Zijn de boetebedragen te hoog ? Of niet hoog genoeg?

Boetes voor overtredingen van de Meststoffenwet (hierna: Msw) kunnen fors zijn. Heel fors! Dit is ook de bedoeling van de minister. Dergelijke boetes moeten ’afschrikwekkend’ zijn. De vraag is zijn ze dat en zijn ze niet te fors. In het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest heeft de minister de afgelopen periode het sanctiebeleid bij overtredingen van de Msw nader laten bekijken. Hiertoe heeft de minister de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) gevraagd om een advies over de hoogte van de bestuurlijke boetes ten opzichte van het economisch voordeel, om zodoende de genoemde afschrikwekkendheid van de boetes te beoordelen. Dit advies is onlangs verschenen.

De CDM concludeert dat de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van artikelen 7, 8, 14, (gebruiksnormen en verantwoordingsplicht) 21 (verantwoorde groei melkveehouderij) en 33 (verwerkingsplicht) van de Msw voor varkens- en rundveemest gemiddeld genomen een factor 2 à 4 hoger zijn dan de mestafzetkosten die gemiddeld genomen in 2016 werden betaald. Dit impliceert dat de boetes gemiddeld hoog genoeg worden geachte om het directe economisch voordeel van mestfraude te ontnemen en tegelijkertijd bijdraagt aan het voorkomen van nieuwe overtredingen. Persoonlijk blijf ik het toch merkwaardig vinden dat de boete voor overtreding van artikel 33 (niet voldoen aan de verwerkingsplicht) op 11 euro per kilogram fosfaat wordt gesteld, terwijl een VVO ongeveer 1 euro kost. Wat nu een factor 2 à 4 hoger

Voor pluimveemest zijn de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van de gebruiksnormen en mestafzet een factor 20 à 40 hoger dan de gemiddelde mestafzetkosten. Dat is te verklaren doordat de boetetarieven voor stikstof en fosfaat uniform zijn voor alle mestsoorten, en pluimveemest veel hogere gehalten aan stikstof en fosfaat per ton mest bevat dan rundveemest en varkensmest, terwijl de mestafzetkosten relatief laag zijn.

Toch adviseert de CDM om bij het opleggen van boetes geen onderscheid te maken naar mestsoort (en dus de huidige systematiek in stand te houden), omdat mestsoorten niet altijd gemakkelijk zijn te herkennen en mestsoorten in de praktijk soms worden gemengd om een mestsamenstelling te krijgen die voldoet aan de wensen van de afnemer.

Naast de hoogte van het boetebedrag is de pakkans een bepalende factor in het boetebeleid. Oftewel, als een ondernemer de regels overtreedt, hoe groot is dan de kans dat hij wordt betrapt en een boete opgelegd krijgt. De CDM stelt op grond van berekeningen vast dat bij de huidige boetetarieven fraude bij de afzet van pluimveemest gemiddeld genomen niet loont bij een pakkans van 2% of meer. Bij varkensmest en rundveemest is dat gemiddeld genomen het geval bij een pakkans van 22% of meer. De CDM adviseert dan ook de pakkans te verhogen.

Naast het vergroten van de pakkans kan de afschrikwekkende werking van mestboetes wel verder worden verhoogd door meer onderscheid te maken naar de aard van de overtreder (grootte van het bedrijf) en naar recidive. Bij grote bedrijven dienen de boetetarieven hoger te zijn dan bij kleine bedrijven, aldus de CDM. Deze mogelijkheid wordt vermeld in de Boetewijzer die het ministerie van Justitie en Veiligheid recent heeft opgesteld om meer uniformiteit te krijgen in de hoogte van bestuurlijke boetes voor verschillende wettelijke domeinen.

De boetebedragen bestaan uit het wegnemen van het economisch voordeel en bovendien daarboven nog uit een bestraffend element. Op basis van het CDM-advies constateert de minister dat de huidige boetebedragen beide elementen afdekken. Een verdere verhoging van de boetes ligt dan ook niet in de rede, temeer omdat de mestafzetkosten in verhouding tot de totale bedrijfskosten met name bij varkensbedrijven aanzienlijk zijn.

De mestafzet is vooral voor varkensbedrijven een grote financiële opgave omdat de gemiddelde mestafzetkosten van dezelfde orde van grootte zijn als het ondernemersinkomen. Een verdere verhoging van boetes zal dan ook de financiële draagkracht van bedrijven te boven kunnen gaan. Daarbij weeg ik ook mee dat met de versterkte handhavingsstrategie mest naast het opleggen van boetes ook andere maatregelen en sancties worden genomen, zoals uitsluiting en terugvordering van subsidies, opname in een frauderegister en extra BIBOB-onderzoeken waardoor in het uiterste geval een vergunning kan worden ingetrokken.

Daarnaast ziet de minister verbetermogelijkheden in het maken van meer onderscheid naar recidive en bedrijfsgrootte. Dit zou betekenen hogere boetebedragen, maar meer mogelijkheden voor matiging bij een eerste overtreding of voor kleinere bedrijven. Daarnaast zet de minister in op het vergroten van de pakkans in het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest. Dit betekent gebiedsgerichte en risicogerichte handhaving, verbeteren van de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen toezichthouders, betere gebruikmaking van datatechnologie en modernisering van verantwoordingssystemen zodat meststromen ‘real time’ kunnen worden gevolgd.

Een voorzichtige conclusie is dan ook dat de boetebedragen op het huidige niveau zullen blijven of  mogelijk zelfs worden verhoogd in combinatie met  aanvullende sancties, meer mogelijkheden matiging en onderscheid naar bedrijfsomvang. Daarbij is het jammer dat de hoogte van de boetebedragen voortdurend en  rechtstreeks wordt gekoppeld aan fraude en deze boetebedragen ook van kracht zijn voor vergissingen of administratieve onvolkomenheden in de bedrijfsadministratie.

Lees hier het advies van het CDM

Gehalten in koek na mestscheiding

Monsters van vaste mest bestaande uit koek na scheiding van rundveemest (mestcode 13) en varkensmest (mestcode 43) mogen sinds 1 oktober 2017 alleen worden genomen door onafhankelijke monsternemers van een geaccrediteerde en erkende organisatie. Deze maatregel is destijds geïntroduceerd om manipulatie van gehalten bij de monstername uit te sluiten en de uniformiteit van de monstername (en daarmee van de analyse uitslagen) te verbeteren. Het ging er daarbij vooral om onverklaarbare (extreem) hoge gehalten uit te sluiten en discussies omtrent de rechtmatigheid daarvan te voorkomen.

Dat sommige gehalten als (te) hoog konden worden aangemerkt was duidelijk. Minder duidelijk is welke gehalten nu als ‘te’ hoog dienen te worden aangemerkt. In december 2017 hebben Cumela Nederland, LTO, POV, TLN en Rabobank (hierna: Cumela cs) hiervoor een aanzet gegeven in de vorm van een tabel met acceptabele bandbreedtes voor analyse-uitslagen van een aantal mestsoorten. Onder deze mestsoorten waren mestcode 13 en mestcode 43. Doel van de tabel is om eenvoudig te kunnen te bepalen of sprake is van onacceptabele gehalten in de aan- of afgevoerde mest. Hieronder de destijds gepubliceerde Tabel.

klik op het plaatje voor een vergroting

 

Cumela cs geeft als acceptabele bovengrenzen voor mestcode 13 gehalten van 8 kilogram stikstof per ton en 6 kilogram fosfaat per ton. Voor mestcode 43 zijn deze gehalten16 kilogram stikstof per ton en 20 kilogram fosfaat per ton.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft daarnaast voor analyses van koek na mestscheiding (mestcodes 13 en mestcodes 43) absolute bovengrenzen voor het fosfaatgehalte gedefinieerd. Deze bovengrenzen zijn het resultaat van onderzoek van de Wageningen University & Research. Uit het onderzoek volgt voor mestcode 13 een bovengrens van 15 kilogram fosfaat per ton. Voor mestcode 43 geldt een bovengrens van 31 kilogram fosfaat per ton.

Het is de vraag hoe zowel de Tabel van Cumela cs als de bovengrenzen van RVO zich verhouden tot hetgeen in de praktijk wordt waargenomen. Zeker met de onafhankelijke monsternemer als schakel in het monsternameproces. Door middel van een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur zijn de resultaten van de vervoersdocumenten dierlijke mest (VDM’s) voor mestcode 13 en 43 in de periode 1 oktober 2017 tot 1 september 2018 (één jaar) opgevraagd.

De resultaten van deze analyses zijn samengevat in onderstaande Tabel. Een drietal opvallende conclusies:

1. De forfaitaire gehalten van 2019 liggen voor met name stikstof aanzienlijk boven het gehalte dat gemiddeld in de praktijk wordt waargenomen. Voor fosfaat is ook sprake van een verschil, maar is het verschil kleiner.

2. Ruim 70% van de monsters van mestcode 13 liet een hoger gehalte zien dan het acceptabele gehalte voor stikstof of fosfaat in de tabel van Cumela cs. Voor mestcode 43 was dit nog bijna een kwart van de monsters.  Bij zulke percentages kunnen tenminste kanttekeningen worden geplaatst bij de term ‘acceptabele gehalten’.

3. De grens van de door RVO geformuleerde grenswaarde werd slechts respectievelijk 4% en 3% van de monsters overschreden. Dit zou het gevolg kunnen zijn van een nabehandeling (bijvoorbeeld drogen) van de betreffende vrachten. Als controlepunt lijken de gehalten dien door RVO worden gehanteerd echter wel reëel.

 

mestcode forfait (kg/ton) gemiddelde (kg/ton) % monsters boven norm 
stikstof fosfaat stikstof fosfaat bovengrens Cumela cs maximum RVO
mestcode 13 16,9 9,8 9,8 7,6 72,7 4,4
mestcode 43 25,7 21,4 10,9 18,0 23,0 2,8

 

Wie kijkt naar de gehalten die in de praktijk worden aangetroffen in koek na mestscheiding  in relatie tot de forfaitaire gehalten,  de acceptabele gehalten (Cumela cs) en de onaannemelijke gehalten (RVO) kan niet anders dan concluderen  dat zowel de forfaitaire gehalten voor deze mestcodes als de gehalten die worden gebruikt in de Tabel van Cumela cs als ‘acceptabele’ gehalten bijstelling behoeven. 

 

Bij twijfel over de gehalten in koek na mestscheiding moet eerst de afvoer aannemelijk kunnen worden gemaakt

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin de afvoer van twee vrachten koek na mestscheiding van het bedrijf van eiseres door verweerder was geschrapt.

Uit een onderzoek naar het bedrijf Hamefo Nederland BV (Hamefo), is gebleken dat dit bedrijf Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen (VDM’s) voor transporten van dierlijke mest opmaakte en registreerde, maar deze transporten in werkelijkheid niet zou hebben uitgevoerd. Het betrof veelal vrachten koek na mestscheiding die zouden zijn vervoerd naar Mestverwerking Fryslȃn BV (MVF). De analyses van deze vrachten vertoonden bovendien vaak opmerkelijk hoge stikstof- en fosfaatgehaltes.

Het vermoeden is dat ten tijde van een werkelijk mesttransport extra VDM’s werden ingevuld. Op deze VDM’s werd dan geen kenteken van het vervoermiddel ingevuld. De chauffeurs zouden extra AGR/GPS-koffers bij zich hebben gehad om de fictieve vrachten uniek te maken. Daarnaast zouden de chauffeurs valse weegbonnen hebben opgemaakt bij MVF.
Naar aanleiding van bovenvermeld onderzoek heeft verweerder gecontroleerd of eiseres in 2013 de wet- en regelgeving van het mestbeleid heeft nageleefd. Specifiek werd gekeken naar twee VDM’s die door Hamefo van het bedrijf zijn afgevoerd.

Uit VDM1 blijkt dat Hamefo op 19 december 2013 om 06.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 47,68 ton heeft geladen en op 20 december 2013 om 13.00 uur bij MVF heeft gelost. Op VDM1 is het kenteken van de truck waarmee het transport is uitgevoerd niet vermeld. Op de weegbon die achterop het VDM is afgedrukt, blijkt dat de vracht op 20 december 2013 om 13.12 uur bij MVF is gewogen.

Uit VDM2 blijkt dat Hamefo op 20 december 2013 om 05.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 39,66 ton heeft geladen. Uit het VDM blijkt dat de vracht die dag om 14.00 uur bij MVF is gelost. Op VDM2 is het kenteken van de truck waarmee het transport is gedaan niet vermeld. Volgens de weegbon is de vracht om 13.57 uur bij MVF gewogen.

Uit het onderzoek naar deze twee transporten blijkt dat de VDM’s -volgens ARG/GPS-gegevens- zijn ingelezen op 20 december 2013 om 5:52 uur respectievelijk 5:47 uur. Volgens deze gegevens zouden de transporten toen ook geladen en bemonsterd zijn. De vrachten zouden bij MVF zijn gelost om 13.02 uur respectievelijk 13.11 uur.

Uit gegevens van Data2Track blijkt dat op 20 december 2013 één truck, met kenteken BT-JB-86 type walking floor, om 5.48 uur bij het bedrijf van eiseres is geweest. Volgens deze gegevens is deze truck om 5.54 uur weer vertrokken en om 12.44 uur bij MVF aangekomen. De truck is daar weer vertrokken om 13.13 uur. De geregistreerde laad en losmeldingen van VDM1 en VDM2 corresponderen daarmee met de Data2Track gegevens van deze truck.

Uit deze gegevens heeft verweerder afgeleid dat de VDM’s valselijk zijn opgemaakt en de mest niet is afgevoerd en de betreffende VDM’s niet meegenomen als afvoer van mest, maar beschouwd als zijnde aangewend op de eigen grond. Dit resulteerde in een boete van (in totaal) € 31.804,50.

Eiseres blijft erbij dat op 19 en 20 december 2013 containercombinaties op zijn bedrijf zijn geweest om koek na mestscheiding op te halen en [A.] de containers zelf met een shovel heeft gevuld. De vrachten zijn afgevoerd, de vervoerskosten betaald en de VDM’s en analyserapporten ontvangen. Er zijn monsters genomen die door het laboratorium geanalyseerd zijn. Eiseres stelt geen invloed te hebben gehad op de monsters en kan niet anders dan van de analyses uitgaan. Eiseres blijft erbij dat de vrachten als afvoer in de berekening, van de hoeveelheid mest die zij in 2013 op haar land heeft gebruikt, had moeten worden meegenomen.

Eiseres heeft geen truck met ‘walking floor’ op haar terrein gezien. Zij stelt dat de truck mogelijk ter plaatse is geweest om de chauffeur met de containercombinatie de weg te wijzen of mestmonsters op te pikken en geeft aan dat Hamefo met meer trucks reed dan enkel de trucks die in Data2Track geregistreerd stonden.

Eiseres stelt ook geen invloed te hebben gehad op de Data2Track-gegevens. Als vast komt te staan dat deze gegevens niet overeenkomen met de gegevens op de VDM’s, kan dat volgens eiseres nog niet leiden tot de conclusie, dat de mest helemaal niet is afgevoerd.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat de mest in containers is geladen en vervoerd, zoals eiseres heeft verklaard, omdat containers niet kunnen worden vervoerd met een vrachtwagen met ‘walking floor’ en de mest, gelet op de hoeveelheid, niet binnen zes minuten -tussen aankomst en vertrek- kan zijn geladen. Verweerder neemt aan dat de truck van Hamefo met kenteken BT-JB-86 alleen bij het bedrijf van eiseres is geweest om via het ARG/GPS-systeem een laadmelding te doen. Ook de gehaltes in de gestelde afvoer worden niet aannemelijk geacht. Verweerder acht dat echter niet direct van belang, omdat de afvoer sowieso niet aannemelijk is. Verweerder rekent het eiseres ook aan geen administratie over de mestscheiding kon worden overlegd en eiseres niet weet hoe de mest gescheiden is.

De rechtbank overweegt dat gelet op vaste rechtspraak verweerder mag aannemen dat eiseres de aangevoerde en geproduceerde mest in of op de bodem heeft gebracht, tenzij eiseres aannemelijk maakt dat zij dat niet heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 19 en 20 december 2013 twee vrachten koek na mestscheiding door Hamefo heeft laten afvoeren.

verzamel nota’s, werkbonnen, fotomateriaal, (extra) analyses, etc om de mestscheiding en de afvoer daarvan aannemelijk te maken.

Uit Data2Track-gegevens blijkt dat op 20 december 2013 één truck van Hamefo, de truck met kenteken BT-JB-86 en ‘walking floor’, in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest. De truck is daar aangekomen om 5.48 uur en daar weer vertrokken om 5.54 uur. De truck is bij MVF aangekomen om 12.44 uur en daar weer vertrokken om 13.13 uur.

Uit de gegevens van Data2Track blijkt ook dat de andere geregistreerde vrachtwagens van Hamefo die dag niet in de buurt van het bedrijf van eiseres zijn geweest. Ter zitting is gebleken dat uit die gegevens verder blijkt dat op 19 december 2013 geen geregistreerde truck van Hamefo in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest.

De omstandigheid dat eiseres geen invloed heeft op de Data2Track-gegevens, zoals zij heeft gesteld, betekent niet dat verweerder niet van deze gegevens heeft mogen uitgaan en mede op grond van andere gegevens heeft kunnen concluderen, dat de gestelde afvoer van dikke fractie niet aannemelijk is.

De truck met kenteken BT-JB-86 kan de vrachten waarbij de VDM1 en VDM2 horen niet hebben vervoerd. Volgens VDM1 is de vracht van 47,68 ton geladen op 19 december 2013. Volgens de Data2Track-gegevens was de truck toen niet in de buurt van het bedrijf van eiseres. Volgens VDM2 is de vracht van 39,66 ton geladen om 05.00 uur en dus vóórdat de truck er was.

Volgens VDM2 is de vracht om 14.00 uur bij MVF aangekomen en dus lang nádat de truck daar weer is vertrokken. De vracht met VDM1 is volgens het VDM bij MVF gelost om 13.00 uur en dus binnen de aankomst- en vertrektijd van de truck bij MVF, maar zoals al gezegd, is deze vracht, volgens het VDM, niet op 20 december 2013 geladen en blijkt niet dat de truck op 19 december 2013 al bij het bedrijf van eiseres was.

Daarbij zijn partijen het erover eens dat een truck met ‘walking floor’ niet in zes minuten kan zijn beladen met de vrachten dikke fractie en betwist eiseres zelf dat de vrachten met een truck met ‘walking floor’ zijn vervoerd.

Van het feit dat andere trucks, en wel containercombinaties, die [A.] zelf zou hebben beladen, zoals eiseres heeft verklaard, de vrachten hebben vervoerd, is in het geheel niet gebleken. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat Hamefo ook transporten verzorgde met niet in Data2Track geregistreerde vrachtwagens, maar noch aannemelijk gemaakt dat dat in december 2013 het geval was, noch aannemelijk gemaakt dat de voormelde vrachten door niet geregistreerde vrachtwagens zijn vervoerd. Daarbij heeft MVF verklaard dat Hamefo in december 2013 alleen met de vier in Data2Track geregistreerde vrachtwagens reed en ziet de rechtbank geen grond aan die verklaringen te twijfelen.

Dat eiseres VDM’s heeft die bij de transporten horen, de weegbonnen van de weging van de mest bij MVF en de analyserapporten van de analyses van de mestmonsters, maakt de transporten (toch) nog niet aannemelijk. Genoegzaam is gebleken dat van de VDM’s en weegbonnen niet kan worden uitgegaan. Uit VDM1 blijkt dat de vracht is geladen op 19 december 2013, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht met dat VDM-nummer geladen is op 20 december 2013. Van een laadmelding op 19 december 2013 is niet gebleken. Uit VDM2 volgt dat de vracht is geladen om 5.00 uur, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht is geladen om 5.47 uur. Deze vracht is volgens het VDM gelost om 14.00 uur, terwijl het AGR/GPS-systeem 13.11 uur geregistreerd heeft. Daarbij zijn beide vrachten -volgens de weegbonnen- bij MVF gewogen nádat zij daar volgens de ARG/GPS-gegevens zijn gelost. De vracht met VDM1 zou zelfs zijn gewogen nadat ze volgens de VDM zou zijn gelost.

Dat er mestmonsters zijn genomen en geanalyseerd zijn zegt op zich niks over het transport van de mest. Hetgeen eiseres daarover heeft aangevoerd, kan dan ook verder buiten de beoordeling blijven. Hetgeen eiseres in verband met de mestmonsters, de analyses van de monsters en de mestscheiding heeft aangevoerd, kan immers niet alsnog tot de conclusie leiden dat de mest daadwerkelijk is afgevoerd.

Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren, heeft verweerder er van mogen uitgaan dat eiseres deze mest heeft aangewend.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat eiseres geen enkel verwijt van deze overtredingen kan worden gemaakt en eiseres het slachtoffer is geworden van malafide praktijken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verweerder op voldoende wijze gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres er alles aan gedaan heeft deze overtredingen te voorkomen. Verweerder heeft eiseres dan ook bestuurlijke boetes kunnen opleggen.

Procedures die betrekking hebben op de afvoer van dikke fractie handelen vaak over een verschil van inzicht in hoe de gehalten in de afgevoerde vrachten koek na mestscheiding dienen te worden geïnterpreteerd. In deze situatie deed deze situatie zich ook voor (verweerder achtte de gehalten onaannemelijk hoog), maar dit wordt verder niet direct van belang geacht, omdat verweerder het feit dat er mest is gescheiden en de koek na mestscheiding is afgevoerd sowieso niet aannemelijk acht.

De vraag kan met recht worden gesteld of eiseres in deze situatie de dupe is geworden van al dan niet bewuste praktijken van derden of daadwerkelijk zelf laakbaar heeft gehandeld. Verweerder en de rechtbank gaan uit van dit laatste of stellen dat eiseres tenminste daarvoor verantwoordelijk is.

Deze uitspraak geeft dan ook aan dat, voordat een discussie kan worden gevoerd over de aannemelijkheid van de gehalten, eerst de aannemelijkheid van de mestscheiding zelf, het laden van de koek na mestscheiding en de afvoer van deze koek na mestscheiding van het bedrijf vast dient te staan en moet kunnen worden onderbouwd.

Het advies ‘leg meer vast dan misschien zou moeten’ blijft dan ook als de spreekwoordelijke paal boven water staan. Zo kunnen nota’s, werkbonnen, maar ook foto’s van de scheider, het laden van de koek na mestscheiding, de vrachtwagens op het bedrijf een bijdrage leveren om het vermoeden van verweerder te ontkrachten en duidelijk te maken dat de betreffende vrachten wel zijn afgevoerd van het bedrijf.

Lees hier de volledige uitspraak

Opgeven van de voorraad dierlijke mest in de Aanvullende Gegevens Landbouwbedrijven

Een groot aantal bedrijven heeft onlangs weer het verzoek gekregen om voor 1 februari 2018 de zogenaamde aanvullende gegevens landbouwbedrijven 2017 (hierna: AGL2017) door te geven aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Een onderdeel van deze opgave is de voorraad dierlijke mest per 31 december 2017. Het belang van deze opgave mag niet worden onderschat. RVO stelt grote waarde te hechten aan de opgave van een ondernemer en daar zonder zeer concrete motivatie ook niet meer van af te wijken.

De basis voor de voorraadbepaling wordt gevonden in artikel 68, lid 3 van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna Urm) waarin wordt gesteld:  ’De op een bedrijf waar dierlijke meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde gewicht van de dierlijke meststoffen en het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen’.

De opdracht voor 31 december is daarmee duidelijk: bepaal zo nauwkeurig mogelijk het gewicht van de aanwezige mest en zo nauwkeurig mogelijk de gehalten in die mest. Nu is het bepalen van de mesthoeveelheid wellicht niet eens het allergrootste probleem. Die kan worden vastgesteld op basis van een puttenplan, waarbij per opslag wordt bepaald hoeveel mest er aanwezig is. Simpelweg: lengte X breedte X hoogte.

De gehalten van een mestcode of een mestopslag zijn echter minder eenvoudig te bepalen. De Urm stelt hier echter wel het een en ander over en de praktijk leert dat RVO daar aansluiting bij zoekt. De Urm stelt in artikel 94, 2e lid: het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen  wordt bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.

Bijvoorbeeld bij het scheiden van mest kunnen de gehalten van de voorraad afwijken de ‘best beschikbare gehalten’

Het begrip ‘best beschikbare gegevens’ wordt in de memorie van toelichting behorende bij dit artikel nader toegelicht: ‘De best beschikbare gegevens zouden verkregen worden door de gehele voorraad te bemonsteren en analyseren op dezelfde manier als bij aan- en afvoer van de mest zou plaatsvinden. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gebruik gemaakt worden van berekening van het gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalte aan de hand van de stikstof-, en fosfaatgehalten die eerder bepaald zijn aan de hand van bemonstering en analyse van de in het desbetreffende jaar van het bedrijf afgevoerde hoeveelheden dierlijke meststoffen. Als laatste zou, indien geen afvoer heeft plaatsgevonden, gebruik gemaakt kunnen worden van het bij de desbetreffende diersoort en diercategorie behorende forfaitaire stikstof-, onderscheidenlijk fosfaatgehalte.’

In de toelichting van RVO hieromtrent wordt het als volgt gesteld:  ‘Voor het bepalen van het fosfaatgehalte en het stikstofgehalte maakt u gebruik van de best beschikbare gegevens:

  • Analyseresultaten mestvoorraad. Heeft u de hele mestvoorraad (dierlijke mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan) bemonsterd en heeft u hier analyseresultaten van? Dan gebruikt u deze gegevens.
  • Analyseresultaten afgevoerde mest. Heeft u geen analyseresultaten van uw mestvoorraad, maar wel van de mest dat u in het afgelopen jaar van uw bedrijf heeft afgevoerd? Dan maakt u gebruik van de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten uit deze analyseresultaten. Het gaat hierbij om dierlijk mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan. Bij kunstmest staat het gehalte op de verpakking, op de begeleidende vrachtbrief of in de factuur.
  • Forfaitaire waarden. Heeft u geen analyseresultaten van de mestvoorraad en ook niet van de afgevoerde mest van het afgelopen jaar? Dan maakt kunt u gebruik maken van de forfaitaire gehalten.

Dit is eigenlijk een kopie van hetgeen in de Urm hierover staat gegeven. Het is echter niet het hele verhaal. In de memorie van toelichting Meststoffenwet TK 20114-1005, 29 930, nr 3. Paragraaf 3.6.2 onder d. (20 december 2004) wordt ook gesteld: …’wat betreft de samenstelling van de meststoffen zal in principe kunnen worden aangesloten bij de resultaten van de bemonstering en analyse die al plaatsvindt bij de aan- en afvoer van vrachten dierlijke en andere organische meststoffen, voor zover deze vrachten zijn te herleiden tot een specifieke opslag. Het is daarbij aan de agrariër om in specifieke situaties op basis van goed onderbouwde gegevens aannemelijk te maken dat en in hoeverre deze benaderingswijze niet voldoet voor de bepaling van het voorraadsaldo op zijn bedrijf.’ Er moet dus altijd op basis van de feitelijke omstandigheden worden beoordeeld of de gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest van de betreffende mestcode in het desbetreffende jaar, voldoet aan de definitie  ‘zo nauwkeurig mogelijke bepaling’ van de gehalten aan stikstof en fosfaat in de betreffende voorraad dierlijke mest. Er dient te worden uitgegaan van de gehalten in de afgevoerde mest, maar indien er redenen zijn waarom die niet zouden kwalificeren als ‘best beschikbare gehalten‘, is het een veehouder toegestaan om – op basis van bedrijfseigen gegevens – andere gehalten te gebruiken, mits dat kan worden onderbouwd dat die gehalten beter voldoen als ‘best beschikbare gehalten‘. Deze dienen dan wel voldoende onderbouwd, verifieerbaar en betrouwbaar te zijn om als bewijs te kunnen dienen.

Moraal van het verhaal: zoek bij de bepaling van de voorraad dierlijke mest in eerste instantie aansluiting bij de methode die volgt uit de Urm en wordt aangegeven door RVO. Concreet: is er mest van een mestcode afgevoerd in 2017: het gemiddelde gehalte van de afvoer in 2017. Is er geen mest afgevoerd: gebruik dan de forfaitaire gehalten. In sommige gevallen zal deze methode echter niet voldoen. Bijvoorbeeld wanneer de afgevoerde mest sterk afwijkt van de geproduceerde mest of de aanwezige mest. Wie dan opteert voor andere gehalten dan de gehalten die volgen uit de afgevoerde mest, doet er goed aan die gehalten zo goed en specifiek mogelijk te onderbouwen op basis van gemeten en/of berekende bedrijfseigen gegevens.

Tijdige actie geboden bij hogere gehalten in aangevoerde mest

Een onzekere factor bij de levering van mest zijn de gehalten die volgen uit de analyse. Hoewel in de meeste gevallen daarvoor redelijk goed een bandbreedte kan worden aangegeven vallen de gehalten soms hoger of juist lager uit dan vooraf verwacht. Vooral bij hogere gehalten kan een situatie ontstaan waarbij daardoor de gebruiksnormen worden overschreden door de aanvoerende partij. Een vervelende situatie die  nog vervelender kan worden wanneer daar niet tijdig op wordt gereageerd. Dit blijkt ook uit onderstaand geschil waarin de Rechtbank Overijssel onlangs uitspraak deed.

[X] heeft in de periode van maart tot en met april 2012 ongeveer 600 ton mest geleverd aan [A]. Deze mest is gewogen en bemonsterd. Het gehalte aan fosfaat blijkt echter hoger dan verondersteld. Hierdoor heeft [A] de gebruiksnorm voor fosfaat overschreden en is hem een boete opgelegd.  [X] heeft op grond van het feit dat zij kippenmest van [A] heeft afgenomen een bedrag gevorderd. [A] heeft het betreffende bedrag niet betwist, maar heeft zich beroepen op een opschortingsrecht vanwege de haar opgelegde boete.

[A] voert aan dat [X] had moeten waarschuwen dat sprake was van afwijkende fosfaatgehalten in de betreffende mest. Het was volgens [A] op het moment van de ontvangst van de resultaten van de eerste levering onmogelijk om vast te stellen of de totale geleverde mest in overeenstemming zou zijn met de gebruiksnormen. Bovendien heeft [A] door drukte op het werk de onderzoeksresultaten niet direct gecontroleerd. Daar was volgens [A] ook geen aanleiding voor. Hij had immers afspraken gemaakt met [X] over de fosfaathoogte in de mest.

[X] stelt dat zij geen mededelingsplicht,  maar  [A] wel een onderzoekplicht,  had. [X] voert bovendien aan dat [A] te laat heeft geklaagd: pas in 2014, op het moment dat RVO het voornemen had om [A] een boete op te leggen. Door te laat te klagen is [X] de mogelijkheid ontnomen om schadebeperkende maatregelen te treffen en [A] te adviseren. [A] heeft niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht en zelf onvoldoende maatregelen getroffen teneinde (een definitieve) overschrijding van de fosfaatgebruiksnormen te voorkomen.

De rechtbank oordeelt als volgt: Artikel 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de koper geen beroep meer op kan doen op het argument dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.

[A] dient als akkerbouwer te voldoen aan de Meststoffenwet. In dat kader wordt op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet de mest die door [A] wordt aangevoerd onderzocht op het fosfaatgehalte en ontvangt [A] van dit onderzoek de resultaten. Als [A] niet voldoet aan de aan haar gestelde mestwaarden, kan zij een boete opgelegd krijgen. [A] heeft derhalve een eigen verantwoordelijkheid op de controle van de fosfaatgehalten in de aan haar geleverde mest. [A] had derhalve de onderzoeksresultaten sowieso moeten bestuderen. De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat [A] de onderzoeksresultaten had ontvangen, zij redelijkerwijs had kunnen ontdekken of de aan haar geleverde mest aan de overeenkomst beantwoordde. Vaststaat dat [A] dat niet heeft gedaan. [A] is er immers pas achter gekomen in augustus 2012, het moment waarop haar mestboekhouding werd bijgewerkt.

De rechtbank gaat er verder van uit dat de analysegegevens van de eerste vrachten in ieder geval vóór de latere mestleveringen van [X] aan [A]  bij [A] bekend hadden kunnen zijn. [A] had kunnen constateren dat de fosfaatwaarden afweken van hetgeen partijen met elkaar waren overeengekomen. [A] had op dat moment nog de tijd gehad om de daarop volgende mestleveringen te annuleren. Er zou dan sprake geweest zijn van een beperkte overschrijding van de fosfaatnormen, waarbij [A] zich eventueel had kunnen beroepen op de fosfaatverrekeningsregeling en er was [A] geen boete opgelegd.

[A] heeft aangegeven dat zij, als zij de analyses van de mest had bestudeerd, niet met één opslag had kunnen zien dat zij over het toegestane aantal fosfaten heen zou gaan. [A] had echter wel met één opslag kunnen zien dat de geleverde mest geen 2,9 kg fosfaat per ton bevatte, maar mest met een fosfaatgehalte van meer dan 4 kg per ton, derhalve aanzienlijk hoger dan partijen waren overeengekomen. Dat had [A] op dat moment moeten melden aan [X]. Op dat moment konden er nog maatregelen genomen worden, waardoor [A] geen boete opgelegd zou hebben gekregen. [A] heeft derhalve te laat geklaagd in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW. [A] kan er derhalve geen beroep meer op doen dat de door [X] geleverde mest niet beantwoordde aan hetgeen partijen waren overeengekomen. De rechtbank wijst op grond van het bovenstaande de vordering van [A] af.

 

De moraal van het verhaal is duidelijk: degene die mest aanvoert dient bij afwijkende gehalten (als daarover al iets is afgesproken) tijdig contact op te nemen met de leverancier van de mest. Alleen dan kan de schade worden beperkt en een claim in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW  worden voorkomen.

Lees hier de volledige uitspraak

Mestfraude of Mestopslag: het verschil tussen overtreder en slachtoffer

Op deze site besteden we met enige regelmaat aandacht aan het belang van het vooraf duidelijk en eenduidig vastleggen van afspraken. Dit geldt zeker als het om de aan- en afvoer van mest gaat. Hier moet een gewaarschuwd mens voor drie tellen. Waarom dat is blijkt onder andere uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) onlangs uitspraak deed.

Uit een strafrechtelijk onderzoek onder de naam “Osagedoorn” is onderzoek gedaan het lossen/afleveren van dierlijke meststoffen waarbij op de vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) fictieve afnemers zijn vermeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat dierlijke meststoffen vermoedelijk fictief zijn afgeleverd op naam van diverse particulieren, zonder relatienummer.

Naar aanleiding van dit onderzoek is het melkveebedrijf van appellant gecontrolleerd op naleving van de Meststoffenwet (Msw) in kalenderjaren 2010 en 2011. Daaruit is gebleken dat zowel in 2010 als in 2011 vier vrachten dierlijke meststoffen zijn afgeleverd op het adres van appellant en dat op de van deze vrachten opgemaakte VDM’s niet de naam van appellant als afnemer staat vermeld maar een andere naam. Niet is gebleken dat deze vrachten vervolgens zijn afgevoerd.

Appellant heeft aangevoerd dat in 2010 en 2011 door [naam 2] vrachten dierlijke mest zijn aangevoerd en opgeslagen in een aparte mestput op het bedrijf van appellant. [naam 2] heeft deze put van appellant gehuurd en daarvan is een huurovereenkomst opgemaakt. De vrachten zijn ook weer afgevoerd en zijn dus niet uitgereden op de grond van appellant.

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris appellant bestuurlijke boetes opgelegd van € 19.151,50 en € 14.565,50 wegens de overtreding van artikel 7 van de Msw in respectievelijk de kalenderjaren 2010 en 2011. Verhuur van de mestput aan [naam 2] achtte de staatssecretaris onaannemelijk. Tegen beide primaire besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. In dit verband heeft appellant gewezen op een huurovereenkomst tussen [naam 2] en hem en een bankafschrift waaruit de betaling van de huur blijkt.

De staatssecretaris heeft de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Op de door appellant verstrekte huurovereenkomst ontbreken essentiële gegevens, zoals de huurperiode, appellants ondertekening, de datum van ondertekening en welke mestopslag het betreft, zodat appellant hiermee de verhuur aan [naam 2] niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook het bankafschrift is onvoldoende specifiek.

Tegen deze besluiten heeft appellant beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant hoger beroep aangetekend. Met de rechtbank is het College van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mestopslag in 2010 en 2011 daadwerkelijk verhuurd is geweest aan [naam 2]. Appellant onderbouwt zijn stelling met een schriftelijke huurovereenkomst en een bankafschrift. Op die huurovereenkomst ontbreken evenwel gegevens met betrekking tot de huurperiode, de huurlocatie (er staat alleen ‘mestput’), de ondertekening door appellant en de datum van ondertekening. Op het bankafschrift staat dat appellant op 15 december 2010 € 1.020,60 heeft ontvangen voor ‘mestdistributie’. Los van het feit dat onduidelijk is wie dit heeft overgemaakt, blijkt hier geen verhuur van de mestput uit.

Het College is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat de betreffende mest niet op of in zijn grond is gebracht en is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris heeft aangetoond dat appellant artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw heeft overtreden.

De vraag die blijft is of appellant overtreder of slachtoffer is van [naam 2] is. De controle werd uitgevoerd naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, dus appellant begon al met een achterstand, verder geldt binnen de Msw dat bij het vermoeden van een overtreding, dit vermoeden door appellant moet worden ontkracht. Dit kan alleen maar wanneer de onderliggende stukken duidelijk, helder en eenduidig zijn. Is dit niet het geval dan worden het dure vrachten mest….of ze nu slechts waren opgeslagen of zijn toegediend.

Lees hier de volledige uitspraak

Onafhankelijk monsternemer bij afvoer dikke fractie

Op 17 december 2016 is een wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vastgesteld en gepubliceerd (Stcrt. 2016, 69127). Deze wijziging heeft betrekking op de introductie van een extra voorwaarde  bij de afvoer van vaste mest (dikke fractie) na mestscheiding. Deze voorwaarde is dat deze moet worden bemonsterd door een onafhankelijke monsternemer. De staatsecretaris heeft nu aangegeven dat de wijziging van kracht wordt met ingang van 1 oktober 2017.

bij de afvoer van dikke fractie na het scheiden van varkens- en of rundveemest is vanaf 1 oktober 2017 onafhankelijke monstername verplicht…


Achtergrond

Vaste mest  (dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn), wordt in de huidige situatie handmatig bemonsterd door de vervoerder. Hoewel is voorschreven dat de vervoerder een representatief monster moet nemen, worden met enige regelmaat hoge gehalten geregistreerd. Om te voorkomen dat dergelijke ‘uitbijters’ kunnen worden toegeschreven aan de veehouder die de mest afvoert, wordt de onafhankelijke bemonstering geïntroduceerd. De inzet van de onafhankelijke monsternemer is vooralsnog alleen van toepassing  op de afvoer van dikke fractie. Dikke fractie is gedefinieerd als vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 (gescheiden rundveemest) of 43 (gescheiden varkensmest) of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen.

Voor de afvoer van dikke fractie geldt dat het feitelijk nemen van het monster niet meer door de vervoerder zal gebeuren, maar door een daarvoor geaccrediteerde en erkende organisatie. Accreditatie wordt verleend door de Raad voor Accreditatie op basis van een nieuw accreditatieprogramma (AP06) die wordt opgenomen onder bijlage Ea van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Om een erkenning te verkrijgen dienen de organisaties onder andere geaccrediteerd te zijn volgens ISO 17020 voor een type A instelling en ISO 17025.

Als extra stok achter de deur zijn applicaties ontwikkeld voor het uitwisselen van gegevens tussen de onafhankelijke monsternemers en de toezichthoudende instanties zoals RVO.nl en de NVWA. Bedrijven kunnen straks hun gegevens automatisch doorsturen via een webserver of kiezen voor handmatige aanmelding op een webformulier. Bovendien wordt bij de melding over de voorgenomen monstername wordt door de onafhankelijke monsternemende organisatie een identificatienummer van de monsternemende persoon doorgegeven. Dit ter controle van de monsternemende persoon.

 

Hoe gaat het werken?

Het proces van afvoeren van dikke fractie zal in grote lijnen hetzelfde blijven. Alleen mag het monster niet meer worden genomen door de vervoerder, maar moet het worden genomen door een onafhankelijke monsternemer.

Bij bemonstering van dikke fractie, is vrachtbemonstering het uitgangspunt. Onder bepaalde voorwaarden is partijbemonstering toegestaan. In dat geval mag een partij in één keer worden bemonsterd. Partijbemonstering is mogelijk als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.

  • er sprake is van niet meer dan één partij vaste mest op de bedrijfslocatie aanwezig,
  • de omvang van een partij bedraagt maximaal 200 m3
  • de afvoer van de gehele partij vindt plaats binnen één dag,
  • de partij niet wijzigt van samenstelling of word geheel of gedeeltelijk verplaatst op de bedrijfslocatie tussen het moment van bemonstering en het moment van afvoer.

Om misverstanden te voorkomen is expliciet bepaald dat wanneer op een bedrijfslocatie meerdere hopen vaste mest aanwezig zijn, partijbemonstering niet is toegestaan. Deze voorwaarde vloeit voort uit de wens om de mogelijkheden tot manipulatie dan wel verwisseling of vermenging zo klein mogelijk te maken.

Lees hier de oorspronkelijke publicatie in de Staatscourant en hier de wijzigingen daarop

Hoe zat het ook weer met de uitrijperioden voor dierlijke mest?

Het is weer die tijd van het jaar dat de vraag relevant is hoe het ook al weer precies zat met de perioden waarin het is toegestaan om op welke grond dierlijke mest toe te dienen. Immers de uitrijdperioden voor dierlijke mest zijn afhankelijk van het type mest, de grondsoort en of er sprake is van grasland of bouwland.

Hieronder een kort overzicht van de uitrijdperioden voor gras- en bouwland. In het overzicht daaronder vindt u de uitrijdperioden voor dierlijke mest per maand.

Grasland

  • Het uitrijden van drijfmest mag vanaf 16 februari tot 1 september op alle grondsoorten.
  • Het uitrijden van vaste mest is toegestaan vanaf 1 februari tot 1 september op zand en lössgrond. Op klei- en veengrond mag u vanaf 1 februari tot 16 september vaste mest uitrijden.

Bouwland

  • Het uitrijden van drijfmest op bouwland (alle grondsoorten) is toegestaan van 1 februari tot 1 augustus.
  • Onder voorwaarden mag u drijfmest uitrijden tot 1 september. Dit is toegestaan als u uiterlijk 31 augustus van hetzelfde jaar op de desbetreffende grond:
    • een groenbemester* inzaait die minimaal 8 weken blijft staan voordat u deze vernietigt;
    • winterkoolzaad zaait voor zaadwinning in het volgende jaar of;
    • in het najaar bloembollen plant.
  • Uitrijden van vaste mest op bouwland (zand en lössgrond) mag van 1 februari tot 1 september. U mag het hele jaar door vaste mest gebruiken direct voor de aanplant van fruit- en plantsoenbomen op zand en lössgrond.
  • Op klei- en veengrond mag u het hele jaar vaste mest uitrijden.

bron: RVO.nl

 

Wijziging voorraad dierlijke mest: onderbouwen en motiveren

Bij procedures die betrekking hebben op het vermeend niet voldoen aan de voorwaarden van de Meststoffenwet komt het regelmatig voor dat de hoogte van de eindvoorraad dierlijke mest in geschil is. Een voorbeeld daarvan is een zaak waarin de rechtbank Gelderland onlangs uitspraak deed (ECLI:NL:RBGEL:2017:2942).

Wanneer we spreken over de hoogte van de eindvoorraad dierlijk mest zijn er twee aspecten aan de orde: de omvang van de mestvoorraad (de tonnen) en de gehalten aan stikstof en fosfaat in de mestvoorraad (kg per ton). Met betrekking tot het eerste komt het voor dat de betreffende agrariër aangeeft dat de omvang van de mestvoorraad in eerste instantie niet goed is ingeschat en bij nader inzien hoger (voor zover het de eindvoorraad betreft) had moeten zijn vastgesteld. Het tweede aspect, de gehalten in de mestvoorraad, worden door RVO – indien mogelijk – gerelateerd aan de afgevoerde mest. Vooral bij van nature sterk ontmengende mestsoorten kan dit resulteren in een vertekend beeld van de eindvoorraad.

20170313 ontvangstbevestiging

De eigen opgave van een mestvoorraad is een belangrijke basis

Met betrekking tot de correctie van een oorspronkelijke hoeveelheid mestvoorraad geldt dat RVO in beginsel de door agrariër zelf opgegeven cijfers tot uitgangspunt mag, kan en zal nemen. Dit wordt alleen anders wanneer de agrariër naderhand geloofwaardig kan maken dat en waarom zijn oorspronkelijke opgave (toch) onjuist was. Daarbij geldt dat minder snel reden bestaat tot afwijking van de oorspronkelijke opgave van de agrariër naarmate er meer tijd is verstreken tussen de eerste opgave en de voorgestelde correctie daarvan. Daarnaast geldt dat die correcties extra kritisch zullen worden bezien indien plaatsvinden in het kader van een procedure over een bestuurlijke boete. Dit betekent dat het op de weg van de agrariër ligt om zijn stellingen op dit punt aannemelijk te maken en te onderbouwen.

Dat een eenvoudige verklaring niet volstaat om de eindvoorraad dierlijke mest te corrigeren blijkt onder andere in deze procedure (ECLI:NL:RBGEL:2017:2942). Regel is dat op grond van de beschikbare stukken de betrouwbaarheid van de correctie moet kunnen worden vastgesteld en hoe later in de procedure deze wijziging moet worden doorgevoerd hoe overtuigender de argumenten zullen moeten zijn.

Hetzelfde geldt min of meer voor de vaststelling van de gehalten in de voorraad dierlijke mest. Op grond van artikel 94, lid 2 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) moeten de gehalten aan stikstof en fosfaat in de voorraad mest worden bepaald aan de hand van de ‘best beschikbare gegevens’. In de toelichting op artikel 94 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt het begrip ‘best beschikbare gegevens’ om het mineralengehalte in een voorraad te bepalen verder toegelicht:

  1. De beste methode is de gehele voorraad bemonsteren en analyseren op dezelfde manier als de aan- en afvoer van mest. Als dit praktisch gezien niet mogelijk is, dan:
  2. Uitgaan van de gehalten van de in het desbetreffende jaar afgevoerde hoeveelheid mest. Als die gegevens niet beschikbaar zijn, dan:
  3. Gebruik maken van de forfaitaire gehalten van de betreffende mestcode.

In de praktijk hanteert RVO waar mogelijk bemonsterde waarden van afgevoerde mest en anders de forfaitaire waarden van een gegeven mestcode. Wie daar van af wil wijken zal moeten motiveren waarom de afwijking beter voldoet als ‘best beschikbare methode’. Met andere woorden men zal moeten onderbouwen dat het gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest, niet voldoet aan de definitie  ‘best beschikbare methode’ van de gehalten aan stikstof en fosfaat in de betreffende voorraad dierlijke mest en bovendien aannemelijk moeten maken dat het voorgestelde alternatief dit wel of beter doet. In de eerder genoemde casus bepaalde de rechtbank dat RVO slechts andere – vaak voor de agrariër gunstigere – gehalten hoeft te hanteren indien er gerede twijfel bestaat over de juistheid van de vastgestelde waarden op basis van de gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest of het forfait.

Moraal van het verhaal is dus dat wanneer er een geschil is over de hoogte en/of het mineralengehalte in een mestvoorraad het niet een kwestie is van ‘even aanpassen’. Het zaak is, dit zo vroeg mogelijk in de procedure aan te geven en de argumenten daartoe stevig te onderbouwen en te motiveren.

‘Overdreven’ registreren bij mestscheiding loont!

Al eerder is op deze site aandacht besteed aan de extra administratie die verplicht is bij bedrijven die mest scheiden. Het scheiden van drijfmest is een relatief eenvoudige  en vaak toegepaste bewerking om met een beperkt volume, relatief veel fosfaat af te zetten en daarmee te voldoen aan de mestverwerkingsplicht. De mest wordt gescheiden in een dunne en een dikke fractie. De dikke (vaste) fosfaatrijke fractie wordt afgevoerd van het bedrijf en geëxporteerd.

20170424 mestscheiding

Bij mestscheiding is ook extra administratie geboden

Wat niet gebeurd of wellicht niet bekend is dat bij het scheiden van mest dit ook in de mestadministratie dient te worden geregistreerd. Deze verplichting vindt zijn grondslag in artikel 33 lid 3 van de Meststoffenwet. In dit artikel wordt gesteld dat:
Indien op een bedrijf dierlijke meststoffen worden behandeld, bevat de administratie tevens gegevens over:

  • a. de methode van behandeling;
  • b. de hoeveelheid behandelde dierlijke meststoffen;
  • c. de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen;
  • d. de hoeveelheid en de samenstelling van de eindproducten van de behandeling.

Op zich is de boete op het niet voldoen aan deze verplichting niet dramatisch hoog. Vaak wordt volstaan met een waarschuwing of wordt een boete van 300 euro opgelegd. Toch kunnen de gevolgen van het niet volledig voorradig hebben van een  administratie  met betrekking tot het scheiden van de mest meer ingrijpend zijn dan alleen dit bedrag: Klopt de balans tussen de aangevoerde mest en de som van de scheidingsproducten? Klopt de balans tussen de hoeveelheid fosfaat en stikstof die de scheider in gaat en die in de scheidingsproducten wordt teruggevonden. Met andere woorden kunnen de gehalten in de scheidingsproducten aannemelijk worden gemaakt uit de ingaande mest en de scheidingsrendementen. Is hierover niets of alleen de gehalten in de dikke fractie bekend, dan zal bij een controle door het bevoegde gezag zelf een berekening worden opgesteld en vaak valt die ongunstig uit voor de betrokken veehouder, waardoor de gegevens van met name de (afgevoerde) dikke fractie in twijfel worden getrokken.  Zeker bij hogere gehalten in de afgevoerde dikke fractie worden de gehalten en daarmee de afvoer van deze dikke fractie ter discussie gesteld of zelfs geschrapt. Denk daarbij niet dat dit alleen het geval is bij uitschieters. Ook bij gehalten onder de forfaitaire gehalten wil het wel eens voorkomen dat men de gehalten niet aannemelijk acht. Aan de veehouder dan de taak om dit te weerleggen: een langdurig, frustrerend en moeizaam proces.

Ook een eenvoudig schema van de meststromen bij scheiding kan nuttig zijn.

Ook een eenvoudig schema van de meststromen bij scheiding kan nuttig zijn.

Daarom is het advies van mestboete.nl om naast de wettelijke verplichte administratie ook aanvullend enige gegevens te verzamelen: Een en ander onder het motto dat hoe meer gegevens worden verzameld en hoe beter en hoe meer overtuigend de correcte uitvoering van de mestscheiding kan worden onderbouwd,  hoe beter.  In de administratie zouden met betrekking tot mestscheiding dan ook tenminste de volgende gegevens moeten zijn opgenomen:

  • Het type en model en de capaciteit van de mestscheider (eventueel te onderbouwen met een factuur bij inhuur van de scheider, inclusief betalingsbewijs);
  • De datum van scheiding, het gedraaide aantal uren van de mestscheider en de ingeschatte hoeveelheid ingaande drijfmest;
  • De ingeschatte hoeveelheid en de berekende samenstelling van de dunne en dikke fractie. Hierbij kan de samenstelling van de dunne fractie worden berekend uit de gegevens van de dikke fractie en de totale ingaande drijfmest. De dunne fractie kan uiteraard ook worden bemonsterd. Op deze manier weet u exact wat er in de dunne fractie zit. Dit is echter geen wettelijke verplichting en vaak zorgt berekening van de gehalten voor een betere aansluiting en een logischere balans. Bovendien geeft het extra zekerheid.
  • Leg op een schetsje of tekening vast vanuit welke opslag de drijfmest kwam en in welke opslag de dunne fractie is teruggebracht of opgeslagen.
  • In het geval van afvoer van dikke fractie: bewaar (indien van toepassing) nota’s van het laden van de dikke fractie of geef aan hoe en door wie dit is uitgevoerd.

Maak desnoods foto’s van het mestscheiden als ondersteunende stukken  en bewaar het geheel in uw administratie. Het lijkt wellicht wat overdreven, maar het is geen uitzondering dat zonder een degelijke onderbouwing de afvoer van dikke fractie met gehalten die liggen onder de forfaitaire waarden worden afgekeurd, met alle gevolgen van dien.  In dat kader geldt: overdreven registreren is nog altijd beter dan procederen.