analysegegevens grond verplicht verstrekken?

Ben je verplicht analysegegevens van de grond te verstrekken als  je ze wel hebt, maar er geen gebruik van hebt gemaakt en ze je ook niet beter uitkomen? Over deze vraag deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak.

Appellant exploiteert een melkveehouderijbedrijf. In de Gecombineerde Opgaven van 2013 en 2014 heeft hij vermeld dat fosfaatdifferentiatie voor zijn percelen niet van toepassing is. Hij heeft daarmee gebruik gemaakt met de fosfaatgebruiksnorm voor de fosfaatklasse ‘hoog’.

De staatssecretaris heeft door middel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: verweerder) appellant een aankondiging melkveefosfaatreferentie (hierna: MVFR) gestuurd. Deze was opgebouwd uit de forfaitaire mestproductie van het in 2013 gehouden melkvee minus de fosfaatruimte in 2013. Bij primair besluit heeft verweerder de MVFR vervolgens ongewijzigd vastgesteld op 531 kg fosfaat.

stel je hebt een grondmonster. Ben je dan verplicht die te verstrekken en te gebruiken?

Stel je hebt een grondmonster. Ben je dan verplicht die te verstrekken en te gebruiken?

In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant aangevoerd dat hij een berekening van de fosfaatruimte wenst op basis van actuele cijfers van zijn grondmonsters. Daartoe heeft hij analysecijfers van de grond verstrekt. Verweerder heeft vervolgens de MVFR opnieuw berekend op basis van deze door appellant verstrekte gegevens en bij bestreden besluit  de MVFR verlaagd tot 0 kg.

In beroep voert appellant aan dat verweerder de MVFR ten onrechte heeft verlaagd. Appellant maakte in 2013 geen gebruik van fosfaatdifferentiatie voor zijn percelen. Hij heeft deze gegevens in bezwaar alsnog overgelegd in de veronderstelling dat dit hem een hogere MVFR zou opleveren. Een foutje dus.

Verweerder heeft het beroep van appellant opgevat als een beroep op het verbod van reformatio in peius (het recht waarmee de situatie wordt aangeduid dat appellant door het instellen van bezwaar of beroep er slechter voor komt te staan dan wanneer hij dat niet had ingesteld). Naar de mening van verweerder is dat verbod niet geschonden. Appellant was op grond van artikel 32 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, gelezen in samenhang met artikel 8, aanhef en onder c, en artikel 11 van de Meststoffenwet immers verplicht deze gegevens aan verweerder te verstrekken. Nu dit alsnog is gebeurd  acht verweerder zich (ambtshalve) bevoegd en verplicht het primaire besluit ten nadele van appellant te wijzigen. Gelet hierop is geen sprake van schending van het verbod van reformatio in peius, aldus verweerder.

Het College oordeelde als volgt: Op grond van artikel 21a van de Msw verleent verweerder aan een landbouwer die in het kalenderjaar 2013 melkvee hield een MVFR. Het tweede lid van die bepaling houdt in dat de MVFR wordt berekend door de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen door melkvee in het kalenderjaar 2013 op het bedrijf te verminderen met de fosfaatruimte van dat bedrijf in 2013. Daarbij wordt, voor zover van belang, aangesloten bij de gedifferentieerde fosfaatgebruiksnormen uit het stelsel van gebruiksnormen (zie TK, 2013-2014, 33 979, nr. 3, blz. 9).

Omdat op grond van artikel 24 van het Uitvoeringsbesluit Msw de situatie op 15 mei van enig kalenderjaar bepalend is voor de totale hoogte van de in dat kalenderjaar van toepassing zijnde gebruiksnormen, betekent dit dat de fosfaattoestand van de desbetreffende landbouwgrond uiterlijk op 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar moet zijn vastgesteld en dat de gegevens waaruit die fosfaattoestand blijkt eveneens voor die datum ter beschikking moeten zijn gesteld aan verweerder. Op grond van artikel 103b, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Msw meldt de landbouwer de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van artikel 103a, derde lid, geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.

Appellant heeft in zijn Gecombineerde Opgave 2013 vermeld dat fosfaatdifferentiatie niet van toepassing is. Ook anderszins is niet gebleken dat appellant uiterlijk op 15 mei 2013 gegevens heeft verstrekt aan verweerder over de fosfaattoestand van de bodem. Anders dan verweerder is het College van oordeel dat appellant ook niet verplicht was deze gegevens te verstrekken. Alleen indien appellant een beroep had willen doen op de fosfaatdifferentiatie, had hij de analysegegevens moeten verstrekken. Gelet op het voorgaande moeten de door appellant in 2013 opgegeven gronden dan ook worden aangemerkt als gronden met een hoge fosfaattoestand.

Nu, zoals uit het voorgaande volgt, voor appellant in 2013 de lagere fosfaatgebruiksnormen golden, had verweerder bij de bepaling van de fosfaatruimte in 2013 van die normen moeten uitgaan. Door in het bestreden besluit bij de berekening van de fosfaatruimte 2013 en de MVFR – ten nadele van appellant – uit te gaan van gedifferentieerde fosfaatnormen, heeft verweerder de fosfaatruimte in 2013 en daarmee ook de MVFR in strijd met artikel 21a, tweede lid, van de Msw berekend.

Lees hier de volledige uitspraak

Individuele omstandigheden betrekken bij vaststellen melkveefosfaatreferentie

Onlangs deed het College voor Beroep van het bedrijfsleven (hierna:  CBb) uitspraak in groot aantal beroepszaken waarin door even zoveel melkveehouders (hierna: appellanten), elk afzonderlijk, beroep was aangetekend tegen de vaststelling van de melkveefosfaatreferentie (hierna: MVFR) voor hun bedrijf.

Appellanten exploiteren agrarische bedrijven met melkvee. De Staatssecretaris van economische zaken (hierna: verweerder) heeft voor elk bedrijf met melkvee een MVFR vastgesteld op basis van de bij verweerder bekende referentiegegevens van het gemiddeld aantal gehouden stuks melkvee (inclusief jongvee) en de oppervlakte grond die bij het bedrijf in gebruik was in 2013.

Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de voor hun bedrijf vastgestelde MVFR met, naast een aantal per bedrijf specifieke elementen zoals tijdelijk minder dieren of tijdelijk meer grond,  onder andere als argument dat de ingevoerde maatregelen het ongestoord genot van hun eigendom aantasten zonder dat daar schadevergoeding tegenover staat. Hierbij werd verwezen naar artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), dat onder andere hierop ziet.

In haar uitspraak oordeelt het CBb dat de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (hierna: Wvgm) een stelsel van maatregelen is gericht op de regulering van eigendom van melkveehouders en dat dit stelsel een inbreuk vormt op het recht op ongestoord genot van eigendom. Vervolgens doet de vraag zich voor of deze inbreuk gerechtvaardigd is. Hierover oordeelt het CBb als volgt:

  • Er was sprake van voorzienbaarheid: de maatregelen zijn neergelegd in de wet die ook is gepubliceerd. Daarnaast heeft verweerder  een vooraankondiging voor de MVFR aan alle betrokkenen verstuurd.
  • De maatregel dient een algemeen belang: de rechtvaardiging van een inbreuk op het ongestoord genot van eigendom moet zijn gelegen in het algemeen belang. De wetgeving heeft tot doel het milieu te beschermen en te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de afspraken met betrekking tot de Nitraatrichtlijn.
  • Er wordt voldaan aan de voorwaarde van ‘fair balance’. Een inbreuk op het ongestoord genot van eigendom is alleen gerechtvaardigd indien sprake is van een zogenaamde ‘fair balance’ tussen de algemene belangen en de bescherming van individuele rechten. Melkveehouders konden er naar het oordeel van het CBb in redelijkheid niet op vertrouwen dat de wetgeving met betrekking tot de Meststoffenwet ongewijzigd zou blijven. Daarnaast acht het CBb het van belang dat sprake is van een ondernemersrisico.
screenshot MVFR

De melkveefosfaatreferentie is een belangrijke factor bij de berekening van het melkveefosfaatoverschot

Op basis van bovenstaande overwegingen komt het CBb tot het oordeel  dat de toegekende MVFR in zijn algemeenheid voldoet aan de in het kader van artikel 1 van het EP te stellen eisen van proportionaliteit.

Vervolgens gaat het CBb in op de vraag of in individuele situaties wel sprake kan zijn van een buitensporige last, waardoor niet aan de eisen van proportionaliteit (fair balance) wordt voldaan en aanspraak kan bestaan op passende maatregelen ter compensatie. Ten aanzien daarvan heeft het CBb overwogen dat verweerder dit – gelet op de vereiste belangenafweging alsmede in het licht van de mogelijkheden tot ontheffing, zoals opgenomen in de Meststoffenwet –  onvoldoende heeft beoordeeld. Het CBb heeft verweerder dan ook opgedragen de bezwaren van een aantal van de appellanten opnieuw te beoordelen en te motiveren.

Hoewel het systeem van de MVFR in zijn algemeenheid overeind blijft, moeten in geval van bezwaar naast de algemene beoordeling van de systematiek ook een specifieke beoordeling voor het bedrijf in kwestie worden opgesteld.

Lees hier en hier de beide uitspraken.

Uitstel indienen kringloopwijzer tot 1 mei

kringloopwijzerDe zuivelondernemingen hebben de termijn voor het indienen van de kringloopwijzer via de Centrale Database KringloopWijzer verlengd met twee maanden (van 1 maart naar 1 mei). Dit is het gevolg van de vertraagde oplevering van de Centrale Database KringloopWijzer. Deze vertraging zou voortkomen uit het feit dat er veel koppelingen moeten worden ingebouwd om gegevens automatisch in te kunnen lezen. Het indienen van de kringloopwijzer is verplicht voor alle bedrijven met een melkveefosfaatreferentie die groter is dan nul en dient plaats te vinden via de site www.dekringloopwijzer.nl.

Doordat de Centrale Database KringloopWijzer nog niet volledig gereed is, kunnen melkveehouders deze niet gebruiken voor het maken van het wettelijk verplichte bemestingsplan en de BEX-berekening. Het uitstel tot 1 mei geldt nadrukkelijk niet voor de andere verplichtingen in het kader van de Meststoffenwet.  Melkveehouders kunnen hiervoor, net als voorgaande jaren, gebruik maken van bestaande programma’s.

Rekenmodel grondgebondenheid gepubliceerd

Op verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken heeft staatssecretaris van Dam de rekenwijze met betrekking tot de grondgebondenheid behorende bij de AMvB Verantwoorde groei melkveehouderij gepubliceerd. Hij heeft aan dit verzoek gehoor gegeven door middel van een brief met een toelichting en een aantal rekenvoorbeelden. De brief kan hier worden gedownload.

De inhoud van de brief spreekt voor zich, wellicht met één uitzondering waarover de nodige verwarring bestond: de extra grond die nodig zou zijn wanneer de fosfaatproductie niet toe zou nemen. In stap 2.2 van de berekening wordt gesteld dat als de fosfaatproductie van het melkvee niet toeneemt, geen extra grond in het bedrijf hoeft te worden gebracht.

Lees hier de brief met de toelichting en een aantal voorbeelden.

Daarnaast is ook op de site van RVO een berekeningswijze (stappen) gepubliceerd. Klik hier om naar deze berekening te gaan.

 

 

Advies Raad van State wetsvoorstel Wet grondgebonden groei melkveehouderij

De Afdeling advisering van Raad van State (hierna: de Afdeling) adviseert over wetgeving en bestuur. De Afdeling adviseert uitsluitend over de juridische context en juistheid van de Wet zelf en in relatie met andere wetgeving. Inhoudelijk velt de Afdeling geen oordeel. Onlangs heeft de Afdeling advies uitgebracht over het wetsvoorstel grondgebonden groei melkveehouderij. Het wetsvoorstel (klik hier) en de memorie van toelichting (klik hier) zijn op 26 september 2015 bij de Tweede Kamer ingediend ter behandeling door de vaste commissie voor Economische Zaken. Daarmee is ook het advies van de Afdeling openbaar geworden.

De Afdeling gaat in haar advies met name in op twee punten: als eerste de regulering van het eigendomsrecht en de manier waarop dit  inhoudelijk wordt gemotiveerd in het wetsvoorstel. Als tweede de periode waarover de knelgevallenvoorziening zou moeten gelden.

De Afdeling  wijst er in haar advies op dat de melkveehouders minder mogelijkheden krijgen om de uitbreiding van de fosfaatproductie in zijn geheel buiten het bedrijf te verwerken. Immers, afhankelijk van de intensiteit van een bedrijf,  moet er ook extra grond onder het bedrijf worden gebracht.  De Afdeling concludeert dat hiermee sprake is van regulering van het gebruik van eigendom. Een inmenging in het eigendomsrecht moet op grond van Europeesrechtelijke verdragen niet alleen deugdelijk worden bekendgemaakt, maar daarnaast ook inhoudelijk voldoende precies en nauwkeurig zijn in de omschrijving van wie, wanneer tot wat bevoegd is. De Afdeling vraagt aandacht voor deze omschrijving.

Het tweede punt betreft de knelgevallenregeling die het wetsvoorstel kent. Deze voorziening houdt in dat alleen melkveehouders die kunnen aantonen dat zij vóór 7 november 2014 financiële verplichtingen zijn aangegaan voor het laten verwerken van hun gehele fosfaatoverschot, deze contracten gewoon mogen uitdienen. De Afdeling merkt op dat op 7 november 2014 alleen nog maar bekend was dat het geheel verwerken van het fosfaatoverschot zou kunnen worden beperkt, door bedrijven te verplichten een deel van de extra fosfaatproductie te compenseren met grond. Pas op het moment dat de nieuwe regels op 30 maart 2015 werden aangekondigd in verband met de voorhang van het ontwerpbesluit in beide kamers van de Staten-Generaal, is duidelijk geworden hoe de beperking eruit gaat zien.

Gelet daarop moet in de toelichting bij het wetsvoorstel uitgebreider worden ingegaan op de rechtvaardiging voor het feit dat de regels ook zien op het kalenderjaar 2015. Daarbij moet aandacht worden besteed aan grensdatum van 7 november 2014 die voor de knelgevallenvoorziening is gekozen.

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Raad van State en het nadere rapport van de minister.

Rietzwenkgras: kampioen fosfaatefficiëntie?

Zachtbladig rietzwenk; kampioen fosfaatefficiëntie’, zo kopte het artikel, om te vervolgen met de tekst:  ‘Nu fosfaatrechten in Nederland een feit zijn, is efficiënt omgaan met dit mineraal nog belangrijker om enige ontwikkelruimte te behouden op het melkveebedrijf’. Vervolgens wordt de link gemaakt naar het voordeel van een grassoort met een hoge fosfaatefficiëntie: zachtbladig rietzwenkgras. Het klinkt logisch, maar is dit wel zo? Is een hoge fosfaatefficiëntie van gewassen een gunstige eigenschap, die resulteert in  ontwikkelruimte?

Fosfaatrechten hebben betrekking op de uitscheiding van fosfaat via mest door melkvee. Hoe lager de fosfaatuitscheiding per dier, hoe meer dieren kunnen worden houden. Om een lagere fosfaatuitscheiding te krijgen – en dus ontwikkelingsruimte te realiseren –  moet de fosfaatopname door de dieren dus laag zijn bij voldoende opname van energie en eiwit. Dit betekent lage fosfaatgehalten in het ruwvoer. Een laag fosfaatgehalte kan alleen bij een lage fosfaatopname door het gewas. Dus zoek je naar gewassen met wellicht juist een lage fosfaatefficiëntie  in termen van fosfaatopname per kg drogestof. Op zich een verassende conclusie, maar wellicht ook wat kort door de bocht. Wat hierboven wordt gesteld is dat het gaat om het fosfaatgehalte in het ruwvoer, met andere woorden hoeveel fosfaat zit er in het gras per kg drogestof. En dan doet rietzwenk het best goed (zie onderstaande Tabel). Nog liever, zou je willen kijken naar de hoeveelheid fosfaat per kVEM of per kg ruweiwit.

Conclusie 1: Voor de fosfaatrechten is niet de efficiëntie van opname van belang, maar gaat om het gehalte aan P per kg drogestof of beter nog het gehalte aan P per kVEM.

tabel rietzwenk

bron: Barenbrug

 

In het artikel wordt verder gesteld: ‘De relatieve drogestof opbrengst van dit mengsel (rietzwenkgras) ligt 19 procent hoger dan van een grasmengsel met 100 procent Engels raaigras.’ Dit betekent dat het verschil in P opname geen kwestie is van efficiëntie, maar van een verschil in drogestofproductie. Bij een opbrengst van 11.900 kg drogestof zou het mengsel van rietzwenkgras 118 kg fosfaat opnemen (zie Tabel) en een mengsel van Engels raaigras met 10.000 kg drogestof 115 kg fosfaat. Het effect dat in de Tabel wordt gepresenteerd lijkt dus een opbrengst effect. Er wordt niet meer fosfaat opgenomen uit de bodem, de opgenomen fosfaat wordt verdund over meer kilogrammen drogestof.

Conclusie 2: rietzwenkgras is geen kampioen fosfaatefficiëntie, maar eerder kampioen drogestof produceren.

Bovenstaande wil niet zeggen dat rietzwenkgras geen rol kan hebben bij het invullen van maatregelen in het kader van het anticiperen op fosfaatrechten. Het geeft slechts aan dat een commerciële boodschap van een leverancier altijd binnen de feitelijke toepassing op het veehouderijbedrijf moet worden beoordeeld.

Hoeveel fosfaat in een varkensrecht?

Het systeem van fosfaatrechten in de melkveehouderij zorgt voor veel speculatie. Hoewel de exacte invulling van de systematiek nog verre van duidelijk is, is de ‘jacht’ naar beschikbare rechten al volop geopend. Hierbij wordt regelmatig met een schuin oog naar de varkenssector gekeken. Daar wordt gewerkt met een systematiek van varkensrechten. Die zijn gebaseerd op fosfaat en die zou, bij krimp van de varkenshouderij,  ten goede kunnen komen aan groei van de melkveehouderij.

Staatssecretaris Dijksma was daar geen voorstander van. Zo stelde ze het niet fair te vinden om de ruimte van de varkenssector, die in zwaar weer zit maar ook volop bezig is met een transitie naar een duurzame productie, in te boeken voor een andere sector. NVV en de LTO vakgroep varkenshouderij, wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van sectoren. Anderen zien juist mogelijkheden.

In alle gevallen is het zinvol de verschillen tussen beide systemen en het doel van het invoeren van fosfaatrechten in de melkveehouderij helder te houden.  Zo is een varkensrecht, het recht om een varkenseenheid (VE) te mogen houden. Een VE staat daarbij gelijk aan 1 vleesvarken of 1/2,74ste  zeug. Varkenseenheden zijn oorspronkelijk gebaseerd op de uitscheiding van fosfaat in mest. Eén VE staat daarbij gelijk aan een excretie van (toentertijd): 7,4 kg fosfaat.

In de systematiek zoals die is voorzien bij de fosfaatrechten voor melkvee geeft een fosfaatrecht, het recht om 1 kg fosfaat in mest te produceren. Dit systeem wordt ingesteld om te voorkomen dat het Nederland het fosfaatplafond overschrijdt en daarmee de derogatie waarover Nederland op dit moment beschikt in gevaar komt.

Hoewel beide systemen gebaseerd zijn op fosfaat staan ze dus voor iets anders. Zo geven de cijfers van het CBS aan dat er in Nederland in 2014: 8,771 miljoen VE waren. De totale fosfaatproductie van de varkensstapel bedroeg in datzelfde jaar 39,0 miljoen kg fosfaat. Oftewel 4,45 kg fosfaat per VE. Dat lijkt logisch: 1 vleesvarken (1 VE) produceert immers ongeveer 1 ton mest met daarin zo’n  4,5 kg fosfaat. Maar de genoemde 4,45 kg fosfaat is veel lager dan de eerder genoemde 7,4 kg fosfaat waarvoor het recht oorspronkelijk staat. Verbeterd technisch rendement, lagere gehalten in het voer, aangescherpte wetgeving, etc,  hebben er toe geleid dat een VE niet langer 7,4 kg fosfaat uitscheidt, maar (gemiddeld) slechts 4,45 kg fosfaat.

Mocht het daarom ooit komen tot het gebruiken van varkensrechten voor rundveefosfaat, dan zal – om te blijven voldoen aan het fosfaatplafond – dat alleen mogelijk zijn met een zeer forse afroming van de fosfaat die onder de varkensrechten ligt.

Open dag melkveehouderij Schepens

Mestboete.nl en Optimus advies zijn aanwezig op de open dage van melkveehouderij Schepens. Mark en Ad Schepens runnen samen een melkveebedrijf aan de Ulkendonken in Maarheeze. Het bedrijf  liet onlangs een duurzame rundveestal bouwen die 110 koeien en 50 stuks jongvee van alle gemakken voorziet. Hoe die stal er uit ziet, kunt u in onderstaand filmpje zien.

Wilt u de stal zelf komen bekijken of bent u benieuwd naar de mensen achter mestboete.nl? Kom dan een kijkje nemen tijdens de Open Dag op vrijdag 10 juli 2015 van: van 11.00 – 16.00 uur. De stal aan de Ulkendonken 4 in Maarheeze is bijna niet te missen. De familie Schepens heeft op grote hoogte een koe geplaatst die vanaf de snelweg A2 al duidelijk zichtbaar is.

Fosfaatrechten voor melkveesector

Hoewel Staatsecretaris Dijksma eerder liet weten dat ze nog niet toe was aan het invoeren van een systeem van fosfaatrechten, liet ze op de laatste dag voor het zomerreces van de tweede kamer weten toch een dergelijk systeem in te willen voeren.

De  fosfaatrechten worden per bedrijf berekend. De basis voor de rechten wordt gevormd door het gemiddeld aantal gehouden stuks melk- en jongvee in referentiejaar 2014 en forfaitaire fosfaatproductie op basis van de gemiddelde melkproductie per melkkoe op het bedrijf. Deze fosfaatproductie zal gaan gelden als de maximale fosfaatproductie die op het bedrijf is toegestaan. Door gebruik te maken van de BEX-systematiek (kringloopwijzer) krijgen melkveehouders wel ontwikkelruimte, wanneer blijkt dat ze efficiënter met fosfaat omgaan dan de norm. Lukt dit niet dan kunnen fosfaatrechten worden aangekocht. De fosfaatrechten worden verhandelbaar. Uitwisseling tussen sectoren is echter niet aan de orde. Varkens- of pluimveerechten kunnen niet worden omgezet in pluimveerechten.

koe in weiPeildatum en referentiejaar

Uitgangspunt van de toekenning van fosfaatrechten aan een melkveebedrijf is het gemiddeld aantal stuks melkvee in 2014: het referentiejaar. Wijzigingen die tussen 2014 en 2 juli, het moment van verzending van deze brief van de staatssecretaris aan de Kamer, nog hebben plaatsgevonden, kunnen bij de toekenning van fosfaatrechten nog worden meegenomen in het geval dat sprake zou zijn van een onevenredige benadeling van ondernemers. Wanneer dit het geval is zal nog moeten worden uitgewerkt in een knelgevallenregeling.

Afroming mogelijk

Het sectorale fosfaatproductieplafond van 84,9 miljoen kilo zal worden opgenomen in de wet. De wet zal het ook mogelijk maken fosfaatproductierechten af te romen om binnen het sectorplafond te blijven. Staatssecretaris Dijksma onderzoekt de mogelijkheden om bij afroming rekening te houden met de bijdrage van de bedrijven aan de overschrijding van het plafond.

Overeenstemmming met sectororganisaties

Over dit nieuwe systeem heeft de staatssecretaris overleg gevoerd met LTO Nederland, NZO, NMV NAJK en de Stichting Natuur en Milieu. Met de sectororganisaties is overeenstemming bereikt over dit plan. Met genoemde organisaties zal de staatssecretaris een regiegroep vormen om het systeem nader uit te werken en in de wet vast te leggen. Doelstelling is dat de nieuwe wetgeving per 1 januari 2016 (!) van kracht wordt. Dan moet het systeem van fosfaatrechten nog wel door de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld en geaccordeerd. Snelle inwerkingtreding is weliswaar van belang voor behoud van de derogatie, maar het is de vraag of dit voor 2016 haalbaar is.

Stapeling van wetgeving

Met de afgekondigde maatregel ontstaat een stapeling van wetgeving die is opgebouwd uit de gebruiksnormen, verplichte mestverwerking, melkveefosfaatreferentie, grondgebondenheid en fosfaatrechten. Ook naar deze stapeling zal de komende tijd nog nader worden gekeken.

Klik hier voor de volledige brief van de Staatssecretaris

Vijf vragen over het fosfaatplafond

1. Wat is het fosfaatplafond?

Het fosfaatplafond is de maximale fosfaatproductie van de veestapel in Nederland. Het fosfaatplafond is gelijk gesteld aan de fosfaatproductie van de Nederlandse veestapel in 2002 en bedraagt 172,9 miljoen kg fosfaat (zie de Tabel hieronder). Het fosfaatplafond is een harde voorwaarde voor Nederland om derogatie te kunnen krijgen. Zou de mestproductie van de veestapel boven het fosfaatplafond komen dan – zo stelt ‘Brussel’  – zou, gezien de beschikbare plaatsingsruimte voor fosfaat in Nederland (zo’n 110 – 120 miljoen kg) dat de druk op de mestmarkt in Nederland onverantwoord groot worden.

Na een langjarige daling van de fosfaatproductie, nam deze in 2014 voor het eest in jaren weer toe. Deze toename werd vooral veroorzaakt door de rundveehouderij. Het niveau van de totale fosfaatproductie zit nu net onder het fosfaatplafond. Het risico van overschrijding is aanzienlijk, met alle mogelijke gevolgen van dien.

tabel fosfaatproductie

2. We hebben toch de Melkveewet?

Klopt. De melkveefosfaatreferentie van een bedrijf die volgt uit de ‘Melkveewet’ is gebaseerd op de fosfaatproductie van een bedrijf in 2013. Toen lag de nationale fosfaatproductie nog duidelijk onder het niveau van het fosfaatplafond. De melkveewet sluit echter groei van de totale fosfaatproductie niet uit. Volledig grondgebonden bedrijven kunnen hun fosfaatproductie nog verhogen en ook bedrijven die niet volledig grondgebonden  zijn kunnen hun fosfaatproductie nog verhogen wanneer ze voor een deel van de uitbreiding extra grond verwerven. De ‘Melkveewet’ staat weliswaar geen ongelimiteerde groei toe, maar nog wel een dusdanige groei dat het fosfaatplafond zou kunnen worden overschreden.

 3. Wat houdt het sectorplan in?

In het sectorplan worden maatregelen genoemd (voerspoor, kringloopwijzer) die vooral zijn gericht op het verbeteren van de fosfaatefficiëntie op bedrijfsniveau. Dit door het fosforgehalte in het voer te verlagen en de bewustwording van de fosfaatefficiëntie met behulp van de kringloopwijzer te stimuleren. Deze maatregelen verlagen de fosfaatproductie per dier of per kg melk. De vrees is echter dat de daarmee gerealiseerde fosfaatreductie per dier binnen een bedrijf weer zal worden gebruikt om meer dieren te houden. Zolang een bedrijf maar onder de melkveefosfaatreferentie blijft is het immers prima. Met andere woorden de bespaarde fosfaat wordt door de bedrijven weer opgevuld, voor de fosfaatproductie op nationaal niveau zal het effect van deze maatregelen beperkt zijn. Mede om deze reden zal de Staatssecretaris waarschijnlijk toch overgaan tot het hard opleggen van een productieplafond.

4. Welke opties zijn er dan?

Staatssecretaris Dijksma heeft aangegeven, dat wanneer het sectorplan onvoldoende effect heeft of te weinig garanties biedt dat met het plan de fosfaatproductie onder het plafond kan blijven, hard een bovengrens in de fosfaatproductie in de melkveehouderij te willen leggen. Hiervoor heeft ze een drietal opties genoemd:

  • Dierrechten voor melkvee
  • Fosfaatrechten
  • Begrenzing melkproductie per dier of per bedrijf

Inmiddels blijkt dat de keuze is gevallen op de invoering van een systeem van fosfaatrechten. Deze fosfaatrechten dienen niet te worden verward met dierrechten (zoals bijvoorbeeld varkensrechten of pluimveerechten) die weliswaar op fosfaat zijn gebaseerd, maar zijn gericht op vaste dieraantallen. Het voordeel van een systeem van fosfaatrechten ten opzichte van dierrechten is dat efficiënt produceren wordt beloond. Anderzijds is het minder eenvoudig te controleren. Vooralsnog heeft het belonen van fosfaatefficiëntie de voorkeur gekregen, maar dit zal wel eisen stellen aan de borging van de onderliggende BEX-berekening of de onderliggende kringloopwijzer. Een duidelijke achilleshiel van dit systeem.

5. Wanneer krijgen we meer duidelijkheid?

De Staatsecretaris heeft op de laatste dag voor het Kamerreces een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin ze de contouren van het systeem van fosfaatrechten heeft beschreven. Een samenvatting hiervan kunt u vinden in dit bericht. De komende maanden zal het systeem van fosfaatrechten verder worden uitgewerkt en de onderliggende knelgevallenregeling worden ingevuld. De inwerkingtreding is voorzien per 2016.