Onderzaai bij mais mislukt, wat nu?

Al eerder besteden we op deze website aandacht aan de gewijzigde verplichting tot de teelt van een vanggewas na maïs op zand- en lossgrond.  In het kort: aan de verplichting tot de teelt van een nagewas kan  op 3 manieren invulling worden gegeven:

  1. Door onderzaai van een vanggewas;
  2. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 1 oktober – een vanggewas in te zaaien;
  3. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 31 oktober –  een wintergraan te telen, waarbij het wintergraan als hoofdteelt gebruikt dient te worden in het volgende kalenderjaar.

Veel maistelers hebben vanwege de ‘deadline’ van 1 oktober gekozen voor onderzaai van een vanggewas.  De droogte van dit jaar heeft echter  als een van de gevolgen dat bij een groot deel van de percelen waarbij voor de optie van onderzaai is gekozen de opkomst van de onderzaai dit jaar is mislukt,  deels is mislukt of dreigt te zijn mislukt.

Wie daarbij redeneert ‘jammer dan’. Ik heb onderzaai gedaan en daarmee aan mij verplichting voldaan komt echter bedrogen uit. RVO en de NVWA stellen nadrukkelijk dat sprake dient te zijn van van een bedekte bodem. Wanneer de mais dan niet voor 1 oktober wordt geoogst betekent dit dat geen invulling kan worden gegeven aan de verplichting tot het tijdig (voor 1 oktober) inzaaien van een vanggewas. RVO heeft inmiddels deze situatie onderkend en aangegeven daar bij een controle rekening mee te houden.  Maïstelers bij wie de onderzaai is mislukt, mogen ook na 1 oktober – onder vaoorwaarden – opnieuw een vanggewas inzaaien of vanggewas bijzaaien.

 

 

RVO stelt nu dat bedrijven bij wie de onderzaai mislukt is  direct na de oogst een vanggewas mogen bijzaaien of opnieuw mogen inzaaien. Daarbij mogen de gewassen worden gebruikt uit de tabel. Wanneer maar een deel van de onderzaai is mislukt kan alleen dat deel van het perceel opnieuw worden ingezaaid. Wel is een nadrukkelijke voorwaarde dat bij controle aannemelijk kan worden gemaakt dat eerder onderzaai is verricht en dat er normaal gesproken een vanggewas zou moeten hebben gestaan.  Dit betekent dat aannemelijk moet worden gemaakt wie, wat, wanneer en hoe het vanggewas is gezaaid. .

Deze toezegging van RVO is in zekere zin in tegenspraak met de informatiebrief die RVO onlangs heeft gestuurd over het inzaaien van een vanggewas als hoofdteelt. Deze brief had uitsluitend betrekking op optie 3 van de mogelijkheden om te voldoen aan de verplichting (vanggewas als hoofdteelt). Het hier besprokene heeft uitsluitend betrekking op optie 1 (vanggewas door onderzaai).

 

 

Aanvullende voorwaarden bij nieuwe handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie

Op 12 juli 2019 is de nieuwe Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie gepubliceerd (hierna: Handreiking). Deze handreiking is de richtlijn voor melkveebedrijven die de BEX systematiek toepassen om daarmee aan te tonen dat de uitscheiding van stikstof en fosfaat lager is dan de forfaitaire normen. Voor bedrijven die over 2019 met de BEX-systematiek willen rekenen is het verplicht om de onlangs verschenen versie van de Handreiking tot te passen..

De nieuwe Handreiking bevat, zoals altijd bij een nieuwe versie, een aantal inhoudelijke wijzigingen of verbeteringen ten opzichte van de vorige versie. Opvallend bij deze versie is echter dat ook in de voorwaarden voor toepassing van de Handreiking een aantal aanvullende voorwaarden zijn toegevoegd.

Een van deze aanvullende voorwaarden is dat een bedrijf dat door middel van BEX methodiek de excretie van stikstof en fosfaat bij melkvee verantwoordt, de uitdraai van de resultaten van de BEX (via de Excretiewijzer, de KringloopWijzer of een ander programma met de berekeningswijze die in BEX is opgenomen) met de datum van uitdraai, op uiterlijk 1 februari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de BEX betrekking heeft,  in de administratie op moet nemen. Deze uitdraai – met een datum van vóór 1 februari,- dient altijd in de administratie bewaard te blijven, ook als blijkt dat op basis van een fout een nieuwe uitdraai na 1 februari wordt gemaakt om op te nemen in de administratie.

Een tweede procedurele voorwaarde die is toegevoegd aan de voorwaarden voor toepassing van de BEX is dat indien de Handreiking wordt gebruikt voor verantwoording van de lagere uitscheiding van stikstof en fosfaat, de daarin opgenomen invoergegevens over dieren, diervoeders en huisvesting gelijk dienen te zijn aan de invoergegevens die worden gebruikt voor de KringloopWijzer,  waarvan het resultaat over hetzelfde kalenderjaar ter beschikking dient te worden gesteld aan de afnemer(s) van de door geproduceerde koemelk. Hiermee legt de Handreiking een rechtstreekse koppeling met de Kringloopwijzer.

Beide aanvullingen lijken ingegeven door het feit dat de minister de borging van de BEX systematiek onvoldoende acht. Al eerder heeft de minister aangegeven dat de KringloopWijzer wel als voldoende geborgd werd geacht, maar de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie niet. Door de termijn van het opstellen te verkorten en de koppeling van invoergegevens tussen BEX en KringloopWijzer gelijk te stellen lijkt de minister de borging van de BEX te willen verbeteren.

Of wanneer niet aan deze voorwaarden ook kan of zal resulteren in het volledig afkeuren van een BEX berekening is de vraag. Immers zoals al eerder gesteld is de BEX van belang voor bedrijven waar sprake is van een  verschil tussen de feitelijke excretie van stikstof en fosfaat en de forfaitaire normen. Om dit verschil  te kunnen onderbouwen kan een beroep worden gedaan op de mogelijkheid van de zogenaamde ‘vrije bewijsleer’ die de Algemene wet bestuursrecht kent. De meest bekende methode van een dergelijke onderbouwing is de Bedrijfsspecifieke Excretie oftewel de BEX-berekening.

De reken- en verantwoordingswijze van de BEX-berekening kan worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze aan de hand waarvan bedrijven – gebruik makend van de Handreiking en de daarin genoemde voorwaarden – gemotiveerd en onderbouwd kunnen afwijken van de vastgestelde excretieforfaits voor melkveebedrijven. Hierbij wordt nadrukkelijk gesproken over een methode, niet over de of de enige methode. Er is immers sprake van vrije bewijsleer. Voor de BEX systematiek spreekt echter wel dat deze akkoord is bevonden door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM), breed wordt toegepast en, zoals reeds eerder vermeld, mag worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze voor de invulling van de zogenaamde vrije bewijsleer.

De vraag is of dat wanneer niet wordt voldaan aan de genoemde aanvullende voorwaarden of termijnen niet kan worden onderbouwd dat de mestproductie lager was en dus daarmee de inhoudelijke bewijsvoering niet zal worden geaccepteerd. Immers wanneer wel aan de overige inhoudelijke voorwaarden van de Handreiking wordt voldaan is de inhoudelijke onderbouwing op zich gelijk. Duidelijk is wel dat het niet voldoen aan de nieuwe procedurele termijnen zal leiden tot discussie en risico op afkeuring. Immers de veehouder zal aan moeten kunnen tonen dat sprake is van een juiste berekening en vooral correcte invoer.

 

Klik hier om de Handreiking te bekijken

De Handreiking taat ook online op drie pagina’s bij RVO:

 

Naast boete ook een randvoorwaardenkorting

Wie  een overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) begaat of niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit Gebruik Meststoffen (hierna: BGM) kan naast met een boete ook worden geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting op de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: GLB).

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Deze beheerseisen zijn door Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en bijlage 3 en bijlage 4 van deze uitvoeringsregeling en komen er – samengevat –  op neer dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen ervoor moet zorgen dat hij aan de gestelde regelgeving en voorwaarden van de uitvoeringsregeling voldoet.

Deze voorwaarden bestaan onder andere uit het voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit gebruik meststoffen (BGM), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm). Is dit niet het geval kan een korting worden doorgevoerd op deze rechtstreekse betalingen. Vaak betreft het dan een korting ter grootte van een percentage van 3%.

Voorgaande komt aan de orde in een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed. Verweerder heeft een randvoorwaardenkorting opgelegd aan appellante. Bij een bedrijfscontrole is geconstateerd dat voldoende opslagcapaciteit voor vaste mest ontbreekt, waarvoor verweerder een korting van 3% op de rechtstreekse betalingen heeft doorgevoerd.

Appellante heeft de niet-naleving betwist: volgens haar was de bestaande capaciteit van de mestopslag voldoende omdat enerzijds verweerder  de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest, kleiner is dan verweerder heeft berekend. Anderzijds stelt appellante dat de capaciteit van de mestopslagruimte op haar bedrijf toereikend is.

Wat betreft de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest overweegt het College dat verweerder deze heeft berekend op 263 m3, aan de hand van de rekenregels van artikel 28, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw en bijlage D, tabel I, kolom A, van de Uitvoeringsregeling Msw.

In artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat in vier gevallen de capaciteit van de mestopslagruimte kleiner kan zijn. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn:

a.       Indien kan worden aangetoond dat een contract voor afvoer van de extra mest is aanwezig is;
b.       Indien mest kan worden aangewend op een deel van de tot het bedrijf behorende bouwland of grasland waarvoor het uitrijverbod niet geldt
c.       Aangetoond kan worden het aantal tot het bedrijf behorende stallen kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan
d.       Aantoonbaar kan worden gemaakt dat in de periode augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren owrden gehouden.

Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij zich beroept op de uitzondering genoemd in het eerste lid, onder b. De enkele verwijzing door appellante naar de hopen vaste mest op de kopakker, die gereed zouden liggen om te worden uitgereden, acht het College als onderbouwing  echter onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder mogen uitgaan van een vereiste opslagruimte voor vaste mest van 263 m3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opslagruimte op het bedrijf voldoet aan die minimaal vereiste capaciteit. Allereerst moet worden vastgesteld dat het daarbij alleen gaat om opslagruimte voor vaste mest. De NVWA heeft over de bevindingen tijdens de controle een inspectieverslag opgesteld, waarin is vermeld dat de mestopslag voor vaste mest op het erf een inhoud heeft van 105 m3. Appellante heeft dit niet betwist. Wel betoogt zij dat ook de opslag van vaste mest op de kopakker moet worden meegerekend. Appellante heeft daarbij gesteld dat de opslag daar voldoet aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. In deze bepaling – een andere beheerseis waaraan een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt dient te voldoen op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.16, bij de Uitvoeringsregeling – zijn de eisen gesteld waaraan moet worden voldaan bij de opslag van agrarische bedrijfsstoffen op een onverhard oppervlak indien deze langer dan twee weken maar korter dan een half jaar worden opgeslagen. Eén van de eisen is dat het opslaan in elk geval zodanig plaatsvindt dat contact met hemelwater wordt voorkomen. Naar aanleiding van het betoog van appellante heeft de NVWA een aanvullend rapport uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2017.

In het aanvullend rapport is vermeld dat de mestopslag niet was afgedekt, zoals ook te zien is op de foto behorend bij het aanvullend rapport. Al daarom volgt het College het betoog van appellante niet dat voldaan is aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Dat er geen vloeistof van de mestvaalt in het oppervlaktewater is terechtgekomen, zoals appellante heeft betoogd, is niet relevant. Voor zover appellante lijkt te betogen dat niet hoefde te worden voldaan aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer, omdat de mest slechts kort op de kopakker werd opgeslagen, volgt het College appellantes redenering niet. In dat geval zou naar het oordeel van het College namelijk geen sprake zijn van opslagruimte voor meststoffen, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw, gelet op de definitie daarvan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, namelijk een ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de opslag van meststoffen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat reeds het storten van mest op de kopakker van die locatie een opslagruimte zou maken.

Verweerder heeft dus terecht het deel van de kopakker waar appellante de mest heeft gestort, niet meegerekend bij de vaststelling van de capaciteit van de mestopslagruimte. Nu de capaciteit van de mestopslagruimte op het bedrijf van appellante 105 m3 was, terwijl een capaciteit van 263 m3 vereist was, voldeed appellante niet aan de beheers-eis van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.18, bij de Uitvoeringsregeling en is de korting op de rechtstreekse betalingen terecht doorgevoerd.

Lees hier de volledige uitspraak

Een big van ‘circa 25 kilogram’

In Bijlage D, tabel III van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en Tabel 4 (“Diergebonden normen”) van de tabellenbrochure Mestbeleid, worden de verschillende diersoorten en –categorieën die onder de Meststoffenwet vallen gedefinieerd en omschreven. Zo zijn voor de diersoort varkens onder andere de diercategorieën fokzeugen, biggen en vleesvarkens gedefinieerd. Dit met de volgende omschrijvingen:

  • Fokzeugen inclusief biggen tot een gewicht van 25 kg (categorie 401):  “tenminste éénmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen of guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, waarvan de biggen worden gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg.
  • Biggen (categorie 407): “gespeende biggen die op ca. 6 weken zijn aangeleverd en worden afgeleverd op ca. 25 kg; ook op 6 weken aangeleverde biggen die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij, tot exact 25 kg”, en
  • Vleesvarkens (categorie 411) “varkens die worden gehouden voor de slacht vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot ca. 110 kg. Ook biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf exact 25 kg.”

In de omschrijving  voor de diercategorieën ‘biggen’ en ‘vleesvarkens’ is aansluiting gezocht bij de praktijk, waarin, biggen, die niet op het vermeerderingsbedrijf worden gemest, maar worden geleverd aan een mesterij. Deze dieren gaat over op een leeftijd van ongeveer 10 weken en wegen dan in de regel ongeveer 25 kg. Soms iets minder dan 25 kg maar soms ook zwaarder dan 25 kg: circa 25 kg dus. De omschrijving circa is dan ook opgenomen in de tabellen om tegemoet te komen aan de variatie die zich in de praktijk bij dit soort bedrijven voor kan doen.

Tussen big en vleesvarken bestaat wel een verschil  met betrekking tot het aantal benodigde varkensrechten op een bedrijf is er wel een verschil tussen big of vleesvarken: Een big tot circa 25 kg telt niet mee binnen de systematiek van de varkensrechten (ze vallen onder de noemer: fokzeug plus biggen), voor een vleesvarken is dit wel het geval en dient per gemiddeld gehouden vleesvarken één varkensrecht beschikbaar te zijn. Daarmee wordt de vraag relevant: wat wordt exact bedoeld met de omschrijving ‘circa 25 kg lichaamsgewicht’.

Het standpunt van de NVWA in deze is dat om tegemoet te komen aan de variatie die binnen een vermeerderingsbedrijf op kan treden  de biggen die bij het afleveren een gewicht hebben van tussen de 25 en 30 kg niet onder een andere diercategorie (categorie 411: vleesvarken) geregistreerd hoeven te worden. Biggen die bij afvoer van het bedrijf echter 30 kg of zwaarder wegen dienen als vleesvarken (categorie 411) te worden geregistreerd vanaf het gewicht van 25 kg.

Dit betekent dat wanneer koppel van 500 biggen word afgeleverd met een gewicht van gemiddeld 31,5 kilogram per dier, dit koppel vanaf het gewicht van 25 kg geregistreerd had moeten worden als vleesvarken. Uitgaande van een groei van 500 gram per dier per dag betekent dit een periode van 13 dagen vóór het aflevermoment. Dit betekent dit dat voor 500 dieren en 13 dagen extra varkensrechten nodig zijn. Dit betekent voor dit boorbeeld dat 17,8 varkensrecht nodig zou zijn geweest om deze dieren te houden. Dit is alleen voor het houden van dit koppel biggen. Als het vaker voorkomt dat een zwaardere koppel wordt geleverd of wanneer structureel zware biggen worden geleverd loopt dit aantal benodigde rechten snel op.

In dat kader is vervolgens van belang dat de NVWA een tolerantiegrens aanhoudt tussen het aantal geregistreerde varkensrechten en het aantal geconstateerd benodigde varkensrechten van 1%. Zeker voor bedrijven die structureel zwaar afleveren iets om nadrukkelijk rekening mee te houden.

 

Opgeven van de voorraad dierlijke mest in de Aanvullende Gegevens Landbouwbedrijven

Een groot aantal bedrijven heeft onlangs weer het verzoek gekregen om voor 1 februari 2018 de zogenaamde aanvullende gegevens landbouwbedrijven 2017 (hierna: AGL2017) door te geven aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Een onderdeel van deze opgave is de voorraad dierlijke mest per 31 december 2017. Het belang van deze opgave mag niet worden onderschat. RVO stelt grote waarde te hechten aan de opgave van een ondernemer en daar zonder zeer concrete motivatie ook niet meer van af te wijken.

De basis voor de voorraadbepaling wordt gevonden in artikel 68, lid 3 van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna Urm) waarin wordt gesteld:  ’De op een bedrijf waar dierlijke meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde gewicht van de dierlijke meststoffen en het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen’.

De opdracht voor 31 december is daarmee duidelijk: bepaal zo nauwkeurig mogelijk het gewicht van de aanwezige mest en zo nauwkeurig mogelijk de gehalten in die mest. Nu is het bepalen van de mesthoeveelheid wellicht niet eens het allergrootste probleem. Die kan worden vastgesteld op basis van een puttenplan, waarbij per opslag wordt bepaald hoeveel mest er aanwezig is. Simpelweg: lengte X breedte X hoogte.

De gehalten van een mestcode of een mestopslag zijn echter minder eenvoudig te bepalen. De Urm stelt hier echter wel het een en ander over en de praktijk leert dat RVO daar aansluiting bij zoekt. De Urm stelt in artikel 94, 2e lid: het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen  wordt bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.

Bijvoorbeeld bij het scheiden van mest kunnen de gehalten van de voorraad afwijken de ‘best beschikbare gehalten’

Het begrip ‘best beschikbare gegevens’ wordt in de memorie van toelichting behorende bij dit artikel nader toegelicht: ‘De best beschikbare gegevens zouden verkregen worden door de gehele voorraad te bemonsteren en analyseren op dezelfde manier als bij aan- en afvoer van de mest zou plaatsvinden. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gebruik gemaakt worden van berekening van het gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalte aan de hand van de stikstof-, en fosfaatgehalten die eerder bepaald zijn aan de hand van bemonstering en analyse van de in het desbetreffende jaar van het bedrijf afgevoerde hoeveelheden dierlijke meststoffen. Als laatste zou, indien geen afvoer heeft plaatsgevonden, gebruik gemaakt kunnen worden van het bij de desbetreffende diersoort en diercategorie behorende forfaitaire stikstof-, onderscheidenlijk fosfaatgehalte.’

In de toelichting van RVO hieromtrent wordt het als volgt gesteld:  ‘Voor het bepalen van het fosfaatgehalte en het stikstofgehalte maakt u gebruik van de best beschikbare gegevens:

  • Analyseresultaten mestvoorraad. Heeft u de hele mestvoorraad (dierlijke mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan) bemonsterd en heeft u hier analyseresultaten van? Dan gebruikt u deze gegevens.
  • Analyseresultaten afgevoerde mest. Heeft u geen analyseresultaten van uw mestvoorraad, maar wel van de mest dat u in het afgelopen jaar van uw bedrijf heeft afgevoerd? Dan maakt u gebruik van de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten uit deze analyseresultaten. Het gaat hierbij om dierlijk mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan. Bij kunstmest staat het gehalte op de verpakking, op de begeleidende vrachtbrief of in de factuur.
  • Forfaitaire waarden. Heeft u geen analyseresultaten van de mestvoorraad en ook niet van de afgevoerde mest van het afgelopen jaar? Dan maakt kunt u gebruik maken van de forfaitaire gehalten.

Dit is eigenlijk een kopie van hetgeen in de Urm hierover staat gegeven. Het is echter niet het hele verhaal. In de memorie van toelichting Meststoffenwet TK 20114-1005, 29 930, nr 3. Paragraaf 3.6.2 onder d. (20 december 2004) wordt ook gesteld: …’wat betreft de samenstelling van de meststoffen zal in principe kunnen worden aangesloten bij de resultaten van de bemonstering en analyse die al plaatsvindt bij de aan- en afvoer van vrachten dierlijke en andere organische meststoffen, voor zover deze vrachten zijn te herleiden tot een specifieke opslag. Het is daarbij aan de agrariër om in specifieke situaties op basis van goed onderbouwde gegevens aannemelijk te maken dat en in hoeverre deze benaderingswijze niet voldoet voor de bepaling van het voorraadsaldo op zijn bedrijf.’ Er moet dus altijd op basis van de feitelijke omstandigheden worden beoordeeld of de gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest van de betreffende mestcode in het desbetreffende jaar, voldoet aan de definitie  ‘zo nauwkeurig mogelijke bepaling’ van de gehalten aan stikstof en fosfaat in de betreffende voorraad dierlijke mest. Er dient te worden uitgegaan van de gehalten in de afgevoerde mest, maar indien er redenen zijn waarom die niet zouden kwalificeren als ‘best beschikbare gehalten‘, is het een veehouder toegestaan om – op basis van bedrijfseigen gegevens – andere gehalten te gebruiken, mits dat kan worden onderbouwd dat die gehalten beter voldoen als ‘best beschikbare gehalten‘. Deze dienen dan wel voldoende onderbouwd, verifieerbaar en betrouwbaar te zijn om als bewijs te kunnen dienen.

Moraal van het verhaal: zoek bij de bepaling van de voorraad dierlijke mest in eerste instantie aansluiting bij de methode die volgt uit de Urm en wordt aangegeven door RVO. Concreet: is er mest van een mestcode afgevoerd in 2017: het gemiddelde gehalte van de afvoer in 2017. Is er geen mest afgevoerd: gebruik dan de forfaitaire gehalten. In sommige gevallen zal deze methode echter niet voldoen. Bijvoorbeeld wanneer de afgevoerde mest sterk afwijkt van de geproduceerde mest of de aanwezige mest. Wie dan opteert voor andere gehalten dan de gehalten die volgen uit de afgevoerde mest, doet er goed aan die gehalten zo goed en specifiek mogelijk te onderbouwen op basis van gemeten en/of berekende bedrijfseigen gegevens.

NVWA: controle op vanggewassen via satellietdata

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) maakt bekend dat men dit jaar voor het eerst gebruik zal maken van satellietdata bij de controles op de teelt van een vanggewas. Het gebruik van satellietdata is al bekend uit de zogenaamde teledetectiecontroles die RVO uitvoert naar de gegevens omtrent de landbouwkundig beteelde oppervlakte van de bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen.

Het gebruik van satelietbeelden en -informatie bij toezicht en handhaving is al bekend bij de zogenaamde teledetectiecontroles

Met behulp van de satellietdata kunnen de toezichthouders van de NVWA zien of op de percelen waarop dit verplicht is of waarvoor dit is opgegeven bij de Gecombineerde Opgave ook daadwerkelijk een vanggewas wordt geteeld. De NVWA geeft aan dat deze nieuwe werkwijze er voor zal zorgen dat men meer percelen, gerichter kan controleren.

Bij percelen op zand- en lössgrond waarop maïs is geteeld is het verplicht  om direct na de maisoogst een vanggewas in te zaaien. De inspecties op de teelt van een vanggewas na de teelt van maïs bestaan uit zichtcontroles waarbij vastgesteld wordt of op percelen waar maïs geoogst is het gewenste vanggewas geteeld wordt en dit vanggewas voldoende lang op het perceel staat.

Maar ook na de teelt van andere gewassen kan  een vanggewas worden geteeld bijvoorbeeld om daarmee invulling te geven aan de zogenaamde vergroening (Ecologische Aandachtsgebieden) in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB).  De satellietdata zullen  ook worden gebruikt om te controleren of op dergelijke percelen gedurende 10 weken een vanggewas wordt geteeld. En of er, voordat de 10 weken verstreken zijn, geploegd is of een andere grondbewerking heeft plaatsgevonden.

Belangrijk om nog eens te stellen is dat het voldoen aan alle voorwaarden van het GLB vervolgens weer een voorwaarde om gebruik te kunnen maken van derogatie. Hier grijpen het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) en de Meststoffenwet dan weer in elkaar.

Een extra paar ogen erbij dus die controleren of een vanggewas tijdig wordt ingezaaid en lang genoeg ongestoord op het perceel staat. Wanneer tijdens een inspectie blijkt dat niet aan de wettelijke verplichting wordt voldaan kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Daarnaast beslist de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) over het korten van de subsidie en/of het vervallen van de derogatie.

Onafhankelijk monsternemer bij afvoer dikke fractie

Op 17 december 2016 is een wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vastgesteld en gepubliceerd (Stcrt. 2016, 69127). Deze wijziging heeft betrekking op de introductie van een extra voorwaarde  bij de afvoer van vaste mest (dikke fractie) na mestscheiding. Deze voorwaarde is dat deze moet worden bemonsterd door een onafhankelijke monsternemer. De staatsecretaris heeft nu aangegeven dat de wijziging van kracht wordt met ingang van 1 oktober 2017.

bij de afvoer van dikke fractie na het scheiden van varkens- en of rundveemest is vanaf 1 oktober 2017 onafhankelijke monstername verplicht…


Achtergrond

Vaste mest  (dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn), wordt in de huidige situatie handmatig bemonsterd door de vervoerder. Hoewel is voorschreven dat de vervoerder een representatief monster moet nemen, worden met enige regelmaat hoge gehalten geregistreerd. Om te voorkomen dat dergelijke ‘uitbijters’ kunnen worden toegeschreven aan de veehouder die de mest afvoert, wordt de onafhankelijke bemonstering geïntroduceerd. De inzet van de onafhankelijke monsternemer is vooralsnog alleen van toepassing  op de afvoer van dikke fractie. Dikke fractie is gedefinieerd als vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 (gescheiden rundveemest) of 43 (gescheiden varkensmest) of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen.

Voor de afvoer van dikke fractie geldt dat het feitelijk nemen van het monster niet meer door de vervoerder zal gebeuren, maar door een daarvoor geaccrediteerde en erkende organisatie. Accreditatie wordt verleend door de Raad voor Accreditatie op basis van een nieuw accreditatieprogramma (AP06) die wordt opgenomen onder bijlage Ea van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Om een erkenning te verkrijgen dienen de organisaties onder andere geaccrediteerd te zijn volgens ISO 17020 voor een type A instelling en ISO 17025.

Als extra stok achter de deur zijn applicaties ontwikkeld voor het uitwisselen van gegevens tussen de onafhankelijke monsternemers en de toezichthoudende instanties zoals RVO.nl en de NVWA. Bedrijven kunnen straks hun gegevens automatisch doorsturen via een webserver of kiezen voor handmatige aanmelding op een webformulier. Bovendien wordt bij de melding over de voorgenomen monstername wordt door de onafhankelijke monsternemende organisatie een identificatienummer van de monsternemende persoon doorgegeven. Dit ter controle van de monsternemende persoon.

 

Hoe gaat het werken?

Het proces van afvoeren van dikke fractie zal in grote lijnen hetzelfde blijven. Alleen mag het monster niet meer worden genomen door de vervoerder, maar moet het worden genomen door een onafhankelijke monsternemer.

Bij bemonstering van dikke fractie, is vrachtbemonstering het uitgangspunt. Onder bepaalde voorwaarden is partijbemonstering toegestaan. In dat geval mag een partij in één keer worden bemonsterd. Partijbemonstering is mogelijk als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.

  • er sprake is van niet meer dan één partij vaste mest op de bedrijfslocatie aanwezig,
  • de omvang van een partij bedraagt maximaal 200 m3
  • de afvoer van de gehele partij vindt plaats binnen één dag,
  • de partij niet wijzigt van samenstelling of word geheel of gedeeltelijk verplaatst op de bedrijfslocatie tussen het moment van bemonstering en het moment van afvoer.

Om misverstanden te voorkomen is expliciet bepaald dat wanneer op een bedrijfslocatie meerdere hopen vaste mest aanwezig zijn, partijbemonstering niet is toegestaan. Deze voorwaarde vloeit voort uit de wens om de mogelijkheden tot manipulatie dan wel verwisseling of vermenging zo klein mogelijk te maken.

Lees hier de oorspronkelijke publicatie in de Staatscourant en hier de wijzigingen daarop

Handreiking BEX: van melkkoeien naar melkvee

Een melkveehouder die van mening is dat op zijn bedrijf de productie van stikstof en fosfaat in dierlijke mest lager is dan de forfaits in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, kan  gemotiveerd van deze forfaits afwijken:  de zogenaamde ‘vrije bewijsleer’. Voorwaarde is wel dat deze afwijking overtuigend kan worden onderbouwd en gemotiveerd. Een voorbeeld van een  dergelijk motivering is de ‘handreiking bedrijfsspecifieke excretie melkvee’ (kortweg: Handreiking BEX). Deze Handreiking kan worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze aan de hand waarvan melkveebedrijven af  kunnen wijken van de excretieforfaits.

20170622 - foto liggende koe

Melkveebedrijven kunnen gemotiveerd afwijken van de excretieforfaits (foto: Mark Bosch)

Daarbij is het uiteraard wel van belang dat de voorwaarden en verplichtingen die samenhangen met deze  rekensystematiek worden gevolgd. Deze voorwaarden en verplichtingen zijn vastgelegd in de zogenaamde Handreiking BEX.  In de Handreiking staan de gegevens die nodig zijn om de berekening correct uit te kunnen voeren, de manier waarop de benodigde gegevens dienen te worden vastgesteld en de rekenmethode die daarbij dient te worden gevolgd.  Op 20 maart 2017 is de meest recente versie van de Handreiking BEX verschenen. Deze versie geldt voor de melkveebedrijven die in 2017 gebruik willen maken van de BEX-systematiek.

Een opvallende wijziging ten opzichte van de vorige versie is dat de zin: ‘de Handreiking is ontwikkeld voor bedrijven met overwegend melkkoeien.’ (versie van 28 december 2016) is vervangen door de zin: ‘de Handreiking is ontwikkeld voor bedrijven met overwegend melkvee.’ (versie van 20 maart 2017). Van melkkoeien naar melkvee dus. Wat zijn de gevolgen daarvan?

De term melkvee wordt artikel 1, kk, van de Msw als volgt gedefinieerd:

1°. melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

2°. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleeshouderij tot 1 jaar en

3°. jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren;

20170622 - foto uier

Ín de meest recente versie van de Handreiking BEX is de omschrijving ‘melkkoeien’ is vervangen door ‘melkvee’ (foto: Mark Bosch)

Kortom de diercategorieën 100, 101 en 102 uit bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm); Voor overige graasdieren alleen kan met deze Handreiking geen bedrijfsspecifieke excretie worden berekend;  daarvoor is ook geen andere ‘vooraf goedgekeurde methode’ om in het kader van de ‘vrije  bewijsleer’ af te wijken van de excretieforfaits. Maar hoe zit het dan met bedrijven die een deel melkvee en een deel overige graasdieren hebben? Wat is immers overwegend: 51% van de dieren moeten koeien zijn of 51% van de GVE’s, moeten melkkoeien zijn?

In de aanpassing is van de Handreiking BEX is dit nu meer concreet gemaakt in die zin dat in de nieuwste versie van de Handreiking wordt gesteld dat de forfaitaire fosfaatexcretie van het melkvee minimaal 75% van de totale forfaitaire fosfaatexcretie van het melkvee plus de overige graasdieren op het bedrijf moet bedragen. Deze voorwaarde geldt overigens niet als voor de diercategorieën melkvee de voerstromen (dus ook de voeropslagen) administratief en aantoonbaar gescheiden zijn van die voor de andere categorieën graasdieren op het bedrijf

Deze wijziging lost tenminste voor de toekomst enige onduidelijkheid op. Of dit ook het geval is voor het verleden valt nog te bezien. In de praktijk zijn in het recente verleden een aantal BEX-berekeningen afgekeurd  vanwege het feit dat de bedrijven niet zouden voldoen aan het criterium ‘overwegend melkkoeien’.  Bijvoorbeeld bedrijven met veel jongvee. Wel melkvee, maar geen melkkoeien.

Omdat de term ‘melkkoeien’  in de meest recente versie van de Handreiking is vervangen door de term ‘melkvee’, lijkt de motivering  van de NVWA om op dat punt BEX berekeningen niet goed te keuren, in de toekomst niet langer houdbaar. Of het standpunt wel houdbaar blijft met betrekking tot afgekeurde BEX-berekeningen in het verleden valt nog te bezien. Herhaaldelijk is door RVO aangegeven dat ‘er geen officiële grens is met betrekking tot het aandeel melkkoeien op het bedrijf omtrent wanneer de BEX toegepast kan worden’. Desondanks zijn er wel BEX-berekeningen afgekeurd om juist die reden. De onduidelijkheid omtrent het verleden duurt daarmee nog voort.

Met betrekking tot de toekomst is met de komst van de nieuwe versie van de handreiking echter wel duidelijk dat tenminste 75% van de forfaitaire excretie van de mestproductie van graasdieren op een melkveebedrijf  dat deelneemt aan BEX, zonder gescheiden voerstromen, afkomstig moet zijn van melkvee.  Daarbij wordt niet langer gekeken naar het onderscheid tussen melkvee en jongvee.

Lees hier de versie van de handleiding van 20 maart 2017

Openstelling regeling fosfaatreductie varkenshouderij 2017

Vanaf maandag 29 mei 2017 zal, gedurende een periode van 4 weken, de Regeling fosfaatreductie varkenshouderij 2017 worden opengesteld. De regeling is bedoeld om de varkenshouderij, in 2017, te stimuleren een inspanning te verrichten om 1 miljoen kg fosfaat minder via mengvoeders aan te voeren en daarmee een bijdrage te leveren aan  het maatregelenpakket dat tot doel heeft de fosfaatproductie in Nederland voor het eind van 2017 terug te brengen tot het zogenaamde fosfaatplafond. Voor het bereiken van de doelstelling van is maximaal bijna 4 miljoen euro beschikbaar, bij een lagere reductie zal het budget naar rato worden uitgekeerd.

Bedrijven die aan de regeling deelnemen  ontvangen een financiële tegemoetkoming voor de vrijwillige inkoop van fosfor-armere mengvoeders. Voorwaarde is dat inzichtelijk gemaakt wordt om welke hoeveelheid fosfaatinkoop middels mengvoeders het gaat. De tegemoetkoming wordt verleend voor het aantal kilogrammen fosfaat waarmee de inkoop in 2017 verminderd is (wordt) per gemiddeld aantal varkens (vleesvarkens en/of zeugen) in de periode 1 januari 2017 t/m 31 december 2017, ten opzichte van hetzelfde gemiddelde aantal varkens in dezelfde periode in 2016. Als bewijslast hiervoor dienen de veestaat, veesaldokaarten en voerjaaroverzichten van beide jaren (2016 en 2017) te worden overlegd.

Varkenshouders kunnen zich voor de regeling aanmelden in de periode 29 mei tot en met 26 juni 2017 via een daarvoor speciaal ingerichte webpagina.

Bij de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming is rekening gehouden met gemiddelde meerkosten die varkenshouders hebben bij aankoop van mengvoeders in een fosforarmer segment. Fosforarmere mengvoeders zijn over het algemeen duurder vanwege het beperktere aanbod van grondstoffen. Op basis van een inschatting van nutritionisten is de voorziene tegemoetkoming toereikend om eventuele meerkosten voor duurdere mengvoeders te dekken. Varkenshouders kunnen deze tegemoetkoming aanvragen tot een maximum fosfaatreductie  van 15% ten opzichte van 2016.

De afrekening met de varkenshouder vindt plaats na afloop van het kalenderjaar 2017. De gegevens die diervoederbedrijven leveren uit hoofde van artikel 45, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gebruiken om te beoordelen of aan de krachtens deze regeling gestelde voorschriften is voldaan. Artikel 52 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet bepaalt dat bedrijven die diervoeder leveren aan een bedrijf, jaarlijks voor 1 februari gegevens over de leveranties kenbaar maken. Deze gegevens zien onder meer op de hoeveelheid mengvoeder voor varkens die geleverd is. Dit wordt vervolgens gerelateerd aan het gemiddeld aantal aanwezige varkens in de respectievelijke jaren.

De hoogte van de tegemoetkoming wordt toegekend op basis van de gerealiseerde besparing in fosfaataanvoer en het niveau van bruto fosfor in het mengvoeder op het bedrijf in 2016. Een varkenshouder die zijn varkens al mengvoeder voert met minder bruto fosfor (minder dan 4,6 g/kg bij vleesvarkens en minder dan 4,9 g/kg bij zeugen) krijgt een hogere vergoeding per kg reductie. Achterliggende gedachten daarbij is dat een varkenshouder met mengvoeder met een hoog bruto fosfor gehalte (4,6 g/kg of meer resp. 4,9 g/kg of meer), makkelijker kan reduceren dan een bedrijf dat al sterk stuurt op bruto fosfor. De tegemoetkoming is daarmee als volgt:

20170524 tabel regeling fosfaatreductie

Lees hier de volledige regeling

Lees hier een aantal vragen en antwoorden mbt de regeling

Klik hier om naar de aanmeldpagina te gaan

‘Overdreven’ registreren bij mestscheiding loont!

Al eerder is op deze site aandacht besteed aan de extra administratie die verplicht is bij bedrijven die mest scheiden. Het scheiden van drijfmest is een relatief eenvoudige  en vaak toegepaste bewerking om met een beperkt volume, relatief veel fosfaat af te zetten en daarmee te voldoen aan de mestverwerkingsplicht. De mest wordt gescheiden in een dunne en een dikke fractie. De dikke (vaste) fosfaatrijke fractie wordt afgevoerd van het bedrijf en geëxporteerd.

20170424 mestscheiding

Bij mestscheiding is ook extra administratie geboden

Wat niet gebeurd of wellicht niet bekend is dat bij het scheiden van mest dit ook in de mestadministratie dient te worden geregistreerd. Deze verplichting vindt zijn grondslag in artikel 33 lid 3 van de Meststoffenwet. In dit artikel wordt gesteld dat:
Indien op een bedrijf dierlijke meststoffen worden behandeld, bevat de administratie tevens gegevens over:

  • a. de methode van behandeling;
  • b. de hoeveelheid behandelde dierlijke meststoffen;
  • c. de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen;
  • d. de hoeveelheid en de samenstelling van de eindproducten van de behandeling.

Op zich is de boete op het niet voldoen aan deze verplichting niet dramatisch hoog. Vaak wordt volstaan met een waarschuwing of wordt een boete van 300 euro opgelegd. Toch kunnen de gevolgen van het niet volledig voorradig hebben van een  administratie  met betrekking tot het scheiden van de mest meer ingrijpend zijn dan alleen dit bedrag: Klopt de balans tussen de aangevoerde mest en de som van de scheidingsproducten? Klopt de balans tussen de hoeveelheid fosfaat en stikstof die de scheider in gaat en die in de scheidingsproducten wordt teruggevonden. Met andere woorden kunnen de gehalten in de scheidingsproducten aannemelijk worden gemaakt uit de ingaande mest en de scheidingsrendementen. Is hierover niets of alleen de gehalten in de dikke fractie bekend, dan zal bij een controle door het bevoegde gezag zelf een berekening worden opgesteld en vaak valt die ongunstig uit voor de betrokken veehouder, waardoor de gegevens van met name de (afgevoerde) dikke fractie in twijfel worden getrokken.  Zeker bij hogere gehalten in de afgevoerde dikke fractie worden de gehalten en daarmee de afvoer van deze dikke fractie ter discussie gesteld of zelfs geschrapt. Denk daarbij niet dat dit alleen het geval is bij uitschieters. Ook bij gehalten onder de forfaitaire gehalten wil het wel eens voorkomen dat men de gehalten niet aannemelijk acht. Aan de veehouder dan de taak om dit te weerleggen: een langdurig, frustrerend en moeizaam proces.

Ook een eenvoudig schema van de meststromen bij scheiding kan nuttig zijn.

Ook een eenvoudig schema van de meststromen bij scheiding kan nuttig zijn.

Daarom is het advies van mestboete.nl om naast de wettelijke verplichte administratie ook aanvullend enige gegevens te verzamelen: Een en ander onder het motto dat hoe meer gegevens worden verzameld en hoe beter en hoe meer overtuigend de correcte uitvoering van de mestscheiding kan worden onderbouwd,  hoe beter.  In de administratie zouden met betrekking tot mestscheiding dan ook tenminste de volgende gegevens moeten zijn opgenomen:

  • Het type en model en de capaciteit van de mestscheider (eventueel te onderbouwen met een factuur bij inhuur van de scheider, inclusief betalingsbewijs);
  • De datum van scheiding, het gedraaide aantal uren van de mestscheider en de ingeschatte hoeveelheid ingaande drijfmest;
  • De ingeschatte hoeveelheid en de berekende samenstelling van de dunne en dikke fractie. Hierbij kan de samenstelling van de dunne fractie worden berekend uit de gegevens van de dikke fractie en de totale ingaande drijfmest. De dunne fractie kan uiteraard ook worden bemonsterd. Op deze manier weet u exact wat er in de dunne fractie zit. Dit is echter geen wettelijke verplichting en vaak zorgt berekening van de gehalten voor een betere aansluiting en een logischere balans. Bovendien geeft het extra zekerheid.
  • Leg op een schetsje of tekening vast vanuit welke opslag de drijfmest kwam en in welke opslag de dunne fractie is teruggebracht of opgeslagen.
  • In het geval van afvoer van dikke fractie: bewaar (indien van toepassing) nota’s van het laden van de dikke fractie of geef aan hoe en door wie dit is uitgevoerd.

Maak desnoods foto’s van het mestscheiden als ondersteunende stukken  en bewaar het geheel in uw administratie. Het lijkt wellicht wat overdreven, maar het is geen uitzondering dat zonder een degelijke onderbouwing de afvoer van dikke fractie met gehalten die liggen onder de forfaitaire waarden worden afgekeurd, met alle gevolgen van dien.  In dat kader geldt: overdreven registreren is nog altijd beter dan procederen.