Dubbele, dubbele beboeting…mag dat?

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin sprake was van dubbele, dubbele beboeting voor dezelfde overtreding. Kon dit zomaar?

Wat was de situatie? Eiseres BV houdt zich onder meer bezig met de opslag van mest. Eiser is bestuurder van eiseres BV. Zusteronderneming BV, waarvan eiser eveneens bestuurder is, houdt zich onder meer bezig met mesthandel-, vervoers- en transportactiviteiten.

De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) heeft  eiseres BV gecontroleerd op naleving van de Msw. Daarbij is gebleken dat (onder andere) op elf vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) door de leverancier (feitcode M305) gegevens zijn gewijzigd of onleesbaar zijn gemaakt. Hiervoor wordt per VDM een boete van € 300,- opgelegd. In het totaal dus  € 3.300,-.

Dit boetebedrag wordt echter afzonderlijk opgelegd aan zowel eiseres BV, als aan eiser als bestuurder van eiseres BV, de zusteronderneming  BV en nogmaals aan eiser als bestuurder van deze zusteronderneming BV.

In beroep is door eisers BV aangevoerd dat hiermee sprake is van het meermaals straffen voor eenzelfde overtreding. Dit is  (het ne bis in idem principe) en daarnaast dat het boetebedrag onevenredig hoog is nu het bedrag viermaal wordt opgelegd.

De rechtbank merkt in dit kader op dat de overtredingen met betrekking tot de elf VDM’s afzonderlijk zijn begaan door eiseres BV als leverancier (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van eiseres BV)  en de zusteronderneming BV (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van zusteronderneming BV) en voor deze overtredingen afzonderlijk beboet.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de rechtspersoon en de leidinggevende van deze rechtspersoon voor de door hen afzonderlijk verrichte activiteiten en voor hun eigen rol in deze overtredingen beboeten. Eiser en eiseres BV zijn in dit verband als leidinggevende respectievelijk de rechtspersoon immers zelfstandige dragers van rechten en plichten. Ditzelfde geldt voor eiser en de zusteronderneming BV.  De rechtbank concludeert daarmee dat geen sprake is van dubbele beboeting en verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het CBb van 7 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:413).

Over de beroepsgrond dat het totaal opgelegde boetebedrag niet evenredig is overweegt de rechtbank dat artikel 5:46, derde lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Nu in Bijlage M van de Uitvoeringsregeling per feitcode vermeld staat welke wettelijke bepalingen zijn overtreden en welke boetes hieraan gekoppeld zijn is hier sprake van wettelijk vastgelegde boetes. Het is in dit verband aan eisers om op basis van bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken dat de van toepassing zijnde boetes met feitcodes M166 en M305 (€ 300,00 per overtreding) in deze zaken te hoog zijn (artikel 5:46, derde lid, van de Awb).

Met hun betoog dat sprake is van (tweemaal) dubbele beboeting hebben eisers, zo vat de rechtbank het betoog van eisers in dit verband op, de verwevenheid tussen de bedrijven enerzijds en met eiser anderzijds als bijzondere omstandigheid aangevoerd. Verweerder heeft met die verwevenheid bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen boetes geen rekening gehouden.

De beboeting leidt er gelet op deze verwevenheid toe dat eiser (via zijn ondernemingen) viermaal in zijn vermogen wordt geraakt (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de CBb van 7 augustus 2018 en de uitspraak van de CBb van 25 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:14). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de financiële verwevenheid in dit geval tot matiging moet leiden omdat het onevenredig is om eiser voor deze overtredingen viermaal in zijn vermogen te treffen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser feitelijk 100% aandeelhouder is van beide bedrijven (eiseres BV en de zusteronderneming BV). Dit zijn kleinschalige bedrijven die ook wat betreft het personeelsverband sterk met elkaar zijn verweven: bij beide bedrijven werken dezelfde twee vaste medewerkers, namelijk eiser en één werknemer (aangevuld met uitzend-/seizoensarbeiders). De overtredingen zijn feitelijk begaan door deze twee personen. De totale boete die voor deze overtredingen is opgelegd, staat daarmee, aldus de rechtbank,  niet meer in verhouding tot de ernst van de feitelijke gedraging. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de boetes voor feitcode M305 te matigen met 20%.

Lees hier de volledige uitspraak:

Procesbelang gaat voor inhoudelijk belang

Een belangrijke regel in het bestuursrecht is dat er geen rechtsmiddelen open staan wanneer geen sprake is van voldoende procesbelang.  De achterliggende gedachte daarbij is dat degene die bezwaar of (hoger) beroep instelt, het daarmee beoogde resultaat (bijvoorbeeld het van tafel krijgen van een boete)  ook daadwerkelijk moet kunnen bereiken. Is dit niet het geval, dan heeft een inhoudelijke behandeling geen zin, zo stelt de wet. Dit betekent dat voordat een zaak inhoudelijk wordt behandeld, dient te worden getoetst of sprake is van voldoende procesbelang.

Dit geldt ook wanneer beide partijen (dus zowel appellant als verweerder) een inhoudelijke uitspraak voor staan, zoals blijkt uit een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed.

In deze procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld bij het College tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Nadat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, heeft het College verdere behandeling geschorst in afwachting van het advies van de raadsheer advocaat-generaal Wattel in een drietal vergelijkbare zaken, 15/382, 15/430 en 15/692. De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187). Naar aanleiding daarvan heeft het College op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de dire genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653, ECLI:NL:CBB:2018:654).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder heeft bij besluit van 12 februari 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen in de onderhavige procedure. De door appellante gemaakte bezwaren worden in die beslissing alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt herroepen. De door verweerder aan appellant opgelegde boete is daarmee komen te vervallen. Verder heeft verweerder de door appellant gemaakte proceskosten voor de bezwaarprocedure, de kosten van de beroepsprocedure en de procedure in hoger beroep alsmede het verschuldigde griffierecht aan appellant vergoed.

Bij brief van 13 maart 2019 heeft appellant aan het College kenbaar gemaakt het hoger beroep in te trekken, omdat de aan haar opgelegde boete is komen te vervallen en haar proceskosten zullen worden vergoed. Appellant heeft wel te kennen gegeven dat er nog wel een andere voor de rechtspraktijk relevante kwestie speelt, namelijk de vraag of met andere gehalten dan die bij analyse en bemonstering van afgevoerde mest zijn aangetroffen mag worden gerekend bij het opleggen van boetes op grond van de Meststoffenwet. Deze rechtsvraag speelt in tal van andere procedures. Ook verweerder onderkende dat en heeft het College verzocht om deze rechtsvraag te beantwoorden in een uitspraak.

Het College oordeelt echter dat geen sprake is van voldoende procesbelang en motiveert haar oordeel met verwijzing naar vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690), waarin wordt gesteld dat een belanghebbende alleen dan voldoende procesbelang heeft als het resultaat dat met het (hoger) beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor de belanghebbende feitelijk betekenis kan hebben.

Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang, aldus het College. Nu de aan appellante opgelegde boete is komen te vervallen vanwege het nieuw genomen besluit van 12 februari 2019 en daarbij tevens de proceskosten zijn vergoed alsmede het door appellante betaalde griffierecht heeft appellante derhalve geen procesbelang bij het door haar ingestelde hoger beroep.

Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Dus geen inhoudelijke uitspraak. Een dergelijke uitspraak zal moeten komen op het moment dat inhoudelijk vergelijkbare zaken in hoger beroep  zullen dienen voor het College.

Lees hier de volledige uitspraak.

Veranderingen mestbeleid in 2020

Een nieuw jaar, nieuwe regels: In 2020 veranderen de regels voor het gebruik van mest. De equivalente maatregelen voor extra fosfaat vervallen en sommige voorwaarden veranderen. Ook verandert de hoeveelheid mest die mag worden toegediend aan overige grond. Hieronder zijn een aantal van de belangrijkste veranderingen kort samengevat:

Lagere fosfaatgebruiksnorm

De fosfaatgebruiksnorm voor grond met de fosfaattoestand hoog gaat in 2020 omlaag. Op grasland mag in 2020 nog 75 kilogram fosfaat worden gebruikt en op bouwland is deze hoeveelheid 40 kilogram.

Extra klasse voor fosfaattoestand

Voor wie in 2020 gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie is het belangrijk dat er een extra klasse voor de fosfaattoestand is ingevoerd. Dat betekent dat er nu 5 klassen zijn: hoog, ruim, neutraal, laag en arm. Hoeveel fosfaat er op landbouwgrond van de verschillende klassen mag worden toegediend wordt vermeld in onderstaande tabellen. Wie gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie dient wel tijdig het perceel te (laten) bemonsteren en analyseren volgens het daartoe voorgeschreven bemonsteringsprotocol. Indien een perceel niet is bemonsterd geldt automatisch fosfaattoestand ‘hoog’.

Equivalente maatregelen extra fosfaat vervallen

Wie gebruik maakte van de zogenaamde  equivalente maatregelen mocht  extra stikstof of fosfaat gebruiken op een perceel. Vanaf 2020 komen deze maatregelen voor fosfaat te vervallen. De 2 equivalente maatregelen voor extra stikstof blijven bestaan. Aanmelden kan vanaf 1 maart. Meer hierover leest u op pagina ‘equivalente maatregelen‘ op de site van RVO

Meer fosfaat bij fosfaattoestand hoog

Er is een nieuwe uitzondering waarmee het wordt toegestaan om meer fosfaat te gebruiken op een perceel. Als de fosfaattoestand van een perceel hoog is, mag 5 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend Dit kan alleen wanneer er mest wordt gebruikt die zorgt voor meer organische stof in de bodem. Aan die voorwaarde kan wordt voldaan wanneer tenminste  20 kilogram fosfaat per hectare van één van de onderstaande mestsoorten wordt gebruikt:

  • strorijke vaste mest van rundvee
  • strorijke vaste mest van schapen
  • strorijke vaste mest van geiten
  • strorijke vaste mest van paarden
  • dikke fractie van mest van rundvee
  • champost
  • gft-compost
  • groencompost

Op een biologisch bedrijf mag 10 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend. Naast de mestsoorten hierboven mag ook strorijke vaste mest van varkens worden gebruikt. Het perceel dient dan zo dicht mogelijk voor het inzaaien of poten van de gewassen te worden bemest.

Uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar dient te worden aangegeven op welk percelen in dat kalenderjaar extra fosfaat is gebruikt. RVO heeft aangegeven binnenkort bekend te maken op welke wijze dit kan worden doorgegeven.

Berekening melkveefosfaatoverschot langer bewaren

Als u uw melkveefosfaatoverschot 2014 (MFO 2014) berekent, gebruikt u de gegevens van 2014. Voor de grondgebonden en verantwoorde groei melkveehouderij blijft het MFO 2014 ook na 2019 belangrijk. Daarom is de periode voor het bewaren van de administratie en bewijsstukken van de berekening verlengd. Deze bewaart u 5 kalenderjaren, nadat u bent gestopt met uw bedrijf. Als u in december 2019 gestopt bent met het bedrijf, bewaart u de administratie over het jaar 2014 tot en met 31 december 2024.

Hoeveelheid mest op ‘overige grond’

Vanaf 1 januari 2020 is er een verschil tussen de toegestane hoeveelheid fosfaat op grasland en bouwland op overige grond. Op grasland op overige grond (paardenweitjes en dergelijke in gebruik bij particulieren) mag 90 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare uitrijden. Op bouwland is dit 60 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare.

De oude norm van 80 kilogram per hectare was voor grasland laag en voor bouwland te hoog. Door de aanpassing is de gebruiksnorm voor beide grondsoorten meer passend. De normen sluiten aan bij de fosfaatgebruiksnormen voor landbouwgrond met de fosfaattoestand neutraal. De norm voor stikstof blijft gelijk.

De normen gelden alleen voor mest op overige grond. Grasland op overige grond is bijvoorbeeld grond met hobbydieren. Bij bouwland kunt u denken aan volkstuinen. De hoeveelheden gelden voor dierlijke mest, compost, overige organische mest en herwonnen fosfaat.

Natuurgrond met pacht- of huurcontract

Voor natuurgrond staat soms in een pacht- of huurcontract (gebruiksovereenkomst) hoeveel mest er maximaal mag worden gebruikt. Vanaf dit jaar dient dit te worden beschreven in kilogrammen stikstof of fosfaat. Dit is alleen vereist in overeenkomsten die na 1 januari 2020 worden afgesloten. Voor overeenkomsten die voor deze datum zijn afgesloten  hoeft u dit alleen wanneer u deze overeenkomst verandert of verlengt.

Over het verbod van reformatio in peius

Het verbod van reformatio in peius is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kortweg houdt het verbod in dat het instellen van bezwaar er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de procedure gebruikt om een verslechtering van de positie van appellant te bereiken die zonder deze procedure niet mogelijk zou zijn. Het betekent dus bijvoorbeeld dat wie bezwaar maakt tegen een bestuurlijke boete niet naar aanleiding van hetgeen blijkt uit deze procedure een hogere boete krijgt opgelegd. Op het verbod is echter ook een uitzondering: wanneer een bestuursorgaan dat over het bezwaar oordeelt tevens bevoegd is tot het wijziging of intrekken van een beschikking is het verbod niet van toepassing.

Hierdoor kan in dergelijke situaties het instellen van bezwaar of beroep toch resulteren in een slechtere positie. Zoals blijkt uit een zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak deed.

Appellante exploiteert een melkveehouderij. In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 19.103 kg. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Als bezwaar is aangevoerd dat verweerder ten onrechte twee melkkoeien, die wel in de rundveestaat waren opgenomen, niet in de berekening heeft betrokken. Voorts stelt appellante in het bezwaar dat verweerder ten onrechte zes nog andere bij appellante op de peildatum aanwezige koeien als zoogkoe (categorie 120 van bijlage D) heeft aangemerkt en niet als melkkoe.

In de beslissing op het bezwaar heeft verweerder erkend ten onrechte de twee melkkoeien niet in de berekening te hebben betrokken. Het bezwaar aangaande de zes dieren geregistreerd onder categorie 120 wordt niet toegekend. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante daarop vastgesteld op 19.473 kg. Appellante heeft daarop beroep ingesteld.

Hangende het beroep heeft verweerder echter een nieuw besluit op bezwaar genomen. Verweerder is alsnog volledig tegemoet gekomen aan hetgeen door appellante in bezwaar is gesteld. Hij heeft in het vervangingsbesluit op basis van de door appellante in bezwaar overgelegde stukken ook de zes koeien die in de eerdere besluitvorming als zoogkoe zijn aangemerkt als melkkoe aangemerkt.

De toekenning van fosfaatrechten aan deze zes koeien heeft echter ook invloed op de gemiddelde melkproductie per melkkoe die daardoor lager uitkomt. Als gevolg daarvan valt het excretieforfait per dier in een lagere klasse en komt het toe te kennen fosfaatrecht uit op een lager aantal ten opzichte van de eerdere beslissing, namelijk op 19.374 kg. Appellante is daarmee – door het instellen van beroep – slechter af en betoogt dat dit in strijd is met het verbod op reformatio in peius.

Het College oordeelt echter  in deze situatie dat de verlaging van het fosfaatrecht van appellante in rechtens aanvaardbaar is. Het betreft een beschikking en zolang het besluit nog niet onherroepelijk is, mocht appellante er niet op vertrouwen dat het haar toegekende fosfaatrecht niet zou worden verlaagd op het moment dat verweerder hetgeen in bezwaar was ingediend opnieuw zou beoordelen. Dat verweerder in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan in bezwaar doet daar, volgens het College, niet aan af.

Deze uitspraak laat zien dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet in alle gevallen volledig risicoloos is en in sommige situaties toch ten nadele van appellante kan worden gewijzigd. Desondanks biedt het verbod, vooral bij bestuurlijke boetes een garantie die de vrees voor een verslechtering in de situatie vanwege de procedure weg neemt.

Lees hier de volledige uitspraak

Een big van ‘circa 25 kilogram’

In Bijlage D, tabel III van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en Tabel 4 (“Diergebonden normen”) van de tabellenbrochure Mestbeleid, worden de verschillende diersoorten en –categorieën die onder de Meststoffenwet vallen gedefinieerd en omschreven. Zo zijn voor de diersoort varkens onder andere de diercategorieën fokzeugen, biggen en vleesvarkens gedefinieerd. Dit met de volgende omschrijvingen:

  • Fokzeugen inclusief biggen tot een gewicht van 25 kg (categorie 401):  “tenminste éénmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen of guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, waarvan de biggen worden gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg.
  • Biggen (categorie 407): “gespeende biggen die op ca. 6 weken zijn aangeleverd en worden afgeleverd op ca. 25 kg; ook op 6 weken aangeleverde biggen die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij, tot exact 25 kg”, en
  • Vleesvarkens (categorie 411) “varkens die worden gehouden voor de slacht vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot ca. 110 kg. Ook biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf exact 25 kg.”

In de omschrijving  voor de diercategorieën ‘biggen’ en ‘vleesvarkens’ is aansluiting gezocht bij de praktijk, waarin, biggen, die niet op het vermeerderingsbedrijf worden gemest, maar worden geleverd aan een mesterij. Deze dieren gaat over op een leeftijd van ongeveer 10 weken en wegen dan in de regel ongeveer 25 kg. Soms iets minder dan 25 kg maar soms ook zwaarder dan 25 kg: circa 25 kg dus. De omschrijving circa is dan ook opgenomen in de tabellen om tegemoet te komen aan de variatie die zich in de praktijk bij dit soort bedrijven voor kan doen.

Tussen big en vleesvarken bestaat wel een verschil  met betrekking tot het aantal benodigde varkensrechten op een bedrijf is er wel een verschil tussen big of vleesvarken: Een big tot circa 25 kg telt niet mee binnen de systematiek van de varkensrechten (ze vallen onder de noemer: fokzeug plus biggen), voor een vleesvarken is dit wel het geval en dient per gemiddeld gehouden vleesvarken één varkensrecht beschikbaar te zijn. Daarmee wordt de vraag relevant: wat wordt exact bedoeld met de omschrijving ‘circa 25 kg lichaamsgewicht’.

Het standpunt van de NVWA in deze is dat om tegemoet te komen aan de variatie die binnen een vermeerderingsbedrijf op kan treden  de biggen die bij het afleveren een gewicht hebben van tussen de 25 en 30 kg niet onder een andere diercategorie (categorie 411: vleesvarken) geregistreerd hoeven te worden. Biggen die bij afvoer van het bedrijf echter 30 kg of zwaarder wegen dienen als vleesvarken (categorie 411) te worden geregistreerd vanaf het gewicht van 25 kg.

Dit betekent dat wanneer koppel van 500 biggen word afgeleverd met een gewicht van gemiddeld 31,5 kilogram per dier, dit koppel vanaf het gewicht van 25 kg geregistreerd had moeten worden als vleesvarken. Uitgaande van een groei van 500 gram per dier per dag betekent dit een periode van 13 dagen vóór het aflevermoment. Dit betekent dit dat voor 500 dieren en 13 dagen extra varkensrechten nodig zijn. Dit betekent voor dit boorbeeld dat 17,8 varkensrecht nodig zou zijn geweest om deze dieren te houden. Dit is alleen voor het houden van dit koppel biggen. Als het vaker voorkomt dat een zwaardere koppel wordt geleverd of wanneer structureel zware biggen worden geleverd loopt dit aantal benodigde rechten snel op.

In dat kader is vervolgens van belang dat de NVWA een tolerantiegrens aanhoudt tussen het aantal geregistreerde varkensrechten en het aantal geconstateerd benodigde varkensrechten van 1%. Zeker voor bedrijven die structureel zwaar afleveren iets om nadrukkelijk rekening mee te houden.

 

Grasland scheuren of vernietigen

Het scheuren, doodspuiten of vernietigen van grasland is aan regels gebonden. Die regels gelden voor percelen die worden gebruikt voor voerproductie of beweiding en voor ten minste met 50% met gras beteeld zijn (of waren). De regels gelden dus niet voor grasland dat wordt gebruikt voor graszaad, graszoden, siergrassen of groene braak.

De afgelopen periode hebben veel percelen grasland  ernstig geleden onder de droogte. Zo ernstig wellicht dat wordt overwogen het grasland opnieuw in te zaaien. Let daarbij wel op de regels want dit mag niet altijd en niet zomaar. Hieronder een korte samenvatting van de verschillende regels:

 

Klei en veengrond

Gras op klei- veengrond mag in verschillende perioden worden gescheurd of vernietigd. Grofweg mag u in de periode 1 februari t/m 15 september grasland vernietigen op klei- en veengrond. In de periode 16 september t/m 30 november mag grasland op klei- en veengrond worden vernietigd als  direct daarna tulpen, krokussen, irissen of blauwe druifjes (muscari) wordt geplant en in de periode 1 november t/m 31 december mag op kleigrond grasland op kleigrond worden vernietigd als het eerstvolgende gewas geen gras is. Gras op veengrond mag in deze periode niet worden vernietigd. Let wel op het nemen van een scheurmonster wanneer u een stikstofbehoeftig gewas inzaait dat u wilt bemesten.

 

Zand- en lossgrond

Gras op zand- en lössgrond mag in de periode van 1 februari tot en met 10 mei worden vernietigd wanneer direct daarna een stikstofbehoeftig gewas wordt geteeld. In de periode 1 februari tot en met 31 mei mag grasland worden vernietigd wanneer direct daarna gras teelt wordt geteeld.

In de periode  1 juni t/m 15 juli mag grasland worden vernietigd als een  aangewezen aaltjesbeheersend gewas in op het perceel wordt gezaaid. Het gaat om deze gewassen: Japanse haver, Tagetes erecta en Tagetes patula. Het inzaaien van deze gewassen dient direct na het vernietigen plaats te vinden, maar uiterlijk op 16 juli. Het gewas voor de aaltjesbeheersing dient dan uiterlijk in het volgende voorjaar in te worden gezaaid. U mag dit gewas niet vernietigen in de periode tussen het moment van inzaaien en 23 oktober van hetzelfde jaar. Laat ook het gewas tenminste 100 dagen op uw land staan, zodat het effectief is tegen aaltjes. Japanse haver mag wel worden gemaaid maaien om zaadvorming te voorkomen.

Heeft u een derogatiebedrijf? Dan mag u ook in de periode 1 juni tot en met 31 augustus grasland worden gescheurd voor graslandvernieuwing. U moet dit wel van tevoren bij RVO aanmelden. Dit kan tot en met 31 augustus. Er is geen stikstofbemonsteringsplicht na het scheuren vervalt hierdoor voor deze percelen. Wel dient rekening te worden gehouden met een korting van 50 kilogram stikstof per hectare op uw stikstofgebruiksnorm.

In de periode 16 september t/m 30 november mag het grasland worden vernietigen als direct daarna tulpen, krokussen, irissen of blauwe druifjes (muscari) worden geplant.

 

Schade door droogte

Als u grasland wordt vernietigt in een periode dat dit niet is toegestaan, dan is sprake van een overtreding. Wanneer dit wordt geconstateerd volgt een boete en een randvoorwaardenkorting.

Door de droogte van deze zomer heeft het grasland in een aantal gevallen flinke schade opgelopen. Voor wie schade heeft die is veroorzaakt door de droogte en het perceel wil herstellen door het opnieuw in te zaaien is het daarom belangrijk de juiste procedure te volgen.

Als uw perceel op zand- of lössgrond ligt, kunt u een vrijstelling voor schadeherstel aan RVO doorgeven.  Dan kunt u tot en met 31 augustus vrijstelling aanvragen voor het vernietigen van uw perceel of een perceelgedeelte grasland. U dient wel te voldoen aan de volgende voorwaarden.

  • De beschadiging van uw grasland is veroorzaakt door droogte of vraat door dieren die in uw graszode leven.
  • Uw verwachte grasopbrengst zonder herinzaai is ten minste 25% lager dan in een jaar zonder vraat of droogte.
  • De totale oppervlakte beschadigd grasland is ten minste 5% van de oppervlakte grasland die op uw bedrijf in gebruik is.
  • Een geregistreerd schade-expert bevestigt in een rapport dat u aan bovengenoemde voorwaarden voldoet. Het rapport is gereed voordat u zich aanmeldt. U bewaart dit rapport op uw bedrijf.
  • De herinzaai van uw gescheurde graszode gebeurt binnen 7 werkdagen nadat u deze heeft vernietigd. U kunt tot en met 15 september gras herinzaaien.
  • Bovenstaande geldt voor niet-derogatiebedrijven op zand- en lössgrond. Maakt u wel gebruik van derogatie en ligt uw bedrijf of zand- of lössgrond, dan hoeft u niet aan bovenstaande voorwaarden voldoen, maar dient u het vernietigen van de graszode wel aan RVO door te geven voordat u de graszode vernietigd. U maakt daarbij gebruik van hetzelfde formulier als bij het vragen van vrijstelling.

 

Formulier

Het formulier voor zowel het melden voor derogatiebedrijven als voor de vrijstelling voor schadeherstel kunt u hier vinden.

 

Voor wie zijn de fosfaatrechten bij opfok en inscharen?

Enige tijd geleden hebben we op mestboete.nl al enige aandacht besteed aan de problematiek van de toekenning van fosfaatrechten bij uitscharen en opfokken van jongvee. Melkveehouders schaarden een deel van het jaar een deel van hun (jong)vee uit bij een opfokker of een grondeigenaar om de dieren te weiden.  De fosfaatrechten werden toegekend aan de opfokker of de inschaarder . De eigenaar van de dieren of de uitschaarder stelt nu dat (een deel van) die rechten aan hem toebehoren. De inschaarder of opfokker kan zich niet vinden in die claim van de eigenaar of opfokker. In dergelijke situaties is in een aantal gevallen sprake van enig getouwtrek over en weer omtrent de vraag aan wie de fosfaatrechten toe behoren. Hoe zit het nu?

Bij de toekenning van de fosfaatrechten zijn de rechten toegekend aan het bedrijf dat op 2 juli 2015 aangemerkt werd als de houder van de dieren.  Het begrip ‘houden van dieren’, gaat, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten,  uit van het feitelijke houderschap. Het is daarbij van ondergeschikt belang of en dat de houder ook de eigenaar van de dieren is. Het gaat er dus,  voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten, niet om wie de eigenaar was van de dieren op de peildatum van 2 juli 2015, maar om wie de feitelijke houder van de dieren was. Dat wil zeggen degene die feitelijk de dieren in zijn stal had onderbracht, de dieren op zijn land weide of de verzorging op zich nam.

Dat rechten zijn toegewezen aan een partij wil nog niet per definitie zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij….

Maar dat de rechten zijn toegekend aan één partij wil nog niet zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij. In de gevallen dat dit wringt komen in de meeste gevallen partijen onderling wel tot een vergelijk, door bijvoorbeeld  een 50/50 verdeling toe te passen of de toebedeelde fosfaatrechten naar rato van de lengte van de uitschaarperiode te verdelen tussen uit- en inschaarder.  Een dergelijke verdeling (naar rato van de inschaarperiode) is niet mogelijk bij de opfokkers van jongvee, waar jongvee van een melkveehouder 12 maanden per jaar  is ondergebracht bij de opfokker.  In een aantal gevallen maakt de eigenaar van de dieren ook dan aanspraak op de rechten die aan de opfokker zijn toegewezen.

De vraag is hoe de rechtbank zal oordelen inzake dergelijke claims van de eigenaar van de dieren of de uitschaarder. In een aantal kort gedingen kwam de voorzieningenrechter tot op het eerste oog geheel verschillende uitspraken. Toch kunnen in deze zaken al wel een aantal (on)mogelijkheden worden gezien.

In een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland oordeelde de voorzieningenrechter dat de rechten naar rato moesten worden verdeeld van de periode waarover partijen de dieren hielden in een kalenderjaar. Daarrbij achtte de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat de inschaarder had meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee het uitscharende bedrijf het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van inschaarder heeft verhoogd. Tenslotte overwoog de rechtbank dat de inschaarder er geen in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden. De inschaarder heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering.

De Rechtbank Noord Nederland oordeelde in een andere casus  dat de opfokker medewerking moest verlenen aan het overdragen van de hem toegekende rechten aan de melkveehouder. De Rechtbank vond de grond hiervoor in een specifieke voorwaarden uit de ‘overeenkomst van opfok‘ die stelt dat indien ‘er tussentijds veranderingen komen vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen in geval van ruiming (mkz of andere ziekten) dan zijn deze voor de eigenaar van de dieren.’ De conclusie van de Rechtbank is dat uit hetgeen partijen in hun onderlinge verhouding zijn overeengekomen, volgt dat de opfokker verplicht is om mee te werken aan de overgang van de fosfaatrechten naar de eigenaar van de dieren, voor zover die fosfaatrechten zijn verkregen uit hoofde van het stallen van jongvee van de eigenaren van die dieren.

In een derde uitspraak  oordeelde de voorzieningenrechter juist weer in het voordeel van de inschaarder. De rechtbank overwoog daarbij dat met het afstaan van de fosfaatrechten de inschaarder zou worden benadeeld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat slechts sprake was van een eenmalige inscharing tussen partijen en geen structurele relatie. Daarnaast oordeelt de voorzieningenrechter dat de uitschaarder door de gang van zaken niet belemmerd wordt zijn bedrijfsuitvoering en de regeling er niet voor bedoeld is om agrariërs anderszins een geldelijk voordeel te verschaffen. Dat de inschaarder toevallig een voordeel heeft verkregen is het gevolg van een bewuste keuze van de wetgever en kan de inschaarder niet worden aangerekend aldus de voorzieningenrechter.

Uiteraard moeten de uitspraken in bodemprocedure meer duidelijkheid geven over de uiteindelijke toekenning van de rechten, maar wat de uitspraken tot nu toe laten zien is dat elke zaak specifiek is en zowel in zijn algemene context als in detail dient te worden beoordeeld. Een aantal aspecten die daarbij van belang kunnen wel uit de uitspraken worden afgeleid. Duidelijk is dat onder andere de afspraken die tussen partijen zijn vastgelegd in de overeenkomst van opfok van belang zijn. Ditzelfde geldt ook voor de lengte van de periode van uitscharen en de lengte van de periode van samenwerking tussen partijen (structureel of eenmalig). Een ander aspect is in hoeverre partijen al dan niet worden benadeeld in relatie tot hun toekomstige bedrijfsvoering en hoe partijen zich hebben gedragen in het kader van het fosfaatreductieplan.

 

Fosfaatrechten van ingeschaarde dieren

Fosfaatrechten worden toegekend op basis van het aantal stuks melkvee dat op 2 juli 2015 op een bedrijf werd gehouden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het houderschap en niet de eigendomssituatie met betrekking tot dat melkvee doorslaggevend is. In het geval van in- en uitscharen van dieren worden de fosfaatrechten  daarmee toegekend aan de inschaarder. Vervolgens biedt de wet de mogelijkheid om indien een landbouwer voor 1 april 2018, had gemeld en aangetoond dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, het fosfaatrecht kon worden herverdeeld. Hierbij wordt het fosfaatrecht van de uitschaarder  verhoogd en het fosfaatrecht van de inschaarder, met diens instemming, verlaagd.  Maar wat wanneer de inschaarder zijn medewerking daar niet aan wenst te verlenen? In een dergelijke zaak deed de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland onlangs uitspraak.

[A] exploiteert een melkveehouderij, [C] exploiteert een veehouderij en veehandel. In 2015, 2016 en 2017 heeft [A] steeds in de periode 15 mei tot 15 oktober jongvee uitgeschaard bij [C]. De dieren stonden derhalve gedurende de periode 15 mei tot 15 oktober in het I&R systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) geregistreerd op het uniek bedrijfsnummer (UBN) van [C]. In de perioden voor en na het uitscharen verbleven de pinken op het bedrijf van [A] zelf. Het aantal pinken dat op voormelde wijze door [A] was uitgeschaard en door [C] was ingeschaard bedroeg in 2015 38 stuks. [A] heeft [C] gevraagd mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’ als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet. [C] heeft deze medewerking geweigerd.

Aan wie horen de fosfaatrechten van ingeschaarde dieren toe? Misschien toch niet zo duidelijk als het wel lijkt.

[A] vorderde in deze zaak vervolgens [C] bij vonnis te gelasten alsnog deze medewerking te verlenen. [A] heeft, zo stelt hij, een groot belang bij de fosfaatrechten omdat hij als actief melkveehouder in staat moet zijn om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen. Hij heeft de fosfaatrechten nodig om het melkvee dat hij in 2015 had ook thans nog te kunnen houden op zijn melkveebedrijf. Hij was eigenaar van deze dieren en in 2015 was hij gedurende zeven maanden ook houder hiervan.

[C] weigert zijn instemming te verlenen, met als gevolg dat, aldus [A], [C] ongerechtvaardigd wordt verrijkt en [C] hierdoor jegens [A] in strijd handelt met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. De weigering strookt, volgens [A] ook niet met de afspraken en de eerdere handelwijze van partijen. Partijen hebben nimmer beoogd of afgesproken dat eventuele quoteringen of mestrechten verband houdende met de inscharingen aan [C] zouden toekomen. In 2017 gold de Regeling fosfaatreductieplan 2017. [C] heeft toen meegewerkt aan het indienen van de formulieren ‘Uitschaarverklaring melk en niet melk producerende bedrijven voor fosfaatreductieplan 2017’ zonder hiervoor een vergoeding te vragen. Deze regeling was een opmaat voor de gewijzigde Msw, aldus [A].

[C] voert aan dat op basis van het wettelijk systeem de fosfaatrechten op zijn bedrijf zijn geregistreerd. [C] meent dat hij op goede gronden zijn instemming mag weigeren omdat hij recht en belang heeft bij behoud van de op zijn bedrijf gestelde fosfaatrechten. Hij exploiteert een veehouderij en houdt naast vleesvee ook melkvee. Omdat [C] voor het houden en inscharen van melkvee vanaf 1 januari 2018 fosfaatrechten nodig heeft, wenst [C] geen afstand van de hem toegekende rechten te doen. Met [A] zijn daar ook geen afspraken over gemaakt. De vergelijking met instemming met het fosfaatreductieplan 2017 gaat volgens [C] niet op en van onrechtmatig handelen is volgens [C] geen sprake.

De rechtbank overweegt dat artikel 23 lid 5 Msw de landbouwer die melkvee had uitgeschaard een mogelijkheid geeft om de ongewenste gevolgen van de fosfaatregeling te vermijden, maar anderzijds legt de wet het benutten van die mogelijkheid geheel in handen van partijen.

Voor de vraag of [C] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid zijn medewerking kon onthouden aan de mogelijkheid tot herverdeling van de toegekende fosfaatrechten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt: De fosfaatrechten zijn aan [C] toegekend omdat de 38 pinken van [A] op 2 juli 2015 bij hem waren ingeschaard. Die datum is echter een willekeurig gekozen peildatum, die door partijen niet te voorzien was. Doordat de pinken op dat moment op het bedrijfsnummer van [C] geregistreerd stonden, is het voordeel dat daaraan verbonden was, namelijk het toekennen van fosfaatrechten, aan [C] toegevallen. Zulks echter wel vanuit de daaraan ten grondslag liggende geachte dat deze runderen bij voortduring op zijn stal stonden dan wel door hem werden geweid. Vast staat echter dat partijen afspraken hebben gemaakt over het in- en uitscharen van de runderen voor de periode 1 mei 2015 tot 1 oktober 2015 en dat de runderen voor het overige bij [A] op stal stonden.

Dit in- en uitscharen gebeurde derhalve op basis van tussen partijen gemaakte afspraken, waarbij de runderen 5/12de gedeelte van het jaar bij [C] stonden en 7/12de gedeelte van het jaar bij [A] . Een redelijke toepassing van artikel 23 lid 5 Msw brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval met zich, ook in het licht van de algemene strekking van deze wet, dat de onderhavige fosfaatrechten – die [C] om niet heeft verkregen maar die inmiddels een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen – conform de partijafspraken over de perioden van houderschap, in beginsel in diezelfde verhouding tussen partijen dienen te worden verdeeld.

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken hebben gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat [C] heeft meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee [A] het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van [C] heeft verhoogd. Dat [C] er een in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden, heeft [C] niet duidelijk gemaakt. [C] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering. [C] schaart met name vee in en wel gedurende vijf maanden per jaar, waartoe de bijbehorende fosfaatrechten afdoende zouden moeten zijn. Onder de gegeven omstandigheden kan van [C] dan ook verlangd worden dat hij (opnieuw) zijn instemming verleend aan een gedeeltelijke verlaging van zijn fosfaatrechten en wel voor 7/12de deel van de 38 runderen. Dit komt overeen met (afgerond) 22 runderen. Nu [C] zijn instemming wenst te onthouden, wordt hij geacht onrechtmatig jegens [A] te handelen en zal hij worden veroordeeld zijn medewerking te verlenen als na te melden.

Of deze uitspraak ook stand zal houden in de bodemprocedure is de vraag. De uitspraak zal sowieso de nodige discussie tussen in- en uitscharende partijen uitlokken die niet zonder meer tot een vergelijk zijn gekomen. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige uitspraak

Wanneer is sprake van een bedrijf ?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) is van toepassing voor bedrijven. Maar wanneer sprake is van een bedrijf? Soms is dat in geschil, zoals in onderstaande zaak waarin de Rechtbank Limburg onlangs uitspraak deed.

Eiser en zijn echtgenote bezitten een kasteel met onder andere 2,5 hectare grasland en 2 hectare fruitboomgaard. Op het grasland en tussen de fruitbomen grazen twee pony’s. Het gras wordt gemaaid om de grond rondom het kasteel te onderhouden. Het gemaaide gras, wordt aan de pony’s gevoerd. De pony’s worden hobbymatig gehouden. Het fruit dat de fruitboomgaard oplevert wordt niet verhandeld.

Verweerder heeft geconstateerd dat eiser drie vrachten varkensdrijfmest heeft aangevoerd met daarin 771 kilogram stikstof en 432 kilogram fosfaat en stelt dat eiser zowel de gebruiksnorm dierlijke meststoffen als de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden.

Een relevante vraag: werd het gras geteeld voor het kasteel of voor de dieren?

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een landbouwbedrijf heeft, omdat sprake is van ‘enige vorm van landbouw‘. Volgens verweerder is het begrip ‘landbouw’ een ruim begrip waaronder elke agrarische activiteit, op welke schaal dan ook, moet worden verstaan.

Verweerder heeft toegelicht dat eiser grasland heeft waarop gras wordt geteeld dat aan zijn dieren wordt gevoerd. Daarbij heeft hij op zijn grasland mest aangewend en daarvoor betaald gekregen. Verweerder heeft opgemerkt dat het niet nodig is een gebouw te hebben om van een landbouwbedrijf te kunnen spreken. Er hoeft ook geen sprake te zijn van bedrijfsmatig handelen, omdat dat alleen vereist is in geval er sprake is van een veehouderij en daar gaat verweerder niet vanuit. Verweerder ziet steun voor zijn standpunt in de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:5951).

Eiser is het niet eens met de boete en betoogt dat verweerder hem geen boete heeft mogen opleggen omdat hij geen landbouwbedrijf heeft en de Msw daarom niet van toepassing is. In geschil is daarmee of in de situatie van eiser kan worden gesproken over een landbouwbedrijf.

In de Msw wordt als bedrijf aangemerkt, ‘een geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden’. De tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is de ‘in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is’. Tenslotte is grasland ‘landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer’.

Gelet op wat de Msw onder een bedrijf verstaat, acht de rechtbank het standpunt van verweerder onjuist. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die verweerder heeft aangegeven, geen grond geven te concluderen dat sprake is van een bedrijf in de zin van de Msw.

Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat het gras wordt geteeld om het als veevoer te gebruiken. De enkele omstandigheid dat eiser het gemaaide gras aan zijn twee pony’s voert, vindt de rechtbank onvoldoende grond voor die conclusie. Het grasland is gelegen rondom het kasteel. Het maaien ervan behoort tot het normale onderhoud van het grasland. Niet gebleken is dat het grasland er is en gemaaid wordt om het aan de pony’s te kunnen voeren. Het gemaaide gras wordt aan de pony’s gevoerd omdat het er, na onderhoud van het grasland, is. Verweerder heeft op grond van deze omstandigheden dan ook niet kunnen concluderen dat sprake is van grasland en daarmee landbouwgrond in de zin van de Msw. Van een productie-eenheid, zoals verweerder de grasteelt heeft omschreven, is dan ook evenmin sprake.

Tenslotte is de rechtbank is ook niet gebleken van enig bedrijfsmatig handelen. De rechtbank is het niet eens met verweerder, dat geen sprake hoeft te zijn van bedrijfsmatig handelen om een bedrijf als een landbouwbedrijf in de zin van de Msw aan te merken. Zoals hiervoor al aangegeven, behoort landbouwgrond, in de zin van de Msw, tot het bedrijf als de landbouwgrond in het kader van de normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is. De rechtbank leidt hieruit af, dat sprake moet zijn van de exploitatie van een bedrijf en dat de landbouwgrond daarvan deel moet uitmaken om onder het bereik van de Msw te vallen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank pas te spreken van landbouw, in de zin van de Msw, als sprake is van enig bedrijfsmatig handelen.

De rechtbank ziet in de uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin verweerder steun vindt voor zijn standpunt, geen reden voor een ander oordeel, reeds omdat de uitspraak op een andere situatie ziet als de onderhavige. Daarbij komt dat de uitspraak in hoger beroep is vernietigd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De rechtbank toetst daarmee voor het geschil of sprake is van een landbouwbedrijf in de zin van de meststoffenwet, de grond in landbouwkundig gebruik is en sprake is van enig bedrijfsmatig handelen. De rechtbank oordeelt dat in dit specifieke geval geen sprake is van een bedrijf en verweerder eiser geen bestuurlijke boete op had kunnen leggen op grond van de Msw.

Lees hier de volledige uitspraak

Opgeven van de voorraad dierlijke mest in de Aanvullende Gegevens Landbouwbedrijven

Een groot aantal bedrijven heeft onlangs weer het verzoek gekregen om voor 1 februari 2018 de zogenaamde aanvullende gegevens landbouwbedrijven 2017 (hierna: AGL2017) door te geven aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Een onderdeel van deze opgave is de voorraad dierlijke mest per 31 december 2017. Het belang van deze opgave mag niet worden onderschat. RVO stelt grote waarde te hechten aan de opgave van een ondernemer en daar zonder zeer concrete motivatie ook niet meer van af te wijken.

De basis voor de voorraadbepaling wordt gevonden in artikel 68, lid 3 van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna Urm) waarin wordt gesteld:  ’De op een bedrijf waar dierlijke meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde gewicht van de dierlijke meststoffen en het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen’.

De opdracht voor 31 december is daarmee duidelijk: bepaal zo nauwkeurig mogelijk het gewicht van de aanwezige mest en zo nauwkeurig mogelijk de gehalten in die mest. Nu is het bepalen van de mesthoeveelheid wellicht niet eens het allergrootste probleem. Die kan worden vastgesteld op basis van een puttenplan, waarbij per opslag wordt bepaald hoeveel mest er aanwezig is. Simpelweg: lengte X breedte X hoogte.

De gehalten van een mestcode of een mestopslag zijn echter minder eenvoudig te bepalen. De Urm stelt hier echter wel het een en ander over en de praktijk leert dat RVO daar aansluiting bij zoekt. De Urm stelt in artikel 94, 2e lid: het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen  wordt bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.

Bijvoorbeeld bij het scheiden van mest kunnen de gehalten van de voorraad afwijken de ‘best beschikbare gehalten’

Het begrip ‘best beschikbare gegevens’ wordt in de memorie van toelichting behorende bij dit artikel nader toegelicht: ‘De best beschikbare gegevens zouden verkregen worden door de gehele voorraad te bemonsteren en analyseren op dezelfde manier als bij aan- en afvoer van de mest zou plaatsvinden. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gebruik gemaakt worden van berekening van het gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalte aan de hand van de stikstof-, en fosfaatgehalten die eerder bepaald zijn aan de hand van bemonstering en analyse van de in het desbetreffende jaar van het bedrijf afgevoerde hoeveelheden dierlijke meststoffen. Als laatste zou, indien geen afvoer heeft plaatsgevonden, gebruik gemaakt kunnen worden van het bij de desbetreffende diersoort en diercategorie behorende forfaitaire stikstof-, onderscheidenlijk fosfaatgehalte.’

In de toelichting van RVO hieromtrent wordt het als volgt gesteld:  ‘Voor het bepalen van het fosfaatgehalte en het stikstofgehalte maakt u gebruik van de best beschikbare gegevens:

  • Analyseresultaten mestvoorraad. Heeft u de hele mestvoorraad (dierlijke mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan) bemonsterd en heeft u hier analyseresultaten van? Dan gebruikt u deze gegevens.
  • Analyseresultaten afgevoerde mest. Heeft u geen analyseresultaten van uw mestvoorraad, maar wel van de mest dat u in het afgelopen jaar van uw bedrijf heeft afgevoerd? Dan maakt u gebruik van de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten uit deze analyseresultaten. Het gaat hierbij om dierlijk mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan. Bij kunstmest staat het gehalte op de verpakking, op de begeleidende vrachtbrief of in de factuur.
  • Forfaitaire waarden. Heeft u geen analyseresultaten van de mestvoorraad en ook niet van de afgevoerde mest van het afgelopen jaar? Dan maakt kunt u gebruik maken van de forfaitaire gehalten.

Dit is eigenlijk een kopie van hetgeen in de Urm hierover staat gegeven. Het is echter niet het hele verhaal. In de memorie van toelichting Meststoffenwet TK 20114-1005, 29 930, nr 3. Paragraaf 3.6.2 onder d. (20 december 2004) wordt ook gesteld: …’wat betreft de samenstelling van de meststoffen zal in principe kunnen worden aangesloten bij de resultaten van de bemonstering en analyse die al plaatsvindt bij de aan- en afvoer van vrachten dierlijke en andere organische meststoffen, voor zover deze vrachten zijn te herleiden tot een specifieke opslag. Het is daarbij aan de agrariër om in specifieke situaties op basis van goed onderbouwde gegevens aannemelijk te maken dat en in hoeverre deze benaderingswijze niet voldoet voor de bepaling van het voorraadsaldo op zijn bedrijf.’ Er moet dus altijd op basis van de feitelijke omstandigheden worden beoordeeld of de gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest van de betreffende mestcode in het desbetreffende jaar, voldoet aan de definitie  ‘zo nauwkeurig mogelijke bepaling’ van de gehalten aan stikstof en fosfaat in de betreffende voorraad dierlijke mest. Er dient te worden uitgegaan van de gehalten in de afgevoerde mest, maar indien er redenen zijn waarom die niet zouden kwalificeren als ‘best beschikbare gehalten‘, is het een veehouder toegestaan om – op basis van bedrijfseigen gegevens – andere gehalten te gebruiken, mits dat kan worden onderbouwd dat die gehalten beter voldoen als ‘best beschikbare gehalten‘. Deze dienen dan wel voldoende onderbouwd, verifieerbaar en betrouwbaar te zijn om als bewijs te kunnen dienen.

Moraal van het verhaal: zoek bij de bepaling van de voorraad dierlijke mest in eerste instantie aansluiting bij de methode die volgt uit de Urm en wordt aangegeven door RVO. Concreet: is er mest van een mestcode afgevoerd in 2017: het gemiddelde gehalte van de afvoer in 2017. Is er geen mest afgevoerd: gebruik dan de forfaitaire gehalten. In sommige gevallen zal deze methode echter niet voldoen. Bijvoorbeeld wanneer de afgevoerde mest sterk afwijkt van de geproduceerde mest of de aanwezige mest. Wie dan opteert voor andere gehalten dan de gehalten die volgen uit de afgevoerde mest, doet er goed aan die gehalten zo goed en specifiek mogelijk te onderbouwen op basis van gemeten en/of berekende bedrijfseigen gegevens.