volgens de rechtbank geen sprake.

 

Lees hier de volledige uitspraak

 

Dubbele, dubbele beboeting…mag dat?

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin sprake was van dubbele, dubbele beboeting voor dezelfde overtreding. Kon dit zomaar?

Wat was de situatie? Eiseres BV houdt zich onder meer bezig met de opslag van mest. Eiser is bestuurder van eiseres BV. Zusteronderneming BV, waarvan eiser eveneens bestuurder is, houdt zich onder meer bezig met mesthandel-, vervoers- en transportactiviteiten.

De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) heeft  eiseres BV gecontroleerd op naleving van de Msw. Daarbij is gebleken dat (onder andere) op elf vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) door de leverancier (feitcode M305) gegevens zijn gewijzigd of onleesbaar zijn gemaakt. Hiervoor wordt per VDM een boete van € 300,- opgelegd. In het totaal dus  € 3.300,-.

Dit boetebedrag wordt echter afzonderlijk opgelegd aan zowel eiseres BV, als aan eiser als bestuurder van eiseres BV, de zusteronderneming  BV en nogmaals aan eiser als bestuurder van deze zusteronderneming BV.

In beroep is door eisers BV aangevoerd dat hiermee sprake is van het meermaals straffen voor eenzelfde overtreding. Dit is  (het ne bis in idem principe) en daarnaast dat het boetebedrag onevenredig hoog is nu het bedrag viermaal wordt opgelegd.

De rechtbank merkt in dit kader op dat de overtredingen met betrekking tot de elf VDM’s afzonderlijk zijn begaan door eiseres BV als leverancier (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van eiseres BV)  en de zusteronderneming BV (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van zusteronderneming BV) en voor deze overtredingen afzonderlijk beboet.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de rechtspersoon en de leidinggevende van deze rechtspersoon voor de door hen afzonderlijk verrichte activiteiten en voor hun eigen rol in deze overtredingen beboeten. Eiser en eiseres BV zijn in dit verband als leidinggevende respectievelijk de rechtspersoon immers zelfstandige dragers van rechten en plichten. Ditzelfde geldt voor eiser en de zusteronderneming BV.  De rechtbank concludeert daarmee dat geen sprake is van dubbele beboeting en verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het CBb van 7 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:413).

Over de beroepsgrond dat het totaal opgelegde boetebedrag niet evenredig is overweegt de rechtbank dat artikel 5:46, derde lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Nu in Bijlage M van de Uitvoeringsregeling per feitcode vermeld staat welke wettelijke bepalingen zijn overtreden en welke boetes hieraan gekoppeld zijn is hier sprake van wettelijk vastgelegde boetes. Het is in dit verband aan eisers om op basis van bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken dat de van toepassing zijnde boetes met feitcodes M166 en M305 (€ 300,00 per overtreding) in deze zaken te hoog zijn (artikel 5:46, derde lid, van de Awb).

Met hun betoog dat sprake is van (tweemaal) dubbele beboeting hebben eisers, zo vat de rechtbank het betoog van eisers in dit verband op, de verwevenheid tussen de bedrijven enerzijds en met eiser anderzijds als bijzondere omstandigheid aangevoerd. Verweerder heeft met die verwevenheid bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen boetes geen rekening gehouden.

De beboeting leidt er gelet op deze verwevenheid toe dat eiser (via zijn ondernemingen) viermaal in zijn vermogen wordt geraakt (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de CBb van 7 augustus 2018 en de uitspraak van de CBb van 25 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:14). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de financiële verwevenheid in dit geval tot matiging moet leiden omdat het onevenredig is om eiser voor deze overtredingen viermaal in zijn vermogen te treffen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser feitelijk 100% aandeelhouder is van beide bedrijven (eiseres BV en de zusteronderneming BV). Dit zijn kleinschalige bedrijven die ook wat betreft het personeelsverband sterk met elkaar zijn verweven: bij beide bedrijven werken dezelfde twee vaste medewerkers, namelijk eiser en één werknemer (aangevuld met uitzend-/seizoensarbeiders). De overtredingen zijn feitelijk begaan door deze twee personen. De totale boete die voor deze overtredingen is opgelegd, staat daarmee, aldus de rechtbank,  niet meer in verhouding tot de ernst van de feitelijke gedraging. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de boetes voor feitcode M305 te matigen met 20%.

Lees hier de volledige uitspraak:

Redelijke termijn bij terugbetalen onverschuldigde boete

Wie een boete voor bijvoorbeeld het vermeende niet voldoen aan de gebruiksnormen krijgt opgelegd, dient ook wanneer hiertegen bezwaar wordt aangetekend de boete betalen of tenminste een regeling daarvoor te treffen. Wanneer betrokkene in bezwaar of beroep alsnog in het gelijk wordt gesteld wordt het onverschuldigde – maar al wel betaalde – boetebedrag (inclusief wettelijke rente) terug betaald. Dat dit niet altijd soepel verloopt en daarbij van belang is welk verzoek wordt gedaan en termijnen worden betracht blijkt uit onderstaande zaak waarin de Rechtbank Overijssel onlangs uitspraak deed.

In deze zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) bij besluit van 14 februari 2019 het bezwaar van appellant, gericht tegen een aan hem opgelegde boete wegens overtreding van de Meststoffenwet, gegrond verklaard en besloten dat de boete komt te vervallen. In dit besluit is aangegeven dat het al wel betaalde deel van de boete inclusief wettelijke rente zo spoedig mogelijk wordt terugbetaald.

Op 12 juni 2019 heeft betrokkene de minister een ingebrekestelling toegezonden met betrekking tot de terugbetaling van de reeds betaalde boete en het nemen van een beschikking tot vaststelling van de verschuldigde wettelijke rente. Op 26 juni 2019 heeft de minister het door opposant onverschuldigd betaalde boetebedrag aan hem terugbetaald.

Bij brief van 19 juli 2019 heeft opposant beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten aanzien van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:99 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij besluit van 2 augustus 2019 heeft de minister de wettelijke rente vastgesteld op € 454,56.

Bij uitspraak van 14 november 2019 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb (vereenvoudigde behandeling) het ingestelde beroep van 19 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is verzet gedaan.

De rechtbank is er bij haar niet-ontvankelijk verklaring van uit gegaan dat betrokkene met de ingebrekestelling van 12 juni 2019 pas voor het eerst en expliciet de minister heeft verzocht de wettelijke rente vast te stellen. Daarbij is van belang dat voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 4:99 van de Awb geen wettelijke termijn geldt, zodat de redelijke termijn van acht weken (als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb) van toepassing is.

Nu de minister op 2 augustus 2019 alsnog het gevraagde besluit heeft genomen en op die datum nog geen acht weken waren verstreken, heeft de minister tijdig op de aanvraag van 12 juni 2019 beslist.
Het beroep van 19 juli 2019 is ingesteld voordat deze beslistermijn (van acht weken) was verstreken en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

In verzet beslist de rechtbank als volgt: Paragraaf 4.1.3.2 van de Awb regelt de dwangsom voor bestuursorganen bij niet tijdig beslissen. Naar de letterlijke tekst lijkt art. 4:17 Awb slechts van toepassing op het niet tijdig geven van een (primaire) beschikking op een aanvraag. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter dat deze bepaling tevens van toepassing is op het niet tijdig geven van beslissingen op bezwaar tegen een beschikking op aanvraag. Hieruit volgt dat er sowieso een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb is vereist.

Indien een bestuursorgaan ambtshalve een besluit moet nemen, betekent dit dan ook niet dat hierop zonder meer paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is. Bij het uitblijven van een dergelijk besluit zal het bestuursorgaan eerst moeten worden verzocht – door middel van het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb – een dergelijk besluit te nemen. Indien het bestuursorgaan niet binnen de wettelijke termijn dan wel, binnen de redelijke termijn ex artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, een beslissing op die aanvraag neemt, is het bestuursorgaan in verzuim tijdig te beslissen. De dwangsomregeling kan vervolgens worden geactiveerd door het in gebreke stellen van het bestuursorgaan.

De rechtbank heeft de redelijke beslistermijn (te weten acht weken) ex artikel 4:13, tweede lid, van de Awb van toepassing geacht en heeft vervolgens geoordeeld dat de minister tijdig (dus binnen de termijn van acht weken na 12 juni 2019) de gevraagde beschikking ex artikel 4:99 van de Awb heeft genomen. De minister was dus niet in gebreke tijdig een besluit te nemen, zodat het beroep-niet-tijdig te vroeg is ingediend. Dit volgt uit artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Awb.

In verzet beslist de rechtbank dat terecht is geoordeeld dat het beroep is ingediend binnen de termijn die de minister ter beschikking stond, zodat het beroep niet-ontvankelijk is.

Lees hier de volledige uitspraak

De correctie voor het stikstofgat gecorrigeerd?

Een veel voorkomend fenomeen bij de uitwerking van de gebruiksnormenberekening op varkensbedrijven was dat uit de berekening naar voren kwam dat geen overschrijding had plaats gevonden van de fosfaatgebruiksnorm, maar wel van de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest. Dit terwijl er (meer) dan voldoende mest was afgevoerd. Een probleem dat er op wees dat de vaste norm voor de vervluchtiging van stikstof (de norm voor het stikstofverlies per dier) te laag werd vastgesteld ten opzichte van de verliezen die daadwerkelijk plaatsvonden op het bedrijf in kwestie.

Op grond van een toezegging van de toenmalige minister Veerman in 2006 werd hiervoor een extra afvoerpost toegepast die corrigeerde voor dit zogenaamde stikstofgat. Deze correctie voor het stikstofgat houdt in dat bij de berekening van de mestproductie wordt uitgegaan van de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de geanalyseerde mestafvoer. De op basis hiervan correctie wordt dan in mindering gebracht op de berekende stikstofproductie door de dieren.

Een voorbeeld:
De varkens op bedrijf X produceren – als uitkomst van de stalbalans – in een gegeven kalenderjaar 1000 kg fosfaat en 2000 kg stikstof. Op de grond die bij het bedrijf hoort kon in het totaal 55 kg fosfaat en 170 kg N worden geplaatst. De resterende mest wordt afgevoerd. Na analyse blijkt in deze afgevoerde mest  950 kg fosfaat en 1500 kg stikstof te zitten. De begin- en eindvoorraad dierlijke mest houden we in dit voorbeeld zowel qua hoeveelheid als qua samenstelling gelijk. In het totaal kan in dit voorbeeld  1005 kg fosfaat worden verantwoord en 1670 kg stikstof. Er resteert dus een hoeveelheid van 330 kg stikstof die niet is verantwoord en in de systematiek van de Meststoffenwet zou worden toegerekend als zijnde toegediend aan de eigen grond. Er zou dus geen fosfaat in dielijke mest zijn toegediend, maar wel stikstof. Dat is onlogisch.

Voor dit verschil werd gecorrigeerd met behulp van de eerder genoemde correctie voor het sitkstofgat. Dat gebeurde als volgt:

De verhouding tussen stikstof en fosfaat in de afgevoerde mest in het voorbeeld bedraagt: 1.500/950 = 1,58. De Wanneer deze verhouding op de fosfaatproductie wordt gelegd betekent dit: 1,58 * 1000 = 1580 kg stikstof. De ‘correctie voor het stikstofgat’ wordt berekend als het verschil tussen de werkelijke productie (2000) en de berekende productie op basis van de verhoudingen in de afgevoerde mest (1580) en bedraagt daarmee: 2.000 – 1.580 kg = 420 kg. Deze correctie wordt in mindering gebracht op de mestproductie door de dieren en daarmee wordt na correctie volledig aan de gebruiksnormen voldaan.

Nieuwe normen
Met ingang van 2020 zijn voor de diercategorie varkens nagenoeg alle normen voor stikstofverlies per dier aanzienlijk verhoogd. Soms wel met een factor 2 of 3. Hiermee wordt de productie van stikstof in mest (de uitkomst van de stalbalans) lager en zal in veel gevallen het eventuele stikstofgat minder groot zijn of zelf geheel niet meer voorkomen.

In  onderstaande tabel worden geactualiseerde stikstofcorrectie per diercategorie onderscheiden naar stalsysteem en mestsoort gegeven. Tussen haakjes staat de oude norm (2019) vermeld. Alle cijfers zijn gegeven in kilogram stikstof per gemiddeld aanwezig dier.

Drijfmest Vaste mest
Diercategorie Emissiearm Overig Emissiearm Overig
400 Fokzeugen excl. biggen 6,2 (2,0) 6,4 (4,5) 9,3 (2,1) 9,3 (3,8)
401 Fokzeugen incl. biggen 8,9 (2,8) 9,2 (6,2) 13,4 (2,9) 13,4 (5,3)
404 Opfokzeugen en beren van ca. 25 kg tot geslachtsrijpheid 5,0 (2,3) 5,7 (4,5) 6,5 (1,6) 6,5 (3,0)
406 Dek- en zoekberen geslachtsrijp 6,9 (3,9) 7,1 (5,2) 10,4 (3,5) 10,4 (4,5)
407 Gespeende biggen tot ca. 25 kg. Ander bedrijf 0,7 (0,4) 0,7 (0,8) 1,0 (0,4) 1,0 (0,7)
411 Vleesvarkens 4,0 (1,8) 4,6 (3,5) 5,2 (1,3) 5,2 (2,3)

 

Hiermee lijkt een hiaat in de Mestwetgeving gecorrigeerd. Het is echter op dit moment niet duidelijk hoe RVO vanaf nu omgaat met de correctie van het stikstofgat. Blijft die, ondanks de aanpassing van de normen, bestaan? Of rekent RVO vanaf nu (of met terugwerkende kracht) met deze normen? We houden het in de gaten.

Procesbelang gaat voor inhoudelijk belang

Een belangrijke regel in het bestuursrecht is dat er geen rechtsmiddelen open staan wanneer geen sprake is van voldoende procesbelang.  De achterliggende gedachte daarbij is dat degene die bezwaar of (hoger) beroep instelt, het daarmee beoogde resultaat (bijvoorbeeld het van tafel krijgen van een boete)  ook daadwerkelijk moet kunnen bereiken. Is dit niet het geval, dan heeft een inhoudelijke behandeling geen zin, zo stelt de wet. Dit betekent dat voordat een zaak inhoudelijk wordt behandeld, dient te worden getoetst of sprake is van voldoende procesbelang.

Dit geldt ook wanneer beide partijen (dus zowel appellant als verweerder) een inhoudelijke uitspraak voor staan, zoals blijkt uit een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed.

In deze procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld bij het College tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Nadat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, heeft het College verdere behandeling geschorst in afwachting van het advies van de raadsheer advocaat-generaal Wattel in een drietal vergelijkbare zaken, 15/382, 15/430 en 15/692. De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187). Naar aanleiding daarvan heeft het College op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de dire genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653, ECLI:NL:CBB:2018:654).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder heeft bij besluit van 12 februari 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen in de onderhavige procedure. De door appellante gemaakte bezwaren worden in die beslissing alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt herroepen. De door verweerder aan appellant opgelegde boete is daarmee komen te vervallen. Verder heeft verweerder de door appellant gemaakte proceskosten voor de bezwaarprocedure, de kosten van de beroepsprocedure en de procedure in hoger beroep alsmede het verschuldigde griffierecht aan appellant vergoed.

Bij brief van 13 maart 2019 heeft appellant aan het College kenbaar gemaakt het hoger beroep in te trekken, omdat de aan haar opgelegde boete is komen te vervallen en haar proceskosten zullen worden vergoed. Appellant heeft wel te kennen gegeven dat er nog wel een andere voor de rechtspraktijk relevante kwestie speelt, namelijk de vraag of met andere gehalten dan die bij analyse en bemonstering van afgevoerde mest zijn aangetroffen mag worden gerekend bij het opleggen van boetes op grond van de Meststoffenwet. Deze rechtsvraag speelt in tal van andere procedures. Ook verweerder onderkende dat en heeft het College verzocht om deze rechtsvraag te beantwoorden in een uitspraak.

Het College oordeelt echter dat geen sprake is van voldoende procesbelang en motiveert haar oordeel met verwijzing naar vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690), waarin wordt gesteld dat een belanghebbende alleen dan voldoende procesbelang heeft als het resultaat dat met het (hoger) beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor de belanghebbende feitelijk betekenis kan hebben.

Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang, aldus het College. Nu de aan appellante opgelegde boete is komen te vervallen vanwege het nieuw genomen besluit van 12 februari 2019 en daarbij tevens de proceskosten zijn vergoed alsmede het door appellante betaalde griffierecht heeft appellante derhalve geen procesbelang bij het door haar ingestelde hoger beroep.

Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Dus geen inhoudelijke uitspraak. Een dergelijke uitspraak zal moeten komen op het moment dat inhoudelijk vergelijkbare zaken in hoger beroep  zullen dienen voor het College.

Lees hier de volledige uitspraak.

Vrijstelling wegen en bemonsteren bij afvoer mest uit te slopen stal?

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak die onder meer handelde over de verplichting tot het wegen, monsteren en analyseren van mest die wordt afgevoerd uit een te slopen stal.

In 2017 hielden toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op het bedrijf van appellante een controle op de naleving van de verplichtingen van de Meststoffenwet. De conclusie van dit onderzoek was dat appellante de monsterpotten van de mestmonsters van vier vrachten mest die waren afgevoerd niet door de automatische verpakkingsapparatuur had laten afsluiten en dat appellante deze mestmonsters vervolgens tussen de drie en vijf dagen onafgesloten heeft bewaard.

Hiervoor heeft de minister aan appellante, bestuurlijke boetes opgelegd van € 2.400,- vanwege het overtreden van artikel 54, eerste lid, en 80, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Urm). Het door appellante gemaakte bezwaar is door de minister ongegrond verklaard. Ook de rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overtredingen van de Urm. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat de door haar vervoerde mest afkomstig was van een sloopboerderij en de mest daarmee niet bemonsterd hoefde te worden, omdat er tussen CUMELA en (de rechtsvoorganger van) de NVWA een afspraak bestaat over de afvoer van restanten mest uit sloopboerderijen. Deze afspraak zou aansluiten bij de uitzonderingsregeling van artikel 90 van de Urm op grond waarvan geen bemonstering hoeft plaats te vinden. Deze afspraak is tot uitdrukking gebracht in paragraaf 6.11 van de Handleiding Mestwetgeving van CUMELA (hierna: de handleiding).

De minister heeft het bestaan van de door appellante bedoelde afspraak aanvankelijk ontkend. Ter zitting heeft de minister benadrukt dat de buitenwettelijke afspraak is gemaakt voor sloopbedrijven en alleen ziet op het toepassen van de opmerkingscode 35 op het vervoersdocument meststoffen. De verplichting om de te vervoeren mest onder meer te bemonsteren blijft bestaan, ook in het geval dat er voor een sloopboerderij geen relatienummer meer bestaat.

In haar uitspraak stelt het College vast dat paragraaf 6.11. van de handleiding luidt:

AFVOER VAN KLEIN BEDRIJF

Afvoer van mest van een klein landbouwbedrijf kan zonder bemonsteren, wegen en het gebruik van AGR/GPS. Wel moet een VDM worden gebruikt. Een geregistreerd intermediair is niet nodig.

Voorwaarden:
– De oppervlakte landbouwgrond van het bedrijf is kleiner dan drie hectare;
– De productie en de aanvoer van mest zijn samen minder dan 350 kilogram stikstof;
– De afvoer heeft alleen betrekking op de meststoffen die op het bedrijf zijn geproduceerd.
– De aflevering gebeurt rechtstreeks, zonder tussenopslag.
– De afstand tussen de betrokken bedrijven is hemelsbreed maximaal tien kilometer.

Deze uitzondering mag ook worden gebruikt voor de afvoer van een restant mest in een te slopen boerderij die inmiddels niet meer in eigendom is van een landbouwbedrijf, maar van bijvoorbeeld een overheid of projectontwikkelaar. Er is dan wel een VDM nodig. Dit moet volledig worden ingevuld, waarbij een inschatting wordt gemaakt van de soort mest die in de kelders aanwezig is.

Het College ziet, na lezing van deze passage en van de door appellante overlegde notulen van een overleg tussen CUMELA en de minister, geen reden te twijfelen aan het bestaan van de afspraak en ook de minister heeft ter zitting erkend dat de uitzondering van de verplichting tot bemonstering, zoals hiervoor is weergegeven, op zich geldend is.

De vraag is vervolgens of appellante ook aan de in de uitzondering vermelde voorwaarden heeft voldaan: Naar het oordeel van het College is dit niet het geval omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar vervoerde mest afkomstig was van een te slopen boerderij die niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf. Weliswaar blijkt uit de door appellante overgelegde stukken dat de desbetreffende varkensfokkerij zijn activiteiten begin 2017 heeft beëindigd en dat de stallen in de zomer van 2017 zijn gesloopt, maar hieruit kan, volgens het College niet worden afgeleid dat de boerderij op het moment dat appellante de mest uit de stallen van deze boerderij vervoerde niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Uit deze uitspraak blijkt enerzijds dat de uitzondering van wegen, het gebruik van AGR/GPS en bemonstering en analyse bij de afvoer van dierlijke mest ook mag worden toegepast voor de afvoer van een restant mest uit een te slopen boerderij. Anderzijds geldt dat deze uitzondering alleen mag worden toegepast onder strikte voorwaarden (te slopen stal, niet meer in eigendom is van een landbouwbedrijf, resten afvoer van dierlijke mest) en dus niet erg breed kan worden toegepast.

Lees hier de volledige uitspraak.

Veranderingen mestbeleid in 2020

Een nieuw jaar, nieuwe regels: In 2020 veranderen de regels voor het gebruik van mest. De equivalente maatregelen voor extra fosfaat vervallen en sommige voorwaarden veranderen. Ook verandert de hoeveelheid mest die mag worden toegediend aan overige grond. Hieronder zijn een aantal van de belangrijkste veranderingen kort samengevat:

Lagere fosfaatgebruiksnorm

De fosfaatgebruiksnorm voor grond met de fosfaattoestand hoog gaat in 2020 omlaag. Op grasland mag in 2020 nog 75 kilogram fosfaat worden gebruikt en op bouwland is deze hoeveelheid 40 kilogram.

Extra klasse voor fosfaattoestand

Voor wie in 2020 gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie is het belangrijk dat er een extra klasse voor de fosfaattoestand is ingevoerd. Dat betekent dat er nu 5 klassen zijn: hoog, ruim, neutraal, laag en arm. Hoeveel fosfaat er op landbouwgrond van de verschillende klassen mag worden toegediend wordt vermeld in onderstaande tabellen. Wie gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie dient wel tijdig het perceel te (laten) bemonsteren en analyseren volgens het daartoe voorgeschreven bemonsteringsprotocol. Indien een perceel niet is bemonsterd geldt automatisch fosfaattoestand ‘hoog’.

Equivalente maatregelen extra fosfaat vervallen

Wie gebruik maakte van de zogenaamde  equivalente maatregelen mocht  extra stikstof of fosfaat gebruiken op een perceel. Vanaf 2020 komen deze maatregelen voor fosfaat te vervallen. De 2 equivalente maatregelen voor extra stikstof blijven bestaan. Aanmelden kan vanaf 1 maart. Meer hierover leest u op pagina ‘equivalente maatregelen‘ op de site van RVO

Meer fosfaat bij fosfaattoestand hoog

Er is een nieuwe uitzondering waarmee het wordt toegestaan om meer fosfaat te gebruiken op een perceel. Als de fosfaattoestand van een perceel hoog is, mag 5 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend Dit kan alleen wanneer er mest wordt gebruikt die zorgt voor meer organische stof in de bodem. Aan die voorwaarde kan wordt voldaan wanneer tenminste  20 kilogram fosfaat per hectare van één van de onderstaande mestsoorten wordt gebruikt:

  • strorijke vaste mest van rundvee
  • strorijke vaste mest van schapen
  • strorijke vaste mest van geiten
  • strorijke vaste mest van paarden
  • dikke fractie van mest van rundvee
  • champost
  • gft-compost
  • groencompost

Op een biologisch bedrijf mag 10 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend. Naast de mestsoorten hierboven mag ook strorijke vaste mest van varkens worden gebruikt. Het perceel dient dan zo dicht mogelijk voor het inzaaien of poten van de gewassen te worden bemest.

Uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar dient te worden aangegeven op welk percelen in dat kalenderjaar extra fosfaat is gebruikt. RVO heeft aangegeven binnenkort bekend te maken op welke wijze dit kan worden doorgegeven.

Berekening melkveefosfaatoverschot langer bewaren

Als u uw melkveefosfaatoverschot 2014 (MFO 2014) berekent, gebruikt u de gegevens van 2014. Voor de grondgebonden en verantwoorde groei melkveehouderij blijft het MFO 2014 ook na 2019 belangrijk. Daarom is de periode voor het bewaren van de administratie en bewijsstukken van de berekening verlengd. Deze bewaart u 5 kalenderjaren, nadat u bent gestopt met uw bedrijf. Als u in december 2019 gestopt bent met het bedrijf, bewaart u de administratie over het jaar 2014 tot en met 31 december 2024.

Hoeveelheid mest op ‘overige grond’

Vanaf 1 januari 2020 is er een verschil tussen de toegestane hoeveelheid fosfaat op grasland en bouwland op overige grond. Op grasland op overige grond (paardenweitjes en dergelijke in gebruik bij particulieren) mag 90 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare uitrijden. Op bouwland is dit 60 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare.

De oude norm van 80 kilogram per hectare was voor grasland laag en voor bouwland te hoog. Door de aanpassing is de gebruiksnorm voor beide grondsoorten meer passend. De normen sluiten aan bij de fosfaatgebruiksnormen voor landbouwgrond met de fosfaattoestand neutraal. De norm voor stikstof blijft gelijk.

De normen gelden alleen voor mest op overige grond. Grasland op overige grond is bijvoorbeeld grond met hobbydieren. Bij bouwland kunt u denken aan volkstuinen. De hoeveelheden gelden voor dierlijke mest, compost, overige organische mest en herwonnen fosfaat.

Natuurgrond met pacht- of huurcontract

Voor natuurgrond staat soms in een pacht- of huurcontract (gebruiksovereenkomst) hoeveel mest er maximaal mag worden gebruikt. Vanaf dit jaar dient dit te worden beschreven in kilogrammen stikstof of fosfaat. Dit is alleen vereist in overeenkomsten die na 1 januari 2020 worden afgesloten. Voor overeenkomsten die voor deze datum zijn afgesloten  hoeft u dit alleen wanneer u deze overeenkomst verandert of verlengt.