Een herhaalde overtreding of herhaling van een overtreding?

Onlangs deed de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak in een zaak waarin onder andere het onderscheid tussen een herhaalde en een zelfstandige overtreding aan de orde kwam.

Eiseres heeft een vleesverwerkend bedrijf met onder meer een slachterij. Wanneer slachtvee (varkens en runderen) naar de slachterij wordt aangevoerd in veewagens, worden die wagens, nadat ze zijn gelost, ter plekke gereinigd en ontsmet. Daarbij wordt het in de veewagens gebruikte zaagsel uit de veewagens verwijderd. Dit zaagsel is tijdens het transport vermengd met uitwerpselen van het slachtvee. Sinds 2007 voert [bedrijf] B.V. (hierna: de vervoerder) dit mengsel van zaagsel en mest (hierna verder te noemen: ZM) af van de slachterij.

In het rapport van 12 december 2017 van de NVWA dat ten grondslag ligt aan de boete, staat dat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 voor 220 transporten van ZM door de vervoerder vanaf de slachterij geen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) zijn opgemaakt. De minister heeft eiseres hiervoor een boete van € 66.000,– opgelegd (220 maal € 300,–) en dat bij het bestreden besluit gehandhaafd.

In beroep heeft eiseres onder andere betoogd dat het niet proportioneel is dat de minister haar 220 keer eenzelfde boete heeft opgelegd. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de minister in een situatie waarin sprake is van een veelvoud van dezelfde overtredingen niet alle overtredingen beboet, maar slechts een beperkt aantal overtredingen, met dus als gevolg een veel lagere boete. Eiseres heeft als onderbouwing van dit betoog gewezen op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 april 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:1746). In die zaak was sprake van 187 overtredingen van artikel 57b van de Uitvoeringsregeling Msw (vervoer van dierlijke meststoffen buiten Nederland), maar heeft de minister slechts twee overtredingen beboet. Het beboeten van alle overtredingen werd door de minister onredelijk geacht.

Daarnaast heeft eiseres gewezen op twee gevallen die haar beroepshalve bekend zijn geworden, de zaken met nummers 2006002474 en 2017005818. In die zaken was sprake van onderscheidenlijk 168 en 25 overtredingen bij het opmaken van VDM’s, maar uiteindelijk is in beide zaken voor slechts twee overtredingen een boete opgelegd. Eiseres vindt dat de omstandigheid dat in haar geval de 220 overtredingen over een langere periode zouden zijn gepleegd, zoals de minister in het bestreden besluit als motivering heeft gegeven, niet rechtvaardigt dat elke overtreding moet worden beboet.

De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit als motivering van het standpunt dat het niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel om in dit geval alle 220 overtredingen te beboeten, heeft vermeld dat de overtreding langdurig heeft plaatsgevonden, omdat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 van 220 vrachten dierlijke mest geen VDM’s zijn opgemaakt. Ook heeft de minister erop gewezen dat elke zaak wordt beoordeeld naar zijn eigen feiten en omstandigheden en dat niet relevant is of de overtredingen opzettelijk zijn begaan. De rechtbank vindt dat de minister hiermee onvoldoende is ingegaan op het concrete beroep dat eiseres al in bezwaar had gedaan op de uitspraak van de rechtbank Overijssel. Het bestreden besluit is daarom niet voldoende gemotiveerd en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft de minister haar motivering hieromtrent aangevuld. De rechtbank zal daarom bekijken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Overijssel en de andere twee genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met de hier aan de orde zijnde zaak. In de zaak waarover de rechtbank Overijssel zich heeft gebogen, ging het om overtredingen die naar voren waren gekomen uit een administratieve controle van het systeem Client Export Mest waarin de exportmeldingen worden opgenomen. Die overtredingen waren gepleegd in een periode van één maand, namelijk in april 2015. In de hier aan de orde zijnde zaak gaat het om overtredingen die tijdens een fysieke controle zijn geconstateerd en zijn gepleegd over een langere periode. De twee andere zaken betroffen ook administratieve controles over een korte periode, namelijk in beide gevallen een maand. Dat ook in deze zaak sprake is van een administratieve controle omdat de administratie van eiseres is onderzocht, zoals eiseres tijdens de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. De minister heeft uitgelegd wat hij onder administratieve controle verstaat: dat is niet een controle in de administratie van een bedrijf, maar een controle van het Client Export Mestsysteem, waarin alle bedrijven hun gegevens moeten registreren. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan die toelichting.

De minister heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting ook toegelicht waarom dit onderscheid van belang is. Bij een controle van het systeem is op relatief eenvoudige wijze te achterhalen of er een overtreding is en in het geval van eiseres ligt dit anders. Er waren namelijk geen VDM’s geregistreerd, waardoor de overtreding niet eenvoudig was vast te stellen door raadpleging van het systeem. Door het niet opmaken van de VDM’s was er in feite sprake van heimelijke afvoer van dierlijke meststoffen die ook konden worden aangewend op de grond. Daardoor is meer dierlijke mest aangewend dan uit de administratie van eiseres zou blijken, terwijl het belang van een rechtmatig en terughoudend gebruik van meststoffen groot is. De meststromen van eiseres waren in de periode van 16 november 2016 tot en met 17 juni 2017 niet inzichtelijk, waardoor de meststroom niet in de gehele keten kon worden gevolgd. De minister heeft in het verweerschrift verder gewezen op intern beleid dat inhoudt dat er bij een rapport van de NVWA (een fysieke controle) voor wordt gekozen om alle overtredingen te beboeten, wanneer er voldoende aanknopingspunten zijn voor de opvatting dat de overtredingen bewust zijn begaan.

De minister vindt dat eiseres ervan op de hoogte moet zijn geweest dat er op een gegeven moment geen VDM’s werden opgemaakt voor ZM. Dat de vervoerder had aangegeven dat dit niet meer nodig was, vindt de minister niet geloofwaardig mede gelet op de verklaring van de salesmanager van eiseres dat het contract met de vervoerder niet was veranderd, dat het contract was voor de afvoer van ZM en dat dit ook zo in het systeem wordt gezet.

De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze uiteenzetting in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog genoegzaam heeft uitgelegd waarom de door eiseres genoemde gevallen voor de minister geen aanleiding hoeven vormen om slechts een beperkt aantal overtredingen te beboeten. De minister mag, zo oordeelt de rechtbank,  eiseres voor alle 220 overtredingen een boete. Van het 220 keer beboeten van één en dezelfde omstandigheid is daarbij volgens de rechtbank geen sprake.

 

Lees hier de volledige uitspraak

 

Redelijke termijn bij terugbetalen onverschuldigde boete

Wie een boete voor bijvoorbeeld het vermeende niet voldoen aan de gebruiksnormen krijgt opgelegd, dient ook wanneer hiertegen bezwaar wordt aangetekend de boete betalen of tenminste een regeling daarvoor te treffen. Wanneer betrokkene in bezwaar of beroep alsnog in het gelijk wordt gesteld wordt het onverschuldigde – maar al wel betaalde – boetebedrag (inclusief wettelijke rente) terug betaald. Dat dit niet altijd soepel verloopt en daarbij van belang is welk verzoek wordt gedaan en termijnen worden betracht blijkt uit onderstaande zaak waarin de Rechtbank Overijssel onlangs uitspraak deed.

In deze zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) bij besluit van 14 februari 2019 het bezwaar van appellant, gericht tegen een aan hem opgelegde boete wegens overtreding van de Meststoffenwet, gegrond verklaard en besloten dat de boete komt te vervallen. In dit besluit is aangegeven dat het al wel betaalde deel van de boete inclusief wettelijke rente zo spoedig mogelijk wordt terugbetaald.

Op 12 juni 2019 heeft betrokkene de minister een ingebrekestelling toegezonden met betrekking tot de terugbetaling van de reeds betaalde boete en het nemen van een beschikking tot vaststelling van de verschuldigde wettelijke rente. Op 26 juni 2019 heeft de minister het door opposant onverschuldigd betaalde boetebedrag aan hem terugbetaald.

Bij brief van 19 juli 2019 heeft opposant beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten aanzien van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:99 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij besluit van 2 augustus 2019 heeft de minister de wettelijke rente vastgesteld op € 454,56.

Bij uitspraak van 14 november 2019 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb (vereenvoudigde behandeling) het ingestelde beroep van 19 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is verzet gedaan.

De rechtbank is er bij haar niet-ontvankelijk verklaring van uit gegaan dat betrokkene met de ingebrekestelling van 12 juni 2019 pas voor het eerst en expliciet de minister heeft verzocht de wettelijke rente vast te stellen. Daarbij is van belang dat voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 4:99 van de Awb geen wettelijke termijn geldt, zodat de redelijke termijn van acht weken (als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb) van toepassing is.

Nu de minister op 2 augustus 2019 alsnog het gevraagde besluit heeft genomen en op die datum nog geen acht weken waren verstreken, heeft de minister tijdig op de aanvraag van 12 juni 2019 beslist.
Het beroep van 19 juli 2019 is ingesteld voordat deze beslistermijn (van acht weken) was verstreken en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

In verzet beslist de rechtbank als volgt: Paragraaf 4.1.3.2 van de Awb regelt de dwangsom voor bestuursorganen bij niet tijdig beslissen. Naar de letterlijke tekst lijkt art. 4:17 Awb slechts van toepassing op het niet tijdig geven van een (primaire) beschikking op een aanvraag. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter dat deze bepaling tevens van toepassing is op het niet tijdig geven van beslissingen op bezwaar tegen een beschikking op aanvraag. Hieruit volgt dat er sowieso een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb is vereist.

Indien een bestuursorgaan ambtshalve een besluit moet nemen, betekent dit dan ook niet dat hierop zonder meer paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is. Bij het uitblijven van een dergelijk besluit zal het bestuursorgaan eerst moeten worden verzocht – door middel van het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb – een dergelijk besluit te nemen. Indien het bestuursorgaan niet binnen de wettelijke termijn dan wel, binnen de redelijke termijn ex artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, een beslissing op die aanvraag neemt, is het bestuursorgaan in verzuim tijdig te beslissen. De dwangsomregeling kan vervolgens worden geactiveerd door het in gebreke stellen van het bestuursorgaan.

De rechtbank heeft de redelijke beslistermijn (te weten acht weken) ex artikel 4:13, tweede lid, van de Awb van toepassing geacht en heeft vervolgens geoordeeld dat de minister tijdig (dus binnen de termijn van acht weken na 12 juni 2019) de gevraagde beschikking ex artikel 4:99 van de Awb heeft genomen. De minister was dus niet in gebreke tijdig een besluit te nemen, zodat het beroep-niet-tijdig te vroeg is ingediend. Dit volgt uit artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Awb.

In verzet beslist de rechtbank dat terecht is geoordeeld dat het beroep is ingediend binnen de termijn die de minister ter beschikking stond, zodat het beroep niet-ontvankelijk is.

Lees hier de volledige uitspraak

De correctie voor het stikstofgat gecorrigeerd?

Een veel voorkomend fenomeen bij de uitwerking van de gebruiksnormenberekening op varkensbedrijven was dat uit de berekening naar voren kwam dat geen overschrijding had plaats gevonden van de fosfaatgebruiksnorm, maar wel van de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest. Dit terwijl er (meer) dan voldoende mest was afgevoerd. Een probleem dat er op wees dat de vaste norm voor de vervluchtiging van stikstof (de norm voor het stikstofverlies per dier) te laag werd vastgesteld ten opzichte van de verliezen die daadwerkelijk plaatsvonden op het bedrijf in kwestie.

Op grond van een toezegging van de toenmalige minister Veerman in 2006 werd hiervoor een extra afvoerpost toegepast die corrigeerde voor dit zogenaamde stikstofgat. Deze correctie voor het stikstofgat houdt in dat bij de berekening van de mestproductie wordt uitgegaan van de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de geanalyseerde mestafvoer. De op basis hiervan correctie wordt dan in mindering gebracht op de berekende stikstofproductie door de dieren.

Een voorbeeld:
De varkens op bedrijf X produceren – als uitkomst van de stalbalans – in een gegeven kalenderjaar 1000 kg fosfaat en 2000 kg stikstof. Op de grond die bij het bedrijf hoort kon in het totaal 55 kg fosfaat en 170 kg N worden geplaatst. De resterende mest wordt afgevoerd. Na analyse blijkt in deze afgevoerde mest  950 kg fosfaat en 1500 kg stikstof te zitten. De begin- en eindvoorraad dierlijke mest houden we in dit voorbeeld zowel qua hoeveelheid als qua samenstelling gelijk. In het totaal kan in dit voorbeeld  1005 kg fosfaat worden verantwoord en 1670 kg stikstof. Er resteert dus een hoeveelheid van 330 kg stikstof die niet is verantwoord en in de systematiek van de Meststoffenwet zou worden toegerekend als zijnde toegediend aan de eigen grond. Er zou dus geen fosfaat in dielijke mest zijn toegediend, maar wel stikstof. Dat is onlogisch.

Voor dit verschil werd gecorrigeerd met behulp van de eerder genoemde correctie voor het sitkstofgat. Dat gebeurde als volgt:

De verhouding tussen stikstof en fosfaat in de afgevoerde mest in het voorbeeld bedraagt: 1.500/950 = 1,58. De Wanneer deze verhouding op de fosfaatproductie wordt gelegd betekent dit: 1,58 * 1000 = 1580 kg stikstof. De ‘correctie voor het stikstofgat’ wordt berekend als het verschil tussen de werkelijke productie (2000) en de berekende productie op basis van de verhoudingen in de afgevoerde mest (1580) en bedraagt daarmee: 2.000 – 1.580 kg = 420 kg. Deze correctie wordt in mindering gebracht op de mestproductie door de dieren en daarmee wordt na correctie volledig aan de gebruiksnormen voldaan.

Nieuwe normen
Met ingang van 2020 zijn voor de diercategorie varkens nagenoeg alle normen voor stikstofverlies per dier aanzienlijk verhoogd. Soms wel met een factor 2 of 3. Hiermee wordt de productie van stikstof in mest (de uitkomst van de stalbalans) lager en zal in veel gevallen het eventuele stikstofgat minder groot zijn of zelf geheel niet meer voorkomen.

In  onderstaande tabel worden geactualiseerde stikstofcorrectie per diercategorie onderscheiden naar stalsysteem en mestsoort gegeven. Tussen haakjes staat de oude norm (2019) vermeld. Alle cijfers zijn gegeven in kilogram stikstof per gemiddeld aanwezig dier.

Drijfmest Vaste mest
Diercategorie Emissiearm Overig Emissiearm Overig
400 Fokzeugen excl. biggen 6,2 (2,0) 6,4 (4,5) 9,3 (2,1) 9,3 (3,8)
401 Fokzeugen incl. biggen 8,9 (2,8) 9,2 (6,2) 13,4 (2,9) 13,4 (5,3)
404 Opfokzeugen en beren van ca. 25 kg tot geslachtsrijpheid 5,0 (2,3) 5,7 (4,5) 6,5 (1,6) 6,5 (3,0)
406 Dek- en zoekberen geslachtsrijp 6,9 (3,9) 7,1 (5,2) 10,4 (3,5) 10,4 (4,5)
407 Gespeende biggen tot ca. 25 kg. Ander bedrijf 0,7 (0,4) 0,7 (0,8) 1,0 (0,4) 1,0 (0,7)
411 Vleesvarkens 4,0 (1,8) 4,6 (3,5) 5,2 (1,3) 5,2 (2,3)

 

Hiermee lijkt een hiaat in de Mestwetgeving gecorrigeerd. Het is echter op dit moment niet duidelijk hoe RVO vanaf nu omgaat met de correctie van het stikstofgat. Blijft die, ondanks de aanpassing van de normen, bestaan? Of rekent RVO vanaf nu (of met terugwerkende kracht) met deze normen? We houden het in de gaten.

Procesbelang gaat voor inhoudelijk belang

Een belangrijke regel in het bestuursrecht is dat er geen rechtsmiddelen open staan wanneer geen sprake is van voldoende procesbelang.  De achterliggende gedachte daarbij is dat degene die bezwaar of (hoger) beroep instelt, het daarmee beoogde resultaat (bijvoorbeeld het van tafel krijgen van een boete)  ook daadwerkelijk moet kunnen bereiken. Is dit niet het geval, dan heeft een inhoudelijke behandeling geen zin, zo stelt de wet. Dit betekent dat voordat een zaak inhoudelijk wordt behandeld, dient te worden getoetst of sprake is van voldoende procesbelang.

Dit geldt ook wanneer beide partijen (dus zowel appellant als verweerder) een inhoudelijke uitspraak voor staan, zoals blijkt uit een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed.

In deze procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld bij het College tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Nadat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, heeft het College verdere behandeling geschorst in afwachting van het advies van de raadsheer advocaat-generaal Wattel in een drietal vergelijkbare zaken, 15/382, 15/430 en 15/692. De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187). Naar aanleiding daarvan heeft het College op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de dire genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653, ECLI:NL:CBB:2018:654).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder heeft bij besluit van 12 februari 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen in de onderhavige procedure. De door appellante gemaakte bezwaren worden in die beslissing alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt herroepen. De door verweerder aan appellant opgelegde boete is daarmee komen te vervallen. Verder heeft verweerder de door appellant gemaakte proceskosten voor de bezwaarprocedure, de kosten van de beroepsprocedure en de procedure in hoger beroep alsmede het verschuldigde griffierecht aan appellant vergoed.

Bij brief van 13 maart 2019 heeft appellant aan het College kenbaar gemaakt het hoger beroep in te trekken, omdat de aan haar opgelegde boete is komen te vervallen en haar proceskosten zullen worden vergoed. Appellant heeft wel te kennen gegeven dat er nog wel een andere voor de rechtspraktijk relevante kwestie speelt, namelijk de vraag of met andere gehalten dan die bij analyse en bemonstering van afgevoerde mest zijn aangetroffen mag worden gerekend bij het opleggen van boetes op grond van de Meststoffenwet. Deze rechtsvraag speelt in tal van andere procedures. Ook verweerder onderkende dat en heeft het College verzocht om deze rechtsvraag te beantwoorden in een uitspraak.

Het College oordeelt echter dat geen sprake is van voldoende procesbelang en motiveert haar oordeel met verwijzing naar vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690), waarin wordt gesteld dat een belanghebbende alleen dan voldoende procesbelang heeft als het resultaat dat met het (hoger) beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor de belanghebbende feitelijk betekenis kan hebben.

Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang, aldus het College. Nu de aan appellante opgelegde boete is komen te vervallen vanwege het nieuw genomen besluit van 12 februari 2019 en daarbij tevens de proceskosten zijn vergoed alsmede het door appellante betaalde griffierecht heeft appellante derhalve geen procesbelang bij het door haar ingestelde hoger beroep.

Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Dus geen inhoudelijke uitspraak. Een dergelijke uitspraak zal moeten komen op het moment dat inhoudelijk vergelijkbare zaken in hoger beroep  zullen dienen voor het College.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zijn de boetebedragen in de Meststoffenwet te hoog ? Of niet hoog genoeg?

Boetes voor overtredingen van de Meststoffenwet (hierna: Msw) kunnen fors zijn. Heel fors! Dit is ook de bedoeling van de minister. Dergelijke boetes moeten  ’afschrikwekkend’ zijn. Daarom zijn ze ook letterlijk in de wet opgenomen: wettelijk gefixeerd wordt dat genoemd. De vraag is dan ook deze wettelijk gefixeerde boetebedragen voldoen aan waar ze voor zijn bedoeld: afschrikwekkend zijn, zonder dat het bedrijven de kop kost?

In het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest heeft de minister de afgelopen periode het sanctiebeleid bij overtredingen van de Msw nader laten bekijken. Hiertoe heeft de minister de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) gevraagd om een advies over de hoogte van de bestuurlijke boetes ten opzichte van het economisch voordeel dat kan worden behaald bij fraude, om zodoende de genoemde afschrikwekkendheid van de boetes te kunne beoordelen. Dit advies is onlangs verschenen.

De CDM concludeert dat de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van artikelen 7, 8, 14, (gebruiksnormen en verantwoordingsplicht) 21 (verantwoorde groei melkveehouderij) en 33 (verwerkingsplicht) van de Msw voor varkens- en rundveemest gemiddeld genomen een factor 2 à 4 hoger zijn dan de mestafzetkosten die gemiddeld genomen in 2016 werden betaald. Dit impliceert dat de boetes gemiddeld hoog genoeg worden geacht om het directe economisch voordeel van mestfraude te ontnemen en tegelijkertijd bij te dragen aan het voorkomen van nieuwe overtredingen. Persoonlijk blijf ik het toch merkwaardig vinden dat de boete voor overtreding van artikel 33 (niet voldoen aan de verwerkingsplicht) op 11 euro per kilogram fosfaat wordt gesteld, terwijl een VVO ongeveer 1 euro of zelfs minder kost. Wat nu een factor 2 à 4 hoger? Dit is een factor 11 of nog hoger!

Voor pluimveemest zijn de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van de gebruiksnormen en mestafzet een factor 20 à 40 hoger dan de gemiddelde mestafzetkosten. Dat is te verklaren doordat de boetetarieven voor stikstof en fosfaat uniform zijn voor alle mestsoorten en pluimveemest veel hogere gehalten aan stikstof en fosfaat per ton mest bevat dan rundveemest en varkensmest, terwijl de mestafzetkosten voor pluimveemest relatief laag zijn.

Toch adviseert de CDM om bij het opleggen van boetes geen onderscheid te maken naar mestsoort (en dus de huidige systematiek in stand te houden), omdat mestsoorten niet altijd gemakkelijk zijn te herkennen en mestsoorten in de praktijk soms worden gemengd om een mestsamenstelling te krijgen die voldoet aan de wensen van de afnemer.

Naast de hoogte van het boetebedrag is de pakkans een bepalende factor in het boetebeleid. Oftewel, als een ondernemer de regels overtreedt, hoe groot is dan de kans dat hij wordt betrapt en een boete opgelegd krijgt. De CDM stelt op grond van berekeningen vast dat bij de huidige boetetarieven fraude bij de afzet van pluimveemest gemiddeld genomen niet loont bij een pakkans van 2% of meer. Bij varkensmest en rundveemest is dat gemiddeld genomen het geval bij een pakkans van 22% of meer. De CDM adviseert dan ook de pakkans te verhogen.

Naast het vergroten van de pakkans kan de afschrikwekkende werking van mestboetes wel verder worden verhoogd door meer onderscheid te maken naar de aard van de overtreder (grootte van het bedrijf) en naar recidive. Bij grote bedrijven dienen de boetetarieven hoger te zijn dan bij kleine bedrijven, aldus de CDM. Deze mogelijkheid wordt vermeld in de Boetewijzer die het ministerie van Justitie en Veiligheid recent heeft opgesteld om meer uniformiteit te krijgen in de hoogte van bestuurlijke boetes voor verschillende wettelijke domeinen.

De boetebedragen bestaan uit het wegnemen van het economisch voordeel en bovendien daarboven nog uit een bestraffend element. Op basis van het CDM-advies constateert de minister dat de huidige boetebedragen beide elementen afdekken. Een verdere verhoging van de boetes ligt dan ook niet in de rede, temeer omdat de mestafzetkosten in verhouding tot de totale bedrijfskosten met name bij varkensbedrijven aanzienlijk zijn.

De mestafzet is vooral voor varkensbedrijven een grote financiële opgave omdat de gemiddelde mestafzetkosten van dezelfde orde van grootte zijn als het ondernemersinkomen. Een verdere verhoging van boetes zal dan ook de financiële draagkracht van bedrijven te boven kunnen gaan. Daarbij weeg ik ook mee dat met de versterkte handhavingsstrategie mest naast het opleggen van boetes ook andere maatregelen en sancties worden genomen, zoals uitsluiting en terugvordering van subsidies, opname in een frauderegister en extra BIBOB-onderzoeken waardoor in het uiterste geval een vergunning kan worden ingetrokken.

Daarnaast ziet de minister verbetermogelijkheden in het maken van meer onderscheid naar recidive en bedrijfsgrootte. Dit zou betekenen hogere boetebedragen, maar meer mogelijkheden voor matiging bij een eerste overtreding of voor kleinere bedrijven. Daarnaast zet de minister in op het vergroten van de pakkans in het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest. Dit betekent gebiedsgerichte en risicogerichte handhaving, verbeteren van de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen toezichthouders, betere gebruikmaking van datatechnologie en modernisering van verantwoordingssystemen zodat meststromen ‘real time’ kunnen worden gevolgd.

Een voorzichtige conclusie is dan ook dat de boetebedragen op het huidige niveau zullen blijven of  mogelijk zelfs worden verhoogd in combinatie met  aanvullende sancties, meer mogelijkheden matiging en onderscheid naar bedrijfsomvang. Daarbij is het jammer dat de hoogte van de boetebedragen voortdurend en  rechtstreeks wordt gekoppeld aan fraude en deze boetebedragen ook van kracht zijn voor vergissingen of administratieve onvolkomenheden in de bedrijfsadministratie.

Lees hier het advies van het CDM

Over het verbod van reformatio in peius

Het verbod van reformatio in peius is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kortweg houdt het verbod in dat het instellen van bezwaar er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de procedure gebruikt om een verslechtering van de positie van appellant te bereiken die zonder deze procedure niet mogelijk zou zijn. Het betekent dus bijvoorbeeld dat wie bezwaar maakt tegen een bestuurlijke boete niet naar aanleiding van hetgeen blijkt uit deze procedure een hogere boete krijgt opgelegd. Op het verbod is echter ook een uitzondering: wanneer een bestuursorgaan dat over het bezwaar oordeelt tevens bevoegd is tot het wijziging of intrekken van een beschikking is het verbod niet van toepassing.

Hierdoor kan in dergelijke situaties het instellen van bezwaar of beroep toch resulteren in een slechtere positie. Zoals blijkt uit een zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak deed.

Appellante exploiteert een melkveehouderij. In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 19.103 kg. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Als bezwaar is aangevoerd dat verweerder ten onrechte twee melkkoeien, die wel in de rundveestaat waren opgenomen, niet in de berekening heeft betrokken. Voorts stelt appellante in het bezwaar dat verweerder ten onrechte zes nog andere bij appellante op de peildatum aanwezige koeien als zoogkoe (categorie 120 van bijlage D) heeft aangemerkt en niet als melkkoe.

In de beslissing op het bezwaar heeft verweerder erkend ten onrechte de twee melkkoeien niet in de berekening te hebben betrokken. Het bezwaar aangaande de zes dieren geregistreerd onder categorie 120 wordt niet toegekend. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante daarop vastgesteld op 19.473 kg. Appellante heeft daarop beroep ingesteld.

Hangende het beroep heeft verweerder echter een nieuw besluit op bezwaar genomen. Verweerder is alsnog volledig tegemoet gekomen aan hetgeen door appellante in bezwaar is gesteld. Hij heeft in het vervangingsbesluit op basis van de door appellante in bezwaar overgelegde stukken ook de zes koeien die in de eerdere besluitvorming als zoogkoe zijn aangemerkt als melkkoe aangemerkt.

De toekenning van fosfaatrechten aan deze zes koeien heeft echter ook invloed op de gemiddelde melkproductie per melkkoe die daardoor lager uitkomt. Als gevolg daarvan valt het excretieforfait per dier in een lagere klasse en komt het toe te kennen fosfaatrecht uit op een lager aantal ten opzichte van de eerdere beslissing, namelijk op 19.374 kg. Appellante is daarmee – door het instellen van beroep – slechter af en betoogt dat dit in strijd is met het verbod op reformatio in peius.

Het College oordeelt echter  in deze situatie dat de verlaging van het fosfaatrecht van appellante in rechtens aanvaardbaar is. Het betreft een beschikking en zolang het besluit nog niet onherroepelijk is, mocht appellante er niet op vertrouwen dat het haar toegekende fosfaatrecht niet zou worden verlaagd op het moment dat verweerder hetgeen in bezwaar was ingediend opnieuw zou beoordelen. Dat verweerder in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan in bezwaar doet daar, volgens het College, niet aan af.

Deze uitspraak laat zien dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet in alle gevallen volledig risicoloos is en in sommige situaties toch ten nadele van appellante kan worden gewijzigd. Desondanks biedt het verbod, vooral bij bestuurlijke boetes een garantie die de vrees voor een verslechtering in de situatie vanwege de procedure weg neemt.

Lees hier de volledige uitspraak

Naast boete ook een randvoorwaardenkorting

Wie  een overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) begaat of niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit Gebruik Meststoffen (hierna: BGM) kan naast met een boete ook worden geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting op de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: GLB).

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Deze beheerseisen zijn door Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en bijlage 3 en bijlage 4 van deze uitvoeringsregeling en komen er – samengevat –  op neer dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen ervoor moet zorgen dat hij aan de gestelde regelgeving en voorwaarden van de uitvoeringsregeling voldoet.

Deze voorwaarden bestaan onder andere uit het voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit gebruik meststoffen (BGM), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm). Is dit niet het geval kan een korting worden doorgevoerd op deze rechtstreekse betalingen. Vaak betreft het dan een korting ter grootte van een percentage van 3%.

Voorgaande komt aan de orde in een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed. Verweerder heeft een randvoorwaardenkorting opgelegd aan appellante. Bij een bedrijfscontrole is geconstateerd dat voldoende opslagcapaciteit voor vaste mest ontbreekt, waarvoor verweerder een korting van 3% op de rechtstreekse betalingen heeft doorgevoerd.

Appellante heeft de niet-naleving betwist: volgens haar was de bestaande capaciteit van de mestopslag voldoende omdat enerzijds verweerder  de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest, kleiner is dan verweerder heeft berekend. Anderzijds stelt appellante dat de capaciteit van de mestopslagruimte op haar bedrijf toereikend is.

Wat betreft de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest overweegt het College dat verweerder deze heeft berekend op 263 m3, aan de hand van de rekenregels van artikel 28, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw en bijlage D, tabel I, kolom A, van de Uitvoeringsregeling Msw.

In artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat in vier gevallen de capaciteit van de mestopslagruimte kleiner kan zijn. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn:

a.       Indien kan worden aangetoond dat een contract voor afvoer van de extra mest is aanwezig is;
b.       Indien mest kan worden aangewend op een deel van de tot het bedrijf behorende bouwland of grasland waarvoor het uitrijverbod niet geldt
c.       Aangetoond kan worden het aantal tot het bedrijf behorende stallen kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan
d.       Aantoonbaar kan worden gemaakt dat in de periode augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren owrden gehouden.

Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij zich beroept op de uitzondering genoemd in het eerste lid, onder b. De enkele verwijzing door appellante naar de hopen vaste mest op de kopakker, die gereed zouden liggen om te worden uitgereden, acht het College als onderbouwing  echter onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder mogen uitgaan van een vereiste opslagruimte voor vaste mest van 263 m3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opslagruimte op het bedrijf voldoet aan die minimaal vereiste capaciteit. Allereerst moet worden vastgesteld dat het daarbij alleen gaat om opslagruimte voor vaste mest. De NVWA heeft over de bevindingen tijdens de controle een inspectieverslag opgesteld, waarin is vermeld dat de mestopslag voor vaste mest op het erf een inhoud heeft van 105 m3. Appellante heeft dit niet betwist. Wel betoogt zij dat ook de opslag van vaste mest op de kopakker moet worden meegerekend. Appellante heeft daarbij gesteld dat de opslag daar voldoet aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. In deze bepaling – een andere beheerseis waaraan een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt dient te voldoen op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.16, bij de Uitvoeringsregeling – zijn de eisen gesteld waaraan moet worden voldaan bij de opslag van agrarische bedrijfsstoffen op een onverhard oppervlak indien deze langer dan twee weken maar korter dan een half jaar worden opgeslagen. Eén van de eisen is dat het opslaan in elk geval zodanig plaatsvindt dat contact met hemelwater wordt voorkomen. Naar aanleiding van het betoog van appellante heeft de NVWA een aanvullend rapport uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2017.

In het aanvullend rapport is vermeld dat de mestopslag niet was afgedekt, zoals ook te zien is op de foto behorend bij het aanvullend rapport. Al daarom volgt het College het betoog van appellante niet dat voldaan is aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Dat er geen vloeistof van de mestvaalt in het oppervlaktewater is terechtgekomen, zoals appellante heeft betoogd, is niet relevant. Voor zover appellante lijkt te betogen dat niet hoefde te worden voldaan aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer, omdat de mest slechts kort op de kopakker werd opgeslagen, volgt het College appellantes redenering niet. In dat geval zou naar het oordeel van het College namelijk geen sprake zijn van opslagruimte voor meststoffen, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw, gelet op de definitie daarvan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, namelijk een ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de opslag van meststoffen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat reeds het storten van mest op de kopakker van die locatie een opslagruimte zou maken.

Verweerder heeft dus terecht het deel van de kopakker waar appellante de mest heeft gestort, niet meegerekend bij de vaststelling van de capaciteit van de mestopslagruimte. Nu de capaciteit van de mestopslagruimte op het bedrijf van appellante 105 m3 was, terwijl een capaciteit van 263 m3 vereist was, voldeed appellante niet aan de beheers-eis van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.18, bij de Uitvoeringsregeling en is de korting op de rechtstreekse betalingen terecht doorgevoerd.

Lees hier de volledige uitspraak

Hoe verder met mestboetes van voor 18 december 2018?

Zoals al eerder op deze site gemeld heeft het  College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) 18 december 2018 een drietal uitspraken gedaan die verregaande gevolgen (kunnen) hebben voor lopende procedures waarbij mestboetes zijn aangekondigd of al zijn opgelegd. Een kort overzicht over achtergrond en de gevolgen van deze uitspraken:

 

Handhavingsmarges
Wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd of het voornemen daartoe wordt aangekondigd bevat deze een berekening waaruit blijkt hoe men tot het boetebedrag is gekomen. In deze berekening worden bepaalde posten bijgesteld in het voordeel van betrokkene. Deze bijstellingen worden tolerantie-, zekerheids- of handhavingsmarges genoemd. Kort door de bocht kunnen ze worden vergeleken met de correctie die wordt doorgevoerd bij een snelheidsovertreding: de gemeten snelheid bedroeg 57 km per uur, gecorrigeerd wordt met 3 km per uur daarmee wordt een boete opgelegd voor een snelheid van 54 km per uur.

Bij mestboetes worden correcties doorgevoerd bij posten waarbij sprake kan zijn van enige onnauwkeurigheid door de wijze waarop ze zijn bepaald (vaak op basis van metingen of forfaits). Denk daarbij bijvoorbeeld aan posten als afvoer dierlijke mest, aanvoer kunstmest, aanvoer voedermiddelen of afvoer van dieren. Echter op basis van welke grondslagen die correcties tot stand komen werd daarbij niet bekend gemaakt. Men volstond met een korte tekst (onder het toelichtend rapport bij de boeteberekening): ‘Bij bepaalde posten heb ik de gegevens in uw voordeel bijgesteld. Dit betreffen de posten waar ik redelijkerwijs niet van u kan verwachten dat u de gebruikte gegevens kunt weerleggen. Voor de grootte van de bijstelling is de wetenschappelijk onderzochte standaardafwijking genomen die zou kunnen optreden. Vandaar dat u in de berekening gegevens zult tegenkomen die uiteindelijk in uw voordeel afwijken ten opzichte van de gegevens in uw eigen administratie.

Men hield de achtergrond en de omvang van de marges ‘geheim’ om daarmee anticiperend gedrag te voorkomen. In lijn met het eerdere voorbeeld: om te voorkomen dat iedereen 53 km per uur gaat rijden omdat dat binnen de toegestane marge is.

 

De uitspraken
Op 18 december 2018 deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak in een drietal zaken (ECLI:NL:CBB:2018:654, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:652). In deze uitspraken oordeelde het College dat wanneer een voornemen bestaat tot het opleggen van een boete voor overtreding van een artikel in de Meststoffenwet waarbij de bepaling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in mest een rol speelt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een beboetbare overtreding en wat de omvang daarvan is, de vermeende overtreder reeds op het moment van het voornemen op de hoogte moet worden gesteld van de inhoud van de tolerantie-, zekerheids- of handhavingsmarges die bij de toepassing van het betreffende artikel in de Meststoffenwet worden gehanteerd. Gebeurt dat niet, dan kan geen boete worden opgelegd en kan een reeds opgelegde boete niet in stand blijven.

De wijze waarop RVO omging met de handhavingsmarges voldeed daar dus niet aan. Pas op 15 juni 2018 heeft RVO een aantal van deze marges bekend gemaakt en op 28 december 2018 zijn de marges in haar volledigheid gepubliceerd op de site van RVO.

Het College is in de genoemde uitspraken van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Tenslotte stelt het College dat het overwogene daarmee ook geldt indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van haar uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na die uitspraak voert. De uitspraak van het College zegt daarmee niets over de gehanteerde marges zelf, maar uitsluitend op het feit dat ze niet bekend gemaakt zijn.

Een verregaande uitspraak dus, die naast voor de drie betrokken procedures gevolgen kan hebben voor een groot aantal procedures die in behandeling zijn. Daarbij dient in eerste instantie een onderscheid te worden gemaakt in procedures waar al een boete is opgelegde (boetebesluit genomen) en waar dat nog niet het geval is, maar al wel een voornemen tot het opleggen van een boete is verzonden (voornemen toegezonden).

 

Boetebesluit genomen (procedures in bezwaar, beroep of hoger beroep)
De vraag is hoe nu verder in een procedure waar het besluit tot het opleggen van een boete dateert van voor 18 december 2018? RVO geeft in eerste instantie niet direct uitsluitsel of de uitspraken consequenties hebben voor een individuele zaak. Men geeft aan zich te beraden. Daarnaast geeft men aan dat men per afzonderlijke procedure zal beoordelen of en welke gevolgen de uitspraken van het College hebben voor de betreffende procedure. RVO geeft tenslotte aan dit de komende weken te zullen beoordelen en op basis daarvan al dan niet het besluit tot het opleggen van een boete te zullen herroepen. Dergelijke herroepingen worden inmiddels al wel gedaan met een duidelijke verwijzing naar de uitspraken van 18 december 2018. De herroepingen komen afzonderlijk door: het besluit wordt herroepen, de boete komt te vervallen, een eventueel doorgevoerde korting op de betalingsrechten wordt teruggedraaid eventueel (teveel) betaalde boete wordt terugbetaald.

Het is inmiddels ook duidelijk dat, volgens RVO, de uitspraken niet in alle procedures het besluit volledig wordt herroepen. Wanneer de berekening van het feit of aan een gebruiksnorm is voldaan niet wordt geraakt door de handhavingsmarges (bijvoorbeeld: geen afvoer van (bemonsterde) dierlijke mest, geen aanvoer van kunstmest, geen aanvoer van voedermiddelen in de berekening opgenomen) handhaaft RVO dat deel van haar boetebesluit. Zoals gezegd zal dit per zaak of procedure door RVO worden beoordeeld. Daarbij is het de vraag in hoeverre deze werkwijze zich verhoudt tot de uitspraken van het College. In oktober 2019 is dit onderwerp aan de orde gekomen tijdens een regiezitting bij het College. De meeste procedures hieromtrent zijn (bij de rechtbanken) aangehouden tot het moment dat hierover meer duidelijkheid is verschaft door het College.

 

Voornemen tot opleggen boete (zienswijze procedure loopt)
In zaken die nog in de fase van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete verkeerden op 18 december 2018 en waar eventueel al een zienswijze is ingediend heeft RVO betrokkenen een schrijven toegestuurd waarin wordt verwezen naar de uitspraken van het College. RVO stelt in haar schrijven: ‘De uitspraak geeft aanleiding kritisch naar het uitvoeringsproces te kijken. Hierdoor loopt de behandeling van uw zaak vertraging op en duurt het langer voordat we u van het vervolg op de hoogte kunnen stellen. Helaas kunnen we op dit moment nog niet aangeven hoe lang de vertraging zal duren’. Ook  voor dergelijke procedures is het dus nog even afwachten wat de gevolgen van de uitspraken van 18 december 2018 zullen zijn. Inmiddels heeft RVO in een deze zaken het oorspronkelijke voornemen ingetrokken en een nieuw voornemen toegezonden.  In de meeste gevallen is in deze zaken is ook al een boete opgelegd en een beslissing op bezwaar genomen. Ook hier houdt RVO vast aan haar werkwijze. Het is de  vraag hoe deze werkwijze van RVO zich verhoudt tot de uitspraken van 18 december 2018 en de Awb. Ook hier zal de rechtbank of het College uiteindelijk uitspraak dienen te doen.

 

Afgeronde procedures

Is de bezwaar-, beroeps- of (hoger)beroepsprocedure tegen een boetebesluit afgerond of is de procedure gaandeweg het traject gestaakt, dan bestaat de mogelijkheid dat betrokkene, de minister verzoekt terug te komen op het boetebesluit onder verwijzing naar artikel 4:6 eerste lid van Awb. In een dergelijk verzoek moet worden gemotiveerd op basis van welke  nieuwe feiten en omstandigheden,  een wijziging van het recht na het boetebesluit, die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd, dit gerechtvaardigd zou zijn.  Een dergelijke omstandigheid wordt een novum genoemd. Hier dient direct bij te worden aangetekend dat het College in beginsel een rechterlijke uitspraak geen novum vindt.  In bijzondere gevallen wordt een uitzondering daarop gemaakt. Het is vooralsnog niet duidelijk of de uitspraken van het College van 18 december 2018 worden gezien als een dergelijke uitzondering, maar in alle eerlijkheid dient te worden gesteld dat dit meer dan waarschijnlijk niet het geval is.

 

Al met al: wordt vervolgd!

 

 

 

 

RVO publiceert correcties voor gewogen en bemonsterde metingen

In een vorig bericht kwam al aan de orde dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) in een drietal uitspraken heeft aangegeven dat, in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie veehouders voldoende kans dienen te krijgen om zich tegen een aan zijn of haar mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelde het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

Eerder publiceerde RVO al een aantal van deze marges. Onlangs heeft men de overige marges en correctiefactoren gepubliceerd. Deze marges en correcties gelden voor de posten in de mestboekhouding waarbij sprake is een weging en/of een bemonstering. RVO past voor deze post een correctie in het voordeel van de betrokkene toe. Met andere woorden men houdt rekening met een onnauwkeurigheidsmarge. Dergelijke marges of correcties worden voor de volgende posten gehanteerd:

  • Aan- en afvoer dierlijke mest die gewogen en bemonsterd is.
  • Aan- en afvoer van kunstmest.
  • Aan- en afvoer van overige organische meststoffen (bemonsterd).
  • Aan- en afvoer van staldieren op gewogen gewicht.
  • Aan- en afvoer en eigen productie van gewogen diervoer/ruwvoer.
  • Afgevoerde eieren.

Al bij de inwerkingtreding van het stelsel van gebruiksnormen in 2006, zijn de correcties voor deze posten vastgesteld, pas nu zijn ze gepubliceerd. Dit zijn geen vaste percentages want ze hangen af van het aantal vrachten dat op de verschillende posten is aan/afgevoerd. In het document Hoe gaat RVO.nl om met nauwkeurigheid van hoeveelheden en gehalten geeft RVO aan hoe wordt omgegaan met de nauwkeurigheid van de bovenstaande posten. In het document staan ook rekenvoorbeelden.

Voor de overige posten in de mineralenbalans worden geen correcties ingebracht. Voor deze posten is het wel mogelijk om tegenbewijs te leveren met vrije bewijsleer. In de tabel hieronder leest u wat de correcties per post zijn. Als u een (voorgenomen) boeteberekening krijgt, leest u in de toelichting welke correcties wij toepassen.

Een korte samenvatting van de correcties per post staat is in onderstaande Tabel gegeven:

Type post Soort Post Grootheid
N= stikstof
P205= fosfaat
Percentage
Dierlijke mest Aan- en afvoer N, vaste mest 0,15
Aan- en afvoer N, overige mest 0,10
Aan- en afvoer P205, alle mest 0,10
Kunstmest Aan- en afvoer N en P205 0,02
Overige organische meststoffen Aan- en afvoer N en P205 0,10
Staldieren Aan- en afvoer Gemeten diergewicht 0,001
Aan- en afvoer Dieraantal 0,03
Diervoer: krachtvoer Aan- en afvoer N en P205 0,05
Diervoer: ruwvoer Aan- en afvoer N en P205 0,10
Productie N en P205 0,05
Afvoer eieren Afvoer Gehalte 0,02
Afvoer Gemeten gewicht 0,001

 

Grondgebruikersverklaring ook schriftelijk beëindigen

Wanneer zogenaamde ‘losse grond’  tijdelijk in gebruik wordt genomen of uit gebruik wordt gegeven wordt dit vaak via een zogenaamde grondgebruikersverklaring geformaliseerd. Daarbij komt het regelmatig voor dat daarbij een stilzwijgende verlenging wordt afgesproken of de gebruikersverklaring wordt aangegaan ‘tot wederopzegging‘. Dat het verstandig is om ook een einddatum op te nemen in een dergelijke overeenkomst of de overeenkomst schriftelijk te beëindigen blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs uitspraak deed.

Appellante heeft op 12 mei 2016 een Gecombineerde opgave bij RVO ingediend waarin zij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor 2016, alsmede om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers heeft verzocht.

Bij primair besluit heeft RVO het door appellante opgegeven perceel 107 met een oppervlakte van 7,21 ha niet in deze aanvraag meegenomen, omdat appellante van dit perceel niet het gebruik en beheer had op 15 mei 2016, bij gebreke van een daartoe strekkende geldige juridische titel. De rechtbank had eerder al geconcludeerd dat appellante dit perceel voor de duur van zes jaar (ingaande op 1 november 2013 en eindigend op 1 november 2019) van [naam] had gepacht, maar [naam] en appellante hebben gelijktijdig een grondgebruikersverklaring getekend, op grond waarvan het beheer van perceel 107 tot wederopzegging weer bij [naam] is komen te liggen. Niet is gebleken dat deze grondgebruikersverklaring is geëindigd.

In beroep heeft appellante – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij vanaf 1 november 2013 pacht appellante perceel 107 van [naam] heeft gepacht. In 2014 en 2015 is het perceel krachtens een grondgebruikersverklaring bij [naam] in gebruik geweest. Appellante heeft deze grondgebruikersverklaring in november 2015 in goed overleg met [naam] per 1 januari 2016 mondeling opgezegd. Met ingang van die datum was appellante exclusief gerechtigd tot het gebruik en beheer van het perceel op grond van eerder genoemde pachtovereenkomst. Nu appellante op 15 mei 2016 perceel 107 in beheer had, heeft zij recht op de aangevraagde betalingsrechten en betalingen, aldus appellante.

Het College overwoog als volgt: Ingevolge artikel 33, eerste lid, van Verordening 1307/2013 geeft de landbouwer met het oog op de activering van betalingsrechten aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010, ECLI:EU:C:2010:606, Landkreis Bad Dürkheim, C-61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van zijn landbouwactiviteiten te gebruiken.

In artikel 15, tweede lid, van Verordening 639/2014 is bepaald dat als twee of meer aanvragers een aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten voor eenzelfde in het eerste lid bedoelde subsidiabele hectare indienen, het betrokken betalingsrecht wordt toegewezen aan de aanvrager die bevoegd is om te besluiten welke landbouwactiviteiten op die hectare worden verricht en die de uit deze activiteiten voortvloeiende voordelen geniet en financiële risico’s draagt.

Vast staat dat op de peildatum van 15 mei 2016 [naam] de eigenaar was van perceel 107. Ook indien de rechtsgeldigheid van de hiervoor genoemde pachtovereenkomst als uitgangspunt wordt genomen, laat dat onverlet dat met ingang van 1 november 2013 tussen [naam] en appellante een grondgebruikersverklaring is gesloten op grond waarvan het gebruik en beheer van perceel 107 weer aan [naam] toekwam. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de grondgebruikersverklaring per 1 januari 2016 door opzegging is geëindigd.

Uit een door appellante overgelegde verklaring van een loonwerker van 14 april 2017 waarin deze verklaart over de werkzaamheden die hij in opdracht van appellante op het betreffende perceel heeft verricht, kan dit ieder geval niet worden afgeleid. Mogelijk heeft appellante het perceel feitelijk gebruikt, maar dat enkele feit betekent niet dat appellante op basis van een geldige titel ook de bevoegdheid had om het perceel met een zekere autonomie voor de uitoefening van haar landbouwactiviteiten te gebruiken.

RVO heeft daarmee volgens het College terecht geoordeeld dat perceel 107 op 15 mei 2016 niet tot het bedrijf van appellante behoorde.

Lees hier de volledige uitspraak