Aanpassing uitrijdperiode op bouwland voorafgaand aan teelt van maïs op zand- en lössgronden

In het zesde actieprogramma is aangekondigd dat per 1 januari 2021 enkele maatregelen worden doorgevoerd rondom de teelt van maïs op zand- en lössgronden waarbij het principe van precisiebemesting uitgangspunt is: de juiste mest wordt op de juiste plaats, op de juiste manier, op het juiste tijdstip en in de juiste hoeveelheid toegediend om zo precies mogelijk te voorzien in de behoefte van gewas en bodem en daarmee emissies zoveel mogelijk te beperken.

Uit eerder wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het toepassen van rijenbemesting in maïs, een vorm van precisiebemesting, goed aansluit bij dit principe en tot een vermindering van  nitraatuitspoeling leidt

Uit recent onderzoek en praktijkervaringen van agrariërs komt echter naar voren dat rijenbemesting onder minder optimale omstandigheden tot verdichting van de bodem kan leiden en daardoor kan leiden tot minder opname van stikstof door het gewas met een grotere kans op nitraatuitspoeling naar het grondwater als gevolg.

Om op een andere manier invulling te geven aan precisiebemesting, wordt de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib voorafgaand aan de teelt van maïs op zand- en lössgronden aangepast. Op deze manier wordt het juiste tijdstip van toepassing gegarandeerd. Op bouwland, waarop dus geen gras als hoofdteelt staat, gelegen op zand- en lössgronden wijzigt de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib voorafgaand aan de teelt van maïs dan ook van 15 februari tot en met 15 september naar 15 maart tot en met 15 september. De kans dat nitraat en fosfaat uit- of afspoelen door neerslag neemt daarmee af, omdat de periode tussen bemesting en opname door het gewas korter is. Dit voor een periode van twee jaar. In het licht van de voorbereiding van de maatregelen uit het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn en de uitwerking van de contouren van het nieuwe mestbeleid wordt bezien of deze maatregel aanpassing behoeft.

Om handhaving mogelijk te maken, dient de landbouwer de voorgenomen teelt van maïs uiterlijk 15 februari te melden bij RVO.nl en daarbij de naam en het adres van de gebruiker van het desbetreffende perceel aan te geven. Ook dient hij via een kadastrale of topografische aanduiding aan te geven welk perceel het betreft en wat de oppervlakte van het perceel is waarop de maïs geteeld zal gaan worden. Indien drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib wordt uitgereden op dit gemelde perceel voorafgaand aan 15 maart, is de landbouwer in overtreding. Ook zal de landbouwer in overtreding zijn, wanneer blijkt dat maïs geteeld wordt op een perceel dat niet gemeld is. Omdat in de praktijk soms later dan 15 februari duidelijk wordt op welke percelen maïsteelt plaats zal vinden, is het mogelijk om de reeds gedane melding uiterlijk op 14 maart te wijzigen. Als de melding gewijzigd wordt is het telen van maïs als hoofdteelt op het desbetreffende perceel voor dat jaar niet meer toegestaan. Het is in dat geval wel mogelijk om het perceel voor 15 maart te bemesten met drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib.

Deze aanpassing van de uitrijdperiode op bouwland geldt alleen voor drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib. Belangrijke eigenschap van vaste dierlijke mest en steekvast zuiveringsslib is namelijk dat een groot deel van de stikstof in organische gebonden vorm aanwezig is en daardoor pas na langere tijd voor opname van het gewas beschikbaar komt. Ten slotte is voorzien in een uitzondering op de meldingsplicht en het verbod om in de periode van 16 februari tot en met 14 maart drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib te gebruiken op bouwland, gelegen op zandgrond of lössgrond voor de teelt van maïs overeenkomstig de biologische productiemethode en de teelt van suikermaïs onder folie. Deze teelten zijn niet verenigbaar met een bemesting na 14 maart.

Duidelijk is dus dat uiterlijk 15 februari 2021 de percelen waarop maïs zal worden geteeld dienen te worden doorgegeven aan RVO.nl. Hoe dat moet is nog niet bekend. RVO geeft op dit moment aan nog geen applicatie of werkwijze hiervoor beschikbaar te hebben. Wordt vervolgd dus…..

Lees hier het volledige besluit

Matiging van een boete vanwege onvoldoende financiële draagkracht

Bestuurlijke boetes die worden opgelegd voor overtredingen van de Meststoffenwet kunnen hoog zijn, zeer hoog zijn zelfs. Zo hoog zelfs dat betaling ervan de toekomst van een bedrijf meer dan in gevaar kan brengen.

Ook als er geen of weinig financieel voordeel is behaald kunnen de boetes torenhoog zijn. RVO stelt zich op het standpunt dat het feit dat weinig of geen economisch voordeel is behaald door een overtreding geen rol speelt bij het vaststellen van de hoogte van het boetebedrag. Kort door de bocht gesteld: De boetebedragen zijn  hard in de wet opgenomen en RVO past deze toe.

Uit bestendige jurisprudentie volgt wel dat de financiële positie van een bedrijf in het kader van het evenredigheidsbeginsel een omstandigheid kan vormen voor matiging of verlaging van het boetebedrag.  Op het bevoegde gezag dat een boete oplegt berust dan ook de taak om te beoordelen of de hoogte van een bestuurlijke boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft voor diezelfde overtreder.

Onder onevenredige gevolgen wordt verstaan dat de overtreder failliet gaat of dreigt te gaan. Of  dat door de betaling van de boete – en onder normale bedrijfsomstandigheden –  door vermindering van het bedrijfsresultaat, de betalingscapaciteit zo ver daalt dat het inkomen onder bijstandsniveau komt. Een gebrek aan draagkracht kan betekenen dat de boete met (maximaal) 50% verminderd wordt.

RVO onderzoekt bij het opleggen van boetes vanwege overtredingen van de regels en voorwaarden van de Meststoffenwet niet ambtshalve of de financiële positie van de overtreder door de voorgenomen boete zorgelijk wordt. RVO stelt dat het aan het bedrijf zelf is om aan te tonen dat sprake is van verminderde draagkracht. Op het moment dat een beroep op verminderde draagkracht wordt gedaan, moet betrokkene met financiële gegevens over de afgelopen drie jaren het ontbreken van financiële draagkracht aantonen.

Hiervoor moeten de volgende gegevens worden overgelegd:

  • originele inkomensverklaring van de belastingdienst van de afgelopen 3 jaar;
  • belastingaangiften van het bedrijf en, als dat van toepassing is, van de eigenaar/verno(o)t(en) van de afgelopen 3 jaar;
  • afschriften van alle bank- en spaarrekeningen van het bedrijf, van de eigenaar en, als dat van toepassing is, van de verno(o)t(en) van de laatste 3 maanden;
  • jaarrekeningen van de laatste 3 jaar, die bestaat uit de balans en de winst- en verliesrekening en de toelichting hierop (bij een rechtspersoon moet de jaarrekening opgemaakt zijn door een accountant);
  • verklaring van de gemeente over de WOZ-waarde van de onroerende goederen;
  • hypotheekoverzichten van de bank;
  • het meest recente taxatierapport van onroerende goederen van een erkende makelaar (maximaal 3 jaar oud);
  • optioneel: een vrijstelling van gemeentebelasting.

Bij voorbaat stelt RVO dat een bestuurlijke boete niet wordt gematigd op basis van draagkracht ingeval:

  • een zelfde of soortgelijke overtreding eerder is begaan (recidive);
  • een faillissement ook zonder een boete onvermijdelijk is;
  • het bedrijf failliet is;
  • het bedrijf in de schuldsaneringsregeling zit;
  • het bedrijf de gegevens niet volledig en/of niet naar waarheid doorgeeft of de bewijsstukken niet (volledig of toereikend) toestuurt;
  • de waarde van het vermogen, het inkomen en de overwaarde op de woning, de overwaarde op de bedrijfspand(en) en de overwaarde op de grond hoger zijn dan de boete.

 

Herbeoordeling uitspraken College van 18 december 2020 (vervolgd)

Naar aanleiding van de uitspraken van het College van 18 december 2018 heeft de minister alle opgelegde boetes wegens overtreding van de artikelen 7 en 14 van de Msw opnieuw beoordeeld.

Deze herbeoordeling heeft ertoe geleid dat ongeveer 80% van het aantal opgelegde boetes is komen te vervallen, 20% is (gedeeltelijk) in stand gebleven. Uiteindelijk zijn in 138 boetebesluiten waartegen bezwaar liep de boetes, geheel of gedeeltelijk ingetrokken.

Welke boetes zijn vervallen en welke niet, hangt af van de omstandigheden. Indien bijvoorbeeld alleen een marge is toegepast op de afvoer van mest, komt de gehele boete te vervallen. Indien een veehouder alleen meststoffen aanvoert vervalt de betrokken aanvoerpost. Zo wordt bijvoorbeeld de aanvoer van kunstmest is in mindering gebracht, maar de rest van het boetebesluit blijft in stand.

In een zitting van 26 juni 2020 hieromtrent is aangevoerd dat de minister hiermee heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur, omdat door het intrekken van zoveel boetes van toevalligheden afhankelijk is geworden wie er wel of niet is beboet en waarvoor. Hiermee zo is gesteld is geen invulling gegeven aan het gelijkheidsbeginsel, maar is sprake van willekeur in de handhavingspraktijk. In haar beslissing van 5 november 2020 heeft het College besloten het onderzoek naar de ter zitting besproken zaken te heropenen.

Een bestuursorgaan dient bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen (ECLI:NL:CBB:2018:145). Daarbij is onder andere het gelijkheidsbeginsel van belang. Dit gelijkheidsbeginsel strekt in het kader van het opleggen van bestuurlijke boetes niet zover dat (ECLI:NL:CBB:2018:401) dat de bevoegdheid tot het opleggen niet mogelijk is alleen  omdat een eventuele andere overtreder niet is beboet. Dit kan anders komen te liggen wanneer sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen en daarmee sprake is van willekeur in de handhavingspraktijk.

Om dit te kunnen toetsen, heeft het College de minister gevraagd inzichtelijk te maken waarom de minister  in het ene geval wel en in het andere geval geen gebruik heeft gemaakt van zijn boetebevoegdheid. De minister dient daarbij aan te tonen dat niet in strijd met het verbod van willekeur is gehandeld.

Het College heeft daarnaast aangegeven te vermoeden dat het al dan niet (gedeeltelijk) handhaven van deze boetes (grotendeels) afhangt van min of meer toevallige factoren, zoals of een veehouder (alleen) mest aanvoert, dan wel (alleen) mest afvoert, en in het laatste geval, of de afvoer van mest al dan niet forfaitair plaatsvond. Daarmee ontstaan verschillen in het handhavingsregime tussen veehouders die alleen mest afvoeren maar niet aanvoeren, veehouders die alleen mest aanvoeren, veehouders die zowel aan- als afvoeren, veehouders die forfaitair afvoeren en veehouders die niet forfaitair afvoeren. Deze verschillen in uitvoeringspraktijk zijn niet de bedoeling van de wetgeving geweest.

Het College betrekt hierbij nog dat, in samenhang met de hierboven geconstateerde verschillen, het gegeven dat al (ongeveer) 80% van de boetes is herroepen of anderszins vervallen twijfel oproept of bij de veehouders die nog wel beboet zijn dat als uitkomst van een consistent uitvoeringsbeleid van het door de wetgever in het leven geroepen handhavingsregime gezien kan worden.

Het College heeft in haar uitspraak van 6 november 2020 de minister in de gelegenheid gesteld om uiteen te zetten of, en zo ja, waarom nog sprake is van een consistent handhavingsregime in zaken voorafgaand aan de volledige openbaarmaking van de gehanteerde marges en haar reactie binnen zes weken te doen toekomen. Na ontvangst van de beantwoording van de minister zal appellanten worden verzocht daarop te reageren. Iedere verdere beslissing zal intussen worden aangehouden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Bewijslast datum inzenden bezwaar- of beroepschrift

De termijnen voor het instellen van bezwaar of beroep zijn ‘hard’. Wanneer een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend na de gestelde termijn, zonder nadere onderbouwing of verantwoording, zal het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. De bewijslast voor de tijdige verzending, berust bij de inzender zoals blijkt uit deze zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs uitspraak deed.

Het procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld. Appellant was het niet met de vaststelling eens en heeft hiertegen bezwaar ingesteld. Bij besluit van 14 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat zou zijn ingediend. Appellant heeft hierop beroep ingesteld.

De regelgeving
Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

Uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb volgt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd en niet later dan een week na afloop is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Het geschil
Bij besluit van 29 augustus 2018 heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 217 kg. Omdat appellant de dieraantallen waar verweerder zich bij de vaststelling van het fosfaatrecht op heeft gebaseerd onjuist acht, heeft hij hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit van 14 december 2018 niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder dit pas op 31 oktober 2018, en daarmee na verstrijken van de bezwaartermijn, heeft ontvangen. Verweerder stelt niet eerder een bezwaarschrift van appellant te hebben ontvangen.

Appellant voert aan dat verweerder zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij stelt zich, onder verwijzing naar artikel 6:11 van de Awb, op het standpunt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest, nu hij tijdig – namelijk al op 15 september 2018 – een bezwaarschrift heeft ingediend. Verweerder gaat volgens appellant bij de beoordeling van de tijdigheid van zijn bezwaarschrift ten onrechte uit van zijn brief van 30 oktober 2018, welke verweerder op 31 oktober 2018 heeft ontvangen. Hij wijst erop dat hij deze brief op verzoek van verweerder heeft opgestuurd, toen hij telefonisch bij verweerder informeerde naar de stand van zaken van zijn bezwaarschrift en bleek dat zijn brief van 15 september 2018 niet bekend was bij verweerder. Dat verweerder zijn brief van 15 september 2018 niet kan vinden of is kwijt geraakt, kan appellant niet worden verweten. Appellant benadrukt dat hij hierdoor nodeloos wordt belast, te meer nu de reden voor het indienen van het bezwaarschrift een rekenfout van verweerder is bij het vaststellen van het aan hem toekomende fosfaatrecht. Er spelen volgens appellant grote belangen voor zijn bedrijf.

De overwegingen van het College
Het College constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder het primaire besluit op 29 augustus 2018 op voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift op 30 augustus 2018 aanving en 11 oktober 2018 de laatste dag was waarop nog tijdig bezwaar gemaakt kon worden. Het op 30 oktober 2018 gedateerde, aangetekend verzonden bezwaarschrift is derhalve buiten deze termijn en daarmee te laat ingediend.
Voor zover appellant stelt dat hij reeds op 15 september 2018 een bezwaarschrift heeft ingediend, ligt het op zijn weg deze stelling aannemelijk te maken, aangezien hij zich beroept op het rechtsgevolg dat daaraan verbonden zou moeten worden, namelijk dat hij tijdig bezwaar heeft ingesteld. Daarin is hij niet geslaagd.
Hij heeft geen begin van bewijs aangeboden of geleverd dat hij eerder dan 30 oktober 2018 een bezwaarschrift naar verweerder heeft verzonden. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat uit informatie op de website van verweerder niet blijkt dat een bezwaar per aangetekende post moet worden verstuurd overweegt het College dat daartoe inderdaad geen verplichting bestaat. Dat neemt niet weg dat volgens vaste jurisprudentie het risico dat een per gewone post verzonden poststuk de ontvanger niet bereikt voor rekening komt van de verzender. Dat dit niet is genoemd op de website van verweerder is niet vereist en doet aan het voorgaande niet af. Appellant had ook op eigen initiatief voor aangetekende verzending kunnen kiezen. In wat appellant heeft aangevoerd ziet het College ook overigens geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

De moraal van het verhaal
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is een harde termijn. Wanneer die termijn wordt overschreden wordt het bezwaar of beroep niet ontvankelijk verklaard. Daarbij is het aan degene die het bezwaar of beroep instelt om aannemelijk te maken dat het op tijd is ingediend. Van belang is daarmee dat altijd kan worden aangetoond dat het geschrift tijdig ter post is bezorgd en tijdig is ontvangen. Dit kan bijvoorbeeld door een digitale inzending (bijvoorbeeld bij RVO) met ontvangstbevestiging, via aangetekende verzending (ook controleren op ontvangst) of verzending via de fax  (jazeker, ze bestaan nog).

Lees hier de volledige uitspraak.

Boetebeleid RVO Meststoffenwet

Deze site heeft als belangrijkste onderwerp wat er gebeurt wanneer RVO.nl constateert dat sprake zou kunnen zijn van het feit dat een agrarische ondernemer niet heeft gehandeld conform de regels van de Meststoffenwet. Wanneer RVO.nl deze mening is toegedaan, zal RVO.nl hiervoor boetes opleggen. Dit doet RVO.nl dan namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Soms gaat daar een onderzoek van de NVWA aan vooraf. Soms wordt een boete opgelegd naar aanleiding van een administratief onderzoek door RVO.nl zelf.

Voor het opleggen van boetes door RVO.nl is boetebeleid ontwikkeld. Dit boetebeleid van RVO op het gebied van de Meststoffenwet kent net zoals de regelgeving van de Mestbeleid vele facetten en aspecten.  Om de gangbare praktijk te bundelen heeft RVO.nl een document opgesteld waarin het  het boetebeleid dat RVO.nl voert, in aanvulling op het wettelijke kader, wordt beschreven.

Voor wie een uurtje of wat over heeft een interessant document om eens door te nemen of terzijde te houden als referentie.

Klik hier om het document te lezen of te downloaden.

Een herhaalde overtreding of herhaling van een overtreding?

Onlangs deed de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak in een zaak waarin onder andere het onderscheid tussen een herhaalde en een zelfstandige overtreding aan de orde kwam.

Eiseres heeft een vleesverwerkend bedrijf met onder meer een slachterij. Wanneer slachtvee (varkens en runderen) naar de slachterij wordt aangevoerd in veewagens, worden die wagens, nadat ze zijn gelost, ter plekke gereinigd en ontsmet. Daarbij wordt het in de veewagens gebruikte zaagsel uit de veewagens verwijderd. Dit zaagsel is tijdens het transport vermengd met uitwerpselen van het slachtvee. Sinds 2007 voert [bedrijf] B.V. (hierna: de vervoerder) dit mengsel van zaagsel en mest (hierna verder te noemen: ZM) af van de slachterij.

In het rapport van 12 december 2017 van de NVWA dat ten grondslag ligt aan de boete, staat dat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 voor 220 transporten van ZM door de vervoerder vanaf de slachterij geen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) zijn opgemaakt. De minister heeft eiseres hiervoor een boete van € 66.000,– opgelegd (220 maal € 300,–) en dat bij het bestreden besluit gehandhaafd.

In beroep heeft eiseres onder andere betoogd dat het niet proportioneel is dat de minister haar 220 keer eenzelfde boete heeft opgelegd. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de minister in een situatie waarin sprake is van een veelvoud van dezelfde overtredingen niet alle overtredingen beboet, maar slechts een beperkt aantal overtredingen, met dus als gevolg een veel lagere boete. Eiseres heeft als onderbouwing van dit betoog gewezen op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 april 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:1746). In die zaak was sprake van 187 overtredingen van artikel 57b van de Uitvoeringsregeling Msw (vervoer van dierlijke meststoffen buiten Nederland), maar heeft de minister slechts twee overtredingen beboet. Het beboeten van alle overtredingen werd door de minister onredelijk geacht.

Daarnaast heeft eiseres gewezen op twee gevallen die haar beroepshalve bekend zijn geworden, de zaken met nummers 2006002474 en 2017005818. In die zaken was sprake van onderscheidenlijk 168 en 25 overtredingen bij het opmaken van VDM’s, maar uiteindelijk is in beide zaken voor slechts twee overtredingen een boete opgelegd. Eiseres vindt dat de omstandigheid dat in haar geval de 220 overtredingen over een langere periode zouden zijn gepleegd, zoals de minister in het bestreden besluit als motivering heeft gegeven, niet rechtvaardigt dat elke overtreding moet worden beboet.

De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit als motivering van het standpunt dat het niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel om in dit geval alle 220 overtredingen te beboeten, heeft vermeld dat de overtreding langdurig heeft plaatsgevonden, omdat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 van 220 vrachten dierlijke mest geen VDM’s zijn opgemaakt. Ook heeft de minister erop gewezen dat elke zaak wordt beoordeeld naar zijn eigen feiten en omstandigheden en dat niet relevant is of de overtredingen opzettelijk zijn begaan. De rechtbank vindt dat de minister hiermee onvoldoende is ingegaan op het concrete beroep dat eiseres al in bezwaar had gedaan op de uitspraak van de rechtbank Overijssel. Het bestreden besluit is daarom niet voldoende gemotiveerd en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft de minister haar motivering hieromtrent aangevuld. De rechtbank zal daarom bekijken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Overijssel en de andere twee genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met de hier aan de orde zijnde zaak. In de zaak waarover de rechtbank Overijssel zich heeft gebogen, ging het om overtredingen die naar voren waren gekomen uit een administratieve controle van het systeem Client Export Mest waarin de exportmeldingen worden opgenomen. Die overtredingen waren gepleegd in een periode van één maand, namelijk in april 2015. In de hier aan de orde zijnde zaak gaat het om overtredingen die tijdens een fysieke controle zijn geconstateerd en zijn gepleegd over een langere periode. De twee andere zaken betroffen ook administratieve controles over een korte periode, namelijk in beide gevallen een maand. Dat ook in deze zaak sprake is van een administratieve controle omdat de administratie van eiseres is onderzocht, zoals eiseres tijdens de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. De minister heeft uitgelegd wat hij onder administratieve controle verstaat: dat is niet een controle in de administratie van een bedrijf, maar een controle van het Client Export Mestsysteem, waarin alle bedrijven hun gegevens moeten registreren. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan die toelichting.

De minister heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting ook toegelicht waarom dit onderscheid van belang is. Bij een controle van het systeem is op relatief eenvoudige wijze te achterhalen of er een overtreding is en in het geval van eiseres ligt dit anders. Er waren namelijk geen VDM’s geregistreerd, waardoor de overtreding niet eenvoudig was vast te stellen door raadpleging van het systeem. Door het niet opmaken van de VDM’s was er in feite sprake van heimelijke afvoer van dierlijke meststoffen die ook konden worden aangewend op de grond. Daardoor is meer dierlijke mest aangewend dan uit de administratie van eiseres zou blijken, terwijl het belang van een rechtmatig en terughoudend gebruik van meststoffen groot is. De meststromen van eiseres waren in de periode van 16 november 2016 tot en met 17 juni 2017 niet inzichtelijk, waardoor de meststroom niet in de gehele keten kon worden gevolgd. De minister heeft in het verweerschrift verder gewezen op intern beleid dat inhoudt dat er bij een rapport van de NVWA (een fysieke controle) voor wordt gekozen om alle overtredingen te beboeten, wanneer er voldoende aanknopingspunten zijn voor de opvatting dat de overtredingen bewust zijn begaan.

De minister vindt dat eiseres ervan op de hoogte moet zijn geweest dat er op een gegeven moment geen VDM’s werden opgemaakt voor ZM. Dat de vervoerder had aangegeven dat dit niet meer nodig was, vindt de minister niet geloofwaardig mede gelet op de verklaring van de salesmanager van eiseres dat het contract met de vervoerder niet was veranderd, dat het contract was voor de afvoer van ZM en dat dit ook zo in het systeem wordt gezet.

De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze uiteenzetting in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog genoegzaam heeft uitgelegd waarom de door eiseres genoemde gevallen voor de minister geen aanleiding hoeven vormen om slechts een beperkt aantal overtredingen te beboeten. De minister mag, zo oordeelt de rechtbank,  eiseres voor alle 220 overtredingen een boete. Van het 220 keer beboeten van één en dezelfde omstandigheid is daarbij volgens de rechtbank geen sprake.

 

Lees hier de volledige uitspraak

 

Dubbele, dubbele beboeting…mag dat?

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin sprake was van dubbele, dubbele beboeting voor dezelfde overtreding. Kon dit zomaar?

Wat was de situatie? Eiseres BV houdt zich onder meer bezig met de opslag van mest. Eiser is bestuurder van eiseres BV. Zusteronderneming BV, waarvan eiser eveneens bestuurder is, houdt zich onder meer bezig met mesthandel-, vervoers- en transportactiviteiten.

De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) heeft  eiseres BV gecontroleerd op naleving van de Msw. Daarbij is gebleken dat (onder andere) op elf vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) door de leverancier (feitcode M305) gegevens zijn gewijzigd of onleesbaar zijn gemaakt. Hiervoor wordt per VDM een boete van € 300,- opgelegd. In het totaal dus  € 3.300,-.

Dit boetebedrag wordt echter afzonderlijk opgelegd aan zowel eiseres BV, als aan eiser als bestuurder van eiseres BV, de zusteronderneming  BV en nogmaals aan eiser als bestuurder van deze zusteronderneming BV.

In beroep is door eisers BV aangevoerd dat hiermee sprake is van het meermaals straffen voor eenzelfde overtreding. Dit is  (het ne bis in idem principe) en daarnaast dat het boetebedrag onevenredig hoog is nu het bedrag viermaal wordt opgelegd.

De rechtbank merkt in dit kader op dat de overtredingen met betrekking tot de elf VDM’s afzonderlijk zijn begaan door eiseres BV als leverancier (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van eiseres BV)  en de zusteronderneming BV (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van zusteronderneming BV) en voor deze overtredingen afzonderlijk beboet.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de rechtspersoon en de leidinggevende van deze rechtspersoon voor de door hen afzonderlijk verrichte activiteiten en voor hun eigen rol in deze overtredingen beboeten. Eiser en eiseres BV zijn in dit verband als leidinggevende respectievelijk de rechtspersoon immers zelfstandige dragers van rechten en plichten. Ditzelfde geldt voor eiser en de zusteronderneming BV.  De rechtbank concludeert daarmee dat geen sprake is van dubbele beboeting en verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het CBb van 7 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:413).

Over de beroepsgrond dat het totaal opgelegde boetebedrag niet evenredig is overweegt de rechtbank dat artikel 5:46, derde lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Nu in Bijlage M van de Uitvoeringsregeling per feitcode vermeld staat welke wettelijke bepalingen zijn overtreden en welke boetes hieraan gekoppeld zijn is hier sprake van wettelijk vastgelegde boetes. Het is in dit verband aan eisers om op basis van bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken dat de van toepassing zijnde boetes met feitcodes M166 en M305 (€ 300,00 per overtreding) in deze zaken te hoog zijn (artikel 5:46, derde lid, van de Awb).

Met hun betoog dat sprake is van (tweemaal) dubbele beboeting hebben eisers, zo vat de rechtbank het betoog van eisers in dit verband op, de verwevenheid tussen de bedrijven enerzijds en met eiser anderzijds als bijzondere omstandigheid aangevoerd. Verweerder heeft met die verwevenheid bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen boetes geen rekening gehouden.

De beboeting leidt er gelet op deze verwevenheid toe dat eiser (via zijn ondernemingen) viermaal in zijn vermogen wordt geraakt (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de CBb van 7 augustus 2018 en de uitspraak van de CBb van 25 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:14). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de financiële verwevenheid in dit geval tot matiging moet leiden omdat het onevenredig is om eiser voor deze overtredingen viermaal in zijn vermogen te treffen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser feitelijk 100% aandeelhouder is van beide bedrijven (eiseres BV en de zusteronderneming BV). Dit zijn kleinschalige bedrijven die ook wat betreft het personeelsverband sterk met elkaar zijn verweven: bij beide bedrijven werken dezelfde twee vaste medewerkers, namelijk eiser en één werknemer (aangevuld met uitzend-/seizoensarbeiders). De overtredingen zijn feitelijk begaan door deze twee personen. De totale boete die voor deze overtredingen is opgelegd, staat daarmee, aldus de rechtbank,  niet meer in verhouding tot de ernst van de feitelijke gedraging. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de boetes voor feitcode M305 te matigen met 20%.

Lees hier de volledige uitspraak:

Redelijke termijn bij terugbetalen onverschuldigde boete

Wie een boete voor bijvoorbeeld het vermeende niet voldoen aan de gebruiksnormen krijgt opgelegd, dient ook wanneer hiertegen bezwaar wordt aangetekend de boete betalen of tenminste een regeling daarvoor te treffen. Wanneer betrokkene in bezwaar of beroep alsnog in het gelijk wordt gesteld wordt het onverschuldigde – maar al wel betaalde – boetebedrag (inclusief wettelijke rente) terug betaald. Dat dit niet altijd soepel verloopt en daarbij van belang is welk verzoek wordt gedaan en termijnen worden betracht blijkt uit onderstaande zaak waarin de Rechtbank Overijssel onlangs uitspraak deed.

In deze zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) bij besluit van 14 februari 2019 het bezwaar van appellant, gericht tegen een aan hem opgelegde boete wegens overtreding van de Meststoffenwet, gegrond verklaard en besloten dat de boete komt te vervallen. In dit besluit is aangegeven dat het al wel betaalde deel van de boete inclusief wettelijke rente zo spoedig mogelijk wordt terugbetaald.

Op 12 juni 2019 heeft betrokkene de minister een ingebrekestelling toegezonden met betrekking tot de terugbetaling van de reeds betaalde boete en het nemen van een beschikking tot vaststelling van de verschuldigde wettelijke rente. Op 26 juni 2019 heeft de minister het door opposant onverschuldigd betaalde boetebedrag aan hem terugbetaald.

Bij brief van 19 juli 2019 heeft opposant beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten aanzien van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:99 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij besluit van 2 augustus 2019 heeft de minister de wettelijke rente vastgesteld op € 454,56.

Bij uitspraak van 14 november 2019 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb (vereenvoudigde behandeling) het ingestelde beroep van 19 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is verzet gedaan.

De rechtbank is er bij haar niet-ontvankelijk verklaring van uit gegaan dat betrokkene met de ingebrekestelling van 12 juni 2019 pas voor het eerst en expliciet de minister heeft verzocht de wettelijke rente vast te stellen. Daarbij is van belang dat voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 4:99 van de Awb geen wettelijke termijn geldt, zodat de redelijke termijn van acht weken (als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb) van toepassing is.

Nu de minister op 2 augustus 2019 alsnog het gevraagde besluit heeft genomen en op die datum nog geen acht weken waren verstreken, heeft de minister tijdig op de aanvraag van 12 juni 2019 beslist.
Het beroep van 19 juli 2019 is ingesteld voordat deze beslistermijn (van acht weken) was verstreken en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

In verzet beslist de rechtbank als volgt: Paragraaf 4.1.3.2 van de Awb regelt de dwangsom voor bestuursorganen bij niet tijdig beslissen. Naar de letterlijke tekst lijkt art. 4:17 Awb slechts van toepassing op het niet tijdig geven van een (primaire) beschikking op een aanvraag. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter dat deze bepaling tevens van toepassing is op het niet tijdig geven van beslissingen op bezwaar tegen een beschikking op aanvraag. Hieruit volgt dat er sowieso een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb is vereist.

Indien een bestuursorgaan ambtshalve een besluit moet nemen, betekent dit dan ook niet dat hierop zonder meer paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is. Bij het uitblijven van een dergelijk besluit zal het bestuursorgaan eerst moeten worden verzocht – door middel van het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb – een dergelijk besluit te nemen. Indien het bestuursorgaan niet binnen de wettelijke termijn dan wel, binnen de redelijke termijn ex artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, een beslissing op die aanvraag neemt, is het bestuursorgaan in verzuim tijdig te beslissen. De dwangsomregeling kan vervolgens worden geactiveerd door het in gebreke stellen van het bestuursorgaan.

De rechtbank heeft de redelijke beslistermijn (te weten acht weken) ex artikel 4:13, tweede lid, van de Awb van toepassing geacht en heeft vervolgens geoordeeld dat de minister tijdig (dus binnen de termijn van acht weken na 12 juni 2019) de gevraagde beschikking ex artikel 4:99 van de Awb heeft genomen. De minister was dus niet in gebreke tijdig een besluit te nemen, zodat het beroep-niet-tijdig te vroeg is ingediend. Dit volgt uit artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Awb.

In verzet beslist de rechtbank dat terecht is geoordeeld dat het beroep is ingediend binnen de termijn die de minister ter beschikking stond, zodat het beroep niet-ontvankelijk is.

Lees hier de volledige uitspraak

De correctie voor het stikstofgat gecorrigeerd?

Een veel voorkomend fenomeen bij de uitwerking van de gebruiksnormenberekening op varkensbedrijven was dat uit de berekening naar voren kwam dat geen overschrijding had plaats gevonden van de fosfaatgebruiksnorm, maar wel van de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest. Dit terwijl er (meer) dan voldoende mest was afgevoerd. Een probleem dat er op wees dat de vaste norm voor de vervluchtiging van stikstof (de norm voor het stikstofverlies per dier) te laag werd vastgesteld ten opzichte van de verliezen die daadwerkelijk plaatsvonden op het bedrijf in kwestie.

Op grond van een toezegging van de toenmalige minister Veerman in 2006 werd hiervoor een extra afvoerpost toegepast die corrigeerde voor dit zogenaamde stikstofgat. Deze correctie voor het stikstofgat houdt in dat bij de berekening van de mestproductie wordt uitgegaan van de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de geanalyseerde mestafvoer. De op basis hiervan correctie wordt dan in mindering gebracht op de berekende stikstofproductie door de dieren.

Een voorbeeld:
De varkens op bedrijf X produceren – als uitkomst van de stalbalans – in een gegeven kalenderjaar 1000 kg fosfaat en 2000 kg stikstof. Op de grond die bij het bedrijf hoort kon in het totaal 55 kg fosfaat en 170 kg N worden geplaatst. De resterende mest wordt afgevoerd. Na analyse blijkt in deze afgevoerde mest  950 kg fosfaat en 1500 kg stikstof te zitten. De begin- en eindvoorraad dierlijke mest houden we in dit voorbeeld zowel qua hoeveelheid als qua samenstelling gelijk. In het totaal kan in dit voorbeeld  1005 kg fosfaat worden verantwoord en 1670 kg stikstof. Er resteert dus een hoeveelheid van 330 kg stikstof die niet is verantwoord en in de systematiek van de Meststoffenwet zou worden toegerekend als zijnde toegediend aan de eigen grond. Er zou dus geen fosfaat in dielijke mest zijn toegediend, maar wel stikstof. Dat is onlogisch.

Voor dit verschil werd gecorrigeerd met behulp van de eerder genoemde correctie voor het sitkstofgat. Dat gebeurde als volgt:

De verhouding tussen stikstof en fosfaat in de afgevoerde mest in het voorbeeld bedraagt: 1.500/950 = 1,58. De Wanneer deze verhouding op de fosfaatproductie wordt gelegd betekent dit: 1,58 * 1000 = 1580 kg stikstof. De ‘correctie voor het stikstofgat’ wordt berekend als het verschil tussen de werkelijke productie (2000) en de berekende productie op basis van de verhoudingen in de afgevoerde mest (1580) en bedraagt daarmee: 2.000 – 1.580 kg = 420 kg. Deze correctie wordt in mindering gebracht op de mestproductie door de dieren en daarmee wordt na correctie volledig aan de gebruiksnormen voldaan.

Nieuwe normen
Met ingang van 2020 zijn voor de diercategorie varkens nagenoeg alle normen voor stikstofverlies per dier aanzienlijk verhoogd. Soms wel met een factor 2 of 3. Hiermee wordt de productie van stikstof in mest (de uitkomst van de stalbalans) lager en zal in veel gevallen het eventuele stikstofgat minder groot zijn of zelf geheel niet meer voorkomen.

In  onderstaande tabel worden geactualiseerde stikstofcorrectie per diercategorie onderscheiden naar stalsysteem en mestsoort gegeven. Tussen haakjes staat de oude norm (2019) vermeld. Alle cijfers zijn gegeven in kilogram stikstof per gemiddeld aanwezig dier.

Drijfmest Vaste mest
Diercategorie Emissiearm Overig Emissiearm Overig
400 Fokzeugen excl. biggen 6,2 (2,0) 6,4 (4,5) 9,3 (2,1) 9,3 (3,8)
401 Fokzeugen incl. biggen 8,9 (2,8) 9,2 (6,2) 13,4 (2,9) 13,4 (5,3)
404 Opfokzeugen en beren van ca. 25 kg tot geslachtsrijpheid 5,0 (2,3) 5,7 (4,5) 6,5 (1,6) 6,5 (3,0)
406 Dek- en zoekberen geslachtsrijp 6,9 (3,9) 7,1 (5,2) 10,4 (3,5) 10,4 (4,5)
407 Gespeende biggen tot ca. 25 kg. Ander bedrijf 0,7 (0,4) 0,7 (0,8) 1,0 (0,4) 1,0 (0,7)
411 Vleesvarkens 4,0 (1,8) 4,6 (3,5) 5,2 (1,3) 5,2 (2,3)

 

Hiermee lijkt een hiaat in de Mestwetgeving gecorrigeerd. Het is echter op dit moment niet duidelijk hoe RVO vanaf nu omgaat met de correctie van het stikstofgat. Blijft die, ondanks de aanpassing van de normen, bestaan? Of rekent RVO vanaf nu (of met terugwerkende kracht) met deze normen? We houden het in de gaten.

Procesbelang gaat voor inhoudelijk belang

Een belangrijke regel in het bestuursrecht is dat er geen rechtsmiddelen open staan wanneer geen sprake is van voldoende procesbelang.  De achterliggende gedachte daarbij is dat degene die bezwaar of (hoger) beroep instelt, het daarmee beoogde resultaat (bijvoorbeeld het van tafel krijgen van een boete)  ook daadwerkelijk moet kunnen bereiken. Is dit niet het geval, dan heeft een inhoudelijke behandeling geen zin, zo stelt de wet. Dit betekent dat voordat een zaak inhoudelijk wordt behandeld, dient te worden getoetst of sprake is van voldoende procesbelang.

Dit geldt ook wanneer beide partijen (dus zowel appellant als verweerder) een inhoudelijke uitspraak voor staan, zoals blijkt uit een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed.

In deze procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld bij het College tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Nadat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, heeft het College verdere behandeling geschorst in afwachting van het advies van de raadsheer advocaat-generaal Wattel in een drietal vergelijkbare zaken, 15/382, 15/430 en 15/692. De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187). Naar aanleiding daarvan heeft het College op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de dire genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653, ECLI:NL:CBB:2018:654).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder heeft bij besluit van 12 februari 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen in de onderhavige procedure. De door appellante gemaakte bezwaren worden in die beslissing alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt herroepen. De door verweerder aan appellant opgelegde boete is daarmee komen te vervallen. Verder heeft verweerder de door appellant gemaakte proceskosten voor de bezwaarprocedure, de kosten van de beroepsprocedure en de procedure in hoger beroep alsmede het verschuldigde griffierecht aan appellant vergoed.

Bij brief van 13 maart 2019 heeft appellant aan het College kenbaar gemaakt het hoger beroep in te trekken, omdat de aan haar opgelegde boete is komen te vervallen en haar proceskosten zullen worden vergoed. Appellant heeft wel te kennen gegeven dat er nog wel een andere voor de rechtspraktijk relevante kwestie speelt, namelijk de vraag of met andere gehalten dan die bij analyse en bemonstering van afgevoerde mest zijn aangetroffen mag worden gerekend bij het opleggen van boetes op grond van de Meststoffenwet. Deze rechtsvraag speelt in tal van andere procedures. Ook verweerder onderkende dat en heeft het College verzocht om deze rechtsvraag te beantwoorden in een uitspraak.

Het College oordeelt echter dat geen sprake is van voldoende procesbelang en motiveert haar oordeel met verwijzing naar vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690), waarin wordt gesteld dat een belanghebbende alleen dan voldoende procesbelang heeft als het resultaat dat met het (hoger) beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor de belanghebbende feitelijk betekenis kan hebben.

Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang, aldus het College. Nu de aan appellante opgelegde boete is komen te vervallen vanwege het nieuw genomen besluit van 12 februari 2019 en daarbij tevens de proceskosten zijn vergoed alsmede het door appellante betaalde griffierecht heeft appellante derhalve geen procesbelang bij het door haar ingestelde hoger beroep.

Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Dus geen inhoudelijke uitspraak. Een dergelijke uitspraak zal moeten komen op het moment dat inhoudelijk vergelijkbare zaken in hoger beroep  zullen dienen voor het College.

Lees hier de volledige uitspraak.