AGR/GPS per 1 januari 2017 verplicht voor export vaste verwerkte mest [update]

Op 22 december 2016 is de regelgeving gepubliceerd waarin de exporteurs vaste rundvee- en varkensmest na mestscheiding worden verplicht om  hun transport materieel te hebben uitgerust mest AGR/GPS. Deze verplichting gaat in  per 1 januari 2017. Langs verschillende kanten is met verbazing gereageerd op de korte termijn tussen de publicatie in de Staatscourant en de datum waarop de maatregel van kracht wordt. Ook al is deze maatregel eerder aangekondigd, de verplichting is pas definitief wanneer de wijziging van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet ook als zodanig is gepubliceerd. In een aantal gevallen hebben exporteurs daarom gewacht met het nemen van maatregelen tot dit het geval was. Nu er maar 6 werkdagen zitten tussen de publicatie en de inwerkingtreding van de regelgeving zullen ze er niet in slagen tijdig aan de regelgeving te voldoen.

Vanuit verschillende kanten wordt dan ook aangedrongen op een overgangsregeling waarbinnen bijvoorbeeld alleen waarschuwend wordt opgetreden, maar geen boetes worden opgelegd. Maar laat duidelijk zijn: op dit moment is geen sprake van een dergelijke overgangsregeling en geldt dat vanaf 1 januari AGR/GPS verplicht zijn.

Onafhankelijk monsternemer

In dezelfde publicatie in de Staatscourant zijn ook de verplichtingen voor de onafhankelijk monsternemer beschreven. Duidelijk is dat dit systeem van bemonstering voor dikke fracties van rundvee- en varkensmest (na mestscheiding) en mengsels met deze dikke fracties zal gaan gelden vanaf 1 oktober 2017.

[update: 2 januari 2017]: Inmiddels heeft Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken aangegeven niet voornemens te zijn om het schrappen van de vrijstelling voor de AGR/GPS verplichting bij de export van vast bewerkte mest op te schorten. Hij wil de sector wel tegemoet komen in hun zorgen dat, vanwege de publicatie van de regeling aan het eind van het jaar, ondernemers niet tijdig kunnen voldoen aan de nieuwe voorwaarden. Hij heeft daarom toegezegd  vanaf 1 januari 2017 een periode te zullen hanteren waarin niet direct handhavend wordt opgetreden, maar waarin de sector in de gelegenheid wordt gesteld de benodigde apparatuur alsnog te laten installeren. RVO.nl en NVWA zullen in die periode alleen waarschuwen en geen boetes opleggen. Van Dam denkt hierbij aan een periode van 4 weken maar zal met de sector overleggen over wat realistisch is en daarover nader communiceren.

Lees hier de volledige publicatie uit de Staatscourant

Mestverwerkingspercentages 2017 bekend

Door middel van een brief gericht aan de Tweede Kamer heeft Staatssecretaris Van Dam de percentages  van het fosfaatoverschot dat veehouders in 2017 verplicht moeten verwerken bekend gemaakt.

Deze percentages hebben betrekking op dat deel van de geproduceerde fosfaat die niet op een bedrijf zelf kan worden geplaatst. Een deel daarvan moet verplicht worden verwerkt of moet men verplicht laten verwerken. Het doel van deze verplichting is het bereiken van evenwicht op de Nederlandse mestmarkt.

Jaarlijks worden de percentages verplichte mestverwerking vastgesteld op basis van actuele gegevens over de nationale fosfaatproductie en de plaatsingsruimte van fosfaat binnen de Nederlandse landbouw. De Commissie van Deskundigen Meststoffenwet stelt daartoe een advies opdat wordt getoetst in een klankbordgroep met sectorpartijen (LTO, NVV, NVP en Cumela).

De gebiedsindeling zoals die tot nu toe werd gehanteerd met betrekking tot de percentages blijft ook in 2017 gehandhaafd. In onderstaande tabel zijn de percentages en de ontwikkeling daarvan voor de verschillende gebieden, zoals die in de brief worden genoemd, weergegeven. Met betrekking tot 2017 valt vooral de stijging van de verwerkingsplicht in gebied Oost op.

mestverwerkingspercentages-2017

Deze stijging was echter al aangekondigd: de percentages liggen dicht bij de percentages die reeds aangekondigd waren in de brief over de percentages verplichte mestverwerking 2016. Daarin was sprake van 50% voor gebied Oost, 60% voor gebied Zuid en 10% voor gebied Overig. De nu vastgestelde normen wijken daar dus weliswaar iets, maar niet veel vanaf. De staatssecretaris heeft aangekondigd dat hij in de loop van 2017 opnieuw advies zal vragen over percentages voor verplichte mestverwerking in 2018 op basis van de dan actuele gegevens over de nationale fosfaatproductie en de plaatsingsruimte van fosfaat binnen de Nederlandse landbouw.

Onafhankelijke monstername bij dikke fractie verplicht in 2017

Al eerder berichtten we op deze site over het feit dat de internetconsultatie van de Wijzigingsregeling van de Uitvoeringsregeling is opengesteld. Hierin is onder andere opgenomen dat vaste mestmonsters van dikke fractie vanaf 2017 alleen mogen worden genomen door onafhankelijke monsternemers van een geaccrediteerde en erkende organisatie en niet meer door vervoerders zelf. De staatssecretaris wil deze regeling opnemen in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (URM) en per 1 januari 2017 in werking laten treden.

Met de nieuwe regeling willen de overheid en het bedrijfsleven de fraude met vaste mest terugdringen en de handhaving van het mestbeleid versterken.

Onder de nieuwe regeling is onafhankelijke monstername bij de afvoer van dikke fractie na mestscheiding vanaf het bedrijf verplicht. Het gaat hierbij om vaste mest bestaande uit koek na mestscheiding die valt onder mestcode 13 en mestcode 43 of een mengsel waarin mestcode 13 en/of 43 zit.

Naast vrachtbemonstering wordt het onder strikte voorwaarden waarschijnlijk ook mogelijk om een partij te bemonsteren. Dit mestmonster geldt dan voor meerdere vrachten van vaste dierlijke meststoffen uit de betreffende partij.

Op het moment dat de nieuwe regeling in werking treedt, moet een onafhankelijke monsternemende organisatie zijn erkend door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze erkenning kan vanaf (waarschijnlijk) begin november bij RVO worden aangevraagd.

Kosten

De kosten voor het aanvragen van de erkenning zijn € 1.312. De erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd en is niet overdraagbaar.

Verplichtingen organisatie

Een erkende onafhankelijke monsternemende organisatie heeft meerdere verplichtingen:

  • Deelname aan het harmonisatieoverleg tussen de monsternemende organisaties en het ministerie van Economische Zaken.
  • Gevolg geven aan de uitkomsten van dat overleg.
  • Zorg dragen dat onafhankelijkheid geborgd is. U garandeert bijvoorbeeld dat monsters genomen worden door een onafhankelijk persoon.
  • Zorg dragen voor het feit dat dat monsters genomen worden volgens de regels die gelden voor vrachtbemonstering en partijbemonstering
  • Houden aan de voorschriften in het accreditatieprogramma (AP06). Deze wordt later gepubliceerd.
  • Registratie van afwijkingen en bijzonderheden zoals:
    • afwijkingen van de werkwijze zoals beschreven in het accreditatieprogramma (AP06). Deze wordt later gepubliceerd.
    • afwijkingen van de bemonsteringsstrategie van de monsternemende organisatie.
    • bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen.

Van afwijkingen of bijzonderheden is bijvoorbeeld sprake als er gescheiden mest is opgegeven, maar ter plaatse blijkt het niet om dikke fractie te gaan. Wanneer afwijkingen of bijzonderheden worden geconstateerd mag de bemonstering niet worden uitgevoerd en dient de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) te worden geïnformeerd.

Voorwaarden monstername

Ook het nemen van een representatief monster is aan regels en voorwaarden geboden. Meer informatie over de voorwaarden van en regels bij de vrachtbemonstering vindt u door hier te klikken. Meer informatie over de voorwaarden van en regels bij de partijbemonstering vindt u door hier te klikken.

Internetconsultatie ‘bemonsteringssystematiek dikke fractie’ opengesteld

Op 16 juli jongstleden is een internetconsultatie opengesteld waarin een aantal wijzigingen aan de orde komen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet die met name betrekking hebben op de bemonsteringssystematiek van vaste mest (dikke fractie).

Met de wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt de bemonsteringssystematiek van vaste mest (dikke fractie) aangepast. De bemonstering van vaste mest wordt tot op heden door de vervoerder uitgevoerd. Hierdoor wordt in de ogen van de overheid de betrouwbaarheid van de bemonsteringsuitslag onvoldoende gegarandeerd en wordt mogelijk geen representatief beeld van de totale vracht gegeven. In het 5e Nitraat Actie Programma (hierna: NAP) heeft Nederland toegezegd dat er een systematiek zal worden ontwikkeld waardoor de kans op foutieve bemonstering wordt geminimaliseerd.

De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft met een brief van 20 november 2014 (Kamerstukken II 2014/15, 33037, nr. 136) en een brief van 13 oktober 2015 (Kamerstukken II, 2015/16, 33037- nr. 160) de Tweede Kamer aangekondigd dat de huidige bemonstering voor vaste mest wordt aangepast. De Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt zo aangepast dat alleen nog onafhankelijke monsternemende organisaties, zijnde organisaties die beschikken over een accreditatie en een erkenning, de bemonstering van vaste mest, bestaande uit dikke fractie na mestscheiding, mogen uitvoeren.

Volgens de voorliggende regeling moet dikke fractie, mestcode 13 of 43 (of een mengsel met deze mestcodes),  na inwerking treding van de aanpassing bij afvoer bemonsterd worden door een onafhankelijk monsternemer of een onafhankelijk en geaccrediteerde organisatie. Het is de bedoeling is dat op termijn alle vaste mestsoorten door een onafhankelijke monsternemer worden bemonsterd.  Het mestmonster moet volgens het voorstel per vracht tijdens het lossen worden genomen. Indien de mest naar het buitenland wordt gebracht, moet het monster tijdens het laden worden genomen.

Naast de bemonstering per vracht is onder voorwaarden ook partijbemonstering mogelijk. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

  • Er mag maar één partij mest op de locatie aanwezig zijn.
  • De afvoer van de gehele partij vindt plaats op één dag.
  • De partij mag tussen de monstername en afvoer niet van samenstelling wijzigen en ook niet worden verplaatst.
  • De periode tussen het moment van bemonstering en afvoer is maximaal 2 werkdagen.

Ook wordt de uitzondering voor verplicht gebruik van AGR/GPS apparatuur bij grensoverschrijding ingetrokken (TK 33037, nr. nr.160). Door de uitzondering kan de schijn gewekt worden dat mest buiten de landsgrenzen is gebracht. Met het schrappen van de uitzondering kan hierop beter toezicht worden uitgeoefend. Het besluit om AGR/GPS te verplichten voor export van bewerkte mest heeft tot gevolg dat 150 tot 300 transportmiddelen voorzien moeten worden van AGR/GPS-apparatuur.

Het is de bedoeling dat de nieuwe regelgeving per 1 januari 2017 wordt ingevoerd.

De consultatie heeft tot doel om belanghebbenden te informeren over de wijzigingsregeling en geeft de gelegenheid, te reageren en bezwaarpunten in te brengtn. Wie wil reageren kan dit doen voor 10 september 2016 en kan daarvoor gebruikmaken van deze internetpagina. Op deze pagina kan ook de tekst van de Ministeriële regeling worden geraadpleegd.

Stikstofgat: nadere onderbouwing vereist

Vooral in de sectoren waar de bedrijven beschikken over weinig – eigen – grond komt het regelmatig  voor dat de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de mestproductie hoger is dan de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de afvoer van de geproduceerde mest. Dit betekent dat structureel geen volledige verantwoording van de stikstof kan worden gerealiseerd. Deze omstandigheid wordt het aangeduid met de term stikstofgat.

stikstofgatOm voor dit zogenoemde stikstofgat te corrigeren, werd, op basis van een toezegging van de toenmalige minister Veerman, voor bedrijven met staldieren een extra correctie geïntroduceerd die is gebaseerd op de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de productie van de mest en de geproduceerde hoeveelheid fosfaat. Deze correctie en de daaruit volgende werkwijze was zowel in de praktijk als bij RVO algemeen geaccepteerd.

Maar zoals op deze site al eerder is besproken, is deze correctie beperkt (alleen voor staldieren) en niet juridisch verankerd in de Meststoffenwet of de onderliggende regelingen. Dit betekent dat de toekenning van een dergelijke correctie ter beoordeling is van RVO (het is geen recht). Dit geeft in de praktijk soms wat knelpunten en vraagt in een aantal gevallen om wat extra onderbouwing.

Sinds de komst van de verwerkingsplicht wordt op dezelfde groep bedrijven (staldieren met relatief weinig grond) meer mest gescheiden. Daarbij wordt de dikke fractie afgevoerd en wordt getracht zoveel mogelijk van de dunne fractie te plaatsen op de eigen grond. Daarbij is stikstof dan de beperkende factor. Er moet dus op worden gelet dat er niet teveel stikstof wordt toegediend op de eigen grond.

Voor de berekening van de correctie van het stikstofgat is van belang dat de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de afgevoerde mest verder afneemt. Zou de correctie volgens de Veerman-methode worden toegepast dan wordt de stikstof die in de dunne fractie terecht is gekomen als het ware ingerekend in de correctie. Dat is echter niet de bedoeling van deze correctie en in de praktijk zien we dan ook dat in dergelijke gevallen RVO de correctie niet meer toepast.

tabel stikstofgatIn dergelijke gevallen moet op basis van alternatieve cijfers worden onderbouwd dat toch sprake is van een stikstofgat en de omvang van dit stikstofgat kan worden onderbouwd. Een goede methode daarvoor is dit te onderbouwen op basis van de verhouding tussen stikstof en fosfaat in het resultaat van de stalbalans. Naar blijkt is de omvang van het stikstofgat gerelateerd aan de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de stalbalans. Een voorbeeld hiervan is gegeven in de Tabel hiernaast die is opgesteld op basis van de gegevens van een groot aantal vleesvarkensbedrijven.

Wat is de moraal van dit verhaal: De correctie voor het stikstofgat wordt niet zonder meer toegekend. Het simpelweg redeneren dat wanneer fosfaat is verantwoord, het met stikstof dan ook wel los zal lopen is dan ook wat kort door de bocht. Het niet-verantwoorde deel van de stikstof moet kunnen worden onderbouwd en die taak rust in eerste instantie op het betreffende veehouderijbedrijf. De andere kant van het verhaal is dat het bestaan van een stikstofgat algemeen is geaccepteerd en bij een goede onderbouwing een correctie hiervoor zeker mogelijk is.

Mineralenconcentraat als kunstmestvervanger

In de media wordt recentelijk volop gezinspeeld op een spoedige erkenning van mineralenconcentraat uit dierlijke mest als kunstmestvervanger. Ontwikkelingen in dit kader bewegen zich inderdaad in die richting, maar of dit op korte termijn zal resulteren in een feitelijke erkenning is maar zeer de vraag. Daartoe moeten nog een aantal hobbels worden genomen.

Onlangs is een wijzigingsvoorstel voor de Europese meststoffenverordening gepubliceerd. Doel van dit voorstel is de eisen die aan meststoffen worden gesteld binnen de EU te harmoniseren. Dit met als achterliggende doel de handel in meststoffen tussen landen eenvoudiger maken. Dus de handel, niet het gebruik. In het voorstel wordt namelijk geen relatie gelegd met het gebruik van meststoffen, zoals dit in de Nitraatrichtlijn wel het geval is. In een reactie heeft Nederland aangegeven dat de definities voor meststoffen uit de nieuwe meststoffenverordening ook zouden moeten worden overgenomen in de Nitraatrichtlijn, zodat sprake is van eenduidige regelgeving.

Ook maakt het huidige voorstel voor wijziging van de meststoffenverordening het nog niet mogelijk om mineralenconcentraat uit dierlijke mest onder de noemer van kunstmest(vervanger) te scharen. De producteisen (met name de gewenste concentratie) van samengestelde vloeibare anorganische meststoffen liggen in het huidige voorstel te hoog. Mineralenconcentraat kan niet aan die eisen voldoen: Om als vloeibare meststof te worden aangemerkt, moet een product minimaal 1,5 of 2% stikstof bevatten. De gehalten in de huidige mineralenconcentraten zitten daar een stuk onder. Om alsnog te kunnen voldoen zouden mineralenconcentraten verder moeten worden geconcentreerd (denk daarbij aan een factor 2 – 3 ten opzichte van de huidige concentratie). Daarnaast voldoet het product mineralenconcentraat op zichzelf niet aan de eisen voor een eindpunt in de verordening dierlijke bijproducten, wat ook nodig is om het als kunstmestvervanger te zien. Kortom er moet nog het een en ander gebeuren in het nieuwe voorstel en aan het mineralenconcentraat zelf voordat erkenning een feit kan zijn.

Een alternatieve route die nadrukkelijk in beeld komt, is om derogatie te verkrijgen voor mineralenconcentraat. Derogatie betekent in dit verband de toestemming om af te mogen wijken van de standaard stikstofnorm uit dierlijke mest van 170 kg N per ha en staat min of meer los van de derogatie die we kennen en geldt voor  graasdierbedrijven met een hoog percentage grasland in het areaal. In de derogatie voor mineralenconcentraat wordt de inzet om mineralenconcentraat toe te mogen dienen boven de gebruiksnorm van stikstof in dierlijke mest. Een officieel verzoek is nog niet ingediend, maar dit zal waarschijnlijk binnenkort gebeuren. Wanneer het verzoek zou worden gehonoreerd, zou dit op zijn vroegst in het volgende actieprogramma nitraatrichtlijn kunnen worden opgenomen. We spreken dan over de periode vanaf 2018.

Toch is de route via derogatie waarschijnlijk sneller dan de route via de Europese meststoffenverordening. De realistische tijdshorizon voor die laatste route zou (op dit moment) het jaar 2020 zijn. Tot die tijd is Nederland voor de afzet van mineralenconcentraten onder andere aangewezen op de pilot mineralenconcentraten en het creëren van extra ruimte (ten opzichte van de 10 producenten die er tot nu toe aan deelnemen) binnen die pilot.

Dashboard Meststoffenwet: Alle belangrijke cijfers in één oogopslag

De Meststoffenwet bestaat uit een verzameling regels en regelgeving. Aan elk van die regels moet worden voldaan. Maar het is ook regelgeving die onderling samenhangt: neemt het P-gehalte in het voer toe, dan neemt de fosfaatproductie door de dieren ook toe. Om aan de gebruiksnormen te kunnen voldoen zal dan  meer mest moeten worden afgevoerd, minder mest kunnen worden aangevoerd of zal de eindvoorraad dierlijke mest toenemen. Maar ook neemt (wellicht) de verwerkingsplicht toe, zijn dan extra VVO’s nodig en kan misschien minder of juist meer kunstmest worden toegediend. Gaat het ergens mis dan kunnen de financiële gevolgen behoorlijk zijn: van extra vervangende verwerkingsovereenkomsten die onverwacht op het laatste moment nog moeten worden aangeschaft tot een aanzienlijke boete die wordt opgelegd omdat niet aan alle voorwaarden van de Meststoffenwet is voldaan.

Kortom: Het is belangrijk om in de loop van het jaar tenminste de vinger aan de pols te houden en daarbij een aantal kengetallen te hebben die kunnen dienen als leidraad voor het bedrijf en de bedrijfsvoering. Met die gedachte in het achterhoofd is  het dashboard Mestwetgeving ontwikkeld: het geeft in één oogopslag alle informatie die u nodig heeft. Net zoals bij het dashboard van uw auto.

De beschikbare informatie omtrent het bedrijf (op basis van voorgaande jaren, uit het managementsysteem, uit ‘mijn dossier’, via CRV mineraal, etc) wordt verzameld en uitgewerkt tot een overzichtelijk schema: het dasboard. Een overzicht op één A4-tje met daarop de gegevens die van belang zijn voor de Meststoffenwet: de voorspelde mestproductie, de hoogte van de gebruiksnormen, de hoeveelheid af te voeren stikstof en fosfaat, de aan te voeren hoeveelheid kunstmest, de hoeveelheid te verwerken fosfaat of te verkrijgen verwerkingsovereenkomsten en – voor melkveebedrijven – de melkveefosfaatreferentie, de hoogte van het melkveefosfaatoverschot en de eventueel additioneel te verwerken mest: duidelijk, helder en direct praktisch toepasbaar.


20160420 voorbeeld dashboard mestwetgeving

Door een aantal keren per jaar de berekening te actualiseren komt u aan het einde van het jaar niet voor verassingen te staan. Bovendien kan het dashboard dienen als een schema om de bedrijfsvoering en –ontwikkeling en de gevolgen daarvan voor de Meststoffenwet te bespreken, te analyseren en verder te verbeteren en te vergelijken.

Het dashboard Mestwetgeving is er voor alle sectoren en landbouwbedrijven die met de mestwetgeving te maken hebben en wordt uitgewerkt per sector. Een voorbeeld van het dashboard is hierboven gegeven (klik op het plaatje voor een vergroting) voor een melkveebedrijf. Wilt u meer informatie over het Dashboard Mestwetgeving, neemt u dan contact met ons op.

Ontheffing mestverwerkingsplicht alleen in uitzonderlijke individuele gevallen

Stel je start met een aantal veehouders een project om een mestverwerkingsinstallatie van de grond te krijgen. Door omstandigheden kost de feitelijke realisatie echter veel meer tijd dan verwacht. Dan maak je dubbele kosten: de inleg voor de ontwikkeling van de nog niet operationele verwerkingsinstallatie is al geïnvesteerd en je moet jaarlijks kosten maken om alsnog te voldoen aan de mestverwerkingsplicht. Een (tijdelijke) ontheffing van de mestverwerkingsplicht zou hier enige verlichting in kunnen bieden. Over deze kwestie deed het College voor Beroep van het bedrijfsleven (hierna: CBb) onlangs een uitspraak.

Appellanten zijn enkele jaren gestart met een initiatief om te komen tot gezamenlijke mestverwerking en hebben daartoe een coöperatie opgericht. Het plan bevindt zich in de aanvraagfase. Appellanten hebben verzocht hen op grond van artikel 38, tweede lid, van de Meststoffenwet ontheffing te verlenen van de mestverwerkingsplicht. Zij hebben daartoe aangevoerd dat hun plan om gezamenlijk een mestverwerkingsinstallatie te bouwen tot nu toe niet is gerealiseerd vanwege druk van omwonenden en gebrek aan medewerking van de verschillende overheden. Door de betrokkenen zijn wel veel inspanningen verricht en investeringen gedaan.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen omdat er voldoende mestverwerkingscapaciteit is voor ondernemers om te voldoen aan de mestverwerkingsplicht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit tot de afwijzing van de ontheffing gehandhaafd.

In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid het verzoek om ontheffing heeft kunnen afwijzen. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij menen dat er, anders dan verweerder betoogt, onvoldoende mestverwerkingscapaciteit was. Bovendien bestaat er, mits de gebruiksnormen van de Meststoffenwet in acht worden genomen, volgens hen geen bezwaar tegen het verlenen van de ontheffing.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat er voldoende capaciteit is, en daarbij verwezen naar cijfers van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) en naar niet nader genoemde artikelen in de vakpers. Ondernemers kunnen bovendien ook via vervangende mestverwerkingsovereenkomsten hun mest laten verwerken. Van het verlenen van een ontheffing dient bovendien, volgens verweerder,  terughoudend gebruik te worden gemaakt.

goedgekeurd

Van een idee tot een goedgekeurde vergunning en een operationele mestverwerkingsinstallatie is een hele lange weg

Het College is van oordeel dat in de motivering van het bestreden besluit op het punt van de belangenafweging een passende verantwoording ligt besloten. Het College overweegt daartoe als volgt. Blijkens de memorie van toelichting (TK, 2011-2012, 33322, nr. 3, p. 15) is het doel van de invoering van een verantwoorde mestafzet de realisatie van een afname van de druk op de gebruiksnormen. Het wetsvoorstel beoogt eraan bij te dragen dat de milieuproblematiek veroorzaakt door mest wordt verkleind en dierlijke mest uiteindelijk weer een product van waarde wordt (Memorie van Toelichting, p. 3). Het belang van appellanten bij het verlenen van een ontheffing, gelegen in het feit dat zij naast de investeringen die zij hebben gedaan voor het realiseren van een gezamenlijke mestverwerking minder kosten hoeven te maken om het bedrijfsoverschot van mest een bestemming te geven, is niet zodanig zwaarwegend dat verweerder hier anders had moeten besluiten.

Verweerder heeft is er naar oordeel van het CBb daarmee terecht van uitgegaan dat een ontheffing, zoals hier gevraagd, alleen is bedoeld voor een uitzonderlijke individuele situatie.

Lees hier de volledige uitspraak.

Kan ik nog VVO’s registreren na afloop van een kalenderjaar?

vervangende verwerkingsovereenkomst

Een VVO moet worden afgesloten en geregistreerd binnen het kalenderjaar waarop deze van toepassing is.

In 2014 is de zogenaamde mestverwerkingsplicht ingevoerd. Deze verplichting geldt voor veehouders die met hun dieren meer fosfaat produceren dan op de bij het bedrijf geregistreerde grond mag worden geplaatst. Wanneer dat het geval is moeten deze veehouders, afhankelijk van de regio waarin ze zijn gevestigd, een deel van dit fosfaatoverschot laten verwerken. De mogelijkheden hiertoe zijn via rechtstreekse verwerking of export (vervoersdocument mest met opmerkingscode code 61), niet-rechtstreekse verwerking of export oftewel de zogenaamde driepartijenovereenkomst (afgekort: 3PO of DPO) of via de overdracht van de verwerkingsplicht naar een collega via een zogenaamde Vervangende Verwerkingsovereenkomst (afgekort: VVO). Op het niet of niet volledig voldoen aan de verwerkingsplicht staat een boete van 11 euro per kg te weinig verwerkte fosfaat.

Vooral voor staldierbedrijven of melkveebedrijven die gebruik maken van de bedrijfsspecifieke excretie is het lastig om vooraf te bepalen hoe hoog de fosfaatproductie in een gegeven jaar precies zal zijn. In een aantal gevallen kwam aan het na afloop van het jaar nog een spreekwoordelijk konijn uit de hoge hoed, waardoor de fosfaatproductie hoger bleek dan vooraf verondersteld: een sterke afwijking ten opzichte van vorig jaar, een vergeten vracht mineralen of voer dat niet in de initiële berekening was opgenomen, een hoger voerverbruik dan verondersteld, een tegenvallend BEX voordeel, etc. Het resultaat kan dan zijn dat er te weinig fosfaat is verwerkt. De vraag is vervolgens: kan die fout nog worden hersteld oftewel: kunnen  na afloop van een kalenderjaar nog mestverwerkingsovereenkomsten worden afgesloten en geregistreerd?

Het antwoord op die vraag wordt door RVO beantwoord met: Nee, u moet uw driepartijenovereenkomsten of VVO’s gedurende het kalenderjaar afsluiten en de gegevens daarvan tijdig registreren en insturen. Voor rechtstreekse transporten naar de verwerker of rechtstreekse export (vervoersdocument mest met opmerkingscode 61) geldt dat de gegevens van het vervoersdocument mest in verband met bemonstering, uiterlijk 30 werkdagen na transport moeten worden ingestuurd. Het transport zelf moet dan wel uiterlijk in het kalenderjaar waarvoor de mestverwerkingsplicht geldt zijn uitgevoerd.

verwerkingspercentages 2016

de ontwikkeling van de verwerkingspercentages in de verschillende gebieden (klik op de tabel voor volledige weergave)

Op verzoeken om de termijn voor registratie van VVO’s te verlengen tot bijvoorbeeld 1 februari en deze daarmee gelijk te trekken aan het inleveren van de aanvullende gegevens is niet tegemoet gekomen (voor driepartijenovereenkomsten geldt ook een leveringsplicht van mest, omwille van deze reden is het verzoek alleen gedaan voor VVO’s). Herstellen van een fout na afloop van het kalenderjaar wordt dus niet geaccepteerd door RVO. Dit betekent dat om een boete te beperken, in voorkomende gevallen zal moeten worden ingezet op matiging van een eventuele boete. Hiervoor kunnen nu al wel acties worden ingezet.

Aanmelden vrijstelling AMvB grondgebondenheid

koe in wei

Aanmelden voor de vrijstelling kan via de site van RVO

Met de vrijstelling AMvB grondgebondenheid mag het gehele melkveefosfaatoverschot worden verwerkt. Met andere woorden een bedrijf hoeft geen extra grond te verwerven of de fosfaatproductie van het melkvee te beperken om aan de AMvB grondgebondenheid te voldoen.

Voorwaarden voor vrijstelling
Bedrijven kunnen gebruik maken van de vrijstelling AMvB grondgebondenheid wanneer het bedrijf voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • Het bedrijf meldt zich voor 1 februari 2016 aan voor de vrijstelling
  • Het bedrijf stuurt voor 1 februari 2016 bewijsstukken op waarmee het bedrijf aantoont dat het bedrijf  voor 30 maart 2015 financiële verplichtingen is aangegaan om het volledige melkveefosfaatoverschot te laten verwerken.
  • Het bedrijf kan binnen 3 maanden na afloop van het kalenderjaar aantonen dat het bedrijf het volledige melkveefosfaatoverschot heeft laten verwerken door degene met wie het bedrijf de financiële verplichting is aangegaan.

Bewijsstukken
Met de aanmelding dienen bewijsstukken te worden meegestuurd waaruit blijkt dat er financiële verplichtingen zijn aangegaan. De bewijsstukken kunnen digitaal met de aanmelding naar RVO worden toegestuurd, of na de aanmelding per post aan RVO worden toegestuurd.

Bewijsstukken die kunnen worden overlegd kunnen bijvoorbeeld kopieën zijn van de relevante overeenkomst(en). Het kan daarbij gaan om contracten met een verwerker (VDM met code 61), bewerker (driepartijenovereenkomst) of landbouwer (vervangende verwerkingsovereenkomst). Uit de overeenkomst moet blijken dat er voor 30 maart 2015 financiële verplichtingen zijn aangegaan om het gehele melkveefosfaatoverschot te laten verwerken. In de contracten moet duidelijk vermeld staan voor welke jaren de financiële verplichtingen zijn aangegaan.

Binnen 3 maanden na afloop van elk kalenderjaar moeten vervolgens de bewijzen worden ingestuurd. Uit deze bewijsstukken die dienen te worden toegezonden aan RVO moet blijken dat het gehele melkveefosfaatoverschot over het afgelopen kalenderjaar is verwerkt door de partij waarmee  de financiële verplichting is aangegaan. De eerste keer is dit dus na afloop van het jaar 2016. RVO moet dan de betreffende stukken dus voor 1 april 2017 hebben ontvangen.

De financiële verplichting dient dus te zijn aangegaan voordat de precieze omvang van het melkveefosfaatoverschot van de komende jaren bekend is. Uit de overeenkomst moet desondanks blijken dat deze betrekking heeft op het hele verwachte melkveefosfaatoverschot van het bedrijf.