Onderzaai bij mais mislukt, wat nu?

Al eerder besteden we op deze website aandacht aan de gewijzigde verplichting tot de teelt van een vanggewas na maïs op zand- en lossgrond.  In het kort: aan de verplichting tot de teelt van een nagewas kan  op 3 manieren invulling worden gegeven:

  1. Door onderzaai van een vanggewas;
  2. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 1 oktober – een vanggewas in te zaaien;
  3. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 31 oktober –  een wintergraan te telen, waarbij het wintergraan als hoofdteelt gebruikt dient te worden in het volgende kalenderjaar.

Veel maistelers hebben vanwege de ‘deadline’ van 1 oktober gekozen voor onderzaai van een vanggewas.  De droogte van dit jaar heeft echter  als een van de gevolgen dat bij een groot deel van de percelen waarbij voor de optie van onderzaai is gekozen de opkomst van de onderzaai dit jaar is mislukt,  deels is mislukt of dreigt te zijn mislukt.

Wie daarbij redeneert ‘jammer dan’. Ik heb onderzaai gedaan en daarmee aan mij verplichting voldaan komt echter bedrogen uit. RVO en de NVWA stellen nadrukkelijk dat sprake dient te zijn van van een bedekte bodem. Wanneer de mais dan niet voor 1 oktober wordt geoogst betekent dit dat geen invulling kan worden gegeven aan de verplichting tot het tijdig (voor 1 oktober) inzaaien van een vanggewas. RVO heeft inmiddels deze situatie onderkend en aangegeven daar bij een controle rekening mee te houden.  Maïstelers bij wie de onderzaai is mislukt, mogen ook na 1 oktober – onder vaoorwaarden – opnieuw een vanggewas inzaaien of vanggewas bijzaaien.

 

 

RVO stelt nu dat bedrijven bij wie de onderzaai mislukt is  direct na de oogst een vanggewas mogen bijzaaien of opnieuw mogen inzaaien. Daarbij mogen de gewassen worden gebruikt uit de tabel. Wanneer maar een deel van de onderzaai is mislukt kan alleen dat deel van het perceel opnieuw worden ingezaaid. Wel is een nadrukkelijke voorwaarde dat bij controle aannemelijk kan worden gemaakt dat eerder onderzaai is verricht en dat er normaal gesproken een vanggewas zou moeten hebben gestaan.  Dit betekent dat aannemelijk moet worden gemaakt wie, wat, wanneer en hoe het vanggewas is gezaaid. .

Deze toezegging van RVO is in zekere zin in tegenspraak met de informatiebrief die RVO onlangs heeft gestuurd over het inzaaien van een vanggewas als hoofdteelt. Deze brief had uitsluitend betrekking op optie 3 van de mogelijkheden om te voldoen aan de verplichting (vanggewas als hoofdteelt). Het hier besprokene heeft uitsluitend betrekking op optie 1 (vanggewas door onderzaai).

 

 

Over het verbod van reformatio in peius

Het verbod van reformatio in peius is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kortweg houdt het verbod in dat het instellen van bezwaar er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de procedure gebruikt om een verslechtering van de positie van appellant te bereiken die zonder deze procedure niet mogelijk zou zijn. Het betekent dus bijvoorbeeld dat wie bezwaar maakt tegen een bestuurlijke boete niet naar aanleiding van hetgeen blijkt uit deze procedure een hogere boete krijgt opgelegd. Op het verbod is echter ook een uitzondering: wanneer een bestuursorgaan dat over het bezwaar oordeelt tevens bevoegd is tot het wijziging of intrekken van een beschikking is het verbod niet van toepassing.

Hierdoor kan in dergelijke situaties het instellen van bezwaar of beroep toch resulteren in een slechtere positie. Zoals blijkt uit een zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak deed.

Appellante exploiteert een melkveehouderij. In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 19.103 kg. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Als bezwaar is aangevoerd dat verweerder ten onrechte twee melkkoeien, die wel in de rundveestaat waren opgenomen, niet in de berekening heeft betrokken. Voorts stelt appellante in het bezwaar dat verweerder ten onrechte zes nog andere bij appellante op de peildatum aanwezige koeien als zoogkoe (categorie 120 van bijlage D) heeft aangemerkt en niet als melkkoe.

In de beslissing op het bezwaar heeft verweerder erkend ten onrechte de twee melkkoeien niet in de berekening te hebben betrokken. Het bezwaar aangaande de zes dieren geregistreerd onder categorie 120 wordt niet toegekend. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante daarop vastgesteld op 19.473 kg. Appellante heeft daarop beroep ingesteld.

Hangende het beroep heeft verweerder echter een nieuw besluit op bezwaar genomen. Verweerder is alsnog volledig tegemoet gekomen aan hetgeen door appellante in bezwaar is gesteld. Hij heeft in het vervangingsbesluit op basis van de door appellante in bezwaar overgelegde stukken ook de zes koeien die in de eerdere besluitvorming als zoogkoe zijn aangemerkt als melkkoe aangemerkt.

De toekenning van fosfaatrechten aan deze zes koeien heeft echter ook invloed op de gemiddelde melkproductie per melkkoe die daardoor lager uitkomt. Als gevolg daarvan valt het excretieforfait per dier in een lagere klasse en komt het toe te kennen fosfaatrecht uit op een lager aantal ten opzichte van de eerdere beslissing, namelijk op 19.374 kg. Appellante is daarmee – door het instellen van beroep – slechter af en betoogt dat dit in strijd is met het verbod op reformatio in peius.

Het College oordeelt echter  in deze situatie dat de verlaging van het fosfaatrecht van appellante in rechtens aanvaardbaar is. Het betreft een beschikking en zolang het besluit nog niet onherroepelijk is, mocht appellante er niet op vertrouwen dat het haar toegekende fosfaatrecht niet zou worden verlaagd op het moment dat verweerder hetgeen in bezwaar was ingediend opnieuw zou beoordelen. Dat verweerder in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan in bezwaar doet daar, volgens het College, niet aan af.

Deze uitspraak laat zien dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet in alle gevallen volledig risicoloos is en in sommige situaties toch ten nadele van appellante kan worden gewijzigd. Desondanks biedt het verbod, vooral bij bestuurlijke boetes een garantie die de vrees voor een verslechtering in de situatie vanwege de procedure weg neemt.

Lees hier de volledige uitspraak

Aanvullende voorwaarden bij nieuwe handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie

Op 12 juli 2019 is de nieuwe Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie gepubliceerd (hierna: Handreiking). Deze handreiking is de richtlijn voor melkveebedrijven die de BEX systematiek toepassen om daarmee aan te tonen dat de uitscheiding van stikstof en fosfaat lager is dan de forfaitaire normen. Voor bedrijven die over 2019 met de BEX-systematiek willen rekenen is het verplicht om de onlangs verschenen versie van de Handreiking tot te passen..

De nieuwe Handreiking bevat, zoals altijd bij een nieuwe versie, een aantal inhoudelijke wijzigingen of verbeteringen ten opzichte van de vorige versie. Opvallend bij deze versie is echter dat ook in de voorwaarden voor toepassing van de Handreiking een aantal aanvullende voorwaarden zijn toegevoegd.

Een van deze aanvullende voorwaarden is dat een bedrijf dat door middel van BEX methodiek de excretie van stikstof en fosfaat bij melkvee verantwoordt, de uitdraai van de resultaten van de BEX (via de Excretiewijzer, de KringloopWijzer of een ander programma met de berekeningswijze die in BEX is opgenomen) met de datum van uitdraai, op uiterlijk 1 februari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de BEX betrekking heeft,  in de administratie op moet nemen. Deze uitdraai – met een datum van vóór 1 februari,- dient altijd in de administratie bewaard te blijven, ook als blijkt dat op basis van een fout een nieuwe uitdraai na 1 februari wordt gemaakt om op te nemen in de administratie.

Een tweede procedurele voorwaarde die is toegevoegd aan de voorwaarden voor toepassing van de BEX is dat indien de Handreiking wordt gebruikt voor verantwoording van de lagere uitscheiding van stikstof en fosfaat, de daarin opgenomen invoergegevens over dieren, diervoeders en huisvesting gelijk dienen te zijn aan de invoergegevens die worden gebruikt voor de KringloopWijzer,  waarvan het resultaat over hetzelfde kalenderjaar ter beschikking dient te worden gesteld aan de afnemer(s) van de door geproduceerde koemelk. Hiermee legt de Handreiking een rechtstreekse koppeling met de Kringloopwijzer.

Beide aanvullingen lijken ingegeven door het feit dat de minister de borging van de BEX systematiek onvoldoende acht. Al eerder heeft de minister aangegeven dat de KringloopWijzer wel als voldoende geborgd werd geacht, maar de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie niet. Door de termijn van het opstellen te verkorten en de koppeling van invoergegevens tussen BEX en KringloopWijzer gelijk te stellen lijkt de minister de borging van de BEX te willen verbeteren.

Of wanneer niet aan deze voorwaarden ook kan of zal resulteren in het volledig afkeuren van een BEX berekening is de vraag. Immers zoals al eerder gesteld is de BEX van belang voor bedrijven waar sprake is van een  verschil tussen de feitelijke excretie van stikstof en fosfaat en de forfaitaire normen. Om dit verschil  te kunnen onderbouwen kan een beroep worden gedaan op de mogelijkheid van de zogenaamde ‘vrije bewijsleer’ die de Algemene wet bestuursrecht kent. De meest bekende methode van een dergelijke onderbouwing is de Bedrijfsspecifieke Excretie oftewel de BEX-berekening.

De reken- en verantwoordingswijze van de BEX-berekening kan worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze aan de hand waarvan bedrijven – gebruik makend van de Handreiking en de daarin genoemde voorwaarden – gemotiveerd en onderbouwd kunnen afwijken van de vastgestelde excretieforfaits voor melkveebedrijven. Hierbij wordt nadrukkelijk gesproken over een methode, niet over de of de enige methode. Er is immers sprake van vrije bewijsleer. Voor de BEX systematiek spreekt echter wel dat deze akkoord is bevonden door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM), breed wordt toegepast en, zoals reeds eerder vermeld, mag worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze voor de invulling van de zogenaamde vrije bewijsleer.

De vraag is of dat wanneer niet wordt voldaan aan de genoemde aanvullende voorwaarden of termijnen niet kan worden onderbouwd dat de mestproductie lager was en dus daarmee de inhoudelijke bewijsvoering niet zal worden geaccepteerd. Immers wanneer wel aan de overige inhoudelijke voorwaarden van de Handreiking wordt voldaan is de inhoudelijke onderbouwing op zich gelijk. Duidelijk is wel dat het niet voldoen aan de nieuwe procedurele termijnen zal leiden tot discussie en risico op afkeuring. Immers de veehouder zal aan moeten kunnen tonen dat sprake is van een juiste berekening en vooral correcte invoer.

 

Klik hier om de Handreiking te bekijken

De Handreiking taat ook online op drie pagina’s bij RVO:

 

Naast boete ook een randvoorwaardenkorting

Wie  een overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) begaat of niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit Gebruik Meststoffen (hierna: BGM) kan naast met een boete ook worden geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting op de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: GLB).

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Deze beheerseisen zijn door Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en bijlage 3 en bijlage 4 van deze uitvoeringsregeling en komen er – samengevat –  op neer dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen ervoor moet zorgen dat hij aan de gestelde regelgeving en voorwaarden van de uitvoeringsregeling voldoet.

Deze voorwaarden bestaan onder andere uit het voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit gebruik meststoffen (BGM), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm). Is dit niet het geval kan een korting worden doorgevoerd op deze rechtstreekse betalingen. Vaak betreft het dan een korting ter grootte van een percentage van 3%.

Voorgaande komt aan de orde in een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed. Verweerder heeft een randvoorwaardenkorting opgelegd aan appellante. Bij een bedrijfscontrole is geconstateerd dat voldoende opslagcapaciteit voor vaste mest ontbreekt, waarvoor verweerder een korting van 3% op de rechtstreekse betalingen heeft doorgevoerd.

Appellante heeft de niet-naleving betwist: volgens haar was de bestaande capaciteit van de mestopslag voldoende omdat enerzijds verweerder  de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest, kleiner is dan verweerder heeft berekend. Anderzijds stelt appellante dat de capaciteit van de mestopslagruimte op haar bedrijf toereikend is.

Wat betreft de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest overweegt het College dat verweerder deze heeft berekend op 263 m3, aan de hand van de rekenregels van artikel 28, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw en bijlage D, tabel I, kolom A, van de Uitvoeringsregeling Msw.

In artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat in vier gevallen de capaciteit van de mestopslagruimte kleiner kan zijn. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn:

a.       Indien kan worden aangetoond dat een contract voor afvoer van de extra mest is aanwezig is;
b.       Indien mest kan worden aangewend op een deel van de tot het bedrijf behorende bouwland of grasland waarvoor het uitrijverbod niet geldt
c.       Aangetoond kan worden het aantal tot het bedrijf behorende stallen kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan
d.       Aantoonbaar kan worden gemaakt dat in de periode augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren owrden gehouden.

Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij zich beroept op de uitzondering genoemd in het eerste lid, onder b. De enkele verwijzing door appellante naar de hopen vaste mest op de kopakker, die gereed zouden liggen om te worden uitgereden, acht het College als onderbouwing  echter onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder mogen uitgaan van een vereiste opslagruimte voor vaste mest van 263 m3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opslagruimte op het bedrijf voldoet aan die minimaal vereiste capaciteit. Allereerst moet worden vastgesteld dat het daarbij alleen gaat om opslagruimte voor vaste mest. De NVWA heeft over de bevindingen tijdens de controle een inspectieverslag opgesteld, waarin is vermeld dat de mestopslag voor vaste mest op het erf een inhoud heeft van 105 m3. Appellante heeft dit niet betwist. Wel betoogt zij dat ook de opslag van vaste mest op de kopakker moet worden meegerekend. Appellante heeft daarbij gesteld dat de opslag daar voldoet aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. In deze bepaling – een andere beheerseis waaraan een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt dient te voldoen op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.16, bij de Uitvoeringsregeling – zijn de eisen gesteld waaraan moet worden voldaan bij de opslag van agrarische bedrijfsstoffen op een onverhard oppervlak indien deze langer dan twee weken maar korter dan een half jaar worden opgeslagen. Eén van de eisen is dat het opslaan in elk geval zodanig plaatsvindt dat contact met hemelwater wordt voorkomen. Naar aanleiding van het betoog van appellante heeft de NVWA een aanvullend rapport uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2017.

In het aanvullend rapport is vermeld dat de mestopslag niet was afgedekt, zoals ook te zien is op de foto behorend bij het aanvullend rapport. Al daarom volgt het College het betoog van appellante niet dat voldaan is aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Dat er geen vloeistof van de mestvaalt in het oppervlaktewater is terechtgekomen, zoals appellante heeft betoogd, is niet relevant. Voor zover appellante lijkt te betogen dat niet hoefde te worden voldaan aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer, omdat de mest slechts kort op de kopakker werd opgeslagen, volgt het College appellantes redenering niet. In dat geval zou naar het oordeel van het College namelijk geen sprake zijn van opslagruimte voor meststoffen, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw, gelet op de definitie daarvan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, namelijk een ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de opslag van meststoffen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat reeds het storten van mest op de kopakker van die locatie een opslagruimte zou maken.

Verweerder heeft dus terecht het deel van de kopakker waar appellante de mest heeft gestort, niet meegerekend bij de vaststelling van de capaciteit van de mestopslagruimte. Nu de capaciteit van de mestopslagruimte op het bedrijf van appellante 105 m3 was, terwijl een capaciteit van 263 m3 vereist was, voldeed appellante niet aan de beheers-eis van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.18, bij de Uitvoeringsregeling en is de korting op de rechtstreekse betalingen terecht doorgevoerd.

Lees hier de volledige uitspraak

Vanggewas na mais: de regels op een rij

Sinds dit jaar zijn de regels rond het inzaaien van een vanggewas na maïs op zand en lössgrond enigszins aangepast. Verandering betekent altijd enige onduidelijkheid. Vandaar, hieronder  een samenvatting van de regels en de voorwaarden met betrekking tot het inzaaien van een vanggewas.

Waarom een vanggewas na maïs?

De wetgever stelt dat dat maïsteelt op zand- en lössgrond een groot risico voor uitspoeling van stikstof heeft. Mais stopt na juli met opnemen van stikstof, maar na die tijd komt er nog veel stikstof vrij. Deze stikstof blijft in de bodem achter die uit kan spoelen gedurende de winter. Om deze uitspoeling te voorkomen is de verplichting om  direct na de oogst van maïs op zand- en lössgrond een vanggewas telen ingevoerd. Dit vanggewas moet de dan nog in de bodem aanwezige stikstof vastleggen en daarmee behoeden voor uitspoeling.

Wil dit gebeuren dan moet het vanggewas zich voldoende goed kunnen ontwikkelen. Daarom zijn vanaf 2019 uiterlijke inzaaidatums voor het vanggewas gedefinieerd. Gezien het doel van het vanggewas mag, in tegenstelling tot een groenbemester, een vanggewas ook niet worden niet worden bemest. Bemesten mag pas weer als de uitrijdperiodes van het volgende kalenderjaar zijn ingegaan.

Uiterste inzaaidatum vanggewas

De uiterste inzaaidatum van het vanggewas na de teelt van biologische snijmaïs, korrelmaïs, suikermaïs, Corn Cob Mix of Maïskolvensilage is 31 oktober. Voor de teelt van een vanggewas na snijmais is de uiterste inzaaidatum 1 oktober.

Wijze van inzaaien

Aan de verplichting van het vanggewas na maïs kan worden voldaan door:

  • onderzaai tijdens de maïsteelt. Het is belangrijk om tussen de rijen maïs te telen, zodat de wortels van het vanggewas de bodem kunnen doorwortelen.
  • direct na de oogst van de maïs een vanggewas in te zaaien
  • direct na de oogst van snijmaïs wintergraan te telen als hoofdteelt voor het volgende kalenderjaar.

In alle situaties is goede landbouwpraktijk het uitgangspunt. Wanneer de inzaai ‘mislukt’ zal de teler moeten aantonen dat al de nodige moeite is gedaan om de opkomst van het vanggewas te laten slagen. Denk hierbij aan het gebruik van voldoende en goed zaaizaad en een geschikte machine.

Wanneer vanggewas uiterlijk inzaaien?

Er zijn verschillende uiterlijke datums om een vanggewas in te zaaien. De datum hangt af van het soort maïs dat u teelt en hoe het vanggewas wordt geteeld. In de tabellen hieronder is per maïssoort gegeven wanneer uiterlijk het vanggewas moet zijn ingezaaid en welk vanggewas mag worden ingezaaid. In de Gecombineerde Opgave geeft u bij het maïsperceel het vanggewas als volgteelt op. Doorgeven kan uiterlijk 1 oktober.

Vanggewas na snijmaïs

Onderstaande tabel geldt bij de teelt van  snijmaïs.

U teelt een vanggewas: door onderzaai direct na de oogst direct na de oogst als hoofdteelt
Wanneer uiterlijk zaaien 1 oktober
(geen uiterste oogstdatum)
1 oktober 31 oktober
Welk gewas zaaien Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Spelt
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst

 

Vanggewas na andere soorten maïs

Onderstaande tabel gebruikt u als u een van de volgende maïssoorten teelt: biologische snijmaïs, korrelmaïs, suikermaïs, Corn Cob Mix of Maïskolvensilage.

U teelt een vanggewas: door onderzaai direct na de oogst direct na de oogst
Wanneer uiterlijk zaaien 1 oktober
(geen uiterste oogstdatum)
1 oktober, onderstaande gewassen 31 oktober, onderstaande gewassen
Welk gewas zaaien Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Spelt
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst

Mengsel als vanggewas

Het is toegestaan  een mengsel van verschillende gewassen als vanggewas telen. Het mengsel bestaat dan wel voor ten minste twee derde uit een of meer vanggewassen uit de tabellen hierboven. Voorwaarde is dat ook dat het ingezaaide mengsel in het najaar tot ontwikkeling is gekomen.

Vernietigen vanaf 1 februari

Het vanggewas mag niet worden vernietigd vóór 1 februari van het volgende jaar. Het maakt niet uit of het vanggewas als onderzaai of direct na de oogst is  gezaaid. Is gekozen voor een vanggewas als hoofdteelt na snijmaïs, dan mag het niet worden vernietigd. Het gewas moet dan later in het jaar als hoofdteelt worden geoogst.

Gras ingezaaid?

Wanneer gras als vanggewas wordt ingezaaid, mag dit als veevoer worden gebruikt (weiden of maaien) in het volgende jaar. Wel moeten daarna de regels voor het scheuren van grasland  worden betracht. Als het gras wordt gebruikt als veevoer, ziet RVO dit vanaf 1 februari van het volgende kalenderjaar als tijdelijk grasland met alle bijbehorende regels en voorwaarden voor tijdelijk grasland.

Het is uiteraard ook toegestaan vanaf 1 februari van het volgende jaar het grasland te vernietigen en een ander gewas te zaaien als hoofdteelt voor dat jaar als u het vanggewas niet als grasland gebruikt. In die situatie gelden de regels voor het scheuren van grasland niet.

Controle en handhaving

Indien er geen of een onjuist vanggewas wordt geteeld, niet aan de uiterste inzaaidatum wordt voldaan of anderszins niet aan de regels rondom de teelt van een vanggewas wordt voldaan is sprake van een overtreding. Dit kan een boete en  mogelijk ook een randvoorwaardenkorting betekenen. Bovendien kan het gevolgen hebben voor de derogatievergunning. Opletten dus!

Hoe verder met mestboetes van voor 18 december 2018?

Zoals al eerder op deze site gemeld heeft het  College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) 18 december 2018 een drietal uitspraken gedaan die verregaande gevolgen (kunnen) hebben voor lopende procedures waarbij mestboetes zijn aangekondigd of al zijn opgelegd. Een kort overzicht over achtergrond en de gevolgen van deze uitspraken:

 

Handhavingsmarges
Wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd of het voornemen daartoe wordt aangekondigd bevat deze een berekening waaruit blijkt hoe men tot het boetebedrag is gekomen. In deze berekening worden bepaalde posten bijgesteld in het voordeel van betrokkene. Deze bijstellingen worden tolerantie-, zekerheids- of handhavingsmarges genoemd. Kort door de bocht kunnen ze worden vergeleken met de correctie die wordt doorgevoerd bij een snelheidsovertreding: de gemeten snelheid bedroeg 57 km per uur, gecorrigeerd wordt met 3 km per uur daarmee wordt een boete opgelegd voor een snelheid van 54 km per uur.

Bij mestboetes worden correcties doorgevoerd bij posten waarbij sprake kan zijn van enige onnauwkeurigheid door de wijze waarop ze zijn bepaald (vaak op basis van metingen of forfaits). Denk daarbij bijvoorbeeld aan posten als afvoer dierlijke mest, aanvoer kunstmest, aanvoer voedermiddelen of afvoer van dieren. Echter op basis van welke grondslagen die correcties tot stand komen werd daarbij niet bekend gemaakt. Men volstond met een korte tekst (onder het toelichtend rapport bij de boeteberekening): ‘Bij bepaalde posten heb ik de gegevens in uw voordeel bijgesteld. Dit betreffen de posten waar ik redelijkerwijs niet van u kan verwachten dat u de gebruikte gegevens kunt weerleggen. Voor de grootte van de bijstelling is de wetenschappelijk onderzochte standaardafwijking genomen die zou kunnen optreden. Vandaar dat u in de berekening gegevens zult tegenkomen die uiteindelijk in uw voordeel afwijken ten opzichte van de gegevens in uw eigen administratie.

Men hield de achtergrond en de omvang van de marges ‘geheim’ om daarmee anticiperend gedrag te voorkomen. In lijn met het eerdere voorbeeld: om te voorkomen dat iedereen 53 km per uur gaat rijden omdat dat binnen de toegestane marge is.

 

De uitspraken
Op 18 december 2018 deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak in een drietal zaken (ECLI:NL:CBB:2018:654, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:652). In deze uitspraken oordeelde het College dat wanneer een voornemen bestaat tot het opleggen van een boete voor overtreding van een artikel in de Meststoffenwet waarbij de bepaling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in mest een rol speelt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een beboetbare overtreding en wat de omvang daarvan is, de vermeende overtreder reeds op het moment van het voornemen op de hoogte moet worden gesteld van de inhoud van de tolerantie-, zekerheids- of handhavingsmarges die bij de toepassing van het betreffende artikel in de Meststoffenwet worden gehanteerd. Gebeurt dat niet, dan kan geen boete worden opgelegd en kan een reeds opgelegde boete niet in stand blijven.

De wijze waarop RVO omging met de handhavingsmarges voldeed daar dus niet aan. Pas op 15 juni 2018 heeft RVO een aantal van deze marges bekend gemaakt en op 28 december 2018 zijn de marges in haar volledigheid gepubliceerd op de site van RVO.

Het College is in de genoemde uitspraken van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Tenslotte stelt het College dat het overwogene daarmee ook geldt indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van haar uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na die uitspraak voert. De uitspraak van het College zegt daarmee niets over de gehanteerde marges zelf, maar uitsluitend op het feit dat ze niet bekend gemaakt zijn.

Een verregaande uitspraak dus, die naast voor de drie betrokken procedures gevolgen kan hebben voor een groot aantal procedures die in behandeling zijn. Daarbij dient in eerste instantie een onderscheid te worden gemaakt in procedures waar al een boete is opgelegde (boetebesluit genomen) en waar dat nog niet het geval is, maar al wel een voornemen tot het opleggen van een boete is verzonden (voornemen toegezonden).

Boetebesluit genomen (procedures in bezwaar, beroep of hoger beroep)
De vraag is hoe nu verder in een procedure waar het besluit tot het opleggen van een boete dateert van voor 18 december 2018? RVO geeft in eerste instantie niet direct uitsluitsel of de uitspraken consequenties hebben voor een individuele zaak. Men geeft aan zich te beraden. Daarnaast geeft men aan dat men per afzonderlijke procedure zal beoordelen of en welke gevolgen de uitspraken van het College hebben voor de betreffende procedure. RVO geeft tenslotte aan dit de komende weken te zullen beoordelen en op basis daarvan al dan niet het besluit tot het opleggen van een boete te zullen herroepen. Dergelijke herroepingen worden inmiddels al wel gedaan met een duidelijke verwijzing naar de uitspraken van 18 december 2018. De herroepingen komen afzonderlijk door: het besluit wordt herroepen, de boete komt te vervallen, een eventueel doorgevoerde korting op de betalingsrechten wordt teruggedraaid eventueel (teveel) betaalde boete wordt terugbetaald. Het is inmiddels ook duidelijk dat, volgens RVO, de uitspraken niet alle procedures zal betekenen dat het besluit wordt herroepen. Wanneer de berekening van het feit of aan een gebruiksnorm is voldaan niet wordt geraakt door de handhavingsmarges (bijvoorbeeld: geen afvoer van (bemonsterde) dierlijke mest, geen aanvoer van kunstmest, geen aanvoer van voedermiddelen in de berekening opgenomen) handhaaft RVO dat deel van haar boetebesluit. Zoals gezegd zal dit per zaak of procedure door RVO worden beoordeeld. Daarbij is het de vraag in hoeverre deze werkwijze zich verhoudt tot de uitspraken van het College.

 

Voornemen tot opleggen boete (zienswijze procedure loopt)
In zaken die nog in de fase van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete verkeerden op 18 december 2018 en waar eventueel al een zienswijze is ingediend heeft RVO betrokkenen een schrijven toegestuurd waarin wordt verwezen naar de uitspraken van het College. RVO stelt in haar schrijven: ‘De uitspraak geeft aanleiding kritisch naar het uitvoeringsproces te kijken. Hierdoor loopt de behandeling van uw zaak vertraging op en duurt het langer voordat we u van het vervolg op de hoogte kunnen stellen. Helaas kunnen we op dit moment nog niet aangeven hoe lang de vertraging zal duren’. Ook  voor dergelijke procedures is het dus nog even afwachten wat de gevolgen van de uitspraken van 18 december 2018 zullen zijn. Inmiddels heeft RVO in een aantal zaken het oorspronkelijke voornemen ingetrokken en een nieuw voornemen toegezonden. Ook hier is de vraag hoe deze werkwijze van RVO zich verhoudt tot de uitspraken van 18 december 2018 en de AWB.

 

Afgeronde procedures

Is de bezwaar-, beroeps- of (hoger)beroepsprocedure tegen een boetebesluit afgerond of is de procedure gaandeweg het traject gestaakt, dan bestaat de mogelijkheid dat betrokkene, de minister verzoekt terug te komen op het boetebesluit onder verwijzing naar artikel 4:6 eerste lid van Awb. In een dergelijk verzoek moet worden gemotiveerd op basis van welke  nieuwe feiten en omstandigheden,  een wijziging van het recht na het boetebesluit, die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd, dit gerechtvaardigd zou zijn.  Een dergelijke omstandigheid wordt een novum genoemd. Hier dient direct bij te worden aangetekend dat het College in beginsel een rechterlijke uitspraak geen novum vindt.  In bijzondere gevallen wordt een uitzondering daarop gemaakt. Het is vooralsnog niet duidelijk of de uitspraken van het College van 18 december 2018 worden gezien als een dergelijke uitzondering. Wellicht dus een kleine mogelijkheid.

 

Al met al: wordt vervolgd!

 

 

 

 

Een big van ‘circa 25 kilogram’

In Bijlage D, tabel III van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en Tabel 4 (“Diergebonden normen”) van de tabellenbrochure Mestbeleid, worden de verschillende diersoorten en –categorieën die onder de Meststoffenwet vallen gedefinieerd en omschreven. Zo zijn voor de diersoort varkens onder andere de diercategorieën fokzeugen, biggen en vleesvarkens gedefinieerd. Dit met de volgende omschrijvingen:

  • Fokzeugen inclusief biggen tot een gewicht van 25 kg (categorie 401):  “tenminste éénmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen of guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, waarvan de biggen worden gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg.
  • Biggen (categorie 407): “gespeende biggen die op ca. 6 weken zijn aangeleverd en worden afgeleverd op ca. 25 kg; ook op 6 weken aangeleverde biggen die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij, tot exact 25 kg”, en
  • Vleesvarkens (categorie 411) “varkens die worden gehouden voor de slacht vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot ca. 110 kg. Ook biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf exact 25 kg.”

In de omschrijving  voor de diercategorieën ‘biggen’ en ‘vleesvarkens’ is aansluiting gezocht bij de praktijk, waarin, biggen, die niet op het vermeerderingsbedrijf worden gemest, maar worden geleverd aan een mesterij. Deze dieren gaat over op een leeftijd van ongeveer 10 weken en wegen dan in de regel ongeveer 25 kg. Soms iets minder dan 25 kg maar soms ook zwaarder dan 25 kg: circa 25 kg dus. De omschrijving circa is dan ook opgenomen in de tabellen om tegemoet te komen aan de variatie die zich in de praktijk bij dit soort bedrijven voor kan doen.

Tussen big en vleesvarken bestaat wel een verschil  met betrekking tot het aantal benodigde varkensrechten op een bedrijf is er wel een verschil tussen big of vleesvarken: Een big tot circa 25 kg telt niet mee binnen de systematiek van de varkensrechten (ze vallen onder de noemer: fokzeug plus biggen), voor een vleesvarken is dit wel het geval en dient per gemiddeld gehouden vleesvarken één varkensrecht beschikbaar te zijn. Daarmee wordt de vraag relevant: wat wordt exact bedoeld met de omschrijving ‘circa 25 kg lichaamsgewicht’.

Het standpunt van de NVWA in deze is dat om tegemoet te komen aan de variatie die binnen een vermeerderingsbedrijf op kan treden  de biggen die bij het afleveren een gewicht hebben van tussen de 25 en 30 kg niet onder een andere diercategorie (categorie 411: vleesvarken) geregistreerd hoeven te worden. Biggen die bij afvoer van het bedrijf echter 30 kg of zwaarder wegen dienen als vleesvarken (categorie 411) te worden geregistreerd vanaf het gewicht van 25 kg.

Dit betekent dat wanneer koppel van 500 biggen word afgeleverd met een gewicht van gemiddeld 31,5 kilogram per dier, dit koppel vanaf het gewicht van 25 kg geregistreerd had moeten worden als vleesvarken. Uitgaande van een groei van 500 gram per dier per dag betekent dit een periode van 13 dagen vóór het aflevermoment. Dit betekent dit dat voor 500 dieren en 13 dagen extra varkensrechten nodig zijn. Dit betekent voor dit boorbeeld dat 17,8 varkensrecht nodig zou zijn geweest om deze dieren te houden. Dit is alleen voor het houden van dit koppel biggen. Als het vaker voorkomt dat een zwaardere koppel wordt geleverd of wanneer structureel zware biggen worden geleverd loopt dit aantal benodigde rechten snel op.

In dat kader is vervolgens van belang dat de NVWA een tolerantiegrens aanhoudt tussen het aantal geregistreerde varkensrechten en het aantal geconstateerd benodigde varkensrechten van 1%. Zeker voor bedrijven die structureel zwaar afleveren iets om nadrukkelijk rekening mee te houden.

 

RVO publiceert correcties voor gewogen en bemonsterde metingen

In een vorig bericht kwam al aan de orde dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) in een drietal uitspraken heeft aangegeven dat, in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie veehouders voldoende kans dienen te krijgen om zich tegen een aan zijn of haar mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelde het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

Eerder publiceerde RVO al een aantal van deze marges. Onlangs heeft men de overige marges en correctiefactoren gepubliceerd. Deze marges en correcties gelden voor de posten in de mestboekhouding waarbij sprake is een weging en/of een bemonstering. RVO past voor deze post een correctie in het voordeel van de betrokkene toe. Met andere woorden men houdt rekening met een onnauwkeurigheidsmarge. Dergelijke marges of correcties worden voor de volgende posten gehanteerd:

  • Aan- en afvoer dierlijke mest die gewogen en bemonsterd is.
  • Aan- en afvoer van kunstmest.
  • Aan- en afvoer van overige organische meststoffen (bemonsterd).
  • Aan- en afvoer van staldieren op gewogen gewicht.
  • Aan- en afvoer en eigen productie van gewogen diervoer/ruwvoer.
  • Afgevoerde eieren.

Al bij de inwerkingtreding van het stelsel van gebruiksnormen in 2006, zijn de correcties voor deze posten vastgesteld, pas nu zijn ze gepubliceerd. Dit zijn geen vaste percentages want ze hangen af van het aantal vrachten dat op de verschillende posten is aan/afgevoerd. In het document Hoe gaat RVO.nl om met nauwkeurigheid van hoeveelheden en gehalten geeft RVO aan hoe wordt omgegaan met de nauwkeurigheid van de bovenstaande posten. In het document staan ook rekenvoorbeelden.

Voor de overige posten in de mineralenbalans worden geen correcties ingebracht. Voor deze posten is het wel mogelijk om tegenbewijs te leveren met vrije bewijsleer. In de tabel hieronder leest u wat de correcties per post zijn. Als u een (voorgenomen) boeteberekening krijgt, leest u in de toelichting welke correcties wij toepassen.

Een korte samenvatting van de correcties per post staat is in onderstaande Tabel gegeven:

Type post Soort Post Grootheid
N= stikstof
P205= fosfaat
Percentage
Dierlijke mest Aan- en afvoer N, vaste mest 0,15
Aan- en afvoer N, overige mest 0,10
Aan- en afvoer P205, alle mest 0,10
Kunstmest Aan- en afvoer N en P205 0,02
Overige organische meststoffen Aan- en afvoer N en P205 0,10
Staldieren Aan- en afvoer Gemeten diergewicht 0,001
Aan- en afvoer Dieraantal 0,03
Diervoer: krachtvoer Aan- en afvoer N en P205 0,05
Diervoer: ruwvoer Aan- en afvoer N en P205 0,10
Productie N en P205 0,05
Afvoer eieren Afvoer Gehalte 0,02
Afvoer Gemeten gewicht 0,001

 

Geheime marges niet toegestaan

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft op 18 december 2018 in een drietal hoger beroepen de boetes voor overtreding van de Meststoffenwet geschrapt.

Het College oordeelde in deze uitspraken dat het de veehouders aan een redelijke mogelijkheid ontbrak om zich te verweren tegen het feit dat hun mestboekhouding niet sluitend was of niet werd voldaan aan de gebruiksnormen en de conclusie van de minister dat zij de Meststoffenwet zouden hebben overtreden.

Veehouders moeten een mestboekhouding voeren, waarin zij productie, afvoer en opslag van mest verantwoorden. Als die boekhouding niet sluit of de gebruiksnormen worden overschreden dan vormt dat een aanwijzing voor het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht (artikel 14 van de Meststoffenwet) of overtreding van de gebruiksnormen (artikel 7 gezien in samenhang met artikel 8 van de Meststoffenwet), maar er kunnen ook andere oorzaken zijn voor de niet sluitende boekhouding.

Omdat stikstof kan vervluchtigen en fosfaat kan bezinken of meer fosfaat kan worden vastgelegd dan in de normen is aangenomen, is het nodig om de binnen de Meststoffenwet gebruikte cijfers te corrigeren of een onzekerheidsmarge te betrachten. Daarnaast kunnen allerlei onnauwkeurigheden en (meet-)fouten optreden. Denk daarbij aan de afvoer van dierlijke mest. De minister hanteert derhalve marges om te voorkomen dat voor een papieren overtreding (hoge) boetes worden opgelegd, terwijl er geen sprake is van een overtreding van de regels en voorwaarden van de Meststoffenwet.

In de drie genoemde procedures betwisten de beboete veehouders dat zij niet zouden hebben voldaan aan hun verantwoordingsplicht of meer mest zouden hebben uitgereden dan de gebruiksnormen toe zouden hebben gelaten. De zaken werden door het College aangehouden en het College vroeg advies hieromtrent aan raadsheer advocaat- generaal Wattel. Die bracht daarover op 22 mei 2018 advies uit.

In de uitspraken van 18 december 2018  volgt het College dit advies van Wattel. Dit betekent dat het College het boetesysteem op zichzelf in overeenstemming acht met de in internationale verdragen verankerde grondrechten. Daarnaast oordeelt het College dat een veehouder in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie wel voldoende kans dient te krijgen om zich tegen de aan zijn mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelt het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

De minister hield aanvankelijk sommige marges geheim, zoals een stikstofgatmarge en zekere handhavingsmarges, om calculerend en anticiperend gedrag door kwaadwillenden te voorkomen met andere woorden om te voorkomen dat veehouders hun gedrag daarop zouden kunnen afstemmen. Daarmee, zo oordeelt het College, kunnen de boetes de toets der kritiek niet doorstaan en dat is voor het Colleges reden om de opgelegde boetes te schrappen.

Het feit dat RVO op 15 juni 2018 een deel van de gehanteerde ‘geheime’ marges alsnog heeft gepubliceerd doet daar volgens het College niet aan af.

Het College is van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Het in de vorige zin overwogene geldt dus ook indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van deze uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na deze uitspraak voert. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige uitspraken:

ECLI:NL:CBB:2018:652
ECLI:NL:CBB:2018:653
ECLI:NL:CBB:2018:654

 

Grondgebruikersverklaring ook schriftelijk beëindigen

Wanneer zogenaamde ‘losse grond’  tijdelijk in gebruik wordt genomen of uit gebruik wordt gegeven wordt dit vaak via een zogenaamde grondgebruikersverklaring geformaliseerd. Daarbij komt het regelmatig voor dat daarbij een stilzwijgende verlenging wordt afgesproken of de gebruikersverklaring wordt aangegaan ‘tot wederopzegging‘. Dat het verstandig is om ook een einddatum op te nemen in een dergelijke overeenkomst of de overeenkomst schriftelijk te beëindigen blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs uitspraak deed.

Appellante heeft op 12 mei 2016 een Gecombineerde opgave bij RVO ingediend waarin zij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor 2016, alsmede om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers heeft verzocht.

Bij primair besluit heeft RVO het door appellante opgegeven perceel 107 met een oppervlakte van 7,21 ha niet in deze aanvraag meegenomen, omdat appellante van dit perceel niet het gebruik en beheer had op 15 mei 2016, bij gebreke van een daartoe strekkende geldige juridische titel. De rechtbank had eerder al geconcludeerd dat appellante dit perceel voor de duur van zes jaar (ingaande op 1 november 2013 en eindigend op 1 november 2019) van [naam] had gepacht, maar [naam] en appellante hebben gelijktijdig een grondgebruikersverklaring getekend, op grond waarvan het beheer van perceel 107 tot wederopzegging weer bij [naam] is komen te liggen. Niet is gebleken dat deze grondgebruikersverklaring is geëindigd.

In beroep heeft appellante – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij vanaf 1 november 2013 pacht appellante perceel 107 van [naam] heeft gepacht. In 2014 en 2015 is het perceel krachtens een grondgebruikersverklaring bij [naam] in gebruik geweest. Appellante heeft deze grondgebruikersverklaring in november 2015 in goed overleg met [naam] per 1 januari 2016 mondeling opgezegd. Met ingang van die datum was appellante exclusief gerechtigd tot het gebruik en beheer van het perceel op grond van eerder genoemde pachtovereenkomst. Nu appellante op 15 mei 2016 perceel 107 in beheer had, heeft zij recht op de aangevraagde betalingsrechten en betalingen, aldus appellante.

Het College overwoog als volgt: Ingevolge artikel 33, eerste lid, van Verordening 1307/2013 geeft de landbouwer met het oog op de activering van betalingsrechten aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010, ECLI:EU:C:2010:606, Landkreis Bad Dürkheim, C-61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van zijn landbouwactiviteiten te gebruiken.

In artikel 15, tweede lid, van Verordening 639/2014 is bepaald dat als twee of meer aanvragers een aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten voor eenzelfde in het eerste lid bedoelde subsidiabele hectare indienen, het betrokken betalingsrecht wordt toegewezen aan de aanvrager die bevoegd is om te besluiten welke landbouwactiviteiten op die hectare worden verricht en die de uit deze activiteiten voortvloeiende voordelen geniet en financiële risico’s draagt.

Vast staat dat op de peildatum van 15 mei 2016 [naam] de eigenaar was van perceel 107. Ook indien de rechtsgeldigheid van de hiervoor genoemde pachtovereenkomst als uitgangspunt wordt genomen, laat dat onverlet dat met ingang van 1 november 2013 tussen [naam] en appellante een grondgebruikersverklaring is gesloten op grond waarvan het gebruik en beheer van perceel 107 weer aan [naam] toekwam. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de grondgebruikersverklaring per 1 januari 2016 door opzegging is geëindigd.

Uit een door appellante overgelegde verklaring van een loonwerker van 14 april 2017 waarin deze verklaart over de werkzaamheden die hij in opdracht van appellante op het betreffende perceel heeft verricht, kan dit ieder geval niet worden afgeleid. Mogelijk heeft appellante het perceel feitelijk gebruikt, maar dat enkele feit betekent niet dat appellante op basis van een geldige titel ook de bevoegdheid had om het perceel met een zekere autonomie voor de uitoefening van haar landbouwactiviteiten te gebruiken.

RVO heeft daarmee volgens het College terecht geoordeeld dat perceel 107 op 15 mei 2016 niet tot het bedrijf van appellante behoorde.

Lees hier de volledige uitspraak