Zijn de boetebedragen te hoog ? Of niet hoog genoeg?

Boetes voor overtredingen van de Meststoffenwet (hierna: Msw) kunnen fors zijn. Heel fors! Dit is ook de bedoeling van de minister. Dergelijke boetes moeten ’afschrikwekkend’ zijn. De vraag is zijn ze dat en zijn ze niet te fors. In het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest heeft de minister de afgelopen periode het sanctiebeleid bij overtredingen van de Msw nader laten bekijken. Hiertoe heeft de minister de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) gevraagd om een advies over de hoogte van de bestuurlijke boetes ten opzichte van het economisch voordeel, om zodoende de genoemde afschrikwekkendheid van de boetes te beoordelen. Dit advies is onlangs verschenen.

De CDM concludeert dat de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van artikelen 7, 8, 14, (gebruiksnormen en verantwoordingsplicht) 21 (verantwoorde groei melkveehouderij) en 33 (verwerkingsplicht) van de Msw voor varkens- en rundveemest gemiddeld genomen een factor 2 à 4 hoger zijn dan de mestafzetkosten die gemiddeld genomen in 2016 werden betaald. Dit impliceert dat de boetes gemiddeld hoog genoeg worden geachte om het directe economisch voordeel van mestfraude te ontnemen en tegelijkertijd bijdraagt aan het voorkomen van nieuwe overtredingen. Persoonlijk blijf ik het toch merkwaardig vinden dat de boete voor overtreding van artikel 33 (niet voldoen aan de verwerkingsplicht) op 11 euro per kilogram fosfaat wordt gesteld, terwijl een VVO ongeveer 1 euro kost. Wat nu een factor 2 à 4 hoger

Voor pluimveemest zijn de huidige bestuurlijke boetes voor overtreding van de gebruiksnormen en mestafzet een factor 20 à 40 hoger dan de gemiddelde mestafzetkosten. Dat is te verklaren doordat de boetetarieven voor stikstof en fosfaat uniform zijn voor alle mestsoorten, en pluimveemest veel hogere gehalten aan stikstof en fosfaat per ton mest bevat dan rundveemest en varkensmest, terwijl de mestafzetkosten relatief laag zijn.

Toch adviseert de CDM om bij het opleggen van boetes geen onderscheid te maken naar mestsoort (en dus de huidige systematiek in stand te houden), omdat mestsoorten niet altijd gemakkelijk zijn te herkennen en mestsoorten in de praktijk soms worden gemengd om een mestsamenstelling te krijgen die voldoet aan de wensen van de afnemer.

Naast de hoogte van het boetebedrag is de pakkans een bepalende factor in het boetebeleid. Oftewel, als een ondernemer de regels overtreedt, hoe groot is dan de kans dat hij wordt betrapt en een boete opgelegd krijgt. De CDM stelt op grond van berekeningen vast dat bij de huidige boetetarieven fraude bij de afzet van pluimveemest gemiddeld genomen niet loont bij een pakkans van 2% of meer. Bij varkensmest en rundveemest is dat gemiddeld genomen het geval bij een pakkans van 22% of meer. De CDM adviseert dan ook de pakkans te verhogen.

Naast het vergroten van de pakkans kan de afschrikwekkende werking van mestboetes wel verder worden verhoogd door meer onderscheid te maken naar de aard van de overtreder (grootte van het bedrijf) en naar recidive. Bij grote bedrijven dienen de boetetarieven hoger te zijn dan bij kleine bedrijven, aldus de CDM. Deze mogelijkheid wordt vermeld in de Boetewijzer die het ministerie van Justitie en Veiligheid recent heeft opgesteld om meer uniformiteit te krijgen in de hoogte van bestuurlijke boetes voor verschillende wettelijke domeinen.

De boetebedragen bestaan uit het wegnemen van het economisch voordeel en bovendien daarboven nog uit een bestraffend element. Op basis van het CDM-advies constateert de minister dat de huidige boetebedragen beide elementen afdekken. Een verdere verhoging van de boetes ligt dan ook niet in de rede, temeer omdat de mestafzetkosten in verhouding tot de totale bedrijfskosten met name bij varkensbedrijven aanzienlijk zijn.

De mestafzet is vooral voor varkensbedrijven een grote financiële opgave omdat de gemiddelde mestafzetkosten van dezelfde orde van grootte zijn als het ondernemersinkomen. Een verdere verhoging van boetes zal dan ook de financiële draagkracht van bedrijven te boven kunnen gaan. Daarbij weeg ik ook mee dat met de versterkte handhavingsstrategie mest naast het opleggen van boetes ook andere maatregelen en sancties worden genomen, zoals uitsluiting en terugvordering van subsidies, opname in een frauderegister en extra BIBOB-onderzoeken waardoor in het uiterste geval een vergunning kan worden ingetrokken.

Daarnaast ziet de minister verbetermogelijkheden in het maken van meer onderscheid naar recidive en bedrijfsgrootte. Dit zou betekenen hogere boetebedragen, maar meer mogelijkheden voor matiging bij een eerste overtreding of voor kleinere bedrijven. Daarnaast zet de minister in op het vergroten van de pakkans in het kader van de versterkte handhavingsstrategie mest. Dit betekent gebiedsgerichte en risicogerichte handhaving, verbeteren van de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen toezichthouders, betere gebruikmaking van datatechnologie en modernisering van verantwoordingssystemen zodat meststromen ‘real time’ kunnen worden gevolgd.

Een voorzichtige conclusie is dan ook dat de boetebedragen op het huidige niveau zullen blijven of  mogelijk zelfs worden verhoogd in combinatie met  aanvullende sancties, meer mogelijkheden matiging en onderscheid naar bedrijfsomvang. Daarbij is het jammer dat de hoogte van de boetebedragen voortdurend en  rechtstreeks wordt gekoppeld aan fraude en deze boetebedragen ook van kracht zijn voor vergissingen of administratieve onvolkomenheden in de bedrijfsadministratie.

Lees hier het advies van het CDM

Over het verbod van reformatio in peius

Het verbod van reformatio in peius is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kortweg houdt het verbod in dat het instellen van bezwaar er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de procedure gebruikt om een verslechtering van de positie van appellant te bereiken die zonder deze procedure niet mogelijk zou zijn. Het betekent dus bijvoorbeeld dat wie bezwaar maakt tegen een bestuurlijke boete niet naar aanleiding van hetgeen blijkt uit deze procedure een hogere boete krijgt opgelegd. Op het verbod is echter ook een uitzondering: wanneer een bestuursorgaan dat over het bezwaar oordeelt tevens bevoegd is tot het wijziging of intrekken van een beschikking is het verbod niet van toepassing.

Hierdoor kan in dergelijke situaties het instellen van bezwaar of beroep toch resulteren in een slechtere positie. Zoals blijkt uit een zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak deed.

Appellante exploiteert een melkveehouderij. In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 19.103 kg. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Als bezwaar is aangevoerd dat verweerder ten onrechte twee melkkoeien, die wel in de rundveestaat waren opgenomen, niet in de berekening heeft betrokken. Voorts stelt appellante in het bezwaar dat verweerder ten onrechte zes nog andere bij appellante op de peildatum aanwezige koeien als zoogkoe (categorie 120 van bijlage D) heeft aangemerkt en niet als melkkoe.

In de beslissing op het bezwaar heeft verweerder erkend ten onrechte de twee melkkoeien niet in de berekening te hebben betrokken. Het bezwaar aangaande de zes dieren geregistreerd onder categorie 120 wordt niet toegekend. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante daarop vastgesteld op 19.473 kg. Appellante heeft daarop beroep ingesteld.

Hangende het beroep heeft verweerder echter een nieuw besluit op bezwaar genomen. Verweerder is alsnog volledig tegemoet gekomen aan hetgeen door appellante in bezwaar is gesteld. Hij heeft in het vervangingsbesluit op basis van de door appellante in bezwaar overgelegde stukken ook de zes koeien die in de eerdere besluitvorming als zoogkoe zijn aangemerkt als melkkoe aangemerkt.

De toekenning van fosfaatrechten aan deze zes koeien heeft echter ook invloed op de gemiddelde melkproductie per melkkoe die daardoor lager uitkomt. Als gevolg daarvan valt het excretieforfait per dier in een lagere klasse en komt het toe te kennen fosfaatrecht uit op een lager aantal ten opzichte van de eerdere beslissing, namelijk op 19.374 kg. Appellante is daarmee – door het instellen van beroep – slechter af en betoogt dat dit in strijd is met het verbod op reformatio in peius.

Het College oordeelt echter  in deze situatie dat de verlaging van het fosfaatrecht van appellante in rechtens aanvaardbaar is. Het betreft een beschikking en zolang het besluit nog niet onherroepelijk is, mocht appellante er niet op vertrouwen dat het haar toegekende fosfaatrecht niet zou worden verlaagd op het moment dat verweerder hetgeen in bezwaar was ingediend opnieuw zou beoordelen. Dat verweerder in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan in bezwaar doet daar, volgens het College, niet aan af.

Deze uitspraak laat zien dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet in alle gevallen volledig risicoloos is en in sommige situaties toch ten nadele van appellante kan worden gewijzigd. Desondanks biedt het verbod, vooral bij bestuurlijke boetes een garantie die de vrees voor een verslechtering in de situatie vanwege de procedure weg neemt.

Lees hier de volledige uitspraak

Naast boete ook een randvoorwaardenkorting

Wie  een overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) begaat of niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit Gebruik Meststoffen (hierna: BGM) kan naast met een boete ook worden geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting op de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: GLB).

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Deze beheerseisen zijn door Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en bijlage 3 en bijlage 4 van deze uitvoeringsregeling en komen er – samengevat –  op neer dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen ervoor moet zorgen dat hij aan de gestelde regelgeving en voorwaarden van de uitvoeringsregeling voldoet.

Deze voorwaarden bestaan onder andere uit het voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit gebruik meststoffen (BGM), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm). Is dit niet het geval kan een korting worden doorgevoerd op deze rechtstreekse betalingen. Vaak betreft het dan een korting ter grootte van een percentage van 3%.

Voorgaande komt aan de orde in een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed. Verweerder heeft een randvoorwaardenkorting opgelegd aan appellante. Bij een bedrijfscontrole is geconstateerd dat voldoende opslagcapaciteit voor vaste mest ontbreekt, waarvoor verweerder een korting van 3% op de rechtstreekse betalingen heeft doorgevoerd.

Appellante heeft de niet-naleving betwist: volgens haar was de bestaande capaciteit van de mestopslag voldoende omdat enerzijds verweerder  de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest, kleiner is dan verweerder heeft berekend. Anderzijds stelt appellante dat de capaciteit van de mestopslagruimte op haar bedrijf toereikend is.

Wat betreft de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest overweegt het College dat verweerder deze heeft berekend op 263 m3, aan de hand van de rekenregels van artikel 28, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw en bijlage D, tabel I, kolom A, van de Uitvoeringsregeling Msw.

In artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat in vier gevallen de capaciteit van de mestopslagruimte kleiner kan zijn. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn:

a.       Indien kan worden aangetoond dat een contract voor afvoer van de extra mest is aanwezig is;
b.       Indien mest kan worden aangewend op een deel van de tot het bedrijf behorende bouwland of grasland waarvoor het uitrijverbod niet geldt
c.       Aangetoond kan worden het aantal tot het bedrijf behorende stallen kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan
d.       Aantoonbaar kan worden gemaakt dat in de periode augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren owrden gehouden.

Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij zich beroept op de uitzondering genoemd in het eerste lid, onder b. De enkele verwijzing door appellante naar de hopen vaste mest op de kopakker, die gereed zouden liggen om te worden uitgereden, acht het College als onderbouwing  echter onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder mogen uitgaan van een vereiste opslagruimte voor vaste mest van 263 m3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opslagruimte op het bedrijf voldoet aan die minimaal vereiste capaciteit. Allereerst moet worden vastgesteld dat het daarbij alleen gaat om opslagruimte voor vaste mest. De NVWA heeft over de bevindingen tijdens de controle een inspectieverslag opgesteld, waarin is vermeld dat de mestopslag voor vaste mest op het erf een inhoud heeft van 105 m3. Appellante heeft dit niet betwist. Wel betoogt zij dat ook de opslag van vaste mest op de kopakker moet worden meegerekend. Appellante heeft daarbij gesteld dat de opslag daar voldoet aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. In deze bepaling – een andere beheerseis waaraan een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt dient te voldoen op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.16, bij de Uitvoeringsregeling – zijn de eisen gesteld waaraan moet worden voldaan bij de opslag van agrarische bedrijfsstoffen op een onverhard oppervlak indien deze langer dan twee weken maar korter dan een half jaar worden opgeslagen. Eén van de eisen is dat het opslaan in elk geval zodanig plaatsvindt dat contact met hemelwater wordt voorkomen. Naar aanleiding van het betoog van appellante heeft de NVWA een aanvullend rapport uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2017.

In het aanvullend rapport is vermeld dat de mestopslag niet was afgedekt, zoals ook te zien is op de foto behorend bij het aanvullend rapport. Al daarom volgt het College het betoog van appellante niet dat voldaan is aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Dat er geen vloeistof van de mestvaalt in het oppervlaktewater is terechtgekomen, zoals appellante heeft betoogd, is niet relevant. Voor zover appellante lijkt te betogen dat niet hoefde te worden voldaan aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer, omdat de mest slechts kort op de kopakker werd opgeslagen, volgt het College appellantes redenering niet. In dat geval zou naar het oordeel van het College namelijk geen sprake zijn van opslagruimte voor meststoffen, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw, gelet op de definitie daarvan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, namelijk een ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de opslag van meststoffen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat reeds het storten van mest op de kopakker van die locatie een opslagruimte zou maken.

Verweerder heeft dus terecht het deel van de kopakker waar appellante de mest heeft gestort, niet meegerekend bij de vaststelling van de capaciteit van de mestopslagruimte. Nu de capaciteit van de mestopslagruimte op het bedrijf van appellante 105 m3 was, terwijl een capaciteit van 263 m3 vereist was, voldeed appellante niet aan de beheers-eis van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.18, bij de Uitvoeringsregeling en is de korting op de rechtstreekse betalingen terecht doorgevoerd.

Lees hier de volledige uitspraak

Hoe verder met mestboetes van voor 18 december 2018?

Zoals al eerder op deze site gemeld heeft het  College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) 18 december 2018 een drietal uitspraken gedaan die verregaande gevolgen (kunnen) hebben voor lopende procedures waarbij mestboetes zijn aangekondigd of al zijn opgelegd. Een kort overzicht over achtergrond en de gevolgen van deze uitspraken:

 

Handhavingsmarges
Wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd of het voornemen daartoe wordt aangekondigd bevat deze een berekening waaruit blijkt hoe men tot het boetebedrag is gekomen. In deze berekening worden bepaalde posten bijgesteld in het voordeel van betrokkene. Deze bijstellingen worden tolerantie-, zekerheids- of handhavingsmarges genoemd. Kort door de bocht kunnen ze worden vergeleken met de correctie die wordt doorgevoerd bij een snelheidsovertreding: de gemeten snelheid bedroeg 57 km per uur, gecorrigeerd wordt met 3 km per uur daarmee wordt een boete opgelegd voor een snelheid van 54 km per uur.

Bij mestboetes worden correcties doorgevoerd bij posten waarbij sprake kan zijn van enige onnauwkeurigheid door de wijze waarop ze zijn bepaald (vaak op basis van metingen of forfaits). Denk daarbij bijvoorbeeld aan posten als afvoer dierlijke mest, aanvoer kunstmest, aanvoer voedermiddelen of afvoer van dieren. Echter op basis van welke grondslagen die correcties tot stand komen werd daarbij niet bekend gemaakt. Men volstond met een korte tekst (onder het toelichtend rapport bij de boeteberekening): ‘Bij bepaalde posten heb ik de gegevens in uw voordeel bijgesteld. Dit betreffen de posten waar ik redelijkerwijs niet van u kan verwachten dat u de gebruikte gegevens kunt weerleggen. Voor de grootte van de bijstelling is de wetenschappelijk onderzochte standaardafwijking genomen die zou kunnen optreden. Vandaar dat u in de berekening gegevens zult tegenkomen die uiteindelijk in uw voordeel afwijken ten opzichte van de gegevens in uw eigen administratie.

Men hield de achtergrond en de omvang van de marges ‘geheim’ om daarmee anticiperend gedrag te voorkomen. In lijn met het eerdere voorbeeld: om te voorkomen dat iedereen 53 km per uur gaat rijden omdat dat binnen de toegestane marge is.

 

De uitspraken
Op 18 december 2018 deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak in een drietal zaken (ECLI:NL:CBB:2018:654, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:652). In deze uitspraken oordeelde het College dat wanneer een voornemen bestaat tot het opleggen van een boete voor overtreding van een artikel in de Meststoffenwet waarbij de bepaling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in mest een rol speelt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een beboetbare overtreding en wat de omvang daarvan is, de vermeende overtreder reeds op het moment van het voornemen op de hoogte moet worden gesteld van de inhoud van de tolerantie-, zekerheids- of handhavingsmarges die bij de toepassing van het betreffende artikel in de Meststoffenwet worden gehanteerd. Gebeurt dat niet, dan kan geen boete worden opgelegd en kan een reeds opgelegde boete niet in stand blijven.

De wijze waarop RVO omging met de handhavingsmarges voldeed daar dus niet aan. Pas op 15 juni 2018 heeft RVO een aantal van deze marges bekend gemaakt en op 28 december 2018 zijn de marges in haar volledigheid gepubliceerd op de site van RVO.

Het College is in de genoemde uitspraken van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Tenslotte stelt het College dat het overwogene daarmee ook geldt indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van haar uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na die uitspraak voert. De uitspraak van het College zegt daarmee niets over de gehanteerde marges zelf, maar uitsluitend op het feit dat ze niet bekend gemaakt zijn.

Een verregaande uitspraak dus, die naast voor de drie betrokken procedures gevolgen kan hebben voor een groot aantal procedures die in behandeling zijn. Daarbij dient in eerste instantie een onderscheid te worden gemaakt in procedures waar al een boete is opgelegde (boetebesluit genomen) en waar dat nog niet het geval is, maar al wel een voornemen tot het opleggen van een boete is verzonden (voornemen toegezonden).

Boetebesluit genomen (procedures in bezwaar, beroep of hoger beroep)
De vraag is hoe nu verder in een procedure waar het besluit tot het opleggen van een boete dateert van voor 18 december 2018? RVO geeft in eerste instantie niet direct uitsluitsel of de uitspraken consequenties hebben voor een individuele zaak. Men geeft aan zich te beraden. Daarnaast geeft men aan dat men per afzonderlijke procedure zal beoordelen of en welke gevolgen de uitspraken van het College hebben voor de betreffende procedure. RVO geeft tenslotte aan dit de komende weken te zullen beoordelen en op basis daarvan al dan niet het besluit tot het opleggen van een boete te zullen herroepen. Dergelijke herroepingen worden inmiddels al wel gedaan met een duidelijke verwijzing naar de uitspraken van 18 december 2018. De herroepingen komen afzonderlijk door: het besluit wordt herroepen, de boete komt te vervallen, een eventueel doorgevoerde korting op de betalingsrechten wordt teruggedraaid eventueel (teveel) betaalde boete wordt terugbetaald. Het is inmiddels ook duidelijk dat, volgens RVO, de uitspraken niet alle procedures zal betekenen dat het besluit wordt herroepen. Wanneer de berekening van het feit of aan een gebruiksnorm is voldaan niet wordt geraakt door de handhavingsmarges (bijvoorbeeld: geen afvoer van (bemonsterde) dierlijke mest, geen aanvoer van kunstmest, geen aanvoer van voedermiddelen in de berekening opgenomen) handhaaft RVO dat deel van haar boetebesluit. Zoals gezegd zal dit per zaak of procedure door RVO worden beoordeeld. Daarbij is het de vraag in hoeverre deze werkwijze zich verhoudt tot de uitspraken van het College.

 

Voornemen tot opleggen boete (zienswijze procedure loopt)
In zaken die nog in de fase van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete verkeerden op 18 december 2018 en waar eventueel al een zienswijze is ingediend heeft RVO betrokkenen een schrijven toegestuurd waarin wordt verwezen naar de uitspraken van het College. RVO stelt in haar schrijven: ‘De uitspraak geeft aanleiding kritisch naar het uitvoeringsproces te kijken. Hierdoor loopt de behandeling van uw zaak vertraging op en duurt het langer voordat we u van het vervolg op de hoogte kunnen stellen. Helaas kunnen we op dit moment nog niet aangeven hoe lang de vertraging zal duren’. Ook  voor dergelijke procedures is het dus nog even afwachten wat de gevolgen van de uitspraken van 18 december 2018 zullen zijn. Inmiddels heeft RVO in een aantal zaken het oorspronkelijke voornemen ingetrokken en een nieuw voornemen toegezonden. Ook hier is de vraag hoe deze werkwijze van RVO zich verhoudt tot de uitspraken van 18 december 2018 en de AWB.

 

Afgeronde procedures

Is de bezwaar-, beroeps- of (hoger)beroepsprocedure tegen een boetebesluit afgerond of is de procedure gaandeweg het traject gestaakt, dan bestaat de mogelijkheid dat betrokkene, de minister verzoekt terug te komen op het boetebesluit onder verwijzing naar artikel 4:6 eerste lid van Awb. In een dergelijk verzoek moet worden gemotiveerd op basis van welke  nieuwe feiten en omstandigheden,  een wijziging van het recht na het boetebesluit, die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd, dit gerechtvaardigd zou zijn.  Een dergelijke omstandigheid wordt een novum genoemd. Hier dient direct bij te worden aangetekend dat het College in beginsel een rechterlijke uitspraak geen novum vindt.  In bijzondere gevallen wordt een uitzondering daarop gemaakt. Het is vooralsnog niet duidelijk of de uitspraken van het College van 18 december 2018 worden gezien als een dergelijke uitzondering. Wellicht dus een kleine mogelijkheid.

 

Al met al: wordt vervolgd!

 

 

 

 

RVO publiceert correcties voor gewogen en bemonsterde metingen

In een vorig bericht kwam al aan de orde dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) in een drietal uitspraken heeft aangegeven dat, in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie veehouders voldoende kans dienen te krijgen om zich tegen een aan zijn of haar mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelde het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

Eerder publiceerde RVO al een aantal van deze marges. Onlangs heeft men de overige marges en correctiefactoren gepubliceerd. Deze marges en correcties gelden voor de posten in de mestboekhouding waarbij sprake is een weging en/of een bemonstering. RVO past voor deze post een correctie in het voordeel van de betrokkene toe. Met andere woorden men houdt rekening met een onnauwkeurigheidsmarge. Dergelijke marges of correcties worden voor de volgende posten gehanteerd:

  • Aan- en afvoer dierlijke mest die gewogen en bemonsterd is.
  • Aan- en afvoer van kunstmest.
  • Aan- en afvoer van overige organische meststoffen (bemonsterd).
  • Aan- en afvoer van staldieren op gewogen gewicht.
  • Aan- en afvoer en eigen productie van gewogen diervoer/ruwvoer.
  • Afgevoerde eieren.

Al bij de inwerkingtreding van het stelsel van gebruiksnormen in 2006, zijn de correcties voor deze posten vastgesteld, pas nu zijn ze gepubliceerd. Dit zijn geen vaste percentages want ze hangen af van het aantal vrachten dat op de verschillende posten is aan/afgevoerd. In het document Hoe gaat RVO.nl om met nauwkeurigheid van hoeveelheden en gehalten geeft RVO aan hoe wordt omgegaan met de nauwkeurigheid van de bovenstaande posten. In het document staan ook rekenvoorbeelden.

Voor de overige posten in de mineralenbalans worden geen correcties ingebracht. Voor deze posten is het wel mogelijk om tegenbewijs te leveren met vrije bewijsleer. In de tabel hieronder leest u wat de correcties per post zijn. Als u een (voorgenomen) boeteberekening krijgt, leest u in de toelichting welke correcties wij toepassen.

Een korte samenvatting van de correcties per post staat is in onderstaande Tabel gegeven:

Type post Soort Post Grootheid
N= stikstof
P205= fosfaat
Percentage
Dierlijke mest Aan- en afvoer N, vaste mest 0,15
Aan- en afvoer N, overige mest 0,10
Aan- en afvoer P205, alle mest 0,10
Kunstmest Aan- en afvoer N en P205 0,02
Overige organische meststoffen Aan- en afvoer N en P205 0,10
Staldieren Aan- en afvoer Gemeten diergewicht 0,001
Aan- en afvoer Dieraantal 0,03
Diervoer: krachtvoer Aan- en afvoer N en P205 0,05
Diervoer: ruwvoer Aan- en afvoer N en P205 0,10
Productie N en P205 0,05
Afvoer eieren Afvoer Gehalte 0,02
Afvoer Gemeten gewicht 0,001

 

Grondgebruikersverklaring ook schriftelijk beëindigen

Wanneer zogenaamde ‘losse grond’  tijdelijk in gebruik wordt genomen of uit gebruik wordt gegeven wordt dit vaak via een zogenaamde grondgebruikersverklaring geformaliseerd. Daarbij komt het regelmatig voor dat daarbij een stilzwijgende verlenging wordt afgesproken of de gebruikersverklaring wordt aangegaan ‘tot wederopzegging‘. Dat het verstandig is om ook een einddatum op te nemen in een dergelijke overeenkomst of de overeenkomst schriftelijk te beëindigen blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs uitspraak deed.

Appellante heeft op 12 mei 2016 een Gecombineerde opgave bij RVO ingediend waarin zij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor 2016, alsmede om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers heeft verzocht.

Bij primair besluit heeft RVO het door appellante opgegeven perceel 107 met een oppervlakte van 7,21 ha niet in deze aanvraag meegenomen, omdat appellante van dit perceel niet het gebruik en beheer had op 15 mei 2016, bij gebreke van een daartoe strekkende geldige juridische titel. De rechtbank had eerder al geconcludeerd dat appellante dit perceel voor de duur van zes jaar (ingaande op 1 november 2013 en eindigend op 1 november 2019) van [naam] had gepacht, maar [naam] en appellante hebben gelijktijdig een grondgebruikersverklaring getekend, op grond waarvan het beheer van perceel 107 tot wederopzegging weer bij [naam] is komen te liggen. Niet is gebleken dat deze grondgebruikersverklaring is geëindigd.

In beroep heeft appellante – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij vanaf 1 november 2013 pacht appellante perceel 107 van [naam] heeft gepacht. In 2014 en 2015 is het perceel krachtens een grondgebruikersverklaring bij [naam] in gebruik geweest. Appellante heeft deze grondgebruikersverklaring in november 2015 in goed overleg met [naam] per 1 januari 2016 mondeling opgezegd. Met ingang van die datum was appellante exclusief gerechtigd tot het gebruik en beheer van het perceel op grond van eerder genoemde pachtovereenkomst. Nu appellante op 15 mei 2016 perceel 107 in beheer had, heeft zij recht op de aangevraagde betalingsrechten en betalingen, aldus appellante.

Het College overwoog als volgt: Ingevolge artikel 33, eerste lid, van Verordening 1307/2013 geeft de landbouwer met het oog op de activering van betalingsrechten aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010, ECLI:EU:C:2010:606, Landkreis Bad Dürkheim, C-61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van zijn landbouwactiviteiten te gebruiken.

In artikel 15, tweede lid, van Verordening 639/2014 is bepaald dat als twee of meer aanvragers een aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten voor eenzelfde in het eerste lid bedoelde subsidiabele hectare indienen, het betrokken betalingsrecht wordt toegewezen aan de aanvrager die bevoegd is om te besluiten welke landbouwactiviteiten op die hectare worden verricht en die de uit deze activiteiten voortvloeiende voordelen geniet en financiële risico’s draagt.

Vast staat dat op de peildatum van 15 mei 2016 [naam] de eigenaar was van perceel 107. Ook indien de rechtsgeldigheid van de hiervoor genoemde pachtovereenkomst als uitgangspunt wordt genomen, laat dat onverlet dat met ingang van 1 november 2013 tussen [naam] en appellante een grondgebruikersverklaring is gesloten op grond waarvan het gebruik en beheer van perceel 107 weer aan [naam] toekwam. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de grondgebruikersverklaring per 1 januari 2016 door opzegging is geëindigd.

Uit een door appellante overgelegde verklaring van een loonwerker van 14 april 2017 waarin deze verklaart over de werkzaamheden die hij in opdracht van appellante op het betreffende perceel heeft verricht, kan dit ieder geval niet worden afgeleid. Mogelijk heeft appellante het perceel feitelijk gebruikt, maar dat enkele feit betekent niet dat appellante op basis van een geldige titel ook de bevoegdheid had om het perceel met een zekere autonomie voor de uitoefening van haar landbouwactiviteiten te gebruiken.

RVO heeft daarmee volgens het College terecht geoordeeld dat perceel 107 op 15 mei 2016 niet tot het bedrijf van appellante behoorde.

Lees hier de volledige uitspraak

Zorgplicht bij de aanvoer van mest

De Meststoffenwet gaat uit van een verdeling van de bewijslast waarbij de veehouder aan moet tonen dat hij binnen de gebruiksnormen is gebleven. Dit vraagt om extra waakzaamheid zoals blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs tussenuitspraak deed.

Naar aanleiding van een landelijk onderzoek naar leveringen van mest waarbij op de vervoersdocumenten een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “Groenerije” of “CTE Service” is een onderzoek gestart naar melkvee- en loonbedrijf [naam 1]. Uit dit onderzoek bleek dat in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009 twintig vrachten met dierlijke mest op de bedrijfslocatie van [naam 1] zijn aangevoerd, waarbij [naam 1] niet als afnemer zou zijn vermeld.

De mest werd toch beschouwd als zijnde aangevoerd door [naam 1] ook al stond hij niet geregistreerd als afnemer. Door de extra aanvoer overschreed het bedrijf van [naam 1] de gebruiksnormen. Hiervoor werd een boete opgelegd, het hiertegen ingestelde bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog in beroep echter dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser een verwijt kan worden gemaakt van de door verweerder gestelde overtreding. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld

Het College ziet zich bij de beoordeling van het hogere beroep gesteld voor de vraag of de minister bevoegd was aan [naam 1] een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van artikel 7 van de Msw . Daarvoor is van belang om vast te stellen of er (1) voldoende bewijs is voor de overtreding en de omvang daarvan en (2) of [naam 1] daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden

Is er voldoende bewijs?

Het College stelt vast dat op de vervoersbewijzen van de verweten twintig vrachten mest, in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009, kentekens, vervoerders en data zijn vermeld die overeenkomen met bij de meldingen van de AGR/GPS vermelde kentekens, vervoerders en data. Voorts zijn er aanvullende verklaringen van de vervoerders en stukken uit de administratie van de betrokken vervoerders en intermediairs die bevestigen dat de mest gelost is op het bedrijf van [naam 1]. De verklaringen van de directeuren van Groenerije, daarbij mede in acht genomen, kan verweerder worden gevolgd in de conclusie dat die onderneming niet de daadwerkelijke afnemer was, maar als fictieve afnemer is opgevoerd.

Verder is niet gebleken van verstoorde AGR/GPS-gegevens en bevinden de geregistreerde loslocaties zich op het bedrijf van [naam 1]. Ook voor het feit dat de mest weer zou zijn afgevoerd zijn geen bewijzen. Het College acht het op grond van de vermelde gegevens dan ook aannemelijk dat de twintig vrachten mest op het bedrijf van [naam 1] zijn aangevoerd.

Kan betrokkene aansprakelijk worden gehouden?

Ten aanzien van de vraag wie op de overtreding kan worden aangesproken, heeft het College in haar uitspraak van 6 juli 2015, (ECLI:NL:CBB:2015:233), het volgende overwogen:

“3.8 (…) In de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 29 930, nr. 3, p. 112) staat als toelichting op (thans) artikel 7 van de Msw het volgende vermeld.

“(…) De omschrijving in artikel 5a van de verboden gedraging als het «op of in de bodem brengen van meststoffen» sluit geheel aan bij de in bijlage III, onderdelen 1, onder 3, van de Nitraatrichtlijn ten aanzien van de gebruiksnormen gebruikte terminologie en ook bij het begrip «gebruiken», als gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit gebruik meststoffen. De omschrijving van de gedraging moet in de ruimste betekenis worden begrepen. Zij omvat elk handelen of nalaten waardoor meststoffen op of in de bodem belanden. Het gaat volgens de definitie van artikel 2, onderdeel h, in ieder geval om elk «toevoegen van stoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met oppervlaktelagen». (…)

Niet alleen degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult, maar ook de functionele dader kan voor overtreding van het verbod strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gehouden. (…)

Het woord «gedraging» in de definitie van het begrip «overtreding», moet in de ruimst mogelijke zin worden opgevat: elk handelen of nalaten wordt daaronder begrepen.(…) Dat kan zijn degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult, maar ook de functionele dader (vergelijk het zogenoemde ijzerdraad-arrest: HR 23 februari 1954 NJ 1954, 378). Functioneel dader is degene in wiens machtssfeer de fysieke handelingen liggen waardoor de overtreding is begaan en die voorts de handelingen heeft aanvaard of in het algemeen placht te aanvaarden. Van dit laatste is in beginsel reeds sprake als de functionele dader is tekortgeschoten in hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht om wederrechtelijke handelingen te voorkomen. “

(…) Van appellanten had mogen worden verwacht dat zij, toen zij het bemesten aan [naam 6] overlieten, precieze, op schrift gestelde afspraken met hem zouden hebben gemaakt en op de naleving daarvan toezicht zouden houden. Appellanten hebben onvoldoende toezichtmaatregelen genomen om overtreding van de gebruiksnormen te voorkomen. Zij waren niet aanwezig bij het lossen van de mest en hebben dit toezicht ook niet door een ander voor hen laten doen. Dat de betreffende percelen op 20 kilometer van hun huiskavel liggen maakt niet dat dit niet van hen kon worden verlangd, nu zij zeggenschap over deze percelen hadden. Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat appellanten terecht als overtreder van artikel 7 van de Msw zijn aangemerkt.”

Het College is van oordeel dat in dit geval de overtreding in redelijkheid aan [naam 1] kan worden toegerekend. [naam 1] heeft geen enkele afspraak op schrift gesteld. Hij heeft geen voorzorgsmaatregelen getroffen voor toezicht op de aanvoer van de mest en heeft geen bewijzen gevraagd van de aangevoerde mest en de hoeveelheid stikstof en fosfaat die de mest bevatte. Hij heeft aldus geen enkele controle uitgeoefend. De mest is bovendien gelost over een periode van 29 april 2009 tot 23 juni 2009, waardoor hij in de gelegenheid was om tussentijds in te grijpen. De conclusie is dan ook dat hij niet de zorg heeft betracht die van hem verwacht mocht worden. Van het ontbreken van verwijtbaarheid is gelet daarop evenmin sprake. De minister was derhalve bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen aan [naam 1] wegens overtreding van artikel 7 van de Msw, in samenhang met artikel 8 van de Msw.

Bovenstaande geeft aan dat vertrouwen weliswaar goed is, maar wanneer de spreekwoordelijke mest aan de knikker komt, je met vertrouwen alleen niet ver komt en zowel op schrift als in acties het nodige moet kunnen worden onderbouwd waaruit blijkt dat de mest niet op de landbouwgrond die hoort tot het bedrijf terecht is gekomen.

 

Lees hier de volledige (tussen)uitspraak

 

Voor wie zijn de fosfaatrechten bij opfok en inscharen?

Enige tijd geleden hebben we op mestboete.nl al enige aandacht besteed aan de problematiek van de toekenning van fosfaatrechten bij uitscharen en opfokken van jongvee. Melkveehouders schaarden een deel van het jaar een deel van hun (jong)vee uit bij een opfokker of een grondeigenaar om de dieren te weiden.  De fosfaatrechten werden toegekend aan de opfokker of de inschaarder . De eigenaar van de dieren of de uitschaarder stelt nu dat (een deel van) die rechten aan hem toebehoren. De inschaarder of opfokker kan zich niet vinden in die claim van de eigenaar of opfokker. In dergelijke situaties is in een aantal gevallen sprake van enig getouwtrek over en weer omtrent de vraag aan wie de fosfaatrechten toe behoren. Hoe zit het nu?

Bij de toekenning van de fosfaatrechten zijn de rechten toegekend aan het bedrijf dat op 2 juli 2015 aangemerkt werd als de houder van de dieren.  Het begrip ‘houden van dieren’, gaat, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten,  uit van het feitelijke houderschap. Het is daarbij van ondergeschikt belang of en dat de houder ook de eigenaar van de dieren is. Het gaat er dus,  voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten, niet om wie de eigenaar was van de dieren op de peildatum van 2 juli 2015, maar om wie de feitelijke houder van de dieren was. Dat wil zeggen degene die feitelijk de dieren in zijn stal had onderbracht, de dieren op zijn land weide of de verzorging op zich nam.

Dat rechten zijn toegewezen aan een partij wil nog niet per definitie zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij….

Maar dat de rechten zijn toegekend aan één partij wil nog niet zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij. In de gevallen dat dit wringt komen in de meeste gevallen partijen onderling wel tot een vergelijk, door bijvoorbeeld  een 50/50 verdeling toe te passen of de toebedeelde fosfaatrechten naar rato van de lengte van de uitschaarperiode te verdelen tussen uit- en inschaarder.  Een dergelijke verdeling (naar rato van de inschaarperiode) is niet mogelijk bij de opfokkers van jongvee, waar jongvee van een melkveehouder 12 maanden per jaar  is ondergebracht bij de opfokker.  In een aantal gevallen maakt de eigenaar van de dieren ook dan aanspraak op de rechten die aan de opfokker zijn toegewezen.

De vraag is hoe de rechtbank zal oordelen inzake dergelijke claims van de eigenaar van de dieren of de uitschaarder. In een aantal kort gedingen kwam de voorzieningenrechter tot op het eerste oog geheel verschillende uitspraken. Toch kunnen in deze zaken al wel een aantal (on)mogelijkheden worden gezien.

In een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland oordeelde de voorzieningenrechter dat de rechten naar rato moesten worden verdeeld van de periode waarover partijen de dieren hielden in een kalenderjaar. Daarrbij achtte de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat de inschaarder had meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee het uitscharende bedrijf het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van inschaarder heeft verhoogd. Tenslotte overwoog de rechtbank dat de inschaarder er geen in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden. De inschaarder heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering.

De Rechtbank Noord Nederland oordeelde in een andere casus  dat de opfokker medewerking moest verlenen aan het overdragen van de hem toegekende rechten aan de melkveehouder. De Rechtbank vond de grond hiervoor in een specifieke voorwaarden uit de ‘overeenkomst van opfok‘ die stelt dat indien ‘er tussentijds veranderingen komen vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen in geval van ruiming (mkz of andere ziekten) dan zijn deze voor de eigenaar van de dieren.’ De conclusie van de Rechtbank is dat uit hetgeen partijen in hun onderlinge verhouding zijn overeengekomen, volgt dat de opfokker verplicht is om mee te werken aan de overgang van de fosfaatrechten naar de eigenaar van de dieren, voor zover die fosfaatrechten zijn verkregen uit hoofde van het stallen van jongvee van de eigenaren van die dieren.

In een derde uitspraak  oordeelde de voorzieningenrechter juist weer in het voordeel van de inschaarder. De rechtbank overwoog daarbij dat met het afstaan van de fosfaatrechten de inschaarder zou worden benadeeld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat slechts sprake was van een eenmalige inscharing tussen partijen en geen structurele relatie. Daarnaast oordeelt de voorzieningenrechter dat de uitschaarder door de gang van zaken niet belemmerd wordt zijn bedrijfsuitvoering en de regeling er niet voor bedoeld is om agrariërs anderszins een geldelijk voordeel te verschaffen. Dat de inschaarder toevallig een voordeel heeft verkregen is het gevolg van een bewuste keuze van de wetgever en kan de inschaarder niet worden aangerekend aldus de voorzieningenrechter.

Uiteraard moeten de uitspraken in bodemprocedure meer duidelijkheid geven over de uiteindelijke toekenning van de rechten, maar wat de uitspraken tot nu toe laten zien is dat elke zaak specifiek is en zowel in zijn algemene context als in detail dient te worden beoordeeld. Een aantal aspecten die daarbij van belang kunnen wel uit de uitspraken worden afgeleid. Duidelijk is dat onder andere de afspraken die tussen partijen zijn vastgelegd in de overeenkomst van opfok van belang zijn. Ditzelfde geldt ook voor de lengte van de periode van uitscharen en de lengte van de periode van samenwerking tussen partijen (structureel of eenmalig). Een ander aspect is in hoeverre partijen al dan niet worden benadeeld in relatie tot hun toekomstige bedrijfsvoering en hoe partijen zich hebben gedragen in het kader van het fosfaatreductieplan.

 

Bij twijfel over de gehalten in koek na mestscheiding moet eerst de afvoer aannemelijk kunnen worden gemaakt

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin de afvoer van twee vrachten koek na mestscheiding van het bedrijf van eiseres door verweerder was geschrapt.

Uit een onderzoek naar het bedrijf Hamefo Nederland BV (Hamefo), is gebleken dat dit bedrijf Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen (VDM’s) voor transporten van dierlijke mest opmaakte en registreerde, maar deze transporten in werkelijkheid niet zou hebben uitgevoerd. Het betrof veelal vrachten koek na mestscheiding die zouden zijn vervoerd naar Mestverwerking Fryslȃn BV (MVF). De analyses van deze vrachten vertoonden bovendien vaak opmerkelijk hoge stikstof- en fosfaatgehaltes.

Het vermoeden is dat ten tijde van een werkelijk mesttransport extra VDM’s werden ingevuld. Op deze VDM’s werd dan geen kenteken van het vervoermiddel ingevuld. De chauffeurs zouden extra AGR/GPS-koffers bij zich hebben gehad om de fictieve vrachten uniek te maken. Daarnaast zouden de chauffeurs valse weegbonnen hebben opgemaakt bij MVF.
Naar aanleiding van bovenvermeld onderzoek heeft verweerder gecontroleerd of eiseres in 2013 de wet- en regelgeving van het mestbeleid heeft nageleefd. Specifiek werd gekeken naar twee VDM’s die door Hamefo van het bedrijf zijn afgevoerd.

Uit VDM1 blijkt dat Hamefo op 19 december 2013 om 06.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 47,68 ton heeft geladen en op 20 december 2013 om 13.00 uur bij MVF heeft gelost. Op VDM1 is het kenteken van de truck waarmee het transport is uitgevoerd niet vermeld. Op de weegbon die achterop het VDM is afgedrukt, blijkt dat de vracht op 20 december 2013 om 13.12 uur bij MVF is gewogen.

Uit VDM2 blijkt dat Hamefo op 20 december 2013 om 05.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 39,66 ton heeft geladen. Uit het VDM blijkt dat de vracht die dag om 14.00 uur bij MVF is gelost. Op VDM2 is het kenteken van de truck waarmee het transport is gedaan niet vermeld. Volgens de weegbon is de vracht om 13.57 uur bij MVF gewogen.

Uit het onderzoek naar deze twee transporten blijkt dat de VDM’s -volgens ARG/GPS-gegevens- zijn ingelezen op 20 december 2013 om 5:52 uur respectievelijk 5:47 uur. Volgens deze gegevens zouden de transporten toen ook geladen en bemonsterd zijn. De vrachten zouden bij MVF zijn gelost om 13.02 uur respectievelijk 13.11 uur.

Uit gegevens van Data2Track blijkt dat op 20 december 2013 één truck, met kenteken BT-JB-86 type walking floor, om 5.48 uur bij het bedrijf van eiseres is geweest. Volgens deze gegevens is deze truck om 5.54 uur weer vertrokken en om 12.44 uur bij MVF aangekomen. De truck is daar weer vertrokken om 13.13 uur. De geregistreerde laad en losmeldingen van VDM1 en VDM2 corresponderen daarmee met de Data2Track gegevens van deze truck.

Uit deze gegevens heeft verweerder afgeleid dat de VDM’s valselijk zijn opgemaakt en de mest niet is afgevoerd en de betreffende VDM’s niet meegenomen als afvoer van mest, maar beschouwd als zijnde aangewend op de eigen grond. Dit resulteerde in een boete van (in totaal) € 31.804,50.

Eiseres blijft erbij dat op 19 en 20 december 2013 containercombinaties op zijn bedrijf zijn geweest om koek na mestscheiding op te halen en [A.] de containers zelf met een shovel heeft gevuld. De vrachten zijn afgevoerd, de vervoerskosten betaald en de VDM’s en analyserapporten ontvangen. Er zijn monsters genomen die door het laboratorium geanalyseerd zijn. Eiseres stelt geen invloed te hebben gehad op de monsters en kan niet anders dan van de analyses uitgaan. Eiseres blijft erbij dat de vrachten als afvoer in de berekening, van de hoeveelheid mest die zij in 2013 op haar land heeft gebruikt, had moeten worden meegenomen.

Eiseres heeft geen truck met ‘walking floor’ op haar terrein gezien. Zij stelt dat de truck mogelijk ter plaatse is geweest om de chauffeur met de containercombinatie de weg te wijzen of mestmonsters op te pikken en geeft aan dat Hamefo met meer trucks reed dan enkel de trucks die in Data2Track geregistreerd stonden.

Eiseres stelt ook geen invloed te hebben gehad op de Data2Track-gegevens. Als vast komt te staan dat deze gegevens niet overeenkomen met de gegevens op de VDM’s, kan dat volgens eiseres nog niet leiden tot de conclusie, dat de mest helemaal niet is afgevoerd.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat de mest in containers is geladen en vervoerd, zoals eiseres heeft verklaard, omdat containers niet kunnen worden vervoerd met een vrachtwagen met ‘walking floor’ en de mest, gelet op de hoeveelheid, niet binnen zes minuten -tussen aankomst en vertrek- kan zijn geladen. Verweerder neemt aan dat de truck van Hamefo met kenteken BT-JB-86 alleen bij het bedrijf van eiseres is geweest om via het ARG/GPS-systeem een laadmelding te doen. Ook de gehaltes in de gestelde afvoer worden niet aannemelijk geacht. Verweerder acht dat echter niet direct van belang, omdat de afvoer sowieso niet aannemelijk is. Verweerder rekent het eiseres ook aan geen administratie over de mestscheiding kon worden overlegd en eiseres niet weet hoe de mest gescheiden is.

De rechtbank overweegt dat gelet op vaste rechtspraak verweerder mag aannemen dat eiseres de aangevoerde en geproduceerde mest in of op de bodem heeft gebracht, tenzij eiseres aannemelijk maakt dat zij dat niet heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 19 en 20 december 2013 twee vrachten koek na mestscheiding door Hamefo heeft laten afvoeren.

verzamel nota’s, werkbonnen, fotomateriaal, (extra) analyses, etc om de mestscheiding en de afvoer daarvan aannemelijk te maken.

Uit Data2Track-gegevens blijkt dat op 20 december 2013 één truck van Hamefo, de truck met kenteken BT-JB-86 en ‘walking floor’, in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest. De truck is daar aangekomen om 5.48 uur en daar weer vertrokken om 5.54 uur. De truck is bij MVF aangekomen om 12.44 uur en daar weer vertrokken om 13.13 uur.

Uit de gegevens van Data2Track blijkt ook dat de andere geregistreerde vrachtwagens van Hamefo die dag niet in de buurt van het bedrijf van eiseres zijn geweest. Ter zitting is gebleken dat uit die gegevens verder blijkt dat op 19 december 2013 geen geregistreerde truck van Hamefo in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest.

De omstandigheid dat eiseres geen invloed heeft op de Data2Track-gegevens, zoals zij heeft gesteld, betekent niet dat verweerder niet van deze gegevens heeft mogen uitgaan en mede op grond van andere gegevens heeft kunnen concluderen, dat de gestelde afvoer van dikke fractie niet aannemelijk is.

De truck met kenteken BT-JB-86 kan de vrachten waarbij de VDM1 en VDM2 horen niet hebben vervoerd. Volgens VDM1 is de vracht van 47,68 ton geladen op 19 december 2013. Volgens de Data2Track-gegevens was de truck toen niet in de buurt van het bedrijf van eiseres. Volgens VDM2 is de vracht van 39,66 ton geladen om 05.00 uur en dus vóórdat de truck er was.

Volgens VDM2 is de vracht om 14.00 uur bij MVF aangekomen en dus lang nádat de truck daar weer is vertrokken. De vracht met VDM1 is volgens het VDM bij MVF gelost om 13.00 uur en dus binnen de aankomst- en vertrektijd van de truck bij MVF, maar zoals al gezegd, is deze vracht, volgens het VDM, niet op 20 december 2013 geladen en blijkt niet dat de truck op 19 december 2013 al bij het bedrijf van eiseres was.

Daarbij zijn partijen het erover eens dat een truck met ‘walking floor’ niet in zes minuten kan zijn beladen met de vrachten dikke fractie en betwist eiseres zelf dat de vrachten met een truck met ‘walking floor’ zijn vervoerd.

Van het feit dat andere trucks, en wel containercombinaties, die [A.] zelf zou hebben beladen, zoals eiseres heeft verklaard, de vrachten hebben vervoerd, is in het geheel niet gebleken. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat Hamefo ook transporten verzorgde met niet in Data2Track geregistreerde vrachtwagens, maar noch aannemelijk gemaakt dat dat in december 2013 het geval was, noch aannemelijk gemaakt dat de voormelde vrachten door niet geregistreerde vrachtwagens zijn vervoerd. Daarbij heeft MVF verklaard dat Hamefo in december 2013 alleen met de vier in Data2Track geregistreerde vrachtwagens reed en ziet de rechtbank geen grond aan die verklaringen te twijfelen.

Dat eiseres VDM’s heeft die bij de transporten horen, de weegbonnen van de weging van de mest bij MVF en de analyserapporten van de analyses van de mestmonsters, maakt de transporten (toch) nog niet aannemelijk. Genoegzaam is gebleken dat van de VDM’s en weegbonnen niet kan worden uitgegaan. Uit VDM1 blijkt dat de vracht is geladen op 19 december 2013, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht met dat VDM-nummer geladen is op 20 december 2013. Van een laadmelding op 19 december 2013 is niet gebleken. Uit VDM2 volgt dat de vracht is geladen om 5.00 uur, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht is geladen om 5.47 uur. Deze vracht is volgens het VDM gelost om 14.00 uur, terwijl het AGR/GPS-systeem 13.11 uur geregistreerd heeft. Daarbij zijn beide vrachten -volgens de weegbonnen- bij MVF gewogen nádat zij daar volgens de ARG/GPS-gegevens zijn gelost. De vracht met VDM1 zou zelfs zijn gewogen nadat ze volgens de VDM zou zijn gelost.

Dat er mestmonsters zijn genomen en geanalyseerd zijn zegt op zich niks over het transport van de mest. Hetgeen eiseres daarover heeft aangevoerd, kan dan ook verder buiten de beoordeling blijven. Hetgeen eiseres in verband met de mestmonsters, de analyses van de monsters en de mestscheiding heeft aangevoerd, kan immers niet alsnog tot de conclusie leiden dat de mest daadwerkelijk is afgevoerd.

Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren, heeft verweerder er van mogen uitgaan dat eiseres deze mest heeft aangewend.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat eiseres geen enkel verwijt van deze overtredingen kan worden gemaakt en eiseres het slachtoffer is geworden van malafide praktijken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verweerder op voldoende wijze gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres er alles aan gedaan heeft deze overtredingen te voorkomen. Verweerder heeft eiseres dan ook bestuurlijke boetes kunnen opleggen.

Procedures die betrekking hebben op de afvoer van dikke fractie handelen vaak over een verschil van inzicht in hoe de gehalten in de afgevoerde vrachten koek na mestscheiding dienen te worden geïnterpreteerd. In deze situatie deed deze situatie zich ook voor (verweerder achtte de gehalten onaannemelijk hoog), maar dit wordt verder niet direct van belang geacht, omdat verweerder het feit dat er mest is gescheiden en de koek na mestscheiding is afgevoerd sowieso niet aannemelijk acht.

De vraag kan met recht worden gesteld of eiseres in deze situatie de dupe is geworden van al dan niet bewuste praktijken van derden of daadwerkelijk zelf laakbaar heeft gehandeld. Verweerder en de rechtbank gaan uit van dit laatste of stellen dat eiseres tenminste daarvoor verantwoordelijk is.

Deze uitspraak geeft dan ook aan dat, voordat een discussie kan worden gevoerd over de aannemelijkheid van de gehalten, eerst de aannemelijkheid van de mestscheiding zelf, het laden van de koek na mestscheiding en de afvoer van deze koek na mestscheiding van het bedrijf vast dient te staan en moet kunnen worden onderbouwd.

Het advies ‘leg meer vast dan misschien zou moeten’ blijft dan ook als de spreekwoordelijke paal boven water staan. Zo kunnen nota’s, werkbonnen, maar ook foto’s van de scheider, het laden van de koek na mestscheiding, de vrachtwagens op het bedrijf een bijdrage leveren om het vermoeden van verweerder te ontkrachten en duidelijk te maken dat de betreffende vrachten wel zijn afgevoerd van het bedrijf.

Lees hier de volledige uitspraak

Wie moet wat bewijzen ?

De verdeling van de bewijslast binnen de Meststoffenwet is soms lastig te bevatten. Of toch niet ? Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak waarbij men in de uitspraak een duidelijke uitleg van de bewijslast gaf in de context van de betreffende zaak.

Uit het strafrechtelijke onderzoek “Osagedoorn” bleek dat dierlijke meststoffen vermoedelijk fictief zijn afgeleverd op naam van diverse particulieren terwijl deze vrachten in waarschijnlijk zijn geleverd aan landbouwbedrijven. Een van die landbouwbedrijven is het bedrijf van appellant. Zowel in 2010 als in 2011 zijn vier vrachten dierlijke meststoffen geleverd op het adres van appellant waarbij op de van deze vrachten opgemaakte vervoersbewijzen niet de naam van appellant als afnemer staat vermeld maar een andere naam. Verweerder heeft deze vrachten gerekend als zijnde aanvoer voor het landbouwbedrijf van appellant en het bedrijf een boete opgelegd vanwege het overschrijden van de gebruiksnormen.

Appellant heeft gesteld dat de in geding zijnde vrachten mest niet aan hem zijn geleverd, maar dat [naam 2] deze mest heeft ontvangen. [naam 2] had in de bewuste jaren de betreffende mestput van appalant gehuurd. Appellant hoeft, zo stelt hij, om deze reden ook niet te bewijzen dat de mest niet op zijn land is uitgereden. Hij heeft de mest immers nooit ontvangen. Dit zou ook worden bevestigd door enkele getuigen, die hebben verklaard de betreffende mest te hebben uitgereden in een weiland in de buurt van appellant.

Een duidelijke uitleg door het CBb

Het College heeft overwogen dat de wetgever bij invoering van de gebruiksnormen is, uitgegaan van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van meststoffen, waaraan de agrariër die meststoffen gebruikt slechts kan ontkomen als aan de voorwaarden voor opheffing van het verbod is voldaan (naleven van de gebruiksnormen). De materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen ligt volgens dit systeem daarmee primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen.

Uit deze maatstaf volgt dat verweerder weliswaar moet aantonen dat de overtreding is begaan, maar dat de materiële bewijslast van de overtreding op de agrariër berust. Concreet betekent dit dat, indien verweerder de aanwezigheid van mest (door aanvoer of eigen productie) heeft aangetoond, wordt aangenomen dat deze mest in of op de grond van de betreffende agrariër is gebracht. Het is dan aan de agrariër om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht.

In de onderhavige situatie toont verweerder aan dat de mest is geleverd op de locatie van appellant. Vervolgens is het aan appellant om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht. Appellant wijst in dit kader op de omstandigheid dat hij de betreffende mestput had verhuurd aan [naam 2]. Daarbij wijst appellant op een huurovereenkomst en een betaling door [naam 2] aan hem. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de mest niet op zijn grond is uitgereden en dat er aanwijzingen zijn dat [naam 2] de in zijn opdracht in de mestput geloste mest weer heeft afgevoerd, dan wel heeft laten afvoeren.

Het College is van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mestopslag daadwerkelijk verhuurd is geweest aan [naam 2] . Appellant onderbouwt zijn stelling met een schriftelijke huurovereenkomst en een bankafschrift. Op die huurovereenkomst ontbreken evenwel gegevens met betrekking tot de huurperiode, de huurlocatie (er staat alleen ‘mestput’), de ondertekening door appellant en de datum van ondertekening. Op het bankafschrift staat dat appellant een bedrag heeft ontvangen voor ‘mestdistributie’. Hier blijkt geen verhuur van de mestput uit. Daarnaast onderbouwt appellant zijn stelling door te wijzen op verklaringen van derden. Het College merkt deze verklaringen echter aan als niet voldoende feitelijk en controleerbaar. Daarmee bewijzen deze verklaringen niet dat de in de mestput van appellant afgeleverde mest niet bij appellant is uitgereden.

Het College is van oordeel dat verweerder heeft aangetoond dat sprake is van de aanwezigheid van de mest en hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende aantoont dat de betreffende mest niet op of in zijn grond is gebracht.

lees hier de volledige uitspraak