Derogatie 2020 aanvragen

Wie voor 2020 gebruik wil maken van derogatie dient te beschikken over een zogenaamde derogatievergunning.  Een vergunning voor 2020 aanvragen kan in de periode van 3 augustus 2020 tot en met 4 september 2020. Hier kort samengevat de voorwaarden om een vergunning te krijgen en te behouden.

 

Nieuwe voorwaarde voor 2020
In 2020 is er één nieuwe voorwaarde. Gebruikt u een sleepvoetbemester op klei- of veengrond? Dan mag alleen mest worden uitgereden uit als de buitentemperatuur lager is dan 20 °C.  RVO Geeft aan dat hiervoor een kaart van het KNMI dient te worden gebruikt om te bepalen of u mag uitrijden. Op deze kaart ziet u voor iedere regio de buitentemperatuur. Die wordt gemeten door de weerstations van het KNMI en elke 10 minuten bijgewerkt. Klik op deze link om de temperatuur in uw regio te bekijken.

Alle voorwaarden voor 2020

Algemeen

  • U betaalt € 50 leges voor uw derogatievergunning.
  • U betaalt een tarief voor het monitoren van de milieueffecten. Meer hierover leest u hieronder bij Kosten voor derogatie. Misschien vragen wij u voor het monitoren om gegevens. Wij kunnen u ook vragen mee te werken aan metingen in het grond- en oppervlaktewater.
  • U houdt zich aan de regels uit de Meststoffenwet. Dat zijn bijvoorbeeld regels over de gebruiksnormen, het uitrijden van mest en vanggewassen na maïs op zand- en lössgrond. Er staan ook voorwaarden in voor het scheuren van grasland en het aan- en afvoeren van mest.
  • Wij hebben in 2019 geen derogatievergunning van u ingetrokken.

Mest gebruiken

  • De gebruiksnorm voor dierlijke mest wordt verhoogd van 170 kilogram naar 230 kilogram voor landbouwgrond op zand- en lössgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg. Voor landbouwgrond in de rest van Nederland is dit 250 kilogram.
  • U gebruikt bij de verhoging naar 230 of 250 kilogram alleen graasdierenmest. Heeft u ook staldieren? Wanneer die mest wordt toegediend aan landbouwgrond rekent u voor deze opervlakte met met 170 kilogram.
  • U gebruikt geen fosfaatkunstmest op uw bedrijf.
  • Zoals hierboven al genoemd gebruikt u een sleepvoetbemester op klei- en veengrond? Dan rijdt u alleen mest uit als de buitentemperatuur lager is dan 20 °C.

Landbouwgrond gebruiken

  • U gebruikt van 15 mei tot en met 15 september (onafgebroken) in elk geval 80% van uw landbouwgrond als grasland. Grasland dat u vernieuwt telt ook mee. Wij controleren uw oppervlakte landbouwgrond met de gegevens van uw Gecombineerde opgave.
  • Scheurt of vernietigt u grasland voor maïsteelt op zand- en lössgrond? Dan rekent u met een korting van 65 kilogram op de stikstofgebruiksnorm. De stikstofbemonsteringsplicht voor deze grond vervalt.
  • Scheurt of vernietigt u na 31 mei grasland voor graslandvernieuwing op zand- en lössgrond? Dan rekent u met een korting van 50 kilogram op de stikstofgebruiksnorm per hectare die gescheurd is.

Gegevens bewaren of versturen

  • U verstuurt de aanvullende gegevens over 2019 en 2020 op tijd. Heeft u in 2019 geen uitnodiging ontvangen voor het doorgeven van aanvullende gegevens? Dan mag u ze nog doorgeven. U doet dit uiterlijk 4 september 2020 via de pagina Aanvullende gegevens landbouwer.
  • U laat uw percelen bemonsteren door een geaccrediteerd laboratorium:met hun eigen methode; volgens het Protocol Fosfaatdifferentiatie en Derogatie.
    U maakt uiterlijk 4 september 2020 een bemestingsplan.

Bemestingsplan maken

  • Een voorwaarde voor derogatie is het maken van een bemestingsplan. U heeft hiervoor een analyserapport nodig van de bemonstering van uw landbouwgrond. Een geaccrediteerd (erkend) laboratorium moet dit uitvoeren en opstellen. Het grondmonster is op 4 september 2020 niet ouder dan 4 september 2015. U bewaart de rapporten op uw bedrijf. Opsturen hoeft niet.

Wanneer en hoe aanvragen

  • U kunt een derogatievergunning aanvragen van 3 augustus tot en met 4 september. Dit kan via de site van RVO. Voor het ondertekenen van uw aanvraag heeft u TAN-codes nodig.
  • Voor het aanvragen van uw vergunning betaalt u € 50 leges. U kunt deze op 2 manieren betalen:
    • U betaalt direct en ziet uw vergunning meteen in Mijn dossier.
    • U maakt het bedrag zelf over en ziet uw vergunning na enkele weken in Mijn dossier.
  • Aan het eind van het jaar betaalt u de kosten voor het monitoren van de milieueffecten. Het bedrag hangt af van uw aantal hectare landbouwgrond. RVO schrijft dit  bedrag automatisch af van uw rekening. U machtigt RVO  hiervoor bij de aanvraag van uw derogatievergunning.

Een herhaalde overtreding of herhaling van een overtreding?

Onlangs deed de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak in een zaak waarin onder andere het onderscheid tussen een herhaalde en een zelfstandige overtreding aan de orde kwam.

Eiseres heeft een vleesverwerkend bedrijf met onder meer een slachterij. Wanneer slachtvee (varkens en runderen) naar de slachterij wordt aangevoerd in veewagens, worden die wagens, nadat ze zijn gelost, ter plekke gereinigd en ontsmet. Daarbij wordt het in de veewagens gebruikte zaagsel uit de veewagens verwijderd. Dit zaagsel is tijdens het transport vermengd met uitwerpselen van het slachtvee. Sinds 2007 voert [bedrijf] B.V. (hierna: de vervoerder) dit mengsel van zaagsel en mest (hierna verder te noemen: ZM) af van de slachterij.

In het rapport van 12 december 2017 van de NVWA dat ten grondslag ligt aan de boete, staat dat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 voor 220 transporten van ZM door de vervoerder vanaf de slachterij geen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) zijn opgemaakt. De minister heeft eiseres hiervoor een boete van € 66.000,– opgelegd (220 maal € 300,–) en dat bij het bestreden besluit gehandhaafd.

In beroep heeft eiseres onder andere betoogd dat het niet proportioneel is dat de minister haar 220 keer eenzelfde boete heeft opgelegd. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de minister in een situatie waarin sprake is van een veelvoud van dezelfde overtredingen niet alle overtredingen beboet, maar slechts een beperkt aantal overtredingen, met dus als gevolg een veel lagere boete. Eiseres heeft als onderbouwing van dit betoog gewezen op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 april 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:1746). In die zaak was sprake van 187 overtredingen van artikel 57b van de Uitvoeringsregeling Msw (vervoer van dierlijke meststoffen buiten Nederland), maar heeft de minister slechts twee overtredingen beboet. Het beboeten van alle overtredingen werd door de minister onredelijk geacht.

Daarnaast heeft eiseres gewezen op twee gevallen die haar beroepshalve bekend zijn geworden, de zaken met nummers 2006002474 en 2017005818. In die zaken was sprake van onderscheidenlijk 168 en 25 overtredingen bij het opmaken van VDM’s, maar uiteindelijk is in beide zaken voor slechts twee overtredingen een boete opgelegd. Eiseres vindt dat de omstandigheid dat in haar geval de 220 overtredingen over een langere periode zouden zijn gepleegd, zoals de minister in het bestreden besluit als motivering heeft gegeven, niet rechtvaardigt dat elke overtreding moet worden beboet.

De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit als motivering van het standpunt dat het niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel om in dit geval alle 220 overtredingen te beboeten, heeft vermeld dat de overtreding langdurig heeft plaatsgevonden, omdat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 van 220 vrachten dierlijke mest geen VDM’s zijn opgemaakt. Ook heeft de minister erop gewezen dat elke zaak wordt beoordeeld naar zijn eigen feiten en omstandigheden en dat niet relevant is of de overtredingen opzettelijk zijn begaan. De rechtbank vindt dat de minister hiermee onvoldoende is ingegaan op het concrete beroep dat eiseres al in bezwaar had gedaan op de uitspraak van de rechtbank Overijssel. Het bestreden besluit is daarom niet voldoende gemotiveerd en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft de minister haar motivering hieromtrent aangevuld. De rechtbank zal daarom bekijken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Overijssel en de andere twee genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met de hier aan de orde zijnde zaak. In de zaak waarover de rechtbank Overijssel zich heeft gebogen, ging het om overtredingen die naar voren waren gekomen uit een administratieve controle van het systeem Client Export Mest waarin de exportmeldingen worden opgenomen. Die overtredingen waren gepleegd in een periode van één maand, namelijk in april 2015. In de hier aan de orde zijnde zaak gaat het om overtredingen die tijdens een fysieke controle zijn geconstateerd en zijn gepleegd over een langere periode. De twee andere zaken betroffen ook administratieve controles over een korte periode, namelijk in beide gevallen een maand. Dat ook in deze zaak sprake is van een administratieve controle omdat de administratie van eiseres is onderzocht, zoals eiseres tijdens de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. De minister heeft uitgelegd wat hij onder administratieve controle verstaat: dat is niet een controle in de administratie van een bedrijf, maar een controle van het Client Export Mestsysteem, waarin alle bedrijven hun gegevens moeten registreren. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan die toelichting.

De minister heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting ook toegelicht waarom dit onderscheid van belang is. Bij een controle van het systeem is op relatief eenvoudige wijze te achterhalen of er een overtreding is en in het geval van eiseres ligt dit anders. Er waren namelijk geen VDM’s geregistreerd, waardoor de overtreding niet eenvoudig was vast te stellen door raadpleging van het systeem. Door het niet opmaken van de VDM’s was er in feite sprake van heimelijke afvoer van dierlijke meststoffen die ook konden worden aangewend op de grond. Daardoor is meer dierlijke mest aangewend dan uit de administratie van eiseres zou blijken, terwijl het belang van een rechtmatig en terughoudend gebruik van meststoffen groot is. De meststromen van eiseres waren in de periode van 16 november 2016 tot en met 17 juni 2017 niet inzichtelijk, waardoor de meststroom niet in de gehele keten kon worden gevolgd. De minister heeft in het verweerschrift verder gewezen op intern beleid dat inhoudt dat er bij een rapport van de NVWA (een fysieke controle) voor wordt gekozen om alle overtredingen te beboeten, wanneer er voldoende aanknopingspunten zijn voor de opvatting dat de overtredingen bewust zijn begaan.

De minister vindt dat eiseres ervan op de hoogte moet zijn geweest dat er op een gegeven moment geen VDM’s werden opgemaakt voor ZM. Dat de vervoerder had aangegeven dat dit niet meer nodig was, vindt de minister niet geloofwaardig mede gelet op de verklaring van de salesmanager van eiseres dat het contract met de vervoerder niet was veranderd, dat het contract was voor de afvoer van ZM en dat dit ook zo in het systeem wordt gezet.

De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze uiteenzetting in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog genoegzaam heeft uitgelegd waarom de door eiseres genoemde gevallen voor de minister geen aanleiding hoeven vormen om slechts een beperkt aantal overtredingen te beboeten. De minister mag, zo oordeelt de rechtbank,  eiseres voor alle 220 overtredingen een boete. Van het 220 keer beboeten van één en dezelfde omstandigheid is daarbij volgens de rechtbank geen sprake.

 

Lees hier de volledige uitspraak

 

Dubbele, dubbele beboeting…mag dat?

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin sprake was van dubbele, dubbele beboeting voor dezelfde overtreding. Kon dit zomaar?

Wat was de situatie? Eiseres BV houdt zich onder meer bezig met de opslag van mest. Eiser is bestuurder van eiseres BV. Zusteronderneming BV, waarvan eiser eveneens bestuurder is, houdt zich onder meer bezig met mesthandel-, vervoers- en transportactiviteiten.

De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) heeft  eiseres BV gecontroleerd op naleving van de Msw. Daarbij is gebleken dat (onder andere) op elf vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) door de leverancier (feitcode M305) gegevens zijn gewijzigd of onleesbaar zijn gemaakt. Hiervoor wordt per VDM een boete van € 300,- opgelegd. In het totaal dus  € 3.300,-.

Dit boetebedrag wordt echter afzonderlijk opgelegd aan zowel eiseres BV, als aan eiser als bestuurder van eiseres BV, de zusteronderneming  BV en nogmaals aan eiser als bestuurder van deze zusteronderneming BV.

In beroep is door eisers BV aangevoerd dat hiermee sprake is van het meermaals straffen voor eenzelfde overtreding. Dit is  (het ne bis in idem principe) en daarnaast dat het boetebedrag onevenredig hoog is nu het bedrag viermaal wordt opgelegd.

De rechtbank merkt in dit kader op dat de overtredingen met betrekking tot de elf VDM’s afzonderlijk zijn begaan door eiseres BV als leverancier (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van eiseres BV)  en de zusteronderneming BV (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van zusteronderneming BV) en voor deze overtredingen afzonderlijk beboet.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de rechtspersoon en de leidinggevende van deze rechtspersoon voor de door hen afzonderlijk verrichte activiteiten en voor hun eigen rol in deze overtredingen beboeten. Eiser en eiseres BV zijn in dit verband als leidinggevende respectievelijk de rechtspersoon immers zelfstandige dragers van rechten en plichten. Ditzelfde geldt voor eiser en de zusteronderneming BV.  De rechtbank concludeert daarmee dat geen sprake is van dubbele beboeting en verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het CBb van 7 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:413).

Over de beroepsgrond dat het totaal opgelegde boetebedrag niet evenredig is overweegt de rechtbank dat artikel 5:46, derde lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Nu in Bijlage M van de Uitvoeringsregeling per feitcode vermeld staat welke wettelijke bepalingen zijn overtreden en welke boetes hieraan gekoppeld zijn is hier sprake van wettelijk vastgelegde boetes. Het is in dit verband aan eisers om op basis van bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken dat de van toepassing zijnde boetes met feitcodes M166 en M305 (€ 300,00 per overtreding) in deze zaken te hoog zijn (artikel 5:46, derde lid, van de Awb).

Met hun betoog dat sprake is van (tweemaal) dubbele beboeting hebben eisers, zo vat de rechtbank het betoog van eisers in dit verband op, de verwevenheid tussen de bedrijven enerzijds en met eiser anderzijds als bijzondere omstandigheid aangevoerd. Verweerder heeft met die verwevenheid bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen boetes geen rekening gehouden.

De beboeting leidt er gelet op deze verwevenheid toe dat eiser (via zijn ondernemingen) viermaal in zijn vermogen wordt geraakt (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de CBb van 7 augustus 2018 en de uitspraak van de CBb van 25 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:14). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de financiële verwevenheid in dit geval tot matiging moet leiden omdat het onevenredig is om eiser voor deze overtredingen viermaal in zijn vermogen te treffen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser feitelijk 100% aandeelhouder is van beide bedrijven (eiseres BV en de zusteronderneming BV). Dit zijn kleinschalige bedrijven die ook wat betreft het personeelsverband sterk met elkaar zijn verweven: bij beide bedrijven werken dezelfde twee vaste medewerkers, namelijk eiser en één werknemer (aangevuld met uitzend-/seizoensarbeiders). De overtredingen zijn feitelijk begaan door deze twee personen. De totale boete die voor deze overtredingen is opgelegd, staat daarmee, aldus de rechtbank,  niet meer in verhouding tot de ernst van de feitelijke gedraging. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de boetes voor feitcode M305 te matigen met 20%.

Lees hier de volledige uitspraak:

Onderzaai bij mais mislukt, wat nu?

Al eerder besteden we op deze website aandacht aan de gewijzigde verplichting tot de teelt van een vanggewas na maïs op zand- en lossgrond.  In het kort: aan de verplichting tot de teelt van een nagewas kan  op 3 manieren invulling worden gegeven:

  1. Door onderzaai van een vanggewas;
  2. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 1 oktober – een vanggewas in te zaaien;
  3. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 31 oktober –  een wintergraan te telen, waarbij het wintergraan als hoofdteelt gebruikt dient te worden in het volgende kalenderjaar.

Veel maistelers hebben vanwege de ‘deadline’ van 1 oktober gekozen voor onderzaai van een vanggewas.  De droogte van dit jaar heeft echter  als een van de gevolgen dat bij een groot deel van de percelen waarbij voor de optie van onderzaai is gekozen de opkomst van de onderzaai dit jaar is mislukt,  deels is mislukt of dreigt te zijn mislukt.

Wie daarbij redeneert ‘jammer dan’. Ik heb onderzaai gedaan en daarmee aan mij verplichting voldaan komt echter bedrogen uit. RVO en de NVWA stellen nadrukkelijk dat sprake dient te zijn van van een bedekte bodem. Wanneer de mais dan niet voor 1 oktober wordt geoogst betekent dit dat geen invulling kan worden gegeven aan de verplichting tot het tijdig (voor 1 oktober) inzaaien van een vanggewas. RVO heeft inmiddels deze situatie onderkend en aangegeven daar bij een controle rekening mee te houden.  Maïstelers bij wie de onderzaai is mislukt, mogen ook na 1 oktober – onder vaoorwaarden – opnieuw een vanggewas inzaaien of vanggewas bijzaaien.

 

 

RVO stelt nu dat bedrijven bij wie de onderzaai mislukt is  direct na de oogst een vanggewas mogen bijzaaien of opnieuw mogen inzaaien. Daarbij mogen de gewassen worden gebruikt uit de tabel. Wanneer maar een deel van de onderzaai is mislukt kan alleen dat deel van het perceel opnieuw worden ingezaaid. Wel is een nadrukkelijke voorwaarde dat bij controle aannemelijk kan worden gemaakt dat eerder onderzaai is verricht en dat er normaal gesproken een vanggewas zou moeten hebben gestaan.  Dit betekent dat aannemelijk moet worden gemaakt wie, wat, wanneer en hoe het vanggewas is gezaaid. .

Deze toezegging van RVO is in zekere zin in tegenspraak met de informatiebrief die RVO onlangs heeft gestuurd over het inzaaien van een vanggewas als hoofdteelt. Deze brief had uitsluitend betrekking op optie 3 van de mogelijkheden om te voldoen aan de verplichting (vanggewas als hoofdteelt). Het hier besprokene heeft uitsluitend betrekking op optie 1 (vanggewas door onderzaai).

 

 

Aanvullende voorwaarden bij nieuwe handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie

Op 12 juli 2019 is de nieuwe Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie gepubliceerd (hierna: Handreiking). Deze handreiking is de richtlijn voor melkveebedrijven die de BEX systematiek toepassen om daarmee aan te tonen dat de uitscheiding van stikstof en fosfaat lager is dan de forfaitaire normen. Voor bedrijven die over 2019 met de BEX-systematiek willen rekenen is het verplicht om de onlangs verschenen versie van de Handreiking tot te passen..

De nieuwe Handreiking bevat, zoals altijd bij een nieuwe versie, een aantal inhoudelijke wijzigingen of verbeteringen ten opzichte van de vorige versie. Opvallend bij deze versie is echter dat ook in de voorwaarden voor toepassing van de Handreiking een aantal aanvullende voorwaarden zijn toegevoegd.

Een van deze aanvullende voorwaarden is dat een bedrijf dat door middel van BEX methodiek de excretie van stikstof en fosfaat bij melkvee verantwoordt, de uitdraai van de resultaten van de BEX (via de Excretiewijzer, de KringloopWijzer of een ander programma met de berekeningswijze die in BEX is opgenomen) met de datum van uitdraai, op uiterlijk 1 februari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de BEX betrekking heeft,  in de administratie op moet nemen. Deze uitdraai – met een datum van vóór 1 februari,- dient altijd in de administratie bewaard te blijven, ook als blijkt dat op basis van een fout een nieuwe uitdraai na 1 februari wordt gemaakt om op te nemen in de administratie.

Een tweede procedurele voorwaarde die is toegevoegd aan de voorwaarden voor toepassing van de BEX is dat indien de Handreiking wordt gebruikt voor verantwoording van de lagere uitscheiding van stikstof en fosfaat, de daarin opgenomen invoergegevens over dieren, diervoeders en huisvesting gelijk dienen te zijn aan de invoergegevens die worden gebruikt voor de KringloopWijzer,  waarvan het resultaat over hetzelfde kalenderjaar ter beschikking dient te worden gesteld aan de afnemer(s) van de door geproduceerde koemelk. Hiermee legt de Handreiking een rechtstreekse koppeling met de Kringloopwijzer.

Beide aanvullingen lijken ingegeven door het feit dat de minister de borging van de BEX systematiek onvoldoende acht. Al eerder heeft de minister aangegeven dat de KringloopWijzer wel als voldoende geborgd werd geacht, maar de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie niet. Door de termijn van het opstellen te verkorten en de koppeling van invoergegevens tussen BEX en KringloopWijzer gelijk te stellen lijkt de minister de borging van de BEX te willen verbeteren.

Of wanneer niet aan deze voorwaarden ook kan of zal resulteren in het volledig afkeuren van een BEX berekening is de vraag. Immers zoals al eerder gesteld is de BEX van belang voor bedrijven waar sprake is van een  verschil tussen de feitelijke excretie van stikstof en fosfaat en de forfaitaire normen. Om dit verschil  te kunnen onderbouwen kan een beroep worden gedaan op de mogelijkheid van de zogenaamde ‘vrije bewijsleer’ die de Algemene wet bestuursrecht kent. De meest bekende methode van een dergelijke onderbouwing is de Bedrijfsspecifieke Excretie oftewel de BEX-berekening.

De reken- en verantwoordingswijze van de BEX-berekening kan worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze aan de hand waarvan bedrijven – gebruik makend van de Handreiking en de daarin genoemde voorwaarden – gemotiveerd en onderbouwd kunnen afwijken van de vastgestelde excretieforfaits voor melkveebedrijven. Hierbij wordt nadrukkelijk gesproken over een methode, niet over de of de enige methode. Er is immers sprake van vrije bewijsleer. Voor de BEX systematiek spreekt echter wel dat deze akkoord is bevonden door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM), breed wordt toegepast en, zoals reeds eerder vermeld, mag worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze voor de invulling van de zogenaamde vrije bewijsleer.

De vraag is of dat wanneer niet wordt voldaan aan de genoemde aanvullende voorwaarden of termijnen niet kan worden onderbouwd dat de mestproductie lager was en dus daarmee de inhoudelijke bewijsvoering niet zal worden geaccepteerd. Immers wanneer wel aan de overige inhoudelijke voorwaarden van de Handreiking wordt voldaan is de inhoudelijke onderbouwing op zich gelijk. Duidelijk is wel dat het niet voldoen aan de nieuwe procedurele termijnen zal leiden tot discussie en risico op afkeuring. Immers de veehouder zal aan moeten kunnen tonen dat sprake is van een juiste berekening en vooral correcte invoer.

 

Klik hier om de Handreiking te bekijken

De Handreiking staat ook online op drie pagina’s bij RVO:

 

Naast boete ook een randvoorwaardenkorting

Wie  een overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) begaat of niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit Gebruik Meststoffen (hierna: BGM) kan naast met een boete ook worden geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting op de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: GLB).

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Deze beheerseisen zijn door Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en bijlage 3 en bijlage 4 van deze uitvoeringsregeling en komen er – samengevat –  op neer dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen ervoor moet zorgen dat hij aan de gestelde regelgeving en voorwaarden van de uitvoeringsregeling voldoet.

Deze voorwaarden bestaan onder andere uit het voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit gebruik meststoffen (BGM), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm). Is dit niet het geval kan een korting worden doorgevoerd op deze rechtstreekse betalingen. Vaak betreft het dan een korting ter grootte van een percentage van 3%.

Voorgaande komt aan de orde in een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed. Verweerder heeft een randvoorwaardenkorting opgelegd aan appellante. Bij een bedrijfscontrole is geconstateerd dat voldoende opslagcapaciteit voor vaste mest ontbreekt, waarvoor verweerder een korting van 3% op de rechtstreekse betalingen heeft doorgevoerd.

Appellante heeft de niet-naleving betwist: volgens haar was de bestaande capaciteit van de mestopslag voldoende omdat enerzijds verweerder  de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest, kleiner is dan verweerder heeft berekend. Anderzijds stelt appellante dat de capaciteit van de mestopslagruimte op haar bedrijf toereikend is.

Wat betreft de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest overweegt het College dat verweerder deze heeft berekend op 263 m3, aan de hand van de rekenregels van artikel 28, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw en bijlage D, tabel I, kolom A, van de Uitvoeringsregeling Msw.

In artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat in vier gevallen de capaciteit van de mestopslagruimte kleiner kan zijn. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn:

a.       Indien kan worden aangetoond dat een contract voor afvoer van de extra mest is aanwezig is;
b.       Indien mest kan worden aangewend op een deel van de tot het bedrijf behorende bouwland of grasland waarvoor het uitrijverbod niet geldt
c.       Aangetoond kan worden het aantal tot het bedrijf behorende stallen kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan
d.       Aantoonbaar kan worden gemaakt dat in de periode augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren owrden gehouden.

Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij zich beroept op de uitzondering genoemd in het eerste lid, onder b. De enkele verwijzing door appellante naar de hopen vaste mest op de kopakker, die gereed zouden liggen om te worden uitgereden, acht het College als onderbouwing  echter onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder mogen uitgaan van een vereiste opslagruimte voor vaste mest van 263 m3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opslagruimte op het bedrijf voldoet aan die minimaal vereiste capaciteit. Allereerst moet worden vastgesteld dat het daarbij alleen gaat om opslagruimte voor vaste mest. De NVWA heeft over de bevindingen tijdens de controle een inspectieverslag opgesteld, waarin is vermeld dat de mestopslag voor vaste mest op het erf een inhoud heeft van 105 m3. Appellante heeft dit niet betwist. Wel betoogt zij dat ook de opslag van vaste mest op de kopakker moet worden meegerekend. Appellante heeft daarbij gesteld dat de opslag daar voldoet aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. In deze bepaling – een andere beheerseis waaraan een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt dient te voldoen op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.16, bij de Uitvoeringsregeling – zijn de eisen gesteld waaraan moet worden voldaan bij de opslag van agrarische bedrijfsstoffen op een onverhard oppervlak indien deze langer dan twee weken maar korter dan een half jaar worden opgeslagen. Eén van de eisen is dat het opslaan in elk geval zodanig plaatsvindt dat contact met hemelwater wordt voorkomen. Naar aanleiding van het betoog van appellante heeft de NVWA een aanvullend rapport uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2017.

In het aanvullend rapport is vermeld dat de mestopslag niet was afgedekt, zoals ook te zien is op de foto behorend bij het aanvullend rapport. Al daarom volgt het College het betoog van appellante niet dat voldaan is aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Dat er geen vloeistof van de mestvaalt in het oppervlaktewater is terechtgekomen, zoals appellante heeft betoogd, is niet relevant. Voor zover appellante lijkt te betogen dat niet hoefde te worden voldaan aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer, omdat de mest slechts kort op de kopakker werd opgeslagen, volgt het College appellantes redenering niet. In dat geval zou naar het oordeel van het College namelijk geen sprake zijn van opslagruimte voor meststoffen, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw, gelet op de definitie daarvan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, namelijk een ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de opslag van meststoffen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat reeds het storten van mest op de kopakker van die locatie een opslagruimte zou maken.

Verweerder heeft dus terecht het deel van de kopakker waar appellante de mest heeft gestort, niet meegerekend bij de vaststelling van de capaciteit van de mestopslagruimte. Nu de capaciteit van de mestopslagruimte op het bedrijf van appellante 105 m3 was, terwijl een capaciteit van 263 m3 vereist was, voldeed appellante niet aan de beheers-eis van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.18, bij de Uitvoeringsregeling en is de korting op de rechtstreekse betalingen terecht doorgevoerd.

Lees hier de volledige uitspraak

Een big van ‘circa 25 kilogram’

In Bijlage D, tabel III van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en Tabel 4 (“Diergebonden normen”) van de tabellenbrochure Mestbeleid, worden de verschillende diersoorten en –categorieën die onder de Meststoffenwet vallen gedefinieerd en omschreven. Zo zijn voor de diersoort varkens onder andere de diercategorieën fokzeugen, biggen en vleesvarkens gedefinieerd. Dit met de volgende omschrijvingen:

  • Fokzeugen inclusief biggen tot een gewicht van 25 kg (categorie 401):  “tenminste éénmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen of guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, waarvan de biggen worden gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg.
  • Biggen (categorie 407): “gespeende biggen die op ca. 6 weken zijn aangeleverd en worden afgeleverd op ca. 25 kg; ook op 6 weken aangeleverde biggen die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij, tot exact 25 kg”, en
  • Vleesvarkens (categorie 411) “varkens die worden gehouden voor de slacht vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot ca. 110 kg. Ook biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf exact 25 kg.”

In de omschrijving  voor de diercategorieën ‘biggen’ en ‘vleesvarkens’ is aansluiting gezocht bij de praktijk, waarin, biggen, die niet op het vermeerderingsbedrijf worden gemest, maar worden geleverd aan een mesterij. Deze dieren gaat over op een leeftijd van ongeveer 10 weken en wegen dan in de regel ongeveer 25 kg. Soms iets minder dan 25 kg maar soms ook zwaarder dan 25 kg: circa 25 kg dus. De omschrijving circa is dan ook opgenomen in de tabellen om tegemoet te komen aan de variatie die zich in de praktijk bij dit soort bedrijven voor kan doen.

Tussen big en vleesvarken bestaat wel een verschil  met betrekking tot het aantal benodigde varkensrechten op een bedrijf is er wel een verschil tussen big of vleesvarken: Een big tot circa 25 kg telt niet mee binnen de systematiek van de varkensrechten (ze vallen onder de noemer: fokzeug plus biggen), voor een vleesvarken is dit wel het geval en dient per gemiddeld gehouden vleesvarken één varkensrecht beschikbaar te zijn. Daarmee wordt de vraag relevant: wat wordt exact bedoeld met de omschrijving ‘circa 25 kg lichaamsgewicht’.

Het standpunt van de NVWA in deze is dat om tegemoet te komen aan de variatie die binnen een vermeerderingsbedrijf op kan treden  de biggen die bij het afleveren een gewicht hebben van tussen de 25 en 30 kg niet onder een andere diercategorie (categorie 411: vleesvarken) geregistreerd hoeven te worden. Biggen die bij afvoer van het bedrijf echter 30 kg of zwaarder wegen dienen als vleesvarken (categorie 411) te worden geregistreerd vanaf het gewicht van 25 kg.

Dit betekent dat wanneer koppel van 500 biggen word afgeleverd met een gewicht van gemiddeld 31,5 kilogram per dier, dit koppel vanaf het gewicht van 25 kg geregistreerd had moeten worden als vleesvarken. Uitgaande van een groei van 500 gram per dier per dag betekent dit een periode van 13 dagen vóór het aflevermoment. Dit betekent dit dat voor 500 dieren en 13 dagen extra varkensrechten nodig zijn. Dit betekent voor dit boorbeeld dat 17,8 varkensrecht nodig zou zijn geweest om deze dieren te houden. Dit is alleen voor het houden van dit koppel biggen. Als het vaker voorkomt dat een zwaardere koppel wordt geleverd of wanneer structureel zware biggen worden geleverd loopt dit aantal benodigde rechten snel op.

In dat kader is vervolgens van belang dat de NVWA een tolerantiegrens aanhoudt tussen het aantal geregistreerde varkensrechten en het aantal geconstateerd benodigde varkensrechten van 1%. Zeker voor bedrijven die structureel zwaar afleveren iets om nadrukkelijk rekening mee te houden.

 

Opgeven van de voorraad dierlijke mest in de Aanvullende Gegevens Landbouwbedrijven

Een groot aantal bedrijven heeft onlangs weer het verzoek gekregen om voor 1 februari 2018 de zogenaamde aanvullende gegevens landbouwbedrijven 2017 (hierna: AGL2017) door te geven aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Een onderdeel van deze opgave is de voorraad dierlijke mest per 31 december 2017. Het belang van deze opgave mag niet worden onderschat. RVO stelt grote waarde te hechten aan de opgave van een ondernemer en daar zonder zeer concrete motivatie ook niet meer van af te wijken.

De basis voor de voorraadbepaling wordt gevonden in artikel 68, lid 3 van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna Urm) waarin wordt gesteld:  ’De op een bedrijf waar dierlijke meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde gewicht van de dierlijke meststoffen en het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen’.

De opdracht voor 31 december is daarmee duidelijk: bepaal zo nauwkeurig mogelijk het gewicht van de aanwezige mest en zo nauwkeurig mogelijk de gehalten in die mest. Nu is het bepalen van de mesthoeveelheid wellicht niet eens het allergrootste probleem. Die kan worden vastgesteld op basis van een puttenplan, waarbij per opslag wordt bepaald hoeveel mest er aanwezig is. Simpelweg: lengte X breedte X hoogte.

De gehalten van een mestcode of een mestopslag zijn echter minder eenvoudig te bepalen. De Urm stelt hier echter wel het een en ander over en de praktijk leert dat RVO daar aansluiting bij zoekt. De Urm stelt in artikel 94, 2e lid: het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen  wordt bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.

Bijvoorbeeld bij het scheiden van mest kunnen de gehalten van de voorraad afwijken de ‘best beschikbare gehalten’

Het begrip ‘best beschikbare gegevens’ wordt in de memorie van toelichting behorende bij dit artikel nader toegelicht: ‘De best beschikbare gegevens zouden verkregen worden door de gehele voorraad te bemonsteren en analyseren op dezelfde manier als bij aan- en afvoer van de mest zou plaatsvinden. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gebruik gemaakt worden van berekening van het gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalte aan de hand van de stikstof-, en fosfaatgehalten die eerder bepaald zijn aan de hand van bemonstering en analyse van de in het desbetreffende jaar van het bedrijf afgevoerde hoeveelheden dierlijke meststoffen. Als laatste zou, indien geen afvoer heeft plaatsgevonden, gebruik gemaakt kunnen worden van het bij de desbetreffende diersoort en diercategorie behorende forfaitaire stikstof-, onderscheidenlijk fosfaatgehalte.’

In de toelichting van RVO hieromtrent wordt het als volgt gesteld:  ‘Voor het bepalen van het fosfaatgehalte en het stikstofgehalte maakt u gebruik van de best beschikbare gegevens:

  • Analyseresultaten mestvoorraad. Heeft u de hele mestvoorraad (dierlijke mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan) bemonsterd en heeft u hier analyseresultaten van? Dan gebruikt u deze gegevens.
  • Analyseresultaten afgevoerde mest. Heeft u geen analyseresultaten van uw mestvoorraad, maar wel van de mest dat u in het afgelopen jaar van uw bedrijf heeft afgevoerd? Dan maakt u gebruik van de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten uit deze analyseresultaten. Het gaat hierbij om dierlijk mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan. Bij kunstmest staat het gehalte op de verpakking, op de begeleidende vrachtbrief of in de factuur.
  • Forfaitaire waarden. Heeft u geen analyseresultaten van de mestvoorraad en ook niet van de afgevoerde mest van het afgelopen jaar? Dan maakt kunt u gebruik maken van de forfaitaire gehalten.

Dit is eigenlijk een kopie van hetgeen in de Urm hierover staat gegeven. Het is echter niet het hele verhaal. In de memorie van toelichting Meststoffenwet TK 20114-1005, 29 930, nr 3. Paragraaf 3.6.2 onder d. (20 december 2004) wordt ook gesteld: …’wat betreft de samenstelling van de meststoffen zal in principe kunnen worden aangesloten bij de resultaten van de bemonstering en analyse die al plaatsvindt bij de aan- en afvoer van vrachten dierlijke en andere organische meststoffen, voor zover deze vrachten zijn te herleiden tot een specifieke opslag. Het is daarbij aan de agrariër om in specifieke situaties op basis van goed onderbouwde gegevens aannemelijk te maken dat en in hoeverre deze benaderingswijze niet voldoet voor de bepaling van het voorraadsaldo op zijn bedrijf.’ Er moet dus altijd op basis van de feitelijke omstandigheden worden beoordeeld of de gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest van de betreffende mestcode in het desbetreffende jaar, voldoet aan de definitie  ‘zo nauwkeurig mogelijke bepaling’ van de gehalten aan stikstof en fosfaat in de betreffende voorraad dierlijke mest. Er dient te worden uitgegaan van de gehalten in de afgevoerde mest, maar indien er redenen zijn waarom die niet zouden kwalificeren als ‘best beschikbare gehalten‘, is het een veehouder toegestaan om – op basis van bedrijfseigen gegevens – andere gehalten te gebruiken, mits dat kan worden onderbouwd dat die gehalten beter voldoen als ‘best beschikbare gehalten‘. Deze dienen dan wel voldoende onderbouwd, verifieerbaar en betrouwbaar te zijn om als bewijs te kunnen dienen.

Moraal van het verhaal: zoek bij de bepaling van de voorraad dierlijke mest in eerste instantie aansluiting bij de methode die volgt uit de Urm en wordt aangegeven door RVO. Concreet: is er mest van een mestcode afgevoerd in 2017: het gemiddelde gehalte van de afvoer in 2017. Is er geen mest afgevoerd: gebruik dan de forfaitaire gehalten. In sommige gevallen zal deze methode echter niet voldoen. Bijvoorbeeld wanneer de afgevoerde mest sterk afwijkt van de geproduceerde mest of de aanwezige mest. Wie dan opteert voor andere gehalten dan de gehalten die volgen uit de afgevoerde mest, doet er goed aan die gehalten zo goed en specifiek mogelijk te onderbouwen op basis van gemeten en/of berekende bedrijfseigen gegevens.

NVWA: controle op vanggewassen via satellietdata

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) maakt bekend dat men dit jaar voor het eerst gebruik zal maken van satellietdata bij de controles op de teelt van een vanggewas. Het gebruik van satellietdata is al bekend uit de zogenaamde teledetectiecontroles die RVO uitvoert naar de gegevens omtrent de landbouwkundig beteelde oppervlakte van de bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen.

Het gebruik van satelietbeelden en -informatie bij toezicht en handhaving is al bekend bij de zogenaamde teledetectiecontroles

Met behulp van de satellietdata kunnen de toezichthouders van de NVWA zien of op de percelen waarop dit verplicht is of waarvoor dit is opgegeven bij de Gecombineerde Opgave ook daadwerkelijk een vanggewas wordt geteeld. De NVWA geeft aan dat deze nieuwe werkwijze er voor zal zorgen dat men meer percelen, gerichter kan controleren.

Bij percelen op zand- en lössgrond waarop maïs is geteeld is het verplicht  om direct na de maisoogst een vanggewas in te zaaien. De inspecties op de teelt van een vanggewas na de teelt van maïs bestaan uit zichtcontroles waarbij vastgesteld wordt of op percelen waar maïs geoogst is het gewenste vanggewas geteeld wordt en dit vanggewas voldoende lang op het perceel staat.

Maar ook na de teelt van andere gewassen kan  een vanggewas worden geteeld bijvoorbeeld om daarmee invulling te geven aan de zogenaamde vergroening (Ecologische Aandachtsgebieden) in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB).  De satellietdata zullen  ook worden gebruikt om te controleren of op dergelijke percelen gedurende 10 weken een vanggewas wordt geteeld. En of er, voordat de 10 weken verstreken zijn, geploegd is of een andere grondbewerking heeft plaatsgevonden.

Belangrijk om nog eens te stellen is dat het voldoen aan alle voorwaarden van het GLB vervolgens weer een voorwaarde om gebruik te kunnen maken van derogatie. Hier grijpen het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) en de Meststoffenwet dan weer in elkaar.

Een extra paar ogen erbij dus die controleren of een vanggewas tijdig wordt ingezaaid en lang genoeg ongestoord op het perceel staat. Wanneer tijdens een inspectie blijkt dat niet aan de wettelijke verplichting wordt voldaan kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Daarnaast beslist de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) over het korten van de subsidie en/of het vervallen van de derogatie.

Onafhankelijk monsternemer bij afvoer dikke fractie

Op 17 december 2016 is een wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vastgesteld en gepubliceerd (Stcrt. 2016, 69127). Deze wijziging heeft betrekking op de introductie van een extra voorwaarde  bij de afvoer van vaste mest (dikke fractie) na mestscheiding. Deze voorwaarde is dat deze moet worden bemonsterd door een onafhankelijke monsternemer. De staatsecretaris heeft nu aangegeven dat de wijziging van kracht wordt met ingang van 1 oktober 2017.

bij de afvoer van dikke fractie na het scheiden van varkens- en of rundveemest is vanaf 1 oktober 2017 onafhankelijke monstername verplicht…


Achtergrond

Vaste mest  (dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn), wordt in de huidige situatie handmatig bemonsterd door de vervoerder. Hoewel is voorschreven dat de vervoerder een representatief monster moet nemen, worden met enige regelmaat hoge gehalten geregistreerd. Om te voorkomen dat dergelijke ‘uitbijters’ kunnen worden toegeschreven aan de veehouder die de mest afvoert, wordt de onafhankelijke bemonstering geïntroduceerd. De inzet van de onafhankelijke monsternemer is vooralsnog alleen van toepassing  op de afvoer van dikke fractie. Dikke fractie is gedefinieerd als vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 (gescheiden rundveemest) of 43 (gescheiden varkensmest) of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen.

Voor de afvoer van dikke fractie geldt dat het feitelijk nemen van het monster niet meer door de vervoerder zal gebeuren, maar door een daarvoor geaccrediteerde en erkende organisatie. Accreditatie wordt verleend door de Raad voor Accreditatie op basis van een nieuw accreditatieprogramma (AP06) die wordt opgenomen onder bijlage Ea van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Om een erkenning te verkrijgen dienen de organisaties onder andere geaccrediteerd te zijn volgens ISO 17020 voor een type A instelling en ISO 17025.

Als extra stok achter de deur zijn applicaties ontwikkeld voor het uitwisselen van gegevens tussen de onafhankelijke monsternemers en de toezichthoudende instanties zoals RVO.nl en de NVWA. Bedrijven kunnen straks hun gegevens automatisch doorsturen via een webserver of kiezen voor handmatige aanmelding op een webformulier. Bovendien wordt bij de melding over de voorgenomen monstername wordt door de onafhankelijke monsternemende organisatie een identificatienummer van de monsternemende persoon doorgegeven. Dit ter controle van de monsternemende persoon.

 

Hoe gaat het werken?

Het proces van afvoeren van dikke fractie zal in grote lijnen hetzelfde blijven. Alleen mag het monster niet meer worden genomen door de vervoerder, maar moet het worden genomen door een onafhankelijke monsternemer.

Bij bemonstering van dikke fractie, is vrachtbemonstering het uitgangspunt. Onder bepaalde voorwaarden is partijbemonstering toegestaan. In dat geval mag een partij in één keer worden bemonsterd. Partijbemonstering is mogelijk als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.

  • er sprake is van niet meer dan één partij vaste mest op de bedrijfslocatie aanwezig,
  • de omvang van een partij bedraagt maximaal 200 m3
  • de afvoer van de gehele partij vindt plaats binnen één dag,
  • de partij niet wijzigt van samenstelling of word geheel of gedeeltelijk verplaatst op de bedrijfslocatie tussen het moment van bemonstering en het moment van afvoer.

Om misverstanden te voorkomen is expliciet bepaald dat wanneer op een bedrijfslocatie meerdere hopen vaste mest aanwezig zijn, partijbemonstering niet is toegestaan. Deze voorwaarde vloeit voort uit de wens om de mogelijkheden tot manipulatie dan wel verwisseling of vermenging zo klein mogelijk te maken.

Lees hier de oorspronkelijke publicatie in de Staatscourant en hier de wijzigingen daarop