Vanggewas na mais: de regels op een rij

Sinds dit jaar zijn de regels rond het inzaaien van een vanggewas na maïs op zand en lössgrond enigszins aangepast. Verandering betekent altijd enige onduidelijkheid. Vandaar, hieronder  een samenvatting van de regels en de voorwaarden met betrekking tot het inzaaien van een vanggewas.

Waarom een vanggewas na maïs?

De wetgever stelt dat dat maïsteelt op zand- en lössgrond een groot risico voor uitspoeling van stikstof heeft. Mais stopt na juli met opnemen van stikstof, maar na die tijd komt er nog veel stikstof vrij. Deze stikstof blijft in de bodem achter die uit kan spoelen gedurende de winter. Om deze uitspoeling te voorkomen is de verplichting om  direct na de oogst van maïs op zand- en lössgrond een vanggewas telen ingevoerd. Dit vanggewas moet de dan nog in de bodem aanwezige stikstof vastleggen en daarmee behoeden voor uitspoeling.

Wil dit gebeuren dan moet het vanggewas zich voldoende goed kunnen ontwikkelen. Daarom zijn vanaf 2019 uiterlijke inzaaidatums voor het vanggewas gedefinieerd. Gezien het doel van het vanggewas mag, in tegenstelling tot een groenbemester, een vanggewas ook niet worden niet worden bemest. Bemesten mag pas weer als de uitrijdperiodes van het volgende kalenderjaar zijn ingegaan.

Uiterste inzaaidatum vanggewas

De uiterste inzaaidatum van het vanggewas na de teelt van biologische snijmaïs, korrelmaïs, suikermaïs, Corn Cob Mix of Maïskolvensilage is 31 oktober. Voor de teelt van een vanggewas na snijmais is de uiterste inzaaidatum 1 oktober.

Wijze van inzaaien

Aan de verplichting van het vanggewas na maïs kan worden voldaan door:

  • onderzaai tijdens de maïsteelt. Het is belangrijk om tussen de rijen maïs te telen, zodat de wortels van het vanggewas de bodem kunnen doorwortelen.
  • direct na de oogst van de maïs een vanggewas in te zaaien
  • direct na de oogst van snijmaïs wintergraan te telen als hoofdteelt voor het volgende kalenderjaar.

In alle situaties is goede landbouwpraktijk het uitgangspunt. Wanneer de inzaai ‘mislukt’ zal de teler moeten aantonen dat al de nodige moeite is gedaan om de opkomst van het vanggewas te laten slagen. Denk hierbij aan het gebruik van voldoende en goed zaaizaad en een geschikte machine.

Wanneer vanggewas uiterlijk inzaaien?

Er zijn verschillende uiterlijke datums om een vanggewas in te zaaien. De datum hangt af van het soort maïs dat u teelt en hoe het vanggewas wordt geteeld. In de tabellen hieronder is per maïssoort gegeven wanneer uiterlijk het vanggewas moet zijn ingezaaid en welk vanggewas mag worden ingezaaid. In de Gecombineerde Opgave geeft u bij het maïsperceel het vanggewas als volgteelt op. Doorgeven kan uiterlijk 1 oktober.

Vanggewas na snijmaïs

Onderstaande tabel geldt bij de teelt van  snijmaïs.

U teelt een vanggewas: door onderzaai direct na de oogst direct na de oogst als hoofdteelt
Wanneer uiterlijk zaaien 1 oktober
(geen uiterste oogstdatum)
1 oktober 31 oktober
Welk gewas zaaien Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Spelt
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst

 

Vanggewas na andere soorten maïs

Onderstaande tabel gebruikt u als u een van de volgende maïssoorten teelt: biologische snijmaïs, korrelmaïs, suikermaïs, Corn Cob Mix of Maïskolvensilage.

U teelt een vanggewas: door onderzaai direct na de oogst direct na de oogst
Wanneer uiterlijk zaaien 1 oktober
(geen uiterste oogstdatum)
1 oktober, onderstaande gewassen 31 oktober, onderstaande gewassen
Welk gewas zaaien Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst
Bladkool
Bladrammenas
Gras
Japanse haver
Spelt
Triticale
Winterrogge
Wintertarwe
Wintergerst

Mengsel als vanggewas

Het is toegestaan  een mengsel van verschillende gewassen als vanggewas telen. Het mengsel bestaat dan wel voor ten minste twee derde uit een of meer vanggewassen uit de tabellen hierboven. Voorwaarde is dat ook dat het ingezaaide mengsel in het najaar tot ontwikkeling is gekomen.

Vernietigen vanaf 1 februari

Het vanggewas mag niet worden vernietigd vóór 1 februari van het volgende jaar. Het maakt niet uit of het vanggewas als onderzaai of direct na de oogst is  gezaaid. Is gekozen voor een vanggewas als hoofdteelt na snijmaïs, dan mag het niet worden vernietigd. Het gewas moet dan later in het jaar als hoofdteelt worden geoogst.

Gras ingezaaid?

Wanneer gras als vanggewas wordt ingezaaid, mag dit als veevoer worden gebruikt (weiden of maaien) in het volgende jaar. Wel moeten daarna de regels voor het scheuren van grasland  worden betracht. Als het gras wordt gebruikt als veevoer, ziet RVO dit vanaf 1 februari van het volgende kalenderjaar als tijdelijk grasland met alle bijbehorende regels en voorwaarden voor tijdelijk grasland.

Het is uiteraard ook toegestaan vanaf 1 februari van het volgende jaar het grasland te vernietigen en een ander gewas te zaaien als hoofdteelt voor dat jaar als u het vanggewas niet als grasland gebruikt. In die situatie gelden de regels voor het scheuren van grasland niet.

Controle en handhaving

Indien er geen of een onjuist vanggewas wordt geteeld, niet aan de uiterste inzaaidatum wordt voldaan of anderszins niet aan de regels rondom de teelt van een vanggewas wordt voldaan is sprake van een overtreding. Dit kan een boete en  mogelijk ook een randvoorwaardenkorting betekenen. Bovendien kan het gevolgen hebben voor de derogatievergunning. Opletten dus!

Handreiking BEX: van melkkoeien naar melkvee

Een melkveehouder die van mening is dat op zijn bedrijf de productie van stikstof en fosfaat in dierlijke mest lager is dan de forfaits in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, kan  gemotiveerd van deze forfaits afwijken:  de zogenaamde ‘vrije bewijsleer’. Voorwaarde is wel dat deze afwijking overtuigend kan worden onderbouwd en gemotiveerd. Een voorbeeld van een  dergelijk motivering is de ‘handreiking bedrijfsspecifieke excretie melkvee’ (kortweg: Handreiking BEX). Deze Handreiking kan worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze aan de hand waarvan melkveebedrijven af  kunnen wijken van de excretieforfaits.

20170622 - foto liggende koe

Melkveebedrijven kunnen gemotiveerd afwijken van de excretieforfaits (foto: Mark Bosch)

Daarbij is het uiteraard wel van belang dat de voorwaarden en verplichtingen die samenhangen met deze  rekensystematiek worden gevolgd. Deze voorwaarden en verplichtingen zijn vastgelegd in de zogenaamde Handreiking BEX.  In de Handreiking staan de gegevens die nodig zijn om de berekening correct uit te kunnen voeren, de manier waarop de benodigde gegevens dienen te worden vastgesteld en de rekenmethode die daarbij dient te worden gevolgd.  Op 20 maart 2017 is de meest recente versie van de Handreiking BEX verschenen. Deze versie geldt voor de melkveebedrijven die in 2017 gebruik willen maken van de BEX-systematiek.

Een opvallende wijziging ten opzichte van de vorige versie is dat de zin: ‘de Handreiking is ontwikkeld voor bedrijven met overwegend melkkoeien.’ (versie van 28 december 2016) is vervangen door de zin: ‘de Handreiking is ontwikkeld voor bedrijven met overwegend melkvee.’ (versie van 20 maart 2017). Van melkkoeien naar melkvee dus. Wat zijn de gevolgen daarvan?

De term melkvee wordt artikel 1, kk, van de Msw als volgt gedefinieerd:

1°. melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

2°. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleeshouderij tot 1 jaar en

3°. jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren;

20170622 - foto uier

Ín de meest recente versie van de Handreiking BEX is de omschrijving ‘melkkoeien’ is vervangen door ‘melkvee’ (foto: Mark Bosch)

Kortom de diercategorieën 100, 101 en 102 uit bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm); Voor overige graasdieren alleen kan met deze Handreiking geen bedrijfsspecifieke excretie worden berekend;  daarvoor is ook geen andere ‘vooraf goedgekeurde methode’ om in het kader van de ‘vrije  bewijsleer’ af te wijken van de excretieforfaits. Maar hoe zit het dan met bedrijven die een deel melkvee en een deel overige graasdieren hebben? Wat is immers overwegend: 51% van de dieren moeten koeien zijn of 51% van de GVE’s, moeten melkkoeien zijn?

In de aanpassing is van de Handreiking BEX is dit nu meer concreet gemaakt in die zin dat in de nieuwste versie van de Handreiking wordt gesteld dat de forfaitaire fosfaatexcretie van het melkvee minimaal 75% van de totale forfaitaire fosfaatexcretie van het melkvee plus de overige graasdieren op het bedrijf moet bedragen. Deze voorwaarde geldt overigens niet als voor de diercategorieën melkvee de voerstromen (dus ook de voeropslagen) administratief en aantoonbaar gescheiden zijn van die voor de andere categorieën graasdieren op het bedrijf

Deze wijziging lost tenminste voor de toekomst enige onduidelijkheid op. Of dit ook het geval is voor het verleden valt nog te bezien. In de praktijk zijn in het recente verleden een aantal BEX-berekeningen afgekeurd  vanwege het feit dat de bedrijven niet zouden voldoen aan het criterium ‘overwegend melkkoeien’.  Bijvoorbeeld bedrijven met veel jongvee. Wel melkvee, maar geen melkkoeien.

Omdat de term ‘melkkoeien’  in de meest recente versie van de Handreiking is vervangen door de term ‘melkvee’, lijkt de motivering  van de NVWA om op dat punt BEX berekeningen niet goed te keuren, in de toekomst niet langer houdbaar. Of het standpunt wel houdbaar blijft met betrekking tot afgekeurde BEX-berekeningen in het verleden valt nog te bezien. Herhaaldelijk is door RVO aangegeven dat ‘er geen officiële grens is met betrekking tot het aandeel melkkoeien op het bedrijf omtrent wanneer de BEX toegepast kan worden’. Desondanks zijn er wel BEX-berekeningen afgekeurd om juist die reden. De onduidelijkheid omtrent het verleden duurt daarmee nog voort.

Met betrekking tot de toekomst is met de komst van de nieuwe versie van de handreiking echter wel duidelijk dat tenminste 75% van de forfaitaire excretie van de mestproductie van graasdieren op een melkveebedrijf  dat deelneemt aan BEX, zonder gescheiden voerstromen, afkomstig moet zijn van melkvee.  Daarbij wordt niet langer gekeken naar het onderscheid tussen melkvee en jongvee.

Lees hier de versie van de handleiding van 20 maart 2017

Regeling fosfaatreductieplan gepubliceerd

Door middel van publicatie in de Staatscourant van 17 februari 2017 heeft de Staatsecretaris van Economisch zaken de zogenaamde Regeling fosfaatreductieplan 2017 bekend gemaakt. Via deze regeling, moet de fosfaatproductie door de melkveehouderij worden beperkt, zodat Nederland kan voldoen aan het zogenaamde fosfaatplafond en derogatie voor de komende periode kan worden veilig gesteld.

De regeling is in grote lijnen gelijk aan de eerdere gve-reductie regeling zoals die door de sector zelf is opgesteld, maar kent een aantal opmerkelijke verschillen. Hierbij een korte samenvatting van de regeling die op 1 maart 2017 ingaat.

Voor melkleverende bedrijven wordt uitgegaan van 2 referenties of aantallen:

  • het referentieaantal: Dit is het aantal gve aan vrouwelijke runderen  aanwezig op het bedrijf op 2 juli 2015 minus 4 procent. Voor bedrijven die op 2 juli 2015 grondgebonden waren geldt de vermindering van 4 procent niet en geldt het aantal gve dat op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig was;
  • het doelstellingsaantal: Dit is  het aantal gve aan vrouwelijke runderen op het bedrijf aanwezig op 1 oktober 2016. Het doelstellingsaantal kan nooit lager zijn dan het referentieaantal.

Op basis van deze twee aantallen dient het aantal gve’s op een bedrijf in de loop van dit jaar te worden teruggebracht. Dit gebeurt in vijf perioden, die elk een taakstelling hebben voor het doelstellingsaantal:

  • Periode 1: maart en april 2017, 5 procent voor elke maand
  • Periode 2: mei en juni 2017, 10 procent voor elke maand
  • Periode 3: juli en augustus 2017, ten hoogste 20 procent
  • Periode 4: september en oktober 2017, ten hoogste 40 procent
  • Periode 5: november en december 2017, ten hoogste 40 procent

Indien het doelstellingsaantal minus de korting in een periode lager uitkomt dan het referentieaantal geldt het referentieaantal als maximaal aantal te houden gve’s. De kortingspercentages over de perioden 3 tot en met 5 zijn maximale percentages. De definitieve verminderingspercentages voor deze perioden worden uiterlijk op de laatste dag van de voorafgaande periode door de minister vastgesteld.

Indien niet aan het doelstellingsaantal wordt voldaan geldt een te betalen geldsom van 240 euro per maand per gve die teveel is gehouden. Voor periode 1 geldt eenmalig een te betalen geldsom van 480 euro aan gve die over de maand april te veel is gehouden, omdat maart te kort dag wordt geacht.

Aan bedrijven die wel het doelstellingsaantal halen, maar nog niet voldoen aan het referentieaantal dienen een geldsom te betalen van 56 euro per maand per gve opgelegd voor het aantal dat boven het referentieaantal is gehouden.

Deze geldsommen worden gebruikt om bedrijven die minder gve houden dan hun referentieaantal te ‘belonen’. Voor het gerealiseerde  verschil ontvangen de bedrijven over de maand april 120 euro, in de periode 2 en 3 per maand 60 euro per gve dat minder is gehouden dan het referentieaantal. In de periode 4 en 5 is dit bedrag 150 euro per gve. Een en ander tot een maximum van 10% van de referentieaantal. Mochten geïncasseerde geldsommen niet voldoende zijn dan worden deze bedragen naar rato bijgesteld.

Tenslotte zijn er nog een aantal uitzonderingssituaties, die betrekking hebben op de overname van een (beëindigd) bedrijf en de omstandigheid dat door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte of overlijden van een persoon of vernieling van melkveestallen op 2 juli 2015 tijdelijk tenminste 5% minder zijn gehouden dan voor de intreding van deze omstandigheden het geval was. Deze bedrijven dienen uiterlijk op 1 april 2017 een verzoek in te dienen om hun referentiedoelstelling te verhogen op een daarvoor door RVO ingericht formulier. Voor bedrijfsoverdrachten na 1 maart 2017 geldt dat dit binnen 1 maand na de bedrijfsoverdracht dient te worden gedaan.

De regeling is van toepassing op alle bedrijven met runderen, zowel bedrijven die melk leveren als bedrijven die dat niet doen (bijvoorbeeld jongveeopfokbedrijven, groepen vleesveebedrijven). Voor deze groep niet-melk leverende bedrijven: geldt echter maar één referentie: het aantal dieren aanwezig op 15 december 2016. Ook geldt voor deze groep bedrijven geen reductiepercentage. Vleeskalverhouders  zijn echter uitgezonderd van de regeling. Een vleeskalverhouder wordt in de regeling gedefinieerd als: ‘houder die uitsluitend mannelijke en vrouwelijke runderen jonger dan een jaar houdt en welke uitsluitend door de houder worden afgevoerd voor de slacht‘.

Lees hier de volledige regeling

Klik hier voor de algemene presentatie van ZuivelNL mbt de regeling;

Klik hier voor een aantal voorbeeldberekeningen

Excretieforfaits in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet geactualiseerd

Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken heeft door middel van een publicatie in de Staatscourant van 27 december 2016 de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet gewijzigd. De wijzigingen hebben betrekking op de actualisatie van diverse excretieforfaits en de aanpassing van de omschrijving van enkele diercategorieën.

De wijzigingen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn op 27 december 2016 in de Staatscourant gepubliceerd

De in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet opgenomen excretieforfaits geven voor een gemiddeld bedrijf weer hoeveel meststoffen een dier produceert. De forfaits zijn gemiddelde waarden. Op basis van de forfaits wordt gecontroleerd of veehouders hebben voldaan aan de gebruiksnormen voor de landbouwgrond die bij het bedrijf in gebruik is, hebben voldaan aan de verwerkingsplicht en voldoende mestopslagcapaciteit hebben. Met ingang van 1 januari 2015 zijn alle rundveeforfaits geactualiseerd en per 1 januari 2016 zijn de forfaits van alle overige diercategorieën herzien. Uiteindelijk zijn in die herziening niet de forfaits voor schapen en geiten aangepast, omdat daarover tijdens de consultatie inhoudelijke vragen zijn gesteld die nog door de CDM moesten worden beantwoord. Na de beantwoording van deze vragen kunnen inmiddels met de onderhavige wijziging de forfaits voor schapen en geiten worden geactualiseerd.

Ook zijn de rundveeforfaits bijgesteld op basis van de laatste inzichten en wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om echte onvolkomenheden te herstellen en enkele omschrijvingen te verhelderen.

De regeling treedt in werking op 1 januari 2017. De forfaits kunnen echter – in voorkomende gevallen en door een beroep te doen op de vrije bewijsleer – worden toegepast voor het kalenderjaar 2016. Omgekeerd (in 2017 werken met de forfaits van 2016) is dit niet toegestaan.

Lees hier de volledige aanpassing van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Wetsvoorstel fosfaatrechten ingediend

20160908-brief-fosfaatrechten

Via een brief aan de Tweede Kamer heeft Staatssecretaris van Dam het wetsvoorstel Fosfaatrechten ingediend

Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken (EZ) heeft het wetsvoorstel fosfaatrechten bij de Tweede Kamer ingediend. Het stelsel van fosfaatrechten regelt dat de in Nederland geproduceerde hoeveelheid fosfaat via mest door melkvee weer onder het zogenaamde fosfaatplafond komt. Dit is een voorwaarde om voor de periode vanaf 2018 in aanmerking te komen voor derogatie. 

Het wetsvoorstel voorziet enerzijds in een bevriezing van de fosfaatproductie door melkvee per 2 juli 2015. Anderzijds zal via een generieke korting die zal worden doorgevoerd in 2018 de fosfaatproductie worden teruggebracht.  

Melkveebedrijven krijgen begin 2017 een aantal fosfaatrechten toegekend op basis van het aantal gehouden koeien op 2 juli 2015. Deze fosfaatrechten zijn vrij verhandelbaar. Bij iedere transactie wordt 10% van de verhandelde rechten afgeroomd, tenzij het een overdracht binnen de familie (tot en met de derde graad) betreft. De afroming is echter onvoldoende om de fosfaatproductie op korte termijn weer onder het fosfaatplafond te brengen. Daarom zal per 1 januari 2018 ook een  korting op de toegekende rechten worden doorgevoerd. De exacte hoogte van deze korting is op dit moment nog niet bekend. Nadat de fosfaatproductie weer onder het Europees plafond is gebracht, worden fosfaatrechten die dan nog bij transacties worden afgeroomd opnieuw uitgegeven. Dat loopt via de op te richten fosfaatbank die zal worden beheerd door RVO.

koe in wei

Bedrijven die op 2 juli 2015 grondgebonden waren zullen in enige mate worden gecompenseerd voor hun latente ruimte op die datum.

Vanaf 2017 moet een melkveehouderijbedrijf jaarlijks aantonen dat de mestproductie op het bedrijf lager is dan de op dat bedrijf rustende fosfaatrecht. Het berekenen van de mestproductie is in het wetsvoorstel vooralsnog beperkt tot het gebruik van de forfaitaire normen. Een opening wordt geboden voor de systematiek van de kringloopwijzer (KLW), maar deze zal – volgens het Wetsvoorstel – pas worden toegelaten wanneer de KLW voldoende geborgd wordt geacht en wanneer er voldoende garanties zijn omtrent het realiseren van het fosfaatplafond. Veiligheidshalve dient er in afwachting van de behandeling  van het wetsvoorstel daarom tenminste, in een scenario, rekening mee worden gehouden dat in 2017 uitgegaan moet worden van een mestproductie die – voor de fosfaatrechten – is gebaseerd op de forfaitaire normen. Voor de gebruiksnormen mag dan nog wel worden uitgegaan van de BEX of KLW berekening.

In 2018 wordt over het toegekende fosfaatrecht een generieke korting doorgevoerd. Deze korting zal minder impact hebben op grondgebonden en biologische bedrijven. Melkveehouders die op 2 juli 2015 veel grond hadden in verhouding tot het aantal dieren (grondgebonden bedrijven) zullen deels voor de generieke korting worden gecompenseerd. Grondgebondenheid zal in de toekomst ook worden meegenomen bij het opnieuw uitgeven van afgeroomde rechten door de fosfaatbank.

Het exacte  afromingspercentage zal pas medio 2017 bekend worden gemaakt. Dan zal ook worden gekeken of ook aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de fosfaatproductie in de varkens- en/of pluimveehouderij onder de respectievelijke sectorplafonds te krijgen. Daartoe is in het wetsvoorstel een voorziening opgenomen die het mogelijk maakt om, bij Algemene Maatregel van Bestuur, een generieke korting toe te passen op de varkens- en/of pluimveerechten. Als alternatief hiervoor noemt de Staatssecretaris het beëindigen van ontheffingen die in het kader de POR regeling, het Zuivere Ei en Golden Harvest zijn verleend en waarvan de einddatum is vastgesteld op 31 december 2017, niet te verlengen.

Opvallend is dat in het wetsvoorstel (onder artikel 33a) ook een voorziening is opgenomen om het bij AmvB mogelijk te maken om een productierecht om te zetten in een varkensrecht, pluimveerecht of fosfaatrecht. Hieraan wordt de voorwaarde voorbonden ‘dat de landbouwer op wiens bedrijf het om te zetten productierecht rust met de omzetting instemt en de omzetting geen toename veroorzaakt van de hoeveelheid geproduceerde stikstofverbindingen, fosfaat en fijnstof‘. Let wel: dit is een voorziening, dat wil nog niet zeggen dat van de voorziening gebruik zal worden gemaakt.

Ditzelfde geldt voor de voorziening die onder artikel 33ab is opgenomen om bij AmvB een percentage vast te stellen waarmee het varkensrecht, pluimveerecht of fosfaatrecht kan worden verminderd.

De Tweede en Eerste Kamer zullen zich de komende maanden over het wetsvoorstel fosfaatrechten buigen. De ingangsdatum is en blijft vooralsnog 1 januari 2017. Medio 2017 wordt vervolgens het definitieve generieke afromingspercentage aangekondigd, waarna melkveehouders tot begin 2018 de tijd hebben om op de korting in te spelen.

Lees hier de volledige brief
Lees hier het wetsvoorstel
Lees hier de memorie van toelichting

Vervanging grasland op zand- of lössgrond bij waterschade door overvloedige regen tijdelijk toegestaan

wateroverlast

Voor graslandpercelen op zand en loss met ernstige waterschade geldt een tijdelijke vrijstelling van het zogenaamde scheurverbod

Boeren op zand- of lössgrond, waarbij het grasland als gevolg van de overvloedige regenval ernstige schade heeft opgelopen krijgen de mogelijkheid om de graszode te vernietigen en het grasland opnieuw in te zaaien.

Het vernietigen van de graszode is op deze grondsoorten in deze periode, volgens artikel 4b, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm besluit). Tot  en met 15 september 2016 wordt vrijstelling van dit verbod  verleend wanneer:

  • de verwachte grasopbrengst door wateroverlast naar verwachting tenminste 25% lager is dan in een jaar zonder wateroverlast;
  • de totale oppervlakte beschadigd grasland tenminste 5% bedraagt van de oppervlakte grasland die bij het bedrijf in gebruik is;
  • een geregistreerd schade-expert in een op het bedrijf te bewaren rapport bevestigt dat is voldaan aan de bovengenoemde voorwaarden;
  • het voornemen om de graszode te vernietigen minimaal 7 werkdagen voorafgaand aan de daadwerkelijke vernietiging, maar uiterlijk op 31 augustus van het jaar 2016 en na gereedkomen van het rapport, wordt gemeld bij de minister van Economische Zaken (lees: RVO);
  • op de betreffende percelen grasland herinzaai van gras plaatsvindt binnen zeven werkdagen na de vernietiging van de graszode, maar uiterlijk op 15 september 2016.

Zie voor meer informatie de publicatie van de vrijstellingsregeling in de Staatscourant.

Een toezichthouder aan de deur: en dan?

Iedere (agrarische) ondernemer krijgt te maken met toezicht en controle. Soms maken toezichthouders hiervoor een afspraak, soms vindt het toezicht op een onverwacht moment plaats. Over het algemeen verloopt het toezicht in goede sfeer en zonder problemen. Toch is het goed uw rechten en plichten met betrekking tot toezicht en controles te kennen.

Toezicht houdt in: controle op de naleving van wettelijke regels. Een toezichthouder verricht dan ook een controlerende taak. Het toezicht is dan ook niet zozeer een reactie op onrechtmatig gedrag, maar een instrument om te onderzoeken of daar mogelijkerwijs sprake daarvan kan zijn. De toezichtsbevoegdheden en –rechten kunnen dan ook worden uitgeoefend in situaties waarin in het geheel nog geen verdenking van een overtreding van de voorschriften bestaat. Ook is niet vereist dat er een vermoeden bestaat dat een voorschrift niet is nageleefd. Er is immers sprake van controle, niet van opsporing. Dit laatste beperkt ook de middelen en rechten waarvan een toezichthouder gebruik kan maken. Deze  gaan minder ver dan wanneer sprake is van opsporing.

dossiers

Een toezichthouder mag inzicht vragen in de administratie. Het doorzoeken van de administratie is een ander punt.

Een toezichthouder moet zich ingevolge art. 5:12 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) legitimeren en bekendmaken als toezichthouder. Tevens moet de toezichthouder aan betrokkene mededelen wat de achterliggende reden en het doel van de controle is. Een toezichthouder mag zijn bevoegdheden alleen gebruiken als hij voor die toezichthoudende taak bij of krachtens een wettelijk voorschrift is aangewezen. Heeft de toezichthouder zich gelegitimeerd en de reden van zijn bezoek duidelijk gemaakt, dan mag hij gebruik maken van zijn bevoegdheden als toezichthouder. Deze bevoegdheden en rechten zijn vastgelegd in artikel 5:15 tot en met 5:20 Awb en  kunnen als volgt worden samengevat:

  • Het betreden van elke plaats (zo nodig met behulp van de politie), met uitzondering van een woning als de bewoner daar geen toestemming voor geeft;
  • Het vorderen van inlichtingen;
  • Het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs;
  • Het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden waaronder ook vallen gegevens die langs elektronische weg zijn vastgelegd
  • Het maken van kopieën van zakelijke gegevens en bescheiden;
  • Het meenemen van zakelijke bescheiden als ter plekke geen kopieën kunnen worden gemaakt;
  • Het onderzoeken van zaken en nemen van monsters;
  • Het meenemen van zaken als het onderzoek of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden
  • Het onderzoeken van vervoermiddelen en hun lading met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft;
  • Het vorderen dat een voertuig door de bestuurder stil wordt gehouden en door de bestuurder naar een door de toezichthouder aangewezen plaats wordt overgebracht;
  • Het vorderen van inzage van een bestuurder van een vervoermiddel van de wettelijk voorgeschreven bescheiden.

Uit deze opsomming blijkt dat de bevoegdheden van een toezichthouder verstrekkend zijn. Ze zijn echter niet onbeperkt. Een algemene norm daarvoor is gegeven in artikel 5:13 Awb: ‘Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de invulling van zijn taak nodig is’. Zo mogen bijvoorbeeld geen ‘inkijkoperaties’ worden uitgevoerd, dat wil zeggen zaken en handelingen waarvan betrokkene niet op de hoogte is. Evenmin mag de uitoefening van de bevoegdheid tot toezicht niet zo ver gaan dat plaatsen worden doorzocht.

Betrokkene dient wel medewerking te verlenen aan een controle. In artikel 5:20, eerste lid, Awb is voorgeschreven dat ‘een ieder verplicht is aan een toezichthouder alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs kan worden gevorderd bij de uitoefening van het toezicht’. Deze medewerkingsplicht kan op grond van de Awb overigens niet door oplegging van een sanctie worden afgedwongen. Dit met uitzondering van bepaalde aspecten die specifiek strafbaar zijn gesteld (een voorbeeld daarvan is het niet tonen van een identiteitsbewijs na een verzoek daartoe).

Bovenstaande geldt overigens niet alleen voor de direct betrokkene. Bij eenieder (medewerkers, leveranciers, afnemers, adviseurs) die mogelijk belangrijke informatie zou kunnen verschaffen in het kader van de controle, mag de toezichthouder gebruik maken van zijn bevoegdheden.

Tenslotte is van belang dat ingevolge artikel 5.10a, eerste lid, Awb geldt dat degene die wordt verhoord met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is verklaringen over de overtreding af te leggen. In dit kader geldt: liever geen verklaring dan een belastende verklaring.

Kort samengevat betekent dit:

  • Een toezichthouder moet zich altijd legitimeren, duidelijk maken dat hij gerechtigd is toezicht te houden en de reden van zijn bezoek duidelijk maken. De toezichthouder mag zijn bevoegdheden als toezichthouder alleen binnen het door hem aangegeven doel gebruiken.
  • Sommige bevoegdheden van een toezichthouder zijn verstrekkend en komen wellicht wat onheus, beklemmend of intimiderend over. Blijf kalm en vriendelijk, verleen medewerking en geef openheid van zaken voor zover het gegevens betreft. Vraag om enige tijd wanneer er om verklaringen wordt gevraagd. Het is niet verplicht een verklaring af te leggen. Het is zeker niet verplicht om direct een verklaring af te leggen.
  • De bevoegdheden van een toezichthouder zijn verstrekkend, maar niet onbeperkt. Er is sprake van controle, niet van opsporing. Opsporingsactiviteiten, zoals doorzoekingen, zijn dan ook niet toegestaan onder de noemer toezicht: ken uw rechten.
  • Het toezicht en de controle hoeft niet alleen beperkt te blijven tot de direct betrokkene, ook andere partijen die over belangrijke informatie kunnen beschikken die van belang wordt geacht in het kader van de controle, kunnen, mogen en zullen door de toezichthouder worden benaderd.
  • Ga niet te snel mee in stellingen die de controleurs innemen en ook is het niet verstandig te snel in te stemmen met berekeningen die ter plaatse worden gemaakt. Zeker bij bijvoorbeeld het vaststellen van de begin- en eindvoorraad van de mestopslag is het raadzaam hier eerst zelf ook onderzoek naar te doen, alvorens in te stemmen met de berekening van de toezichthouder. Neem een en ander voor kennisgeving aan en geef aan er later op terug te komen.
  • Onderteken een verklaring niet eerder dan het moment waarop de inhoud van de verklaring klopt. Geef bij twijfel aan er later op terug te komen of dat eerst na zult kijken en het dan door zult geven.
  • Bij twijfel, kunt u vragen de afspraak voor de controle op een later moment  in te plannen, bijvoorbeeld  omdat u zich graag wilt dat uw adviseur tijdens de controle aanwezig is.

Internetconsultatie ontwerpwijziging Uitvoeringsregeling Meststoffenwet equivalente maatregelen

Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken heeft een ontwerpwijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet,  waarin een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm en stikstofgebruiksnorm bij het treffen van de equivalente maatregelen mogelijk wordt gemaakt, via een open internetconsultatie ter inzage gelegd. De inzagetermijn eindigt op 13 mei 2016.

uitvoeringsregeling

De internetconsultatie loopt van 31 maart tot 13 mei 2016

De ontwerpwijziging maakt een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm of stikstofgebruiksnorm mogelijk indien een landbouwer ervoor kiest één van de volgende zogenaamde ‘equivalente maatregelen’ op bouwland te treffen:

  • stikstof- en fosfaatgebruiksnormen afhankelijk van de gewasopbrengst;
  • Een hogere stikstofgebruiksnorm bij vervanging dierlijke mest door kalkammonsalpeter (KAS), chilisalpeter, kalksalpeter, stikstofmagnesium of mineralenconcentraat;
  • Een hogere stikstofgebruiksnorm bij rijenbemesting in mais op zand en lössgronden.

Doel van de internetconsultatie is het inwinnen van zienswijzen (toevoegingen, wijzigingen, aanvullingen) ten aanzien van de voorgenomen wijziging van de Uitvoeringsregeling. Met andere woorden: ‘meedenken’ wordt op prijs gesteld.

Klik hier voor meer informatie over de voorgenomen wijzigingen en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

Scheuren van grasland

Wie grasland scheurt, doodspuit of vernietigt,  moet zich aan een aantal voorwaarden houden. Deze voorwaarden verschillen per grondsoort: voor klei, veen en zand- en lössgrond verschillen de perioden in en voorwaarden waaronder het scheuren, doodspuiten of vernietigen is toegestaan. Onderstaand schema geeft per grondsoort een overzicht van deze perioden en voorwaarden.

overzicht scheuren van grasland

Alleen voor productiegrasland
De regels voor het scheuren of vernietigen van grasland gelden voor grasland dat wordt gebruikt voor voerproductie of beweiding. Met grasland bedoelen we grond die voor ten minste 50% is beteeld met gras. De regels gelden dus niet voor gras dat wordt gebruikt voor graszaad, graszoden, siergrassen of groene braak.

Vrijstelling herstel van schade
Wanneer sprake is van schade aan de graszode door droogte, vraat door dieren die in de graszode leven kan vrijstelling worden aangevraagd voor het vernietigen van een perceel of een perceelgedeelte grasland op zandgrond of lössgrond. Daarvoor gelden wel bepaalde voorwaarden

Werkzaamheden door netbeheerders
Soms moet een netbeheerder onderhoud plegen aan een pijpleiding onder het grasland of een nieuw net aanleggen. Het grasland wordt dan vernietigd. Daarom is er vanaf 1 januari 2015 – voor de aanleg van of onderhoud aan een net – een vrijstelling voor het vernietigen of scheuren van grasland buiten de toegestane periode. Het gaat om elektriciteitsnetten, gasnetten, riolering, waterleidingnetten en elektronische communicatienetten die worden of zijn aangelegd in landbouwgrond waarop u gras teelt. De aanleg van een weg valt bijvoorbeeld niet onder de vrijstelling.

Kavelinrichtingswerken
Het vernietigen van grasland vanwege kavelinrichtingswerkzaamheden  is dit het hele jaar toegestaan. Dit geldt echter uitsluitend wanneer sprake is van kavelinrichtingswerken die worden verricht na vaststelling van een plan van toedeling, een land- of inrichtingsplan of een reconstructieplan, zoals vermeld in de wet Besluit gebruik meststoffen artikel 4b, lid 7 a t/m e.

Controle en handhaving
Wie grasland vernietigt terwijl dit niet is toegestaan is in overtreding. Naast een boete wordt dan bovendien  een randvoorwaardenkorting opgelegd.

Vastlegging van fosfaat door vleesvarkens: Effecten van brijvoer

De afgelopen maanden kwam de vastlegging van fosfaat door dieren gevoerd met brijvoer regelmatig voorbij als discussiepunt. Mag deze nu wel of niet worden toegepast?  In dit bericht kort de stand van zaken.

Bij het berekenen van de afvoer van fosfaat  in dierlijke producten in de varkenshouderij wordt gebruik gemaakt van een forfaitair gehalte aan vastlegging van fosfaat per kilogram levend gewicht. Dit fosfaat-gehalte is gebaseerd op  onderzoek door  Jongbloed en Kemme. Een belangrijke aanname in dit onderzoek was dat de rantsoensamenstelling geen wezenlijke invloed heeft op de hoeveelheid fosfaat die wordt vastgelegd door het varken.

20170424 vastlegging

De normen voor mineralenafvoer in dieren zijn voortdurend onderwerp van discussie

Uit een latere literatuurstudie van Bikker en Jongbloed bleek echter dat de vastlegging van fosfaat bij varkens die werden gevoerd met natte voeders  hoger was dan het forfaitaire gehalte dat voor de vastlegging voor fosfaat per kilogram levend gewicht volgens de Meststoffenwet moet worden gebruikt. In vier verschillende studies werden een retentie (vastlegging) van fosfaat in het varken gevonden die zo’n  7 – 15% hoger was bij bedrijven met brijvoer, vergeleken met bedrijven die droogvoer toepasten.

Een hogere vastlegging van fosfaat betekent dat meer fosfaat in het dier achterblijft en dus minder fosfaat in de mest terecht komt. Op basis van dit feit zouden bedrijven met brijvoer die hun afvoer van fosfaat via de afgevoerde dieren berekenen op basis van de forfaitaire normen hun balans niet sluitend kunnen krijgen. De hoeveelheid fosfaat die uiteindelijk in de mest terecht kom is immers, door de hogere vastlegging in de dieren, lager dan nodig zou zijn om voldoende afvoer te krijgen.

RVO hanteerde naar aanleiding van bovenstaand onderzoek dan ook in zienswijze en bezwaarprocedures een correctie op de afvoerpost fosfaat van vleesvarkens van 18% voor bedrijven met natte brijvoeders. Ook sommige management- en rekenprogramma’s pasten hun berekeningswijze hierop aan. Bijvoorbeeld door de norm voor de afvoer van vleesvarkens te verhogen naar 0,014 of zelfs 0,015 kg fosfaat per kg levend gewicht.

De correctie heeft echter nooit een wettelijke basis gekregen. Om te bepalen of dit nodig zou zijn heeft het ministerie  van Economische Zaken enige tijd geleden dan ook aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om na te gaan of varkens gevoerd met brijvoer een hoger forfaitaire norm zouden moeten hebben voor de vastlegging in het dier  dan varkens gevoerd met droog voer. In haar advies naar aanleiding van dit verzoek nuanceert de CDM het standpunt omtrent de hogere vastlegging bij bedrijven met brijvoer enigszins.

De CDM stelt dat weliswaar blijkt dat varkens gevoerd met brijvoer een hogere retentie van fosfaat hebben, maar dat deze hogere vastlegging terug te voeren valt tot een betere verteerbaarheid van fosfaat van het voer (een hoger vP-gehalte). Brijvoeders bevatten waarschijnlijk een hoger verteerbaar P-gehalte (vP) dan op papier is berekend waardoor de dieren meer vP krijgen dan nodig zou zijn.

In het advies van de CDM wordt daarnaast verwezen naar onderzoek  dat laat zien dat het forfaitair fosfaat gehalte in vleesvarkens (0.0123 kg/kg levend gewicht) een redelijk schatting is voor het gemiddelde gehalte van vleesvarkens. Recente onderzoek zou laten zien dat er weliswaar een variatie in P-gehalte bestaat, maar deze variatie valt terug te voeren tot verschillen in  het P-gehalte in het rantsoen: hoe hoger het P-gehalte in het rantsoen: hoe hoger het fosfaat-gehalte in het vleesvarken.

Op basis hiervan geeft de CDM het advies dat er geen aanpassingen nodig zijn van de huidige forfaits voor de vastlegging van fosfaat in vleesvarkens. Als op behoefte aan fosfor wordt gevoerd met brijvoedering dan zal de vastlegging van  fosfaat door deze varkens niet veel afwijken van het huidige forfait.

Tot op heden hanteert RVO in haar besluiten  nog steeds de 18% correctie, zoals men dit voorheen ook deed.

Klik hier voor het advies van de CDM