Naast boete ook een randvoorwaardenkorting

Wie  een overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) begaat of niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit Gebruik Meststoffen (hierna: BGM) kan naast met een boete ook worden geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting op de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: GLB).

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Deze beheerseisen zijn door Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en bijlage 3 en bijlage 4 van deze uitvoeringsregeling en komen er – samengevat –  op neer dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen ervoor moet zorgen dat hij aan de gestelde regelgeving en voorwaarden van de uitvoeringsregeling voldoet.

Deze voorwaarden bestaan onder andere uit het voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit gebruik meststoffen (BGM), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm). Is dit niet het geval kan een korting worden doorgevoerd op deze rechtstreekse betalingen. Vaak betreft het dan een korting ter grootte van een percentage van 3%.

Voorgaande komt aan de orde in een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed. Verweerder heeft een randvoorwaardenkorting opgelegd aan appellante. Bij een bedrijfscontrole is geconstateerd dat voldoende opslagcapaciteit voor vaste mest ontbreekt, waarvoor verweerder een korting van 3% op de rechtstreekse betalingen heeft doorgevoerd.

Appellante heeft de niet-naleving betwist: volgens haar was de bestaande capaciteit van de mestopslag voldoende omdat enerzijds verweerder  de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest, kleiner is dan verweerder heeft berekend. Anderzijds stelt appellante dat de capaciteit van de mestopslagruimte op haar bedrijf toereikend is.

Wat betreft de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest overweegt het College dat verweerder deze heeft berekend op 263 m3, aan de hand van de rekenregels van artikel 28, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw en bijlage D, tabel I, kolom A, van de Uitvoeringsregeling Msw.

In artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat in vier gevallen de capaciteit van de mestopslagruimte kleiner kan zijn. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn:

a.       Indien kan worden aangetoond dat een contract voor afvoer van de extra mest is aanwezig is;
b.       Indien mest kan worden aangewend op een deel van de tot het bedrijf behorende bouwland of grasland waarvoor het uitrijverbod niet geldt
c.       Aangetoond kan worden het aantal tot het bedrijf behorende stallen kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan
d.       Aantoonbaar kan worden gemaakt dat in de periode augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren owrden gehouden.

Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij zich beroept op de uitzondering genoemd in het eerste lid, onder b. De enkele verwijzing door appellante naar de hopen vaste mest op de kopakker, die gereed zouden liggen om te worden uitgereden, acht het College als onderbouwing  echter onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder mogen uitgaan van een vereiste opslagruimte voor vaste mest van 263 m3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opslagruimte op het bedrijf voldoet aan die minimaal vereiste capaciteit. Allereerst moet worden vastgesteld dat het daarbij alleen gaat om opslagruimte voor vaste mest. De NVWA heeft over de bevindingen tijdens de controle een inspectieverslag opgesteld, waarin is vermeld dat de mestopslag voor vaste mest op het erf een inhoud heeft van 105 m3. Appellante heeft dit niet betwist. Wel betoogt zij dat ook de opslag van vaste mest op de kopakker moet worden meegerekend. Appellante heeft daarbij gesteld dat de opslag daar voldoet aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. In deze bepaling – een andere beheerseis waaraan een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt dient te voldoen op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.16, bij de Uitvoeringsregeling – zijn de eisen gesteld waaraan moet worden voldaan bij de opslag van agrarische bedrijfsstoffen op een onverhard oppervlak indien deze langer dan twee weken maar korter dan een half jaar worden opgeslagen. Eén van de eisen is dat het opslaan in elk geval zodanig plaatsvindt dat contact met hemelwater wordt voorkomen. Naar aanleiding van het betoog van appellante heeft de NVWA een aanvullend rapport uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2017.

In het aanvullend rapport is vermeld dat de mestopslag niet was afgedekt, zoals ook te zien is op de foto behorend bij het aanvullend rapport. Al daarom volgt het College het betoog van appellante niet dat voldaan is aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Dat er geen vloeistof van de mestvaalt in het oppervlaktewater is terechtgekomen, zoals appellante heeft betoogd, is niet relevant. Voor zover appellante lijkt te betogen dat niet hoefde te worden voldaan aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer, omdat de mest slechts kort op de kopakker werd opgeslagen, volgt het College appellantes redenering niet. In dat geval zou naar het oordeel van het College namelijk geen sprake zijn van opslagruimte voor meststoffen, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw, gelet op de definitie daarvan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, namelijk een ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de opslag van meststoffen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat reeds het storten van mest op de kopakker van die locatie een opslagruimte zou maken.

Verweerder heeft dus terecht het deel van de kopakker waar appellante de mest heeft gestort, niet meegerekend bij de vaststelling van de capaciteit van de mestopslagruimte. Nu de capaciteit van de mestopslagruimte op het bedrijf van appellante 105 m3 was, terwijl een capaciteit van 263 m3 vereist was, voldeed appellante niet aan de beheers-eis van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.18, bij de Uitvoeringsregeling en is de korting op de rechtstreekse betalingen terecht doorgevoerd.

Lees hier de volledige uitspraak

RVO publiceert correcties voor gewogen en bemonsterde metingen

In een vorig bericht kwam al aan de orde dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) in een drietal uitspraken heeft aangegeven dat, in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie veehouders voldoende kans dienen te krijgen om zich tegen een aan zijn of haar mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelde het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

Eerder publiceerde RVO al een aantal van deze marges. Onlangs heeft men de overige marges en correctiefactoren gepubliceerd. Deze marges en correcties gelden voor de posten in de mestboekhouding waarbij sprake is een weging en/of een bemonstering. RVO past voor deze post een correctie in het voordeel van de betrokkene toe. Met andere woorden men houdt rekening met een onnauwkeurigheidsmarge. Dergelijke marges of correcties worden voor de volgende posten gehanteerd:

  • Aan- en afvoer dierlijke mest die gewogen en bemonsterd is.
  • Aan- en afvoer van kunstmest.
  • Aan- en afvoer van overige organische meststoffen (bemonsterd).
  • Aan- en afvoer van staldieren op gewogen gewicht.
  • Aan- en afvoer en eigen productie van gewogen diervoer/ruwvoer.
  • Afgevoerde eieren.

Al bij de inwerkingtreding van het stelsel van gebruiksnormen in 2006, zijn de correcties voor deze posten vastgesteld, pas nu zijn ze gepubliceerd. Dit zijn geen vaste percentages want ze hangen af van het aantal vrachten dat op de verschillende posten is aan/afgevoerd. In het document Hoe gaat RVO.nl om met nauwkeurigheid van hoeveelheden en gehalten geeft RVO aan hoe wordt omgegaan met de nauwkeurigheid van de bovenstaande posten. In het document staan ook rekenvoorbeelden.

Voor de overige posten in de mineralenbalans worden geen correcties ingebracht. Voor deze posten is het wel mogelijk om tegenbewijs te leveren met vrije bewijsleer. In de tabel hieronder leest u wat de correcties per post zijn. Als u een (voorgenomen) boeteberekening krijgt, leest u in de toelichting welke correcties wij toepassen.

Een korte samenvatting van de correcties per post staat is in onderstaande Tabel gegeven:

Type post Soort Post Grootheid
N= stikstof
P205= fosfaat
Percentage
Dierlijke mest Aan- en afvoer N, vaste mest 0,15
Aan- en afvoer N, overige mest 0,10
Aan- en afvoer P205, alle mest 0,10
Kunstmest Aan- en afvoer N en P205 0,02
Overige organische meststoffen Aan- en afvoer N en P205 0,10
Staldieren Aan- en afvoer Gemeten diergewicht 0,001
Aan- en afvoer Dieraantal 0,03
Diervoer: krachtvoer Aan- en afvoer N en P205 0,05
Diervoer: ruwvoer Aan- en afvoer N en P205 0,10
Productie N en P205 0,05
Afvoer eieren Afvoer Gehalte 0,02
Afvoer Gemeten gewicht 0,001

 

Geheime marges niet toegestaan

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft op 18 december 2018 in een drietal hoger beroepen de boetes voor overtreding van de Meststoffenwet geschrapt.

Het College oordeelde in deze uitspraken dat het de veehouders aan een redelijke mogelijkheid ontbrak om zich te verweren tegen het feit dat hun mestboekhouding niet sluitend was of niet werd voldaan aan de gebruiksnormen en de conclusie van de minister dat zij de Meststoffenwet zouden hebben overtreden.

Veehouders moeten een mestboekhouding voeren, waarin zij productie, afvoer en opslag van mest verantwoorden. Als die boekhouding niet sluit of de gebruiksnormen worden overschreden dan vormt dat een aanwijzing voor het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht (artikel 14 van de Meststoffenwet) of overtreding van de gebruiksnormen (artikel 7 gezien in samenhang met artikel 8 van de Meststoffenwet), maar er kunnen ook andere oorzaken zijn voor de niet sluitende boekhouding.

Omdat stikstof kan vervluchtigen en fosfaat kan bezinken of meer fosfaat kan worden vastgelegd dan in de normen is aangenomen, is het nodig om de binnen de Meststoffenwet gebruikte cijfers te corrigeren of een onzekerheidsmarge te betrachten. Daarnaast kunnen allerlei onnauwkeurigheden en (meet-)fouten optreden. Denk daarbij aan de afvoer van dierlijke mest. De minister hanteert derhalve marges om te voorkomen dat voor een papieren overtreding (hoge) boetes worden opgelegd, terwijl er geen sprake is van een overtreding van de regels en voorwaarden van de Meststoffenwet.

In de drie genoemde procedures betwisten de beboete veehouders dat zij niet zouden hebben voldaan aan hun verantwoordingsplicht of meer mest zouden hebben uitgereden dan de gebruiksnormen toe zouden hebben gelaten. De zaken werden door het College aangehouden en het College vroeg advies hieromtrent aan raadsheer advocaat- generaal Wattel. Die bracht daarover op 22 mei 2018 advies uit.

In de uitspraken van 18 december 2018  volgt het College dit advies van Wattel. Dit betekent dat het College het boetesysteem op zichzelf in overeenstemming acht met de in internationale verdragen verankerde grondrechten. Daarnaast oordeelt het College dat een veehouder in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie wel voldoende kans dient te krijgen om zich tegen de aan zijn mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelt het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

De minister hield aanvankelijk sommige marges geheim, zoals een stikstofgatmarge en zekere handhavingsmarges, om calculerend en anticiperend gedrag door kwaadwillenden te voorkomen met andere woorden om te voorkomen dat veehouders hun gedrag daarop zouden kunnen afstemmen. Daarmee, zo oordeelt het College, kunnen de boetes de toets der kritiek niet doorstaan en dat is voor het Colleges reden om de opgelegde boetes te schrappen.

Het feit dat RVO op 15 juni 2018 een deel van de gehanteerde ‘geheime’ marges alsnog heeft gepubliceerd doet daar volgens het College niet aan af.

Het College is van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Het in de vorige zin overwogene geldt dus ook indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van deze uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na deze uitspraak voert. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige uitspraken:

ECLI:NL:CBB:2018:652
ECLI:NL:CBB:2018:653
ECLI:NL:CBB:2018:654

 

Zorgplicht bij de aanvoer van mest

De Meststoffenwet gaat uit van een verdeling van de bewijslast waarbij de veehouder aan moet tonen dat hij binnen de gebruiksnormen is gebleven. Dit vraagt om extra waakzaamheid zoals blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs tussenuitspraak deed.

Naar aanleiding van een landelijk onderzoek naar leveringen van mest waarbij op de vervoersdocumenten een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “Groenerije” of “CTE Service” is een onderzoek gestart naar melkvee- en loonbedrijf [naam 1]. Uit dit onderzoek bleek dat in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009 twintig vrachten met dierlijke mest op de bedrijfslocatie van [naam 1] zijn aangevoerd, waarbij [naam 1] niet als afnemer zou zijn vermeld.

De mest werd toch beschouwd als zijnde aangevoerd door [naam 1] ook al stond hij niet geregistreerd als afnemer. Door de extra aanvoer overschreed het bedrijf van [naam 1] de gebruiksnormen. Hiervoor werd een boete opgelegd, het hiertegen ingestelde bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog in beroep echter dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser een verwijt kan worden gemaakt van de door verweerder gestelde overtreding. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld

Het College ziet zich bij de beoordeling van het hogere beroep gesteld voor de vraag of de minister bevoegd was aan [naam 1] een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van artikel 7 van de Msw . Daarvoor is van belang om vast te stellen of er (1) voldoende bewijs is voor de overtreding en de omvang daarvan en (2) of [naam 1] daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden

Is er voldoende bewijs?

Het College stelt vast dat op de vervoersbewijzen van de verweten twintig vrachten mest, in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009, kentekens, vervoerders en data zijn vermeld die overeenkomen met bij de meldingen van de AGR/GPS vermelde kentekens, vervoerders en data. Voorts zijn er aanvullende verklaringen van de vervoerders en stukken uit de administratie van de betrokken vervoerders en intermediairs die bevestigen dat de mest gelost is op het bedrijf van [naam 1]. De verklaringen van de directeuren van Groenerije, daarbij mede in acht genomen, kan verweerder worden gevolgd in de conclusie dat die onderneming niet de daadwerkelijke afnemer was, maar als fictieve afnemer is opgevoerd.

Verder is niet gebleken van verstoorde AGR/GPS-gegevens en bevinden de geregistreerde loslocaties zich op het bedrijf van [naam 1]. Ook voor het feit dat de mest weer zou zijn afgevoerd zijn geen bewijzen. Het College acht het op grond van de vermelde gegevens dan ook aannemelijk dat de twintig vrachten mest op het bedrijf van [naam 1] zijn aangevoerd.

Kan betrokkene aansprakelijk worden gehouden?

Ten aanzien van de vraag wie op de overtreding kan worden aangesproken, heeft het College in haar uitspraak van 6 juli 2015, (ECLI:NL:CBB:2015:233), het volgende overwogen:

“3.8 (…) In de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 29 930, nr. 3, p. 112) staat als toelichting op (thans) artikel 7 van de Msw het volgende vermeld.

“(…) De omschrijving in artikel 5a van de verboden gedraging als het «op of in de bodem brengen van meststoffen» sluit geheel aan bij de in bijlage III, onderdelen 1, onder 3, van de Nitraatrichtlijn ten aanzien van de gebruiksnormen gebruikte terminologie en ook bij het begrip «gebruiken», als gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit gebruik meststoffen. De omschrijving van de gedraging moet in de ruimste betekenis worden begrepen. Zij omvat elk handelen of nalaten waardoor meststoffen op of in de bodem belanden. Het gaat volgens de definitie van artikel 2, onderdeel h, in ieder geval om elk «toevoegen van stoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met oppervlaktelagen». (…)

Niet alleen degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult, maar ook de functionele dader kan voor overtreding van het verbod strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gehouden. (…)

Het woord «gedraging» in de definitie van het begrip «overtreding», moet in de ruimst mogelijke zin worden opgevat: elk handelen of nalaten wordt daaronder begrepen.(…) Dat kan zijn degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult, maar ook de functionele dader (vergelijk het zogenoemde ijzerdraad-arrest: HR 23 februari 1954 NJ 1954, 378). Functioneel dader is degene in wiens machtssfeer de fysieke handelingen liggen waardoor de overtreding is begaan en die voorts de handelingen heeft aanvaard of in het algemeen placht te aanvaarden. Van dit laatste is in beginsel reeds sprake als de functionele dader is tekortgeschoten in hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht om wederrechtelijke handelingen te voorkomen. “

(…) Van appellanten had mogen worden verwacht dat zij, toen zij het bemesten aan [naam 6] overlieten, precieze, op schrift gestelde afspraken met hem zouden hebben gemaakt en op de naleving daarvan toezicht zouden houden. Appellanten hebben onvoldoende toezichtmaatregelen genomen om overtreding van de gebruiksnormen te voorkomen. Zij waren niet aanwezig bij het lossen van de mest en hebben dit toezicht ook niet door een ander voor hen laten doen. Dat de betreffende percelen op 20 kilometer van hun huiskavel liggen maakt niet dat dit niet van hen kon worden verlangd, nu zij zeggenschap over deze percelen hadden. Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat appellanten terecht als overtreder van artikel 7 van de Msw zijn aangemerkt.”

Het College is van oordeel dat in dit geval de overtreding in redelijkheid aan [naam 1] kan worden toegerekend. [naam 1] heeft geen enkele afspraak op schrift gesteld. Hij heeft geen voorzorgsmaatregelen getroffen voor toezicht op de aanvoer van de mest en heeft geen bewijzen gevraagd van de aangevoerde mest en de hoeveelheid stikstof en fosfaat die de mest bevatte. Hij heeft aldus geen enkele controle uitgeoefend. De mest is bovendien gelost over een periode van 29 april 2009 tot 23 juni 2009, waardoor hij in de gelegenheid was om tussentijds in te grijpen. De conclusie is dan ook dat hij niet de zorg heeft betracht die van hem verwacht mocht worden. Van het ontbreken van verwijtbaarheid is gelet daarop evenmin sprake. De minister was derhalve bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen aan [naam 1] wegens overtreding van artikel 7 van de Msw, in samenhang met artikel 8 van de Msw.

Bovenstaande geeft aan dat vertrouwen weliswaar goed is, maar wanneer de spreekwoordelijke mest aan de knikker komt, je met vertrouwen alleen niet ver komt en zowel op schrift als in acties het nodige moet kunnen worden onderbouwd waaruit blijkt dat de mest niet op de landbouwgrond die hoort tot het bedrijf terecht is gekomen.

 

Lees hier de volledige (tussen)uitspraak

 

RVO publiceert een aantal handhavingsmarges

Onlangs heeft RVO een aantal handhavingsmarges gepubliceerd die men toepast bij  de uitvoering en handhaving van de Meststoffenwet. RVO behandelt op de pagina een aantal correcties of handhavingsmarges. U kunt ze vinden op deze pagina. Concreet worden genoemd:

 

18%-correctie fosfaat bij voeren van brijvoer aan varkens

Brijgevoerde varkens leggen 18% meer fosfaat vast dan drooggevoerde varkens (11,9 vs. 10,1 g/kg levend gewicht); dit blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Omdat er meer fosfaat in het dier wordt vastgelegd, wordt er minder fosfaat uitgescheiden via de mest. Als u aannemelijk maakt dat de varkens gevoerd zijn met brijvoer, dan houdt RVO hier  de posten begin- en eindvoorraad dieren en aan- en afgevoerde dieren hier rekening mee door het forfait uit tabel 7 met 18% te verhogen.

 

Stikstofgat (staldieren)

De stikstofgatberekening is geïntroduceerd om rekening te houden met het verschil tussen de verhouding fosfaat/stikstof in de productie van staldieren en de afgevoerde mest van die dieren. Hoe zo’n berekening gaat, staat in deze voorbeeldberekening (pdf). Bij de afvoer moet worden uitgegaan van de afgevoerde bemonsterde dierlijke mest die niet behandeld is. Tot nu toe wordt de correctie voor het stikstofgat alleen toegepast op bedrijven met staldieren.

 

Bezinklaag (mestopslagen varkensmest)

Sinds een aantal jaren is het mogelijk een bezinklaag op te geven wanneer deze aanwezig is een mestopslag met varkensmest (zie Praktijkrapport Varkens 21 WUR ‘Bezinklagen en bemonstering van varkensmest’).  Voor de jaarlijkse aangroei van de bezinklaag gaan wij uit van 2 centimeter over de oppervlakte van de opslag (het volume). De gehalten voor stikstof en fosfaat worden vermenigvuldigd met factor 2. Dit leidt ertoe dat wij rekenen met de waardes in onderstaande tabel:

Diersoort Stikstofgehalte (kg/ton) bezinklaag Fosfaatgehalte (kg/ton) bezinklaag Jaarlijkse toename bezinklaag onderzoek (cm)
Guste en dragende zeugen 10,94 18,44 2
Kraamzeugen 15,54 38,72 2
Vleesvarkens 20,46 26,64 2
Opfokzeugen 10,54 35,36 2
Biggen 26,42 45,5 2

Onaannemelijke analysewaarden in aan- en afgevoerde vaste dierlijke meststoffen

Bij vaste dierlijke meststoffen is er een onderscheid tussen ’gewone’ vaste meststoffen en de dikke fractie na mestscheiding (koek na mestscheiding).

’Gewone’ vaste mest

Het kan voorkomen dat de aan-/afgevoerde vrachten vaste dierlijke meststoffen gehalten fosfaat en stikstof bevatten, die buiten de zogenaamde ‘grenswaarden’ vallen. Op basis van onderzoek van de Wageningen University Research (rapport 553 WUR ‘Grenswaarden voor N- en P-gehalte in vaste mest‘) past RVO.nl/NVWA onderstaande grenswaarden toe voor stikstof en fosfaat bij het beoordelen van gehalten vaste mest.

Grenswaarden voor stikstof en fosfaat in vaste mest

Stikstof (gram/kilogram) Fosfaat (gram/kilogram)
Diersoort Mestcode Minimum Maximum Minimum Maximum
Rundvee 10 27,2 9,45
Leghennen 31 9,46 60,3 5,81 64,3
32 14,3 57,0 10,2 47,9
33 17,4 64,5 13,5 51,0
35 13,6 53,5 12,7 50,7
Vleeskuikens 39 21,3 53,2 8,87 32,4
Varkens 40 54,2 27,2

Dikke fractie na mestscheiding (mestcode 13 en 43)

Voor vrachten dikke fractie na mestscheiding (mestcodes 13 en 43) gelden absolute bovengrenzen voor het fosfaatgehalte in dikke fractie na mestscheiding. Dit is het resultaat van onderzoek van de Wageningen University & Research. Uit het onderzoek volgen onderstaande bovengrenzen:

Grenswaarden voor fosfaat in dikke fractie na mestscheiding

Fosfaat (gram/kilogram)
Diersoort Mestcode Maximum
Rundvee 13 15,0
Varkens 43 31,0

Als de gehalten in vrachten gewone vaste mest buiten de grenswaarden vallen, gebruikt RVO het bedrijfsgemiddelde gehalte van overige van het bedrijf afgevoerde vrachten bemonsterd en geanalyseerde onbewerkte mest voor. Als gegevens van dergelijke vrachten niet beschikbaar zijn, gebruikt RVO  het desbetreffende forfait voor de afwijkende gehalten. Als de gehalten in dikke fractie na mestscheiding niet onder de absolute bovengrenzen vallen, gebruiken RVO daar geen alternatieve waarden voor. RVO houdt geen rekening met  vrachten met onmogelijke waarden en schrapt de vrachten volledig.

Dit betekent dus dat RVO stelt dat koek na mestscheiding afkomstig van rundveemest (mestcode 13) niet meer fosfaat kan bevatten dan 15 kg per ton en koek na mestscheiding van varkensmest (mestcode 43) niet meer dan 31 kg fosfaat.

Wie moet wat bewijzen ?

De verdeling van de bewijslast binnen de Meststoffenwet is soms lastig te bevatten. Of toch niet ? Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak waarbij men in de uitspraak een duidelijke uitleg van de bewijslast gaf in de context van de betreffende zaak.

Uit het strafrechtelijke onderzoek “Osagedoorn” bleek dat dierlijke meststoffen vermoedelijk fictief zijn afgeleverd op naam van diverse particulieren terwijl deze vrachten in waarschijnlijk zijn geleverd aan landbouwbedrijven. Een van die landbouwbedrijven is het bedrijf van appellant. Zowel in 2010 als in 2011 zijn vier vrachten dierlijke meststoffen geleverd op het adres van appellant waarbij op de van deze vrachten opgemaakte vervoersbewijzen niet de naam van appellant als afnemer staat vermeld maar een andere naam. Verweerder heeft deze vrachten gerekend als zijnde aanvoer voor het landbouwbedrijf van appellant en het bedrijf een boete opgelegd vanwege het overschrijden van de gebruiksnormen.

Appellant heeft gesteld dat de in geding zijnde vrachten mest niet aan hem zijn geleverd, maar dat [naam 2] deze mest heeft ontvangen. [naam 2] had in de bewuste jaren de betreffende mestput van appalant gehuurd. Appellant hoeft, zo stelt hij, om deze reden ook niet te bewijzen dat de mest niet op zijn land is uitgereden. Hij heeft de mest immers nooit ontvangen. Dit zou ook worden bevestigd door enkele getuigen, die hebben verklaard de betreffende mest te hebben uitgereden in een weiland in de buurt van appellant.

Een duidelijke uitleg door het CBb

Het College heeft overwogen dat de wetgever bij invoering van de gebruiksnormen is, uitgegaan van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van meststoffen, waaraan de agrariër die meststoffen gebruikt slechts kan ontkomen als aan de voorwaarden voor opheffing van het verbod is voldaan (naleven van de gebruiksnormen). De materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen ligt volgens dit systeem daarmee primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen.

Uit deze maatstaf volgt dat verweerder weliswaar moet aantonen dat de overtreding is begaan, maar dat de materiële bewijslast van de overtreding op de agrariër berust. Concreet betekent dit dat, indien verweerder de aanwezigheid van mest (door aanvoer of eigen productie) heeft aangetoond, wordt aangenomen dat deze mest in of op de grond van de betreffende agrariër is gebracht. Het is dan aan de agrariër om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht.

In de onderhavige situatie toont verweerder aan dat de mest is geleverd op de locatie van appellant. Vervolgens is het aan appellant om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht. Appellant wijst in dit kader op de omstandigheid dat hij de betreffende mestput had verhuurd aan [naam 2]. Daarbij wijst appellant op een huurovereenkomst en een betaling door [naam 2] aan hem. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de mest niet op zijn grond is uitgereden en dat er aanwijzingen zijn dat [naam 2] de in zijn opdracht in de mestput geloste mest weer heeft afgevoerd, dan wel heeft laten afvoeren.

Het College is van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mestopslag daadwerkelijk verhuurd is geweest aan [naam 2] . Appellant onderbouwt zijn stelling met een schriftelijke huurovereenkomst en een bankafschrift. Op die huurovereenkomst ontbreken evenwel gegevens met betrekking tot de huurperiode, de huurlocatie (er staat alleen ‘mestput’), de ondertekening door appellant en de datum van ondertekening. Op het bankafschrift staat dat appellant een bedrag heeft ontvangen voor ‘mestdistributie’. Hier blijkt geen verhuur van de mestput uit. Daarnaast onderbouwt appellant zijn stelling door te wijzen op verklaringen van derden. Het College merkt deze verklaringen echter aan als niet voldoende feitelijk en controleerbaar. Daarmee bewijzen deze verklaringen niet dat de in de mestput van appellant afgeleverde mest niet bij appellant is uitgereden.

Het College is van oordeel dat verweerder heeft aangetoond dat sprake is van de aanwezigheid van de mest en hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende aantoont dat de betreffende mest niet op of in zijn grond is gebracht.

lees hier de volledige uitspraak

Meer over mestboetes

‘Dit jaar zijn al 1.316 boetes opgelegd voor overtredingen van de Meststoffenwet. Het totaal daarbij opgelegde boetebedrag bedroeg € 8,6 miljoen’. Dat zei minister Schouten onlangs tijdens een interpellatiedebat in de Eerste Kamer. Een gemiddeld boetebedrag van zo’n 6.500 euro dus. Dat lijkt wellicht mee te vallen. Maar let op: Het boetebedrag varieerde tussen van € 100,- tot € 275.000,-. Veel lagere boetes en een aantal fors hoge boetes dus. Bovendien dient te worden opgemerkt dat in  een gegeven zaaknummer meerdere boetes kunnen worden opgelegd (bijvoorbeeld overtreding van de gebruiksnorm dierlijke mest, de gebruiksnorm stikstof, de gebruiksnorm voor fosfaat en de verwerkingsplicht) waardoor het totaal opgelegde boetebedrag aan een individueel bedrijf veel hoger kan zijn dan genoemde € 275.000,-.

In een aantal gevallen worden dus behoorlijk hoge boetebedragen opgelegd. De vraag die dan wordt gesteld is: kan dat zo maar en zijn die bedragen wel reëel?

Het doel van een bestraffende sanctie is duidelijk: het straffen van de overtreder en het ontnemen van eventueel onterecht genoten economisch voordeel. Maar voordat een bestuursorgaan een boete mag en kan opleggen moet worden getoetst of aan een aantal waarborgen wordt voldaan. Ook de hoogte van een boete is een onderdeel van een dergelijke waarborg.

Om de vraag te beantwoorden of een boete kan worden opgelegd moet eerst worden gekeken naar de wettelijke grondslag. Artikel 5:4 van de Algemene wet bestuursrecht geeft een bestuursorgaan de bevoegdheid tot het opleggen van een bestraffende sanctie. Dit kan echter niet willekeurig. In de eerste plaats moet sprake zijn van een overtreding van een wetsartikel. In de Msw is daarvan onder andere sprake indien niet wordt voldaan aan de gebruiksnormen (artikel 7 van de Msw) de verantwoordingplicht (artikel 14, eerste lid) of het niet voldoen aan de verwerkingsplicht (artikel 33a en verder). Bij een overtreding van onder andere deze artikelen geeft artikel 51 van de Msw het bevoegde gezag de bevoegdheid om voor de betreffende overtreding een boete op te leggen.

Vervolgens moet worden voldaan aan het zogenaamde ‘una via’ beginsel (de overheid moet een keuze maken tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke weg). Verreweg de meeste overtredingen van de Msw worden afgedaan met toepassing van het bestuursrecht. Binnen het  stelsel van de gebruiksnormen is weliswaar gekozen voor een systeem waarin overtredingen of  via het strafrecht of via het bestuursrecht gehandhaafd kunnen worden. De praktijk leert echter dat slechts in zeer ernstige gevallen wordt teruggevallen op het strafrecht.

Twee wat meer formele waarborgen die vervolgens gelden zijn dat de overtreder tijdig moet zijn gewezen op zijn zwijgrecht voordat hij wordt verhoord en dat moet worden voldaan aan het zogenaamde ‘ne bis in idem’ beginsel (niemand mag twee keer voor hetzelfde feit gestraft worden).

Tenslotte en dat is wellicht de belangrijkste voorwaarde of waarborg is dat sprake moet zijn van verwijtbaarheid. Verwijtbaarheid kan worden gevonden in het overtreden zelf, maar ook in het medeweten (het kennis hebben gehad) van of het achterwege laten van actie om een overtreding te voorkomen. Vrij breed dus.

Wordt onder andere aan bovenstaande voorwaarden voldaan, dan kan een boete worden opgelegd.  De vraag is dan nog de hoogte van die boete.  In de Msw liggen  de boetebedragen vast: ze zijn genormeerd en worden genoemd in artikel 57 van de Msw. De wetgever heeft daarmee zelf de afweging gemaakt, welke boete voor een bepaalde overtreding als evenredig kan worden beschouwd.

Niettemin moet bij het opleggen van de boete het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. Dit betekent, dat dient te worden getoetst of de uit de boetenormbedragen, voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot die omstandigheden behoren in ieder geval de aard en ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het toepassen van de normbedragen niet evenredig wordt geacht, is matiging van het boetebedrag gepast.

Met betrekking tot overtredingen van de Msw  is de insteek van het bevoegde gezag dat het niet naleven van de Meststoffenwet grote impact heeft op het milieu. Overtredingen kunnen leiden tot overbemesting en brengen daarmee de realisatie van milieudoelen in gevaar. Vanwege die reden acht het bevoegde gezag het opleggen van hoge boetebedragen gerechtvaardigd. Het is daarbij aan de overtreder om aan te tonen dat het opgelegde boetebedrag niet evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel, sprake is van een bijzondere omstandigheid (artikel 5.46 Awb) of het niet of verminderd aanwezig zijn van de verwijtbaarheid.

Kortom wanneer niet kan worden onderbouwd dat geen sprake is van verwijtbaarheid of wanneer zelfs opzet wordt aangenomen zullen – wanneer het bestuursorgaan aan de eerder genoemde voorwaarden heeft voldaan  – ook hoge boetes kunnen worden opgelegd.

Het is dan aan degene aan wie de boete wordt opgelegd om alle aspecten die verband houden met het geconstateerde, maar ook met de procedure en de motivering van de opgelegde boete te toetsen, te belichten, toe te lichten en te bestrijden.

 

Tijdige actie geboden bij hogere gehalten in aangevoerde mest

Een onzekere factor bij de levering van mest zijn de gehalten die volgen uit de analyse. Hoewel in de meeste gevallen daarvoor redelijk goed een bandbreedte kan worden aangegeven vallen de gehalten soms hoger of juist lager uit dan vooraf verwacht. Vooral bij hogere gehalten kan een situatie ontstaan waarbij daardoor de gebruiksnormen worden overschreden door de aanvoerende partij. Een vervelende situatie die  nog vervelender kan worden wanneer daar niet tijdig op wordt gereageerd. Dit blijkt ook uit onderstaand geschil waarin de Rechtbank Overijssel onlangs uitspraak deed.

[X] heeft in de periode van maart tot en met april 2012 ongeveer 600 ton mest geleverd aan [A]. Deze mest is gewogen en bemonsterd. Het gehalte aan fosfaat blijkt echter hoger dan verondersteld. Hierdoor heeft [A] de gebruiksnorm voor fosfaat overschreden en is hem een boete opgelegd.  [X] heeft op grond van het feit dat zij kippenmest van [A] heeft afgenomen een bedrag gevorderd. [A] heeft het betreffende bedrag niet betwist, maar heeft zich beroepen op een opschortingsrecht vanwege de haar opgelegde boete.

[A] voert aan dat [X] had moeten waarschuwen dat sprake was van afwijkende fosfaatgehalten in de betreffende mest. Het was volgens [A] op het moment van de ontvangst van de resultaten van de eerste levering onmogelijk om vast te stellen of de totale geleverde mest in overeenstemming zou zijn met de gebruiksnormen. Bovendien heeft [A] door drukte op het werk de onderzoeksresultaten niet direct gecontroleerd. Daar was volgens [A] ook geen aanleiding voor. Hij had immers afspraken gemaakt met [X] over de fosfaathoogte in de mest.

[X] stelt dat zij geen mededelingsplicht,  maar  [A] wel een onderzoekplicht,  had. [X] voert bovendien aan dat [A] te laat heeft geklaagd: pas in 2014, op het moment dat RVO het voornemen had om [A] een boete op te leggen. Door te laat te klagen is [X] de mogelijkheid ontnomen om schadebeperkende maatregelen te treffen en [A] te adviseren. [A] heeft niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht en zelf onvoldoende maatregelen getroffen teneinde (een definitieve) overschrijding van de fosfaatgebruiksnormen te voorkomen.

De rechtbank oordeelt als volgt: Artikel 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de koper geen beroep meer op kan doen op het argument dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.

[A] dient als akkerbouwer te voldoen aan de Meststoffenwet. In dat kader wordt op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet de mest die door [A] wordt aangevoerd onderzocht op het fosfaatgehalte en ontvangt [A] van dit onderzoek de resultaten. Als [A] niet voldoet aan de aan haar gestelde mestwaarden, kan zij een boete opgelegd krijgen. [A] heeft derhalve een eigen verantwoordelijkheid op de controle van de fosfaatgehalten in de aan haar geleverde mest. [A] had derhalve de onderzoeksresultaten sowieso moeten bestuderen. De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat [A] de onderzoeksresultaten had ontvangen, zij redelijkerwijs had kunnen ontdekken of de aan haar geleverde mest aan de overeenkomst beantwoordde. Vaststaat dat [A] dat niet heeft gedaan. [A] is er immers pas achter gekomen in augustus 2012, het moment waarop haar mestboekhouding werd bijgewerkt.

De rechtbank gaat er verder van uit dat de analysegegevens van de eerste vrachten in ieder geval vóór de latere mestleveringen van [X] aan [A]  bij [A] bekend hadden kunnen zijn. [A] had kunnen constateren dat de fosfaatwaarden afweken van hetgeen partijen met elkaar waren overeengekomen. [A] had op dat moment nog de tijd gehad om de daarop volgende mestleveringen te annuleren. Er zou dan sprake geweest zijn van een beperkte overschrijding van de fosfaatnormen, waarbij [A] zich eventueel had kunnen beroepen op de fosfaatverrekeningsregeling en er was [A] geen boete opgelegd.

[A] heeft aangegeven dat zij, als zij de analyses van de mest had bestudeerd, niet met één opslag had kunnen zien dat zij over het toegestane aantal fosfaten heen zou gaan. [A] had echter wel met één opslag kunnen zien dat de geleverde mest geen 2,9 kg fosfaat per ton bevatte, maar mest met een fosfaatgehalte van meer dan 4 kg per ton, derhalve aanzienlijk hoger dan partijen waren overeengekomen. Dat had [A] op dat moment moeten melden aan [X]. Op dat moment konden er nog maatregelen genomen worden, waardoor [A] geen boete opgelegd zou hebben gekregen. [A] heeft derhalve te laat geklaagd in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW. [A] kan er derhalve geen beroep meer op doen dat de door [X] geleverde mest niet beantwoordde aan hetgeen partijen waren overeengekomen. De rechtbank wijst op grond van het bovenstaande de vordering van [A] af.

 

De moraal van het verhaal is duidelijk: degene die mest aanvoert dient bij afwijkende gehalten (als daarover al iets is afgesproken) tijdig contact op te nemen met de leverancier van de mest. Alleen dan kan de schade worden beperkt en een claim in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW  worden voorkomen.

Lees hier de volledige uitspraak

De adviseur als medepleger

Adviseurs zijn over het algemeen zeer betrokken bij de bedrijfsvoering van hun cliënten.  Echter net zoals voor hun klanten geldt ook voor de adviseur daarbij het wettelijke kader. Wordt dat (bewust) overtreden dan kan dit worden gezien als medeplegen en dat kan (strafrechtelijke) gevolgen hebben voor zowel de adviseur als zijn of haar werkgever. Een voorbeeld daarvan is onderstaande zaak waarin het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) onlangs uitspraak deed.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was de situatie als volgt: een adviseur was in dienst van een advieskantoor. Een akkerbouwer had een bedrijf, waarvan het grootste deel van de percelen van het bedrijf was gelegen in Duitsland. Het advieskantoor verzorgde voor de akkerbouwer de mestboekhouding en de Gecombineerde Opgave. De laatste betrokkene is een veehouder. De veehouder dreef een varkens- en een vleeskuikenbedrijf. Hij besteedde de mestboekhouding en de Gecombineerde Opgave uit aan het advieskantoor.

Verder is in deze zaak van belang dat op grond van artikel 1A lid 1 onder a ii Verordening (EG) 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 (hierna verder aangehaald als ‘de Verordening’), niet-verwerkte varkensmest zonder voorgaande toestemming en zonder gezondheidscertificaat mag worden verhandeld wanneer deze bestemd is om te worden uitgereden op gronden van eenzelfde bedrijf, gelegen aan weerzijden van de grens tussen twee lidstaten en onder controle van de bevoegde autoriteit. In andere gevallen mag dit slechts na instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en lidstaat van bestemming en, op grond van artikel 7 lid 2 en artikel 8 lid 3 van de Verordening, mits de mest vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat. Deze regeling wordt wel de ‘grensboerenregeling’ genoemd.

In deze situatie kon van deze regeling gebruik worden gemaakt omdat kort samengevat het advieskantoor, akkerbouwer en veehouder heeft geadviseerd met elkaar een pachtovereenkomst aan te gaan en daarvoor de documenten (overeenkomsten, facturen) heeft opgesteld. Op die manier kon de veehouder niet-verwerkte varkensmest afvoeren onder de regels van de grensboerenregeling.

De percelen in Duitsland werden echter bewerkt door akkerbouwer, die ook de zeggenschap heeft behouden over hetgeen op die percelen werd geteeld. Gelet daarop kan volgens het oordeel van het Hof niet worden gesteld dat het daadwerkelijk ging om ‘eenzelfde bedrijf’ en zijn het pachtcontract plus de onderliggende facturen en documenten kennelijk slechts opgesteld om de schijn te wekken dat dit wel het geval was. Uit het voorgaande vloeit eveneens voort dat de Gecombineerde Opgave valselijk is opgemaakt voor zover het gaat over het gebruik van 45,44 hectare grond in Duitsland, nu daarin is opgenomen dat de veehouder 45,44 hectare grond in Duitsland in gebruik had, terwijl die grond daadwerkelijk in gebruik was bij de akkerbouwer.

Het advieskantoor heeft zich daarmee in het oordeel van het Hof schuldig gemaakt aan het adviseren omtrent  en daarmee het medeplegen van het opmaken en afleveren van een valse pachtovereenkomst, valse facturen en een valse Gecombineerde Opgave. Daarnaast acht het Hof medeplichtigheid bewezenverklaard aan het door veehouder verzenden van transporten onverwerkte mest naar Duitsland zonder inachtneming van de formaliteiten die gelden wanneer de grensboerenregeling niet van toepassing is.

De vraag die het Hof vervolgens beantwoord of deze verboden gedragingen, verricht door de adviseur, in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan het advieskantoor. Daarvoor dient vastgesteld te worden of die gedragingen plaatsvonden dan wel zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Het Hof is op basis van deze omstandigheden van oordeel dat de verboden gedragingen die door de adviseur zijn verricht in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon en daarmee aan het advieskantoor.

Lees hier de volledige uitspraak

Afwijzing vrijstellingsregeling AMvB grondgebondenheid is geen besluit

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak die handelde over de vrijstellingsregeling in het kader de AMvB grondgebondenheid.

De AMvB grondgebondenheid trad op 1 januari 2016 in werking en heeft  als doel grondloze uitbreiding op melkveebedrijven te voorkomen. Ten behoeve van deze AMvB is een artikel aan het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna: Ubm) toegevoegd: artikel 70a Ubm. Onderdeel van dit artikel is een voorziening dat bedrijven die aan konden tonen dat ze voor 30 maart 2015 financiële verplichtingen waren aangegaan om het gehele melkveefosfaatoverschot te (laten) verwerken in aanmerking komen voor een (tijdelijke) vrijstelling van deze AMvB grondgebondenheid. Deze vrijstelling wordt geregeld in het derde lid van het artikel.

Bedrijven die in aanmerking wilden komen voor de vrijstelling dienden voor 1 februari 2016, via een op de site van RVO beschikbaar gesteld formulier, een onderbouwd verzoek in te dienen. RVO besliste vervolgens of dit verzoek werd toe- of afgewezen.

Alleen tegen een formele beslissing staat bezwaar en beroep open.

In deze casus had een melkveehouder tijdig een dergelijk verzoek ingediend. De staatsecretaris wees het verzoek af. Deze afwijzing is vastgelegd in een brief, die door staatssecretaris is aangemerkt als een besluit, waartegen de mogelijkheid van bezwaar open stond. De melkveehouder heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Het bezwaar is door de staatssecretaris ongegrond verklaard. De melkveehouder heeft daarop beroep ingesteld bij het College.

In de procedure bij het College kwam de vraag aan de orde of de toewijzing of afwijzing van een verzoek om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de AMvB grondgebondenheid als een formeel besluit kan worden aangemerkt. Als geen sprake is van een formeel besluit, kan daartegen immers geen bezwaar en beroep worden ingediend.

Het College komt tot de conclusie  dat de toewijzing of afwijzing van een verzoek om vrijstelling van de AMvB grondgebondenheid geen formeel besluit is. Daarmee heeft de staatsecretaris een onjuiste waarde toegekend aan haar ‘beslissing’. Het College komt tot deze constatering omdat de regelgeving, in casu artikel 70a, derde lid, Ubm zelf al bepaalt wanneer de AMvB grondgebondenheid wel of niet van toepassing is. De toewijzing of afwijzing van een verzoek om vrijstelling van de AMvB grondgebondenheid verandert die in de regelgeving vastgelegde situatie niet. Daarom moet het schrijven van de staatssecretaris tot de toewijzing of afwijzing niet als een formeel besluit maar eerder als een ‘beoordeling’ of een ‘servicemelding’ moeten worden gezien. Dit betekent dat tegen de toewijzing of afwijzing van een verzoek ook niet de mogelijkheid van bezwaar en beroep open staat. Het door de melkveehouder ingestelde beroep wordt daarmee gegrond, maar niet ontvankelijk verklaard.

Het College stelt verder dat gelet op hetgeen in het verzoek voor vrijstelling is aangedragen, de staatssecretaris het verzoek ook op had kunnen vatten als een, eventueel nog aan te vullen, aanvraag om ontheffing op de grond van artikel 38, tweede lid, van de Meststoffenwet (de bevoegdheid van de staatssecretaris om ontheffing van het bij of krachtens de Meststoffenwet wet bepaalde te verlenen). Die zorgvuldigheid heeft de staatssecretaris niet in acht genomen. Het College bepaalt daarom dat de staatssecretaris in zoverre een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt dat het verzoek wordt aangemerkt als een aanvraag om in aanmerking te komen voor ontheffing op basis van artikel 38, tweede lid, van de Msw. Bij de behandeling van die aanvraag kunnen dan de aspecten naar voren kunnen komen die de melkveehouder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Tegen het besluit op dat bezwaarschrift staat vervolgens wel de weg van beroep bij het College open.

lees hier de volledige uitspraak