Een stikstofgat op graasdierbedrijven: kan dat?

Het gebeurt regelmatig: bij het opstellen van een berekening om te bezien of is voldaan aan de  gebruiksnormen op een veehouderijbedrijf: Er wordt ruim voldaan aan de gebruiksnorm voor fosfaat, maar voor de gebruiksnorm voor stikstof in dierlijke mest is dit niet het geval is.  Dit terwijl er (berekend op basis van de verwachting) en de mutatie van de voorraden dierlijke mest meer dan voldoende dierlijke mest (volume) werd afgevoerd. Dit fenomeen wordt het ‘stikstofgat’ of ‘stikstofhiaat’ genoemd.

een stikstofgat voor graasdieren?

Het probleem van het stikstofgat wordt ook binnen het beleid en de handhavingspraktijk onderkend. Inmiddels is correctie voor het stikstofgat gangbare praktijk in bepaalde sectoren (staldieren) en onder bepaalde omstandigheden (voldoende representatieve mestafvoer). De wijze van corrigeren voor het stikstofgat is ontwikkeld op basis van een toezegging van de toenmalige minister Veerman (2006) en gebaseerd op de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de geanalyseerde (representatieve) mestafvoer  ten opzichte van de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de op de voorgeschreven wijze berekende mestproductie. Met deze correctie voor het stikstofgat  worden de gevolgen van onvermijdelijke verliezen van stikstof (in de vorm van een op te leggen bestuurlijke boete) teniet gedaan.

Voor bedrijven met staldieren dus, maar hoe zit het dan op bedrijven met graasdieren? Ook daar zien we hetzelfde fenomeen, maar is de correctie niet van toepassing. Dit  betekent dat graasdierbedrijven, die met dit fenomeen worden geconfronteerd, mede omdat ze huiverig zijn om niet te voldoen aan de gebruiksnorm dierlijke mest er vaak voor kiezen het tekort via een correctie op de aanwezige eindvoorraad dierlijke mest (tijdelijk) te verbloemen. Dit geldt zeker wanneer het betreffende bedrijf beschikt over derogatie en die bij het niet voldoen aan de gebruiksnormen van rechtswege kan worden ingetrokken.

Het feit dat het stikstofgat ook voor kan komen op bedrijven met graasdieren is al herhaaldelijk bij RVO en beleidsmakers aangekaart en onder de aandacht gebracht. Hoewel begripvol wordt gereageerd, biedt de regelgeving hiervoor nog geen uitzondering en houdt RVO dan ook vast aan het feit dat alleen op bedrijven waar staldieren worden gehouden rekening dient worden gehouden met een aanvulling op het stikstofverlies in de vorm van het stikstofgat. De motivering daarvoor zoekt RVO in het feit dat de toezegging met betrekking tot het stikstofgat alleen is gedaan voor staldieren en in de normstelling voor de stikstofexcretie voor graasdieren reeds rekening is gehouden met de stikstofverliezen die optreden. Dit is geen sterk argument gezien het feit dat in de berekening van de stalbalans voor staldieren ook een dergelijk verlies, in de vorm van een vast norm voor het stikstofverlies per diercategorie, is opgenomen.

Het verschil tussen graasdieren en staldieren is gelegen in het aandeel ruwvoer in het rantsoen.

In een recente uitspraak ging de Rechtbank ’s Hertogenbosch onlangs mee met deze insteek van RVO. Kortweg stelt de Rechtbank. ‘Uit de Nota van Toelichting bij het Uitvoeringsbesluit Msw (Staatsblad 2005, 645, p. 37) volgt dat het onderscheid tussen graasdieren en staldieren is gebaseerd op de weidegang en het relatief grote aandeel van ruwvoer in het rantsoen van graasdieren. Daarnaast blijkt uit de Nota van Toelichting bij de Uitvoeringsregeling Msw (Staatscourant 2005, 226, p. 34) dat in de forfaitaire norm die wordt gehanteerd bij de door graasdieren geproduceerde hoeveelheid meststoffen al rekening is gehouden met de stikstofverliezen die bij de excretie van graasdieren optreden. Op grond daarvan hoefde verweerder van de rechtbank bij zijn berekening niet nog een keer rekening te houden met het door eiseres gestelde stikstofgat.’ Daarbij verwijst de rechtbank naar een eerdere uitspraak (ECLI:RBOBR:2017:1977) in deze problematiek (onder overweging 8).

In mijn optiek geen sterke motivering. De gronden waarop men hier beslist doen zich immers ook voor bij de berekening van de excretie van de staldieren en het is en wordt niet duidelijk waarom soortgelijke processen wel bij staldieren en niet op zouden kunnen treden bij graasdieren. Hoe dan ook:  het is wel een feit dat  zonder nadere en vooral specifieke,  verifieerbare en eenduidige motivering een stikstofgat op melkveebedrijven niet zal worden toegekend.