Over het verbod van reformatio in peius

Het verbod van reformatio in peius is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kortweg houdt het verbod in dat het instellen van bezwaar er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de procedure gebruikt om een verslechtering van de positie van appellant te bereiken die zonder deze procedure niet mogelijk zou zijn. Het betekent dus bijvoorbeeld dat wie bezwaar maakt tegen een bestuurlijke boete niet naar aanleiding van hetgeen blijkt uit deze procedure een hogere boete krijgt opgelegd. Op het verbod is echter ook een uitzondering: wanneer een bestuursorgaan dat over het bezwaar oordeelt tevens bevoegd is tot het wijziging of intrekken van een beschikking is het verbod niet van toepassing.

Hierdoor kan in dergelijke situaties het instellen van bezwaar of beroep toch resulteren in een slechtere positie. Zoals blijkt uit een zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak deed.

Appellante exploiteert een melkveehouderij. In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 19.103 kg. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Als bezwaar is aangevoerd dat verweerder ten onrechte twee melkkoeien, die wel in de rundveestaat waren opgenomen, niet in de berekening heeft betrokken. Voorts stelt appellante in het bezwaar dat verweerder ten onrechte zes nog andere bij appellante op de peildatum aanwezige koeien als zoogkoe (categorie 120 van bijlage D) heeft aangemerkt en niet als melkkoe.

In de beslissing op het bezwaar heeft verweerder erkend ten onrechte de twee melkkoeien niet in de berekening te hebben betrokken. Het bezwaar aangaande de zes dieren geregistreerd onder categorie 120 wordt niet toegekend. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante daarop vastgesteld op 19.473 kg. Appellante heeft daarop beroep ingesteld.

Hangende het beroep heeft verweerder echter een nieuw besluit op bezwaar genomen. Verweerder is alsnog volledig tegemoet gekomen aan hetgeen door appellante in bezwaar is gesteld. Hij heeft in het vervangingsbesluit op basis van de door appellante in bezwaar overgelegde stukken ook de zes koeien die in de eerdere besluitvorming als zoogkoe zijn aangemerkt als melkkoe aangemerkt.

De toekenning van fosfaatrechten aan deze zes koeien heeft echter ook invloed op de gemiddelde melkproductie per melkkoe die daardoor lager uitkomt. Als gevolg daarvan valt het excretieforfait per dier in een lagere klasse en komt het toe te kennen fosfaatrecht uit op een lager aantal ten opzichte van de eerdere beslissing, namelijk op 19.374 kg. Appellante is daarmee – door het instellen van beroep – slechter af en betoogt dat dit in strijd is met het verbod op reformatio in peius.

Het College oordeelt echter  in deze situatie dat de verlaging van het fosfaatrecht van appellante in rechtens aanvaardbaar is. Het betreft een beschikking en zolang het besluit nog niet onherroepelijk is, mocht appellante er niet op vertrouwen dat het haar toegekende fosfaatrecht niet zou worden verlaagd op het moment dat verweerder hetgeen in bezwaar was ingediend opnieuw zou beoordelen. Dat verweerder in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan in bezwaar doet daar, volgens het College, niet aan af.

Deze uitspraak laat zien dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet in alle gevallen volledig risicoloos is en in sommige situaties toch ten nadele van appellante kan worden gewijzigd. Desondanks biedt het verbod, vooral bij bestuurlijke boetes een garantie die de vrees voor een verslechtering in de situatie vanwege de procedure weg neemt.

Lees hier de volledige uitspraak

Hoe verder met mestboetes van voor 18 december 2018?

Zoals al eerder op deze site gemeld heeft het  College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) 18 december 2018 een drietal uitspraken gedaan die verregaande gevolgen (kunnen) hebben voor lopende procedures waarbij mestboetes zijn aangekondigd of al zijn opgelegd. Een kort overzicht over achtergrond en de gevolgen van deze uitspraken:

 

Handhavingsmarges
Wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd of het voornemen daartoe wordt aangekondigd bevat deze een berekening waaruit blijkt hoe men tot het boetebedrag is gekomen. In deze berekening worden bepaalde posten bijgesteld in het voordeel van betrokkene. Deze bijstellingen worden tolerantie-, zekerheids- of handhavingsmarges genoemd. Kort door de bocht kunnen ze worden vergeleken met de correctie die wordt doorgevoerd bij een snelheidsovertreding: de gemeten snelheid bedroeg 57 km per uur, gecorrigeerd wordt met 3 km per uur daarmee wordt een boete opgelegd voor een snelheid van 54 km per uur.

Bij mestboetes worden correcties doorgevoerd bij posten waarbij sprake kan zijn van enige onnauwkeurigheid door de wijze waarop ze zijn bepaald (vaak op basis van metingen of forfaits). Denk daarbij bijvoorbeeld aan posten als afvoer dierlijke mest, aanvoer kunstmest, aanvoer voedermiddelen of afvoer van dieren. Echter op basis van welke grondslagen die correcties tot stand komen werd daarbij niet bekend gemaakt. Men volstond met een korte tekst (onder het toelichtend rapport bij de boeteberekening): ‘Bij bepaalde posten heb ik de gegevens in uw voordeel bijgesteld. Dit betreffen de posten waar ik redelijkerwijs niet van u kan verwachten dat u de gebruikte gegevens kunt weerleggen. Voor de grootte van de bijstelling is de wetenschappelijk onderzochte standaardafwijking genomen die zou kunnen optreden. Vandaar dat u in de berekening gegevens zult tegenkomen die uiteindelijk in uw voordeel afwijken ten opzichte van de gegevens in uw eigen administratie.

Men hield de achtergrond en de omvang van de marges ‘geheim’ om daarmee anticiperend gedrag te voorkomen. In lijn met het eerdere voorbeeld: om te voorkomen dat iedereen 53 km per uur gaat rijden omdat dat binnen de toegestane marge is.

 

De uitspraken
Op 18 december 2018 deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak in een drietal zaken (ECLI:NL:CBB:2018:654, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:652). In deze uitspraken oordeelde het College dat wanneer een voornemen bestaat tot het opleggen van een boete voor overtreding van een artikel in de Meststoffenwet waarbij de bepaling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in mest een rol speelt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een beboetbare overtreding en wat de omvang daarvan is, de vermeende overtreder reeds op het moment van het voornemen op de hoogte moet worden gesteld van de inhoud van de tolerantie-, zekerheids- of handhavingsmarges die bij de toepassing van het betreffende artikel in de Meststoffenwet worden gehanteerd. Gebeurt dat niet, dan kan geen boete worden opgelegd en kan een reeds opgelegde boete niet in stand blijven.

De wijze waarop RVO omging met de handhavingsmarges voldeed daar dus niet aan. Pas op 15 juni 2018 heeft RVO een aantal van deze marges bekend gemaakt en op 28 december 2018 zijn de marges in haar volledigheid gepubliceerd op de site van RVO.

Het College is in de genoemde uitspraken van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Tenslotte stelt het College dat het overwogene daarmee ook geldt indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van haar uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na die uitspraak voert. De uitspraak van het College zegt daarmee niets over de gehanteerde marges zelf, maar uitsluitend op het feit dat ze niet bekend gemaakt zijn.

Een verregaande uitspraak dus, die naast voor de drie betrokken procedures gevolgen kan hebben voor een groot aantal procedures die in behandeling zijn. Daarbij dient in eerste instantie een onderscheid te worden gemaakt in procedures waar al een boete is opgelegde (boetebesluit genomen) en waar dat nog niet het geval is, maar al wel een voornemen tot het opleggen van een boete is verzonden (voornemen toegezonden).

Boetebesluit genomen (procedures in bezwaar, beroep of hoger beroep)
De vraag is hoe nu verder in een procedure waar het besluit tot het opleggen van een boete dateert van voor 18 december 2018? RVO geeft in eerste instantie niet direct uitsluitsel of de uitspraken consequenties hebben voor een individuele zaak. Men geeft aan zich te beraden. Daarnaast geeft men aan dat men per afzonderlijke procedure zal beoordelen of en welke gevolgen de uitspraken van het College hebben voor de betreffende procedure. RVO geeft tenslotte aan dit de komende weken te zullen beoordelen en op basis daarvan al dan niet het besluit tot het opleggen van een boete te zullen herroepen. Dergelijke herroepingen worden inmiddels al wel gedaan met een duidelijke verwijzing naar de uitspraken van 18 december 2018. De herroepingen komen afzonderlijk door: het besluit wordt herroepen, de boete komt te vervallen, een eventueel doorgevoerde korting op de betalingsrechten wordt teruggedraaid eventueel (teveel) betaalde boete wordt terugbetaald. Het is inmiddels ook duidelijk dat, volgens RVO, de uitspraken niet alle procedures zal betekenen dat het besluit wordt herroepen. Wanneer de berekening van het feit of aan een gebruiksnorm is voldaan niet wordt geraakt door de handhavingsmarges (bijvoorbeeld: geen afvoer van (bemonsterde) dierlijke mest, geen aanvoer van kunstmest, geen aanvoer van voedermiddelen in de berekening opgenomen) handhaaft RVO dat deel van haar boetebesluit. Zoals gezegd zal dit per zaak of procedure door RVO worden beoordeeld. Daarbij is het de vraag in hoeverre deze werkwijze zich verhoudt tot de uitspraken van het College.

 

Voornemen tot opleggen boete (zienswijze procedure loopt)
In zaken die nog in de fase van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete verkeerden op 18 december 2018 en waar eventueel al een zienswijze is ingediend heeft RVO betrokkenen een schrijven toegestuurd waarin wordt verwezen naar de uitspraken van het College. RVO stelt in haar schrijven: ‘De uitspraak geeft aanleiding kritisch naar het uitvoeringsproces te kijken. Hierdoor loopt de behandeling van uw zaak vertraging op en duurt het langer voordat we u van het vervolg op de hoogte kunnen stellen. Helaas kunnen we op dit moment nog niet aangeven hoe lang de vertraging zal duren’. Ook  voor dergelijke procedures is het dus nog even afwachten wat de gevolgen van de uitspraken van 18 december 2018 zullen zijn. Inmiddels heeft RVO in een aantal zaken het oorspronkelijke voornemen ingetrokken en een nieuw voornemen toegezonden. Ook hier is de vraag hoe deze werkwijze van RVO zich verhoudt tot de uitspraken van 18 december 2018 en de AWB.

 

Afgeronde procedures

Is de bezwaar-, beroeps- of (hoger)beroepsprocedure tegen een boetebesluit afgerond of is de procedure gaandeweg het traject gestaakt, dan bestaat de mogelijkheid dat betrokkene, de minister verzoekt terug te komen op het boetebesluit onder verwijzing naar artikel 4:6 eerste lid van Awb. In een dergelijk verzoek moet worden gemotiveerd op basis van welke  nieuwe feiten en omstandigheden,  een wijziging van het recht na het boetebesluit, die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd, dit gerechtvaardigd zou zijn.  Een dergelijke omstandigheid wordt een novum genoemd. Hier dient direct bij te worden aangetekend dat het College in beginsel een rechterlijke uitspraak geen novum vindt.  In bijzondere gevallen wordt een uitzondering daarop gemaakt. Het is vooralsnog niet duidelijk of de uitspraken van het College van 18 december 2018 worden gezien als een dergelijke uitzondering. Wellicht dus een kleine mogelijkheid.

 

Al met al: wordt vervolgd!

 

 

 

 

RVO publiceert correcties voor gewogen en bemonsterde metingen

In een vorig bericht kwam al aan de orde dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) in een drietal uitspraken heeft aangegeven dat, in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie veehouders voldoende kans dienen te krijgen om zich tegen een aan zijn of haar mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelde het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

Eerder publiceerde RVO al een aantal van deze marges. Onlangs heeft men de overige marges en correctiefactoren gepubliceerd. Deze marges en correcties gelden voor de posten in de mestboekhouding waarbij sprake is een weging en/of een bemonstering. RVO past voor deze post een correctie in het voordeel van de betrokkene toe. Met andere woorden men houdt rekening met een onnauwkeurigheidsmarge. Dergelijke marges of correcties worden voor de volgende posten gehanteerd:

  • Aan- en afvoer dierlijke mest die gewogen en bemonsterd is.
  • Aan- en afvoer van kunstmest.
  • Aan- en afvoer van overige organische meststoffen (bemonsterd).
  • Aan- en afvoer van staldieren op gewogen gewicht.
  • Aan- en afvoer en eigen productie van gewogen diervoer/ruwvoer.
  • Afgevoerde eieren.

Al bij de inwerkingtreding van het stelsel van gebruiksnormen in 2006, zijn de correcties voor deze posten vastgesteld, pas nu zijn ze gepubliceerd. Dit zijn geen vaste percentages want ze hangen af van het aantal vrachten dat op de verschillende posten is aan/afgevoerd. In het document Hoe gaat RVO.nl om met nauwkeurigheid van hoeveelheden en gehalten geeft RVO aan hoe wordt omgegaan met de nauwkeurigheid van de bovenstaande posten. In het document staan ook rekenvoorbeelden.

Voor de overige posten in de mineralenbalans worden geen correcties ingebracht. Voor deze posten is het wel mogelijk om tegenbewijs te leveren met vrije bewijsleer. In de tabel hieronder leest u wat de correcties per post zijn. Als u een (voorgenomen) boeteberekening krijgt, leest u in de toelichting welke correcties wij toepassen.

Een korte samenvatting van de correcties per post staat is in onderstaande Tabel gegeven:

Type post Soort Post Grootheid
N= stikstof
P205= fosfaat
Percentage
Dierlijke mest Aan- en afvoer N, vaste mest 0,15
Aan- en afvoer N, overige mest 0,10
Aan- en afvoer P205, alle mest 0,10
Kunstmest Aan- en afvoer N en P205 0,02
Overige organische meststoffen Aan- en afvoer N en P205 0,10
Staldieren Aan- en afvoer Gemeten diergewicht 0,001
Aan- en afvoer Dieraantal 0,03
Diervoer: krachtvoer Aan- en afvoer N en P205 0,05
Diervoer: ruwvoer Aan- en afvoer N en P205 0,10
Productie N en P205 0,05
Afvoer eieren Afvoer Gehalte 0,02
Afvoer Gemeten gewicht 0,001

 

Geheime marges niet toegestaan

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft op 18 december 2018 in een drietal hoger beroepen de boetes voor overtreding van de Meststoffenwet geschrapt.

Het College oordeelde in deze uitspraken dat het de veehouders aan een redelijke mogelijkheid ontbrak om zich te verweren tegen het feit dat hun mestboekhouding niet sluitend was of niet werd voldaan aan de gebruiksnormen en de conclusie van de minister dat zij de Meststoffenwet zouden hebben overtreden.

Veehouders moeten een mestboekhouding voeren, waarin zij productie, afvoer en opslag van mest verantwoorden. Als die boekhouding niet sluit of de gebruiksnormen worden overschreden dan vormt dat een aanwijzing voor het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht (artikel 14 van de Meststoffenwet) of overtreding van de gebruiksnormen (artikel 7 gezien in samenhang met artikel 8 van de Meststoffenwet), maar er kunnen ook andere oorzaken zijn voor de niet sluitende boekhouding.

Omdat stikstof kan vervluchtigen en fosfaat kan bezinken of meer fosfaat kan worden vastgelegd dan in de normen is aangenomen, is het nodig om de binnen de Meststoffenwet gebruikte cijfers te corrigeren of een onzekerheidsmarge te betrachten. Daarnaast kunnen allerlei onnauwkeurigheden en (meet-)fouten optreden. Denk daarbij aan de afvoer van dierlijke mest. De minister hanteert derhalve marges om te voorkomen dat voor een papieren overtreding (hoge) boetes worden opgelegd, terwijl er geen sprake is van een overtreding van de regels en voorwaarden van de Meststoffenwet.

In de drie genoemde procedures betwisten de beboete veehouders dat zij niet zouden hebben voldaan aan hun verantwoordingsplicht of meer mest zouden hebben uitgereden dan de gebruiksnormen toe zouden hebben gelaten. De zaken werden door het College aangehouden en het College vroeg advies hieromtrent aan raadsheer advocaat- generaal Wattel. Die bracht daarover op 22 mei 2018 advies uit.

In de uitspraken van 18 december 2018  volgt het College dit advies van Wattel. Dit betekent dat het College het boetesysteem op zichzelf in overeenstemming acht met de in internationale verdragen verankerde grondrechten. Daarnaast oordeelt het College dat een veehouder in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie wel voldoende kans dient te krijgen om zich tegen de aan zijn mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelt het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

De minister hield aanvankelijk sommige marges geheim, zoals een stikstofgatmarge en zekere handhavingsmarges, om calculerend en anticiperend gedrag door kwaadwillenden te voorkomen met andere woorden om te voorkomen dat veehouders hun gedrag daarop zouden kunnen afstemmen. Daarmee, zo oordeelt het College, kunnen de boetes de toets der kritiek niet doorstaan en dat is voor het Colleges reden om de opgelegde boetes te schrappen.

Het feit dat RVO op 15 juni 2018 een deel van de gehanteerde ‘geheime’ marges alsnog heeft gepubliceerd doet daar volgens het College niet aan af.

Het College is van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Het in de vorige zin overwogene geldt dus ook indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van deze uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na deze uitspraak voert. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige uitspraken:

ECLI:NL:CBB:2018:652
ECLI:NL:CBB:2018:653
ECLI:NL:CBB:2018:654

 

Bij twijfel over de gehalten in koek na mestscheiding moet eerst de afvoer aannemelijk kunnen worden gemaakt

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin de afvoer van twee vrachten koek na mestscheiding van het bedrijf van eiseres door verweerder was geschrapt.

Uit een onderzoek naar het bedrijf Hamefo Nederland BV (Hamefo), is gebleken dat dit bedrijf Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen (VDM’s) voor transporten van dierlijke mest opmaakte en registreerde, maar deze transporten in werkelijkheid niet zou hebben uitgevoerd. Het betrof veelal vrachten koek na mestscheiding die zouden zijn vervoerd naar Mestverwerking Fryslȃn BV (MVF). De analyses van deze vrachten vertoonden bovendien vaak opmerkelijk hoge stikstof- en fosfaatgehaltes.

Het vermoeden is dat ten tijde van een werkelijk mesttransport extra VDM’s werden ingevuld. Op deze VDM’s werd dan geen kenteken van het vervoermiddel ingevuld. De chauffeurs zouden extra AGR/GPS-koffers bij zich hebben gehad om de fictieve vrachten uniek te maken. Daarnaast zouden de chauffeurs valse weegbonnen hebben opgemaakt bij MVF.
Naar aanleiding van bovenvermeld onderzoek heeft verweerder gecontroleerd of eiseres in 2013 de wet- en regelgeving van het mestbeleid heeft nageleefd. Specifiek werd gekeken naar twee VDM’s die door Hamefo van het bedrijf zijn afgevoerd.

Uit VDM1 blijkt dat Hamefo op 19 december 2013 om 06.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 47,68 ton heeft geladen en op 20 december 2013 om 13.00 uur bij MVF heeft gelost. Op VDM1 is het kenteken van de truck waarmee het transport is uitgevoerd niet vermeld. Op de weegbon die achterop het VDM is afgedrukt, blijkt dat de vracht op 20 december 2013 om 13.12 uur bij MVF is gewogen.

Uit VDM2 blijkt dat Hamefo op 20 december 2013 om 05.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 39,66 ton heeft geladen. Uit het VDM blijkt dat de vracht die dag om 14.00 uur bij MVF is gelost. Op VDM2 is het kenteken van de truck waarmee het transport is gedaan niet vermeld. Volgens de weegbon is de vracht om 13.57 uur bij MVF gewogen.

Uit het onderzoek naar deze twee transporten blijkt dat de VDM’s -volgens ARG/GPS-gegevens- zijn ingelezen op 20 december 2013 om 5:52 uur respectievelijk 5:47 uur. Volgens deze gegevens zouden de transporten toen ook geladen en bemonsterd zijn. De vrachten zouden bij MVF zijn gelost om 13.02 uur respectievelijk 13.11 uur.

Uit gegevens van Data2Track blijkt dat op 20 december 2013 één truck, met kenteken BT-JB-86 type walking floor, om 5.48 uur bij het bedrijf van eiseres is geweest. Volgens deze gegevens is deze truck om 5.54 uur weer vertrokken en om 12.44 uur bij MVF aangekomen. De truck is daar weer vertrokken om 13.13 uur. De geregistreerde laad en losmeldingen van VDM1 en VDM2 corresponderen daarmee met de Data2Track gegevens van deze truck.

Uit deze gegevens heeft verweerder afgeleid dat de VDM’s valselijk zijn opgemaakt en de mest niet is afgevoerd en de betreffende VDM’s niet meegenomen als afvoer van mest, maar beschouwd als zijnde aangewend op de eigen grond. Dit resulteerde in een boete van (in totaal) € 31.804,50.

Eiseres blijft erbij dat op 19 en 20 december 2013 containercombinaties op zijn bedrijf zijn geweest om koek na mestscheiding op te halen en [A.] de containers zelf met een shovel heeft gevuld. De vrachten zijn afgevoerd, de vervoerskosten betaald en de VDM’s en analyserapporten ontvangen. Er zijn monsters genomen die door het laboratorium geanalyseerd zijn. Eiseres stelt geen invloed te hebben gehad op de monsters en kan niet anders dan van de analyses uitgaan. Eiseres blijft erbij dat de vrachten als afvoer in de berekening, van de hoeveelheid mest die zij in 2013 op haar land heeft gebruikt, had moeten worden meegenomen.

Eiseres heeft geen truck met ‘walking floor’ op haar terrein gezien. Zij stelt dat de truck mogelijk ter plaatse is geweest om de chauffeur met de containercombinatie de weg te wijzen of mestmonsters op te pikken en geeft aan dat Hamefo met meer trucks reed dan enkel de trucks die in Data2Track geregistreerd stonden.

Eiseres stelt ook geen invloed te hebben gehad op de Data2Track-gegevens. Als vast komt te staan dat deze gegevens niet overeenkomen met de gegevens op de VDM’s, kan dat volgens eiseres nog niet leiden tot de conclusie, dat de mest helemaal niet is afgevoerd.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat de mest in containers is geladen en vervoerd, zoals eiseres heeft verklaard, omdat containers niet kunnen worden vervoerd met een vrachtwagen met ‘walking floor’ en de mest, gelet op de hoeveelheid, niet binnen zes minuten -tussen aankomst en vertrek- kan zijn geladen. Verweerder neemt aan dat de truck van Hamefo met kenteken BT-JB-86 alleen bij het bedrijf van eiseres is geweest om via het ARG/GPS-systeem een laadmelding te doen. Ook de gehaltes in de gestelde afvoer worden niet aannemelijk geacht. Verweerder acht dat echter niet direct van belang, omdat de afvoer sowieso niet aannemelijk is. Verweerder rekent het eiseres ook aan geen administratie over de mestscheiding kon worden overlegd en eiseres niet weet hoe de mest gescheiden is.

De rechtbank overweegt dat gelet op vaste rechtspraak verweerder mag aannemen dat eiseres de aangevoerde en geproduceerde mest in of op de bodem heeft gebracht, tenzij eiseres aannemelijk maakt dat zij dat niet heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 19 en 20 december 2013 twee vrachten koek na mestscheiding door Hamefo heeft laten afvoeren.

verzamel nota’s, werkbonnen, fotomateriaal, (extra) analyses, etc om de mestscheiding en de afvoer daarvan aannemelijk te maken.

Uit Data2Track-gegevens blijkt dat op 20 december 2013 één truck van Hamefo, de truck met kenteken BT-JB-86 en ‘walking floor’, in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest. De truck is daar aangekomen om 5.48 uur en daar weer vertrokken om 5.54 uur. De truck is bij MVF aangekomen om 12.44 uur en daar weer vertrokken om 13.13 uur.

Uit de gegevens van Data2Track blijkt ook dat de andere geregistreerde vrachtwagens van Hamefo die dag niet in de buurt van het bedrijf van eiseres zijn geweest. Ter zitting is gebleken dat uit die gegevens verder blijkt dat op 19 december 2013 geen geregistreerde truck van Hamefo in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest.

De omstandigheid dat eiseres geen invloed heeft op de Data2Track-gegevens, zoals zij heeft gesteld, betekent niet dat verweerder niet van deze gegevens heeft mogen uitgaan en mede op grond van andere gegevens heeft kunnen concluderen, dat de gestelde afvoer van dikke fractie niet aannemelijk is.

De truck met kenteken BT-JB-86 kan de vrachten waarbij de VDM1 en VDM2 horen niet hebben vervoerd. Volgens VDM1 is de vracht van 47,68 ton geladen op 19 december 2013. Volgens de Data2Track-gegevens was de truck toen niet in de buurt van het bedrijf van eiseres. Volgens VDM2 is de vracht van 39,66 ton geladen om 05.00 uur en dus vóórdat de truck er was.

Volgens VDM2 is de vracht om 14.00 uur bij MVF aangekomen en dus lang nádat de truck daar weer is vertrokken. De vracht met VDM1 is volgens het VDM bij MVF gelost om 13.00 uur en dus binnen de aankomst- en vertrektijd van de truck bij MVF, maar zoals al gezegd, is deze vracht, volgens het VDM, niet op 20 december 2013 geladen en blijkt niet dat de truck op 19 december 2013 al bij het bedrijf van eiseres was.

Daarbij zijn partijen het erover eens dat een truck met ‘walking floor’ niet in zes minuten kan zijn beladen met de vrachten dikke fractie en betwist eiseres zelf dat de vrachten met een truck met ‘walking floor’ zijn vervoerd.

Van het feit dat andere trucks, en wel containercombinaties, die [A.] zelf zou hebben beladen, zoals eiseres heeft verklaard, de vrachten hebben vervoerd, is in het geheel niet gebleken. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat Hamefo ook transporten verzorgde met niet in Data2Track geregistreerde vrachtwagens, maar noch aannemelijk gemaakt dat dat in december 2013 het geval was, noch aannemelijk gemaakt dat de voormelde vrachten door niet geregistreerde vrachtwagens zijn vervoerd. Daarbij heeft MVF verklaard dat Hamefo in december 2013 alleen met de vier in Data2Track geregistreerde vrachtwagens reed en ziet de rechtbank geen grond aan die verklaringen te twijfelen.

Dat eiseres VDM’s heeft die bij de transporten horen, de weegbonnen van de weging van de mest bij MVF en de analyserapporten van de analyses van de mestmonsters, maakt de transporten (toch) nog niet aannemelijk. Genoegzaam is gebleken dat van de VDM’s en weegbonnen niet kan worden uitgegaan. Uit VDM1 blijkt dat de vracht is geladen op 19 december 2013, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht met dat VDM-nummer geladen is op 20 december 2013. Van een laadmelding op 19 december 2013 is niet gebleken. Uit VDM2 volgt dat de vracht is geladen om 5.00 uur, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht is geladen om 5.47 uur. Deze vracht is volgens het VDM gelost om 14.00 uur, terwijl het AGR/GPS-systeem 13.11 uur geregistreerd heeft. Daarbij zijn beide vrachten -volgens de weegbonnen- bij MVF gewogen nádat zij daar volgens de ARG/GPS-gegevens zijn gelost. De vracht met VDM1 zou zelfs zijn gewogen nadat ze volgens de VDM zou zijn gelost.

Dat er mestmonsters zijn genomen en geanalyseerd zijn zegt op zich niks over het transport van de mest. Hetgeen eiseres daarover heeft aangevoerd, kan dan ook verder buiten de beoordeling blijven. Hetgeen eiseres in verband met de mestmonsters, de analyses van de monsters en de mestscheiding heeft aangevoerd, kan immers niet alsnog tot de conclusie leiden dat de mest daadwerkelijk is afgevoerd.

Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren, heeft verweerder er van mogen uitgaan dat eiseres deze mest heeft aangewend.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat eiseres geen enkel verwijt van deze overtredingen kan worden gemaakt en eiseres het slachtoffer is geworden van malafide praktijken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verweerder op voldoende wijze gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres er alles aan gedaan heeft deze overtredingen te voorkomen. Verweerder heeft eiseres dan ook bestuurlijke boetes kunnen opleggen.

Procedures die betrekking hebben op de afvoer van dikke fractie handelen vaak over een verschil van inzicht in hoe de gehalten in de afgevoerde vrachten koek na mestscheiding dienen te worden geïnterpreteerd. In deze situatie deed deze situatie zich ook voor (verweerder achtte de gehalten onaannemelijk hoog), maar dit wordt verder niet direct van belang geacht, omdat verweerder het feit dat er mest is gescheiden en de koek na mestscheiding is afgevoerd sowieso niet aannemelijk acht.

De vraag kan met recht worden gesteld of eiseres in deze situatie de dupe is geworden van al dan niet bewuste praktijken van derden of daadwerkelijk zelf laakbaar heeft gehandeld. Verweerder en de rechtbank gaan uit van dit laatste of stellen dat eiseres tenminste daarvoor verantwoordelijk is.

Deze uitspraak geeft dan ook aan dat, voordat een discussie kan worden gevoerd over de aannemelijkheid van de gehalten, eerst de aannemelijkheid van de mestscheiding zelf, het laden van de koek na mestscheiding en de afvoer van deze koek na mestscheiding van het bedrijf vast dient te staan en moet kunnen worden onderbouwd.

Het advies ‘leg meer vast dan misschien zou moeten’ blijft dan ook als de spreekwoordelijke paal boven water staan. Zo kunnen nota’s, werkbonnen, maar ook foto’s van de scheider, het laden van de koek na mestscheiding, de vrachtwagens op het bedrijf een bijdrage leveren om het vermoeden van verweerder te ontkrachten en duidelijk te maken dat de betreffende vrachten wel zijn afgevoerd van het bedrijf.

Lees hier de volledige uitspraak

Fosfaatrechten van ingeschaarde dieren

Fosfaatrechten worden toegekend op basis van het aantal stuks melkvee dat op 2 juli 2015 op een bedrijf werd gehouden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het houderschap en niet de eigendomssituatie met betrekking tot dat melkvee doorslaggevend is. In het geval van in- en uitscharen van dieren worden de fosfaatrechten  daarmee toegekend aan de inschaarder. Vervolgens biedt de wet de mogelijkheid om indien een landbouwer voor 1 april 2018, had gemeld en aangetoond dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, het fosfaatrecht kon worden herverdeeld. Hierbij wordt het fosfaatrecht van de uitschaarder  verhoogd en het fosfaatrecht van de inschaarder, met diens instemming, verlaagd.  Maar wat wanneer de inschaarder zijn medewerking daar niet aan wenst te verlenen? In een dergelijke zaak deed de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland onlangs uitspraak.

[A] exploiteert een melkveehouderij, [C] exploiteert een veehouderij en veehandel. In 2015, 2016 en 2017 heeft [A] steeds in de periode 15 mei tot 15 oktober jongvee uitgeschaard bij [C]. De dieren stonden derhalve gedurende de periode 15 mei tot 15 oktober in het I&R systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) geregistreerd op het uniek bedrijfsnummer (UBN) van [C]. In de perioden voor en na het uitscharen verbleven de pinken op het bedrijf van [A] zelf. Het aantal pinken dat op voormelde wijze door [A] was uitgeschaard en door [C] was ingeschaard bedroeg in 2015 38 stuks. [A] heeft [C] gevraagd mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’ als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet. [C] heeft deze medewerking geweigerd.

Aan wie horen de fosfaatrechten van ingeschaarde dieren toe? Misschien toch niet zo duidelijk als het wel lijkt.

[A] vorderde in deze zaak vervolgens [C] bij vonnis te gelasten alsnog deze medewerking te verlenen. [A] heeft, zo stelt hij, een groot belang bij de fosfaatrechten omdat hij als actief melkveehouder in staat moet zijn om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen. Hij heeft de fosfaatrechten nodig om het melkvee dat hij in 2015 had ook thans nog te kunnen houden op zijn melkveebedrijf. Hij was eigenaar van deze dieren en in 2015 was hij gedurende zeven maanden ook houder hiervan.

[C] weigert zijn instemming te verlenen, met als gevolg dat, aldus [A], [C] ongerechtvaardigd wordt verrijkt en [C] hierdoor jegens [A] in strijd handelt met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. De weigering strookt, volgens [A] ook niet met de afspraken en de eerdere handelwijze van partijen. Partijen hebben nimmer beoogd of afgesproken dat eventuele quoteringen of mestrechten verband houdende met de inscharingen aan [C] zouden toekomen. In 2017 gold de Regeling fosfaatreductieplan 2017. [C] heeft toen meegewerkt aan het indienen van de formulieren ‘Uitschaarverklaring melk en niet melk producerende bedrijven voor fosfaatreductieplan 2017’ zonder hiervoor een vergoeding te vragen. Deze regeling was een opmaat voor de gewijzigde Msw, aldus [A].

[C] voert aan dat op basis van het wettelijk systeem de fosfaatrechten op zijn bedrijf zijn geregistreerd. [C] meent dat hij op goede gronden zijn instemming mag weigeren omdat hij recht en belang heeft bij behoud van de op zijn bedrijf gestelde fosfaatrechten. Hij exploiteert een veehouderij en houdt naast vleesvee ook melkvee. Omdat [C] voor het houden en inscharen van melkvee vanaf 1 januari 2018 fosfaatrechten nodig heeft, wenst [C] geen afstand van de hem toegekende rechten te doen. Met [A] zijn daar ook geen afspraken over gemaakt. De vergelijking met instemming met het fosfaatreductieplan 2017 gaat volgens [C] niet op en van onrechtmatig handelen is volgens [C] geen sprake.

De rechtbank overweegt dat artikel 23 lid 5 Msw de landbouwer die melkvee had uitgeschaard een mogelijkheid geeft om de ongewenste gevolgen van de fosfaatregeling te vermijden, maar anderzijds legt de wet het benutten van die mogelijkheid geheel in handen van partijen.

Voor de vraag of [C] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid zijn medewerking kon onthouden aan de mogelijkheid tot herverdeling van de toegekende fosfaatrechten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt: De fosfaatrechten zijn aan [C] toegekend omdat de 38 pinken van [A] op 2 juli 2015 bij hem waren ingeschaard. Die datum is echter een willekeurig gekozen peildatum, die door partijen niet te voorzien was. Doordat de pinken op dat moment op het bedrijfsnummer van [C] geregistreerd stonden, is het voordeel dat daaraan verbonden was, namelijk het toekennen van fosfaatrechten, aan [C] toegevallen. Zulks echter wel vanuit de daaraan ten grondslag liggende geachte dat deze runderen bij voortduring op zijn stal stonden dan wel door hem werden geweid. Vast staat echter dat partijen afspraken hebben gemaakt over het in- en uitscharen van de runderen voor de periode 1 mei 2015 tot 1 oktober 2015 en dat de runderen voor het overige bij [A] op stal stonden.

Dit in- en uitscharen gebeurde derhalve op basis van tussen partijen gemaakte afspraken, waarbij de runderen 5/12de gedeelte van het jaar bij [C] stonden en 7/12de gedeelte van het jaar bij [A] . Een redelijke toepassing van artikel 23 lid 5 Msw brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval met zich, ook in het licht van de algemene strekking van deze wet, dat de onderhavige fosfaatrechten – die [C] om niet heeft verkregen maar die inmiddels een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen – conform de partijafspraken over de perioden van houderschap, in beginsel in diezelfde verhouding tussen partijen dienen te worden verdeeld.

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken hebben gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat [C] heeft meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee [A] het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van [C] heeft verhoogd. Dat [C] er een in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden, heeft [C] niet duidelijk gemaakt. [C] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering. [C] schaart met name vee in en wel gedurende vijf maanden per jaar, waartoe de bijbehorende fosfaatrechten afdoende zouden moeten zijn. Onder de gegeven omstandigheden kan van [C] dan ook verlangd worden dat hij (opnieuw) zijn instemming verleend aan een gedeeltelijke verlaging van zijn fosfaatrechten en wel voor 7/12de deel van de 38 runderen. Dit komt overeen met (afgerond) 22 runderen. Nu [C] zijn instemming wenst te onthouden, wordt hij geacht onrechtmatig jegens [A] te handelen en zal hij worden veroordeeld zijn medewerking te verlenen als na te melden.

Of deze uitspraak ook stand zal houden in de bodemprocedure is de vraag. De uitspraak zal sowieso de nodige discussie tussen in- en uitscharende partijen uitlokken die niet zonder meer tot een vergelijk zijn gekomen. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige uitspraak

Een stikstofgat op graasdierbedrijven: kan dat?

Het gebeurt regelmatig: bij het opstellen van een berekening om te bezien of is voldaan aan de  gebruiksnormen op een veehouderijbedrijf: Er wordt ruim voldaan aan de gebruiksnorm voor fosfaat, maar voor de gebruiksnorm voor stikstof in dierlijke mest is dit niet het geval is.  Dit terwijl er (berekend op basis van de verwachting) en de mutatie van de voorraden dierlijke mest meer dan voldoende dierlijke mest (volume) werd afgevoerd. Dit fenomeen wordt het ‘stikstofgat’ of ‘stikstofhiaat’ genoemd.

een stikstofgat voor graasdieren?

Het probleem van het stikstofgat wordt ook binnen het beleid en de handhavingspraktijk onderkend. Inmiddels is correctie voor het stikstofgat gangbare praktijk in bepaalde sectoren (staldieren) en onder bepaalde omstandigheden (voldoende representatieve mestafvoer). De wijze van corrigeren voor het stikstofgat is ontwikkeld op basis van een toezegging van de toenmalige minister Veerman (2006) en gebaseerd op de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de geanalyseerde (representatieve) mestafvoer  ten opzichte van de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de op de voorgeschreven wijze berekende mestproductie. Met deze correctie voor het stikstofgat  worden de gevolgen van onvermijdelijke verliezen van stikstof (in de vorm van een op te leggen bestuurlijke boete) teniet gedaan.

Voor bedrijven met staldieren dus, maar hoe zit het dan op bedrijven met graasdieren? Ook daar zien we hetzelfde fenomeen, maar is de correctie niet van toepassing. Dit  betekent dat graasdierbedrijven, die met dit fenomeen worden geconfronteerd, mede omdat ze huiverig zijn om niet te voldoen aan de gebruiksnorm dierlijke mest er vaak voor kiezen het tekort via een correctie op de aanwezige eindvoorraad dierlijke mest (tijdelijk) te verbloemen. Dit geldt zeker wanneer het betreffende bedrijf beschikt over derogatie en die bij het niet voldoen aan de gebruiksnormen van rechtswege kan worden ingetrokken.

Het feit dat het stikstofgat ook voor kan komen op bedrijven met graasdieren is al herhaaldelijk bij RVO en beleidsmakers aangekaart en onder de aandacht gebracht. Hoewel begripvol wordt gereageerd, biedt de regelgeving hiervoor nog geen uitzondering en houdt RVO dan ook vast aan het feit dat alleen op bedrijven waar staldieren worden gehouden rekening dient worden gehouden met een aanvulling op het stikstofverlies in de vorm van het stikstofgat. De motivering daarvoor zoekt RVO in het feit dat de toezegging met betrekking tot het stikstofgat alleen is gedaan voor staldieren en in de normstelling voor de stikstofexcretie voor graasdieren reeds rekening is gehouden met de stikstofverliezen die optreden. Dit is geen sterk argument gezien het feit dat in de berekening van de stalbalans voor staldieren ook een dergelijk verlies, in de vorm van een vast norm voor het stikstofverlies per diercategorie, is opgenomen.

Het verschil tussen graasdieren en staldieren is gelegen in het aandeel ruwvoer in het rantsoen.

In een recente uitspraak ging de Rechtbank ’s Hertogenbosch onlangs mee met deze insteek van RVO. Kortweg stelt de Rechtbank. ‘Uit de Nota van Toelichting bij het Uitvoeringsbesluit Msw (Staatsblad 2005, 645, p. 37) volgt dat het onderscheid tussen graasdieren en staldieren is gebaseerd op de weidegang en het relatief grote aandeel van ruwvoer in het rantsoen van graasdieren. Daarnaast blijkt uit de Nota van Toelichting bij de Uitvoeringsregeling Msw (Staatscourant 2005, 226, p. 34) dat in de forfaitaire norm die wordt gehanteerd bij de door graasdieren geproduceerde hoeveelheid meststoffen al rekening is gehouden met de stikstofverliezen die bij de excretie van graasdieren optreden. Op grond daarvan hoefde verweerder van de rechtbank bij zijn berekening niet nog een keer rekening te houden met het door eiseres gestelde stikstofgat.’ Daarbij verwijst de rechtbank naar een eerdere uitspraak (ECLI:RBOBR:2017:1977) in deze problematiek (onder overweging 8).

In mijn optiek geen sterke motivering. De gronden waarop men hier beslist doen zich immers ook voor bij de berekening van de excretie van de staldieren en het is en wordt niet duidelijk waarom soortgelijke processen wel bij staldieren en niet op zouden kunnen treden bij graasdieren. Hoe dan ook:  het is wel een feit dat  zonder nadere en vooral specifieke,  verifieerbare en eenduidige motivering een stikstofgat op melkveebedrijven niet zal worden toegekend.

Een nieuwe invulling voor de definitie van Landbouwgrond in het kader van het GLB

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft op 11 juli 2017 uitspraak gedaan in een beroepsprocedure omtrent de beoordelingswijze die RVO.nl hanteert bij het bepalen van het feit of een perceel voor de directe betalingen vanuit het GLB kan worden aangemerkt als landbouwgrond.

Voorheen hanteerde RVO daarbij de zogenaamde N-code die op de provinciale natuurbeheerkaarten aan een perceel zijn toegekend. Het College heeft in haar uitspraak bepaald dat deze typering niet leidend mag zijn in de beoordeling.

Landbouwgrond of geen landbouwgrond wordt vanaf nu beoordeeld op basis van de feitelijke situatie

Provincies leggen jaarlijks in de natuurbeheerplannen de verschillende natuurbeheer- en landschapsbeheertypen voor percelen en terreinen vast. Dit gebeurt in het kader van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). In de Basisbetalingsregeling (BBR) was vastgelegd dat deze natuurbeheerkaarten ook moesten worden gebruikt bij de toekenning en uitbetaling van betalingsrechten.

 

Een aantal van de daarin opgenomen natuurtypen wordt aangemerkt als landbouwgrond en komt in aanmerking  voor betalingsrechten. De andere natuurtypen niet. Zie hiervoor de Tabel Subsidiabele natuur- en landschapsbeheertypen (pdf). Aan de hand hiervan zijn vanaf 2015 bepaalde natuurgronden uitgesloten van toekenning en uitbetaling van betalingsrechten.

Vanwege de uitspraak van het College hanteert RVO vanaf nu een nieuwe werkwijze om te bepalen of percelen onder subsidiabele landbouw- of natuurgrond vallen. Om te bepalen of sprake is van landbouwgrond volgt RVO vanaf nu de Europese definitie van landbouwgrond. Dit betekent dat een perceel moet voldoen aan:

  • bouwland: grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is;
  • (blijvend) grasland: grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen. Andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige gewassen overheersen. Een perceel grasland is blijvend grasland als deze ten minste 5 jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen;
  • blijvende teelten: teelten die niet in de vruchtwisseling zijn opgenomen van gewassen, anders dan blijvend grasland.

Op basis van deze definitie zijn heide, schorren en kwelders, slikken en platen, duinen, ruigte (onder andere  struiken, bosschages, riet), moeras, riet, percelen met veel pitrus en bos geen landbouwgrond.

Als de vegetatie overwegend bestaat uit ruigte en/of pitrus vallen percelen met ruigte en pitrus niet onder landbouwgrond. Gaat het om bos en is de ondergrond geen gras? Dan is het altijd bos. Grasland met meer dan 50 bomen per hectare is ook bos. Er is dan namelijk sprake van te veel hinder voor landbouwactiviteiten. Boomgaarden, boom- en fruitkwekerijen vallen onder ‘blijvende teelten’.

Wilt u weten welke oppervlakten en gronden voor de GLB-regeling niet onder landbouwgrond vallen? Of wilt u weten waar u rekening mee moet houden bij het intekenen van percelen klik dan hier voor de Handleiding Percelen: Landbouwgrond of niet?

LET OP: Dat grond wordt aangemerkt als landbouwgrond in het kader van het GLB wil niet automatisch zeggen dat sprake is van landbouwgrond in het kader van de Meststoffenwet. Het is dus niet zo dat aan landbouwgrond in het kader van het GLB automatisch gebruiksnormen worden toegekend.

RVO heeft aangegeven alle percelen die voor 11 juli 2017 op grond van natuurbeheerkaarten van de provincies zijn uitgesloten als subsidiabele landbouwgrond opnieuw te zullen beoordelen. Dit doet men aan de hand van lucht- en satellietfoto’s. Blijkt een perceel toch subsidiabele landbouwgrond en geen natuurgrond te zijn, dan stelt RVO dit in het perceelsregister aan te zullen passen.

 

Lees hier de volledige uitspraak van het College

Over mestboetes, medeplegen, feitelijk leidinggeven en het beginsel van ne bis in idem

Wanneer een mestboete wordt opgelegd aan een Besloten Vennootschap (hierna: BV) wordt regelmatig ook aan de bestuurders van die BV een boete wordt opgelegd vanwege feitelijk leiding geven aan of het medeplegen van de overtreding. Soms gebeurt dit ook voor zowel het feitelijk leidinggeven als het medeplegen. Niet in alle gevallen is dat terecht, zoals blijkt uit onderstaande uitspraak van de Rechtbank Oost Brabant.

Eiser heeft een bedrijf [bedrijf 2] dat dierlijke meststoffen van leverancier naar afnemer brengt. [bedrijf 1] en [bedrijf 3] zijn de enige aandeelhouders en tevens bestuurders van [bedrijf 2]. [bedrijf 1] had als enig aandeelhouder en bestuurder de heer [persoon 1]. [bedrijf 3] had als enig aandeelhouder en bestuurder de heer [persoon 2].

Tijdens een controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is vastgesteld dat door [bedrijf 2] een aantal overtredingen van de Meststoffenwet zijn gepleegd. Op grond hiervan zijn door verweerder bij de primaire besluiten bestuurlijke boetes opgelegd aan [bedrijf 2] maar tevens aan (onder meer) [persoon 1] als feitelijk leidinggever en [persoon 1] als medepleger.

In beroep voeren eisers, kort weergegeven, aan dat [persoon 1] en [bedrijf 1] niet kunnen worden aangemerkt als medeplegers van de overtredingen van de Meststoffenwet- en regelgeving en [persoon 1] evenmin als feitelijk leidinggever aan die overtredingen.

20170425 Awb boekenrechtbank stelt in haar uitspraak dat voor de kwalificatie “medeplegen” sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer (rechts)personen. Dat is het geval als een delict gezamenlijk wordt uitgevoerd door de overtreder en een andere betrokkene. Bestaat de samenwerking niet uit een gezamenlijke uitvoering, dan is voor de kwalificatie medeplegen vereist dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de betrokkene aan het delict van voldoende gewicht is (zie ECLI:NL:RVS:2015:2386ECLI:NL:HR:2015:928).

De vraag of een betrokkene aangemerkt kan worden als feitelijk leidinggever, komt aan de orde nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een verboden gedraging heeft verricht. Vervolgens is de enkele omstandigheid dat de betrokkene bestuurder van die rechtspersoon is, niet voldoende om hem aan te merken als feitelijke leidinggever. Anderzijds is een dergelijke positie ook geen vereiste; ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon kan feitelijke leidinggever zijn. Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de betrokkene gevoerde beleid. Ook een meer passieve rol, kan de kwalificatie “feitelijk leidinggever” rechtvaardigen. Dat zal in het bijzonder het geval zijn als de betrokkene die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, zulke maatregelen achterwege laat (zie  ECLI:NL:CBB:2016:54, ECLI:NL:HR:2016:733).

In haar uitspraak overweegt de rechtbank, dat gelet op de gegeven feiten en omstandigheden, zowel [bedrijf 1] als [persoon 1] kunnen worden aangemerkt als medeplegers van de door [bedrijf 2] gepleegde overtredingen. Bovendien staven de feiten en omstandigheden dat [persoon 1] kan worden gezien als feitelijke leidinggevende aan de verboden gedragingen.

Verder heeft [persoon 1] aangevoerd dat het opleggen van een boete in zowel zijn hoedanigheid als medepleger als in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever in strijd is met het beginsel van ne bis in idem.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aan [persoon 1] opgelegde boetes als respectievelijk medepleger en feitelijk leidinggever gebaseerd op exact dezelfde overtredingen zoals bedoeld in artikel 5:43 van de Awb. Daaruit volgt dat het verweerder niet vrijstond om aan [persoon 1] in beide hoedanigheden een boete op te leggen en dit niet had mogen doen.

Vervolgens dient de rechtbank te bepalen welke van de twee bestuurlijke boetes voor vernietiging wegens strijd met artikel 5:43 Awb in aanmerking komt. De Awb biedt hier geen uitsluitsel. Uit de wetsgeschiedenis van de Awb blijkt dat het “bestraffende bestuursrecht” niet nodeloos moet afwijken van het strafrecht (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 125). De rechtbank ziet daarin aanleiding aansluiting te zoeken bij het strafrechtelijke leerstuk “Samenloop van strafbare feiten” (boek 1, Titel VI, van het WSr). In dat leerstuk geldt dat, indien een feit onder meer dan één strafbepaling valt, de strafbepaling wordt toegepast waarop de zwaarste straf is gesteld. Hiervan uitgaande en in aanmerking genomen dat het verweerder vrijstaat eiser te beboeten als medepleger of als feitelijk leidinggever, komt de rechtbank tot het oordeel dat in dit geval de laagste boete, vernietigd dient te worden.

Lees hier de volledige uitspraak

Ook in 2013: alleen derogatie bij voldoen aan gebruiksnormen

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak omtrent de vraag of al in 2013 overschrijding van een gebruiksnorm zou leiden tot het intrekken van derogatie. De rechtbank had het beroep van een veehouder die bezwaar had gemaakt tegen het intrekken van derogatie in 2013 vanwege het enkele feit dat hij de gebruiksnormen had overschreden gegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat in artikel 25, vierde lid, van de uitvoeringsregeling, niet uitdrukkelijk is bepaald dat het niet voldoen aan alle gebruiksnormen leidt tot het vervallen van de derogatie. Dit gevolg was, naar het oordeel van de rechtbank, per 1 januari 2013 niet duidelijk, voorzienbaar en kenbaar in een wettelijk voorschrift opgenomen. Dit is wel alsnog gebeurd in artikel 27c van de Urm, maar omdat deze bepaling pas per 24 juli 2013 van kracht is geworden, kon dat geen gevolgen hebben voor de normen voor het jaar 2013. RVO heeft hoger beroep aangetekend tegen deze beslissing van de rechtbank

foto01a

Ook in 2013 vervalt derogatie bij overschrijding gebruiksnorm

Het College stelt vast dat tussen partijen op zichzelf niet in geschil is dat de veehouder in 2013 de stikstofgebruiksnorm en de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft overschreden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of uit de artikelen 24 en 25 van de Urm voldoende duidelijk volgt dat per 1 januari 2013 terugval naar de reguliere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen plaatsvindt indien niet aan de voorwaarde in artikel 25, vierde lid, van de Urm is voldaan. Het College begrijpt hieruit dat partijen in wezen wensen te vernemen of artikel 25, vierde lid, van de Urm, voldoet aan het lex certa-beginsel dat van de wetgever verlangt dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze verboden gedragingen omschrijft.

Het College overweegt dat per 1 januari 2013 is artikel 25, vierde lid, van de Urm in werking is getreden. In de Toelichting bij de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 19 december 2012, nr. WJZ / 12380071, tot wijziging van de Urm  in verband met enkele aanpassingen staat met betrekking tot deze bepaling onder meer het volgende (Stcrt. 2012, 26 556, p.7): “Artikel 25, derde lid, Urm bepaalt dat de landbouwer bij de aanmelding verklaart dat hij onder andere artikel 10 in samenhang met de artikelen 7 en 8 van de wet naleeft en ten aanzien van zijn bedrijf doet naleven. Deze bepaling is een implementatie van artikel 4, tweede lid, van de derogatiebeschikking waarin ook een dergelijke verklaring bij de melding wordt vereist. Deze verklaring impliceert dat men zich aan de voorwaarden zal houden en ook dat deze voorwaarden gelden: ‘De systematiek van de regeling is naar het oordeel van de rechtbank zo dat het voor de landbouwer die zich aanmeldt voor derogatie niet alleen op voorhand duidelijk is aan welke voorwaarden hij moet voldoen om gebruik te kunnen maken van een grotere gebruiksruimte, maar ook dat hij vooraf ondubbelzinnig verklaart zich aan deze voorwaarden te zullen houden. De verhoogde gebruiksnorm geldt alleen als aan alle voorwaarden wordt voldaan. Houdt de landbouwer zich daar niet aan, dan kan hij er geen gebruik van maken.’ Geconstateerd is dat de Urm aan duidelijkheid kan winnen door deze redenering te expliciteren. Dit is met artikel I, lid 2, van deze regeling beoogd.

Vanwege aanhoudende onduidelijkheid binnen de sector met betrekking tot de consequenties van het niet voldoen aan de voorwaarden voor derogatie, heeft de wetgever de Urm per 24 juli 2013 aangevuld met artikel 27c. De Toelichting bij de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 15 juli 2013, nr. WJZ / 13115244, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met enkele aanpassingen waaronder de voorwaarden voor derogatie vermeldt hierover (Stcrt. 2013, 20 753, p. 2): “Hoewel de Urm per 1 januari 2013 verduidelijkt is ten aanzien van de voorwaarde dat de landbouwer moet voldoen aan de gebruiksnormen voor derogatie, blijkt in de sector nog steeds onduidelijkheid te bestaan over de consequenties die het niet voldoen aan de voorwaarden met zich kan brengen. Deze regeling beoogt deze eventuele onduidelijkheid weg te nemen door één van deze consequenties expliciet op te nemen in de Urm. Het overtreden van één van de voorwaarden leidt ertoe dat de landbouwer de derogatienorm niet mag toepassen en terugvalt op de norm van 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Dit stond eerder niet expliciet in de Urm aangegeven omdat dit van rechtswege reeds het geval is. Om misverstanden te voorkomen is deze consequentie alsnog ter verduidelijking opgenomen in het nieuwe artikel 27c Urm. De consequentie dat dientengevolge de boete berekend moet worden aan de hand van deze lagere gebruiksnorm vloeit hieruit rechtstreeks voort.”

Het College is van oordeel dat uit bovenstaande regelgeving in samenhang met de toelichting voldoende duidelijk volgt dat veehouders alle gebruiksnormen moesten naleven om te voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Urm en dat het niet voldoen daaraan tot gevolg heeft dat terugval naar de norm in artikel 9 van de Msw plaatsvindt. Het College volgt derhalve niet de stelling van de veehouder dat de consequentie van het niet voldaan aan de voorwaarden voor derogatie – terugval – zich pas heeft geopenbaard met de inwerkingtreding van artikel 27c van de Urm. Voor zover er al onzekerheid had kunnen bestaan over de tekst van artikel 25, vierde lid, van de Urm, bieden de systematiek van de regelgeving en de toelichting bij deze bepaling voldoende duidelijkheid over de bedoeling van deze voorwaarde en de gevolgen van het niet naleven daarvan. Het College ziet artikel 27c van de Urm  dan ook als een technische verduidelijking van hetgeen al eerder in artikel 25, vierde lid, van deze regeling is opgenomen. Van strijd met het lex certa-beginsel is gelet op het voorgaande geen sprake.

Hiermee is ook duidelijk dat bij het niet voldoen aan één van de gebruiksnormen ook in 2013 betekent dat derogatie komt te vervallen.

Lees hier de volledige uitspraak