Veranderingen mestbeleid in 2020

Een nieuw jaar, nieuwe regels: In 2020 veranderen de regels voor het gebruik van mest. De equivalente maatregelen voor extra fosfaat vervallen en sommige voorwaarden veranderen. Ook verandert de hoeveelheid mest die mag worden toegediend aan overige grond. Hieronder zijn een aantal van de belangrijkste veranderingen kort samengevat:

Lagere fosfaatgebruiksnorm

De fosfaatgebruiksnorm voor grond met de fosfaattoestand hoog gaat in 2020 omlaag. Op grasland mag in 2020 nog 75 kilogram fosfaat worden gebruikt en op bouwland is deze hoeveelheid 40 kilogram.

Extra klasse voor fosfaattoestand

Voor wie in 2020 gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie is het belangrijk dat er een extra klasse voor de fosfaattoestand is ingevoerd. Dat betekent dat er nu 5 klassen zijn: hoog, ruim, neutraal, laag en arm. Hoeveel fosfaat er op landbouwgrond van de verschillende klassen mag worden toegediend wordt vermeld in onderstaande tabellen. Wie gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie dient wel tijdig het perceel te (laten) bemonsteren en analyseren volgens het daartoe voorgeschreven bemonsteringsprotocol. Indien een perceel niet is bemonsterd geldt automatisch fosfaattoestand ‘hoog’.

Equivalente maatregelen extra fosfaat vervallen

Wie gebruik maakte van de zogenaamde  equivalente maatregelen mocht  extra stikstof of fosfaat gebruiken op een perceel. Vanaf 2020 komen deze maatregelen voor fosfaat te vervallen. De 2 equivalente maatregelen voor extra stikstof blijven bestaan. Aanmelden kan vanaf 1 maart. Meer hierover leest u op pagina ‘equivalente maatregelen‘ op de site van RVO

Meer fosfaat bij fosfaattoestand hoog

Er is een nieuwe uitzondering waarmee het wordt toegestaan om meer fosfaat te gebruiken op een perceel. Als de fosfaattoestand van een perceel hoog is, mag 5 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend Dit kan alleen wanneer er mest wordt gebruikt die zorgt voor meer organische stof in de bodem. Aan die voorwaarde kan wordt voldaan wanneer tenminste  20 kilogram fosfaat per hectare van één van de onderstaande mestsoorten wordt gebruikt:

  • strorijke vaste mest van rundvee
  • strorijke vaste mest van schapen
  • strorijke vaste mest van geiten
  • strorijke vaste mest van paarden
  • dikke fractie van mest van rundvee
  • champost
  • gft-compost
  • groencompost

Op een biologisch bedrijf mag 10 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend. Naast de mestsoorten hierboven mag ook strorijke vaste mest van varkens worden gebruikt. Het perceel dient dan zo dicht mogelijk voor het inzaaien of poten van de gewassen te worden bemest.

Uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar dient te worden aangegeven op welk percelen in dat kalenderjaar extra fosfaat is gebruikt. RVO heeft aangegeven binnenkort bekend te maken op welke wijze dit kan worden doorgegeven.

Berekening melkveefosfaatoverschot langer bewaren

Als u uw melkveefosfaatoverschot 2014 (MFO 2014) berekent, gebruikt u de gegevens van 2014. Voor de grondgebonden en verantwoorde groei melkveehouderij blijft het MFO 2014 ook na 2019 belangrijk. Daarom is de periode voor het bewaren van de administratie en bewijsstukken van de berekening verlengd. Deze bewaart u 5 kalenderjaren, nadat u bent gestopt met uw bedrijf. Als u in december 2019 gestopt bent met het bedrijf, bewaart u de administratie over het jaar 2014 tot en met 31 december 2024.

Hoeveelheid mest op ‘overige grond’

Vanaf 1 januari 2020 is er een verschil tussen de toegestane hoeveelheid fosfaat op grasland en bouwland op overige grond. Op grasland op overige grond (paardenweitjes en dergelijke in gebruik bij particulieren) mag 90 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare uitrijden. Op bouwland is dit 60 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare.

De oude norm van 80 kilogram per hectare was voor grasland laag en voor bouwland te hoog. Door de aanpassing is de gebruiksnorm voor beide grondsoorten meer passend. De normen sluiten aan bij de fosfaatgebruiksnormen voor landbouwgrond met de fosfaattoestand neutraal. De norm voor stikstof blijft gelijk.

De normen gelden alleen voor mest op overige grond. Grasland op overige grond is bijvoorbeeld grond met hobbydieren. Bij bouwland kunt u denken aan volkstuinen. De hoeveelheden gelden voor dierlijke mest, compost, overige organische mest en herwonnen fosfaat.

Natuurgrond met pacht- of huurcontract

Voor natuurgrond staat soms in een pacht- of huurcontract (gebruiksovereenkomst) hoeveel mest er maximaal mag worden gebruikt. Vanaf dit jaar dient dit te worden beschreven in kilogrammen stikstof of fosfaat. Dit is alleen vereist in overeenkomsten die na 1 januari 2020 worden afgesloten. Voor overeenkomsten die voor deze datum zijn afgesloten  hoeft u dit alleen wanneer u deze overeenkomst verandert of verlengt.

Dijken: landbouwgrond of niet?

LET OP: Dit artikel dateert uit 2018. Sinds het kalenderjaar 2019 is de regelgeving gewijzigd. Onderstaande geldt uitsluitend voor het kalenderjaar 2018. Het gewas natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw (gewascode 336) kunt u niet meer opgeven in Mijn percelen en in de Gecombineerde opgave. Nu geeft u in de Gecombineerde opgave aan dat u percelen als natuurterrein in gebruik heeft volgens de mestwetgeving. Of u heeft een primaire waterkering zoals een dijk in gebruik en heeft hierover niet de beschikkingsmacht. Daarna geeft u per perceel aan voor welke percelen dit geldt. Voor de regels in 2019 wordt verwezen naar de pagina in deze link.

 

Begin april 2018 gaf RVO in haar nieuwsbrieven die zijn gericht op de Meststoffenwet en de Gecombineerde Opgave aan dat men primaire waterkeringen (dijken die het land beschermen tegen buitenwater uit de Noordzee, de Waddenzee, de grote rivieren en het IJssel- en Markermeer) vanaf dit jaar automatisch aan zou merken als ‘natuurlijk grasland’ (gewascode 336). Recentelijk heeft  RVO, na gesprekken met vertegenwoordigers van LTO en waterschappen echter aangegeven dat haar duidelijk is geworden dat deze lijn voor problemen zorgt en haar standpunt gewijzigd. Enerzijds omdat RVO haar insteek pas laat bekend heeft gemaakt. Anderzijds omdat er verschillende pachtcontracten en beheertypen zijn voor dergelijke waterkeringen.

klik op het plaatje voor een vergroting

Dit gewijzigde standpunt van RVO  betekent echter niet dat primaire waterkeringen daarmee ook automatisch als landbouwgrond worden aangemerkt. Integendeel, de zinsnede ‘niet standaard’ moet  worden gelezen als dat per situatie de regels van de Meststoffenwet zullen worden gelegd op de feitelijke omstandigheden ter plekke. In die zin wordt de beoordelingssystemantiek gevolgd die men ook voor andere percelen grasland hanteert en waarvan hiernaast het schema is gegeven.

Het is en blijft daarom  van belang dat een juiste beoordeling wordt gemaakt van de indeling van het grasland. De verschillen lijken klein, maar kunnen grote gevolgen hebben. Zo telt natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw onder code 331 mee voor  de gebruiksnormen en derogatie, maar telt natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw onder code 336 daar niet voor mee.  Wanneer een dijk (die door RVO standaard zou worden aangemerkt als code 336) onterecht wordt aangemerkt als landbouwgrond kan dit, wanneer dit later toch niet het geval blijkt te zijn, aanzienlijke gevolgen hebben.

Om dijken voor gebruiksnormen in aanmerking te laten moet sprake van zogenaamde feitelijke beschikkingsmacht. De interpretatie van het begrip ‘feitelijke beschikkingsmacht’ hangt af het geheel van de omstandigheden die betrekking hebben op het gebruik van een perceel. Wie beschikt over de feitelijke beschikkingsmacht is ‘In praktijk in staat is teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren’. Dit binnen de landbouwpraktijk van het bedrijf.

In een groot aantal overeenkomsten voor het gebruik van dijken is echter geen sprake van feitelijke beschikkingsmacht. Vaak zijn beperkende voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op het gebruik en het bemestingsplan beïnvloeden (er mogen maar een bepaald deel van het jaar dieren worden geweid, met een maximale veebezetting, er mag geen of een bepaalde hoeveelheid en soort mest op, er worden eisen gesteld aan het kunstmestgebruik, er worden eisen aan het maaibeheer gesteld). Daarnaast maakt een overeenkomst soms melding van zaken die door het waterschap zelf worden geregeld op de dijken. Het geheel van die voorwaarden kan tot de conclusie leiden dat  geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht.

Aan natuurlijk grasland met de hoofdfunctie natuur (gewascode 332) of de hoofdfunctie landbouw maar zonder feitelijke beschikkingsmacht (gewascode 336) worden geen gebruiksnormen toegekend. Wel mag er (wanneer de onderliggende overeenkomst dat toelaat) maximaal 170 kg stikstof of dierlijke mest en 70 kg fosfaat worden afgezet naar deze percelen, maar deze moet dan ook daadwerkelijk (via uitscharen dieren of afvoer dierlijke mest) naar de grond worden afgezet.

In het schema hiernaast staan de hoofdlijnen van de beoordeling gegeven. Wanneer sprake is van landbouwgrond (blijvend en tijdelijk grasland) of wanneer sprake is van natuurlijk grasland met hoofdfunctie landbouw, zonder beperking van het gebruik van meststoffen (gewascode 331), telt de grond voor de gebruiksnormen mee.

De beoordeling of wel of niet sprake is van landbouwgrond zal plaatsvinden op basis van de feitelijke omstandigheden en (vooral) op basis van hetgeen blijkt uit de onderliggende overeenkomst waarin de onderlinge afspraken en de afspraken met betrekking tot het gebruik van het perceel zijn vastgelegd. Het is dus van belang dat wanneer in de overeenkomst beperkingen zijn opgenomen die afwijken van het gebruik in de praktijk de overeenkomst daarop wordt aangepast.  Gelden er wel beperkingen of bent u niet zeker van of wel sprake is van het feit dat u de feitelijke beschikkingsmacht heeft, kies dan het zekere voor het onzekere en voer de mest af naar de percelen in gebruik, schaar de dieren die er grazen uit naar de percelen in gebruik en tel de percelen niet mee voor de 80% eis in het kader van derogatie.

Conclusie van bovenstaande is dat hoewel RVO  recentelijk heeft aangegeven primaire waterkeringen niet standaard aan te merken als ‘natuurlijk grasland’ dit zeker niet betekent dat primaire waterkeringen als landbouwgrond kunnen en zullen worden aangemerkt. Dit wordt bepaald op basis van het beoordelingskader van de Meststoffenwet. Daarin speelt de feitelijke beschikkingsmacht een bepalende rol vooral de beperkingen met betrekking tot de toegestane bemesting en beweiding. Dat was zo en dat blijft ook zo.

 

Hoe zat het ook weer met de uitrijperioden voor dierlijke mest?

Het is weer die tijd van het jaar dat de vraag relevant is hoe het ook al weer precies zat met de perioden waarin het is toegestaan om op welke grond dierlijke mest toe te dienen. Immers de uitrijdperioden voor dierlijke mest zijn afhankelijk van het type mest, de grondsoort en of er sprake is van grasland of bouwland.

Hieronder een kort overzicht van de uitrijdperioden voor gras- en bouwland. In het overzicht daaronder vindt u de uitrijdperioden voor dierlijke mest per maand.

Grasland

  • Het uitrijden van drijfmest mag vanaf 16 februari tot 1 september op alle grondsoorten.
  • Het uitrijden van vaste mest is toegestaan vanaf 1 februari tot 1 september op zand en lössgrond. Op klei- en veengrond mag u vanaf 1 februari tot 16 september vaste mest uitrijden.

Bouwland

  • Het uitrijden van drijfmest op bouwland (alle grondsoorten) is toegestaan van 1 februari tot 1 augustus.
  • Onder voorwaarden mag u drijfmest uitrijden tot 1 september. Dit is toegestaan als u uiterlijk 31 augustus van hetzelfde jaar op de desbetreffende grond:
    • een groenbemester* inzaait die minimaal 8 weken blijft staan voordat u deze vernietigt;
    • winterkoolzaad zaait voor zaadwinning in het volgende jaar of;
    • in het najaar bloembollen plant.
  • Uitrijden van vaste mest op bouwland (zand en lössgrond) mag van 1 februari tot 1 september. U mag het hele jaar door vaste mest gebruiken direct voor de aanplant van fruit- en plantsoenbomen op zand en lössgrond.
  • Op klei- en veengrond mag u het hele jaar vaste mest uitrijden.

bron: RVO.nl

 

Snel duidelijkheid over eventuele vrijstelling uitrijdperiode

Volgens het Besluit gebruik meststoffen (hierna: BGM) is het niet toegestaan na 31 augustus drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib aan te wenden. Op 17 augustus 2016 heeft Cumela Nederland een verzoek ingediend om de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib vanwege de bijzondere weersomstandigheden te verlengen tot 16 september, maar liever nog tot 1 oktober’.

Op basis van artikel 64 van de Wet bodembescherming kan vrijstelling worden verleend, nadat de Technische commissie bodem (hierna: TCB) is gehoord en voor zover het belang van de bescherming van de bodem zich niet tegen de vrijstelling verzet. Naar aanleiding van het verzoek van Cumela heeft de Staatssecretaris dan ook de TCB om advies gevraagd. De uitkomst van dit advies wordt op korte termijn verwacht waarna de Staatssecretaris zal besluiten of hij wel of niet over zal gaan tot het verlenen van vrijstelling. Hij heeft daarbij, gezien het belang van duidelijkheid voor betrokkenen, de toezegging gedaan dit zo snel mogelijk communiceren.

Het feitelijk verlenen van de eventuele vrijstelling gebeurt door het plaatsen van een regeling in de Staatscourant. Tot dat moment blijft onderstaand schema van kracht.

uitrijschema mest 2016

Overzicht van de verschillende uitrijperioden

 legenda:

  1. Toedienen is toegestaan
  2. Toedienen is verboden
  3. Toedienen is alleen toegestaan indien uiterlijk op 31 augustus winterkoolzaad of een groenbemester wordt gezaaid of indien in het najaar bloembollen worden geplant.
  4. Toedienen is alleen toegestaan bij boomteelt direct voorafgaand aan de aanplant van bomen.
  5. Toedienen is alleen toegestaan op bouwland dat gelijkmatig is beteeld met vollegrondgroente. Bij fruitteelt het gebruik van ureum toegestaan.
  6. Toedienen is alleen toegestaan op bouwland dat gelijkmatig is beteeld met vollegrondgroente, hyacinten of tulpen. Ook is bij fruitteelt het gebruik van ureum toegestaan.
  7. Toedienen is alleen toegestaan op bouwland, dat gelijkmatig is beteeld met vollegrondgroente, winterkoolzaad of graszaad (roodzwenk, rietzwenk of veldbeemd, ten behoeve van een tweede of latere zaadoogst in het daaropvolgende jaar) of bouwland met uitsluitend fruitteelt.

Herstelbemesting bouwland na extreme neerslag

Bij het vaststellen van het vierde actieprogramma nitraatrichtlijn is destijds een regeling opgenomen die het mogelijk maakt om een  herstelbemesting van gewassen op bouwland mogelijk maakt bij extreme regenval. Van deze regeling kan echter niet zonder meer gebruik worden gemaakt. Aan de regels zijn een aantal voorwaarden en regels verbonden waar aan moet worden voldaan. Zo moet worden voldaan aan de normen voor extreme regenval, moet sprake zijn van significante schade bij achterwege blijven van de herstelbemesting en moet men zich voor deze herstelbemesting aanmelden.

Daarbij geldt de vrijstellingsregeling alleen voor stikstof en mag deze herstelbemesting alleen worden uitgevoerd met kunstmest. In tegenstelling tot bij fosfaat kan extreme regenval voor stikstof resulteren in uitspoeling van stikstof. Dit kan weer leiden tot opbrengst- of kwaliteitsverlies. Om de gevolgen hiervan te beperken is de mogelijkheid tot het uitvoeren van een herstelbemesting

Voorwaarden

Voor wie een herstelbemesting op bouwland wil uitvoeren, gelden de volgende voorwaarden:

  • buienradar

    Onder extreme neerslag wordt verstaan meer dan 50 mm in een etmaal of 60 mm in 2 opeenvolgende etmalen.

    U mag een herstelbemesting uitvoeren als u schade leidt of dreigt te leiden uit opbrengstderving of kwaliteitsverlies door een hoeveelheid regen van meer dan 50 mm in een etmaal (tussen 8.00 uur en de daaropvolgende 24 uur) of 60 mm in 2 opeenvolgende etmalen (tussen 8.00 uur en de daaropvolgende 48 uur). Het KNMI bevestigt de neerslaghoeveelheid.

  • De verwachte financiële opbrengst van het gewasperceel is zonder extra bemesting minimaal 25% lager.
  • U heeft door een geregistreerd schade-expert de neerslag en opbrengstderving in een rapport laten bevestigen. In het rapport is ook de ligging en oppervlakte van het gewasperceel vastgelegd. U bewaart dit rapport in uw administratie. Een geregistreerd schade-expert is een expert die staat geregistreerd bij de Stichting Nederlands Instituut van Register-experts (NIVRE), Nederlandse Vereniging van Agrarische Experts (NVAE) of de Stichting Verenigd register van taxateurs (VRT) of is verbonden aan een schadeverzekeringsmaatschappij die is opgenomen in een vergunningenregister van de Nederlandse Bank (DNB) of de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
  • De herstelbemesting geldt alleen voor bouwland.
  • U mag maximaal 25 % van de vastgestelde hoeveelheid stikstof per gewasperceel extra gebruiken. De vastgestelde hoeveelheid stikstof per gewas staat in Tabel 1 van de Tabllenbrochure Meststoffenwet
  • U mag de extra hoeveelheid stikstof alleen in de vorm van kunstmest (anorganische meststoffen) geven.

U meldt de herstelbemesting aan voordat u deze uitvoert. Heeft u zich aangemeld, maar voert u de herstelbemesting toch niet uit? Dan moet u dit ook doorgeven.

Finale deadline indienen kringloopwijzer nadert

Melkveebedrijven met een melkveefosfaatreferentie groter dan nul zijn vanaf 1 januari 2015 verplicht om de KringloopWijzer te gebruiken (dit is opgenomen in de leveringsvoorwaarden van uw zuivelonderneming). Niet alleen is men verplicht de KringloopWijzer te gebruiken, de KringloopWijzer moest ook uiterlijk 1 mei 2016 zijn ingediend (deze termijn is dit jaar verplaatst van 1 maart naar 1 mei).

Indienen was mogelijk door het bestand uit de KringloopWijzer te uploaden naar de Centrale Database of door de gegevens handmatig in te voeren. Met het verstrijken van de deadline van 1 mei 2016 is uploaden niet langer mogelijk, handmatige invoer nog wel. Dat is ook nodig gezien het feit dat van de 12.000 melkveehouders voor wie de verplichting (waarschijnlijk) gold, zo’n 9.000 melkveehouders hieraan voor 1 mei hadden voldaan.

site kringloopwijzer

indienen van de kringloopwijzer of instellen van de machtiging kan via de site van de kringloopwijzer

Dit zou betekenen dat ongeveer 3.000 melkveehouders hun KringloopWijzer nog in moeten dienen. De bedrijven die het betreft zijn hierover inmiddels geïnformeerd door hun zuivelonderneming en hebben hiervoor de tijd gekregen tot 1 juli 2016.

In de groep bedrijven die de KringloopWijzer nog niet heeft ingediend zit een aanzienlijke groep waarvan de melkveefosfaatreferentie niet bekend is bij de zuivelonderneming. De beschikking van de melkveefosfaatreferentie is eind 2013 door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) afgegeven en kan worden teruggevonden in ‘mijn dossier’ op de site van RVO. Wanneer de melkveefosfaatreferentie niet bekend is bij de zuivelorganisatie, gaat die er van uit dat de referentie hoger is dan 0. Hiermee staat het melkveebedrijf te boek als verplicht om een KringloopWijzer aan te leveren. Wie dat niet wil, dient de zuivelonderneming alsnog (voor 1 juli) te laten weten dat de melkveefosfaatreferentie nul is. Dit kan door de machtiging in de Centrale Database KringloopWijzer zo in te stellen dat de melkveefosfaatreferentie bekend wordt binnen het systeem en bij de zuivelonderneming. Deze groep bedrijven hoeft, wanneer deze machtiging eenmaal is ingesteld, verder niets te doen.

introscherm kringloopwijzer

De KringloopWijzer is een webapplicatie. Data en software staan op een server die alleen via een beveiligde inlog toegankelijk is.

Een andere groep bedrijven, die daadwerkelijk een melkveefosfaatreferentie heeft van groter dan 0, maar nog geen kringloopwijzer heeft ingediend zal dit alsnog moeten dien. Gebeurt dit niet voor 1 juli 2016, dan treedt de zogenaamde herstelperiode in werking. Deze periode duurt een maand en gedurende deze maand kan een melkveehouder alsnog zijn KringloopWijzer indienen, de juiste machtiging instellen (indien de melkveefosfaatreferentie 0 is) of bezwaar maken tegen het feit dat men de kringloopwijzer in zou moeten dienen. Dit laatste heeft overigens alleen maar zin wanneer door middel van een bezwaarschrift met gegronde redenen wordt gemotiveerd dat en waarom sprake is van bijzondere omstandigheden op het bedrijf die het niet indienen rechtvaardigen.

Wanneer de herstelperiode voorbij is, er geen KringloopWijzer of een bezwaarschrift is ingediend of de juiste machtiging niet is ingesteld, verplicht het kwaliteitssysteem de zuivelonderneming om melkweigering toe te passen vanaf 1 augustus 2016. Hierbij aantekenend dat een bezwaarschrift in eerste instantie slechts een schorsende werking zal hebben. Om dit te voorkomen is het zaak, tijdig de juiste actie te ondernemen.

Landbouwgrond, natuurterrein of overige grond?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) kent in haar basis slechts een onderscheid tussen landbouwgrond en andere grond. Waarbij deze andere grond bijvoorbeeld bestaat uit natuurterrein en overige grond. De scheidslijn tussen wat kan worden gezien als landbouwgrond en wat niet is soms niet bij voorbaat helder, maar wel belangrijk. Immers de titel landbouwgrond impliceert dat de grond meetelt voor de gebruiksnormen. De discussie over wat mag worden gezien als landbouwgrond doet zich vooral voor bij grasland. Grasland kan zowel landbouwgrond (weideperceel), natuurterrein (blauwgrasland) als overige grond (grond in gebruik bij particulier) zijn. De vraag is dan ook: wat is landbouwgrond?

Landbouwgrond is grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Landbouw wordt omschreven als: ‘akkerbouw, veehouderij – daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm van houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden – , tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet’.

stockfotos 015a

uitscharen of gebruiksnormen?

Het begrip natuurterrein is als zodanig niet gedefinieerd in de Msw. De achtergrond hiervan is dat gekozen is voor gescheiden regimes: voor landbouwgrond, waarop de gebruiksnormen van de Msw van toepassing zijn, en voor natuurterrein en overige gronden, waarvoor afzonderlijke beheersregelingen en het, op de Wet bodemsanering gebaseerde, Besluit Gebruik Meststoffen gelden (BGM). Daarbij is niet van belang of het gronden betreft in gebruik bij landbouwbedrijven, natuurbeschermingsorganisaties, landgoederen, particulieren of anderszins.

Bij de discussie of een gegeven perceel grasland mag worden aangemerkt als landbouwgrond is vooraleerst van belang dat het perceel niet de hoofdfunctie natuur heeft en op het perceel sprake is van de teelt van gras dat bestemd is voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren.

Vervolgens geldt dat op het perceel sprake dient te zijn van een normale landbouwpraktijk. Hiervoor is bepalend dat de landbouwer over de feitelijke beschikkingsmacht over deze grond heeft, in die zin dat hij in de praktijk in staat is zijn teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren. Dit betekent dat de geldende beheers- en gebruiksmaatregelen op een perceel (bewerking, bemesting, beweiding) niet zodanig beperkend mogen zijn dat van een ‘normale landbouwpraktijk’ ten dienste van het landbouwbedrijf geen sprake kan zijn. Dit is geen zwart/wit verhaal: het dient te worden beoordeeld op basis van de feitelijke omstandigheden.

Een voorbeeld: Een perceel grasland (paardenweide) van een particulier is in gebruik bij een landbouwbedrijf, waarbij de particulier het perceel beweid met paarden en de verzorging van het gewas voor zijn rekening neemt. RVO oordeelt dat de feitelijke beschikkingsmacht niet bij de landbouwer ligt en daarmee telt het perceel niet mee als landbouwgrond bij het landbouwbedrijf.

Een tweede voorbeeld: Een perceel in de uiterwaarden dat wordt gehuurd door een landbouwbedrijf. De percelen mogen niet worden bemest en in beperkte mate worden geweid. Bij hoog water moet het perceel per direct worden ontruimd. Er moet regelmatig worden gemaaid om onkruiden te verwijderen. Verder zijn er geen subsidieregelingen van kracht op het perceel. Wat denkt u: landbouwgrond of niet? Er is sprake van grasland, dat wordt beweid door dieren die deel uitmaken van een landbouwbedrijf. Er zijn weliswaar beperkingen met betrekking tot het gebruik en beheer, maar is daarmee sprake van een dermate beperking dat geen sprake kan zijn van landbouwgrond? RVO oordeelt, op basis van de feitelijke omstandigheden dat dit het geval is en telt het perceel niet mee als landbouwgrond. De dieren die er grazen dienen te worden meegenomen als uitgeschaarde dieren. Het is de vraag of dit standpunt van RVO terecht is. Om dit standpunt te weerleggen zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat ondanks de beheersmaatregelen de mogelijkheden van het landbouwbedrijf om het teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen niet worden beperkt.

Mineralenconcentraat als kunstmestvervanger

In de media wordt recentelijk volop gezinspeeld op een spoedige erkenning van mineralenconcentraat uit dierlijke mest als kunstmestvervanger. Ontwikkelingen in dit kader bewegen zich inderdaad in die richting, maar of dit op korte termijn zal resulteren in een feitelijke erkenning is maar zeer de vraag. Daartoe moeten nog een aantal hobbels worden genomen.

Onlangs is een wijzigingsvoorstel voor de Europese meststoffenverordening gepubliceerd. Doel van dit voorstel is de eisen die aan meststoffen worden gesteld binnen de EU te harmoniseren. Dit met als achterliggende doel de handel in meststoffen tussen landen eenvoudiger maken. Dus de handel, niet het gebruik. In het voorstel wordt namelijk geen relatie gelegd met het gebruik van meststoffen, zoals dit in de Nitraatrichtlijn wel het geval is. In een reactie heeft Nederland aangegeven dat de definities voor meststoffen uit de nieuwe meststoffenverordening ook zouden moeten worden overgenomen in de Nitraatrichtlijn, zodat sprake is van eenduidige regelgeving.

Ook maakt het huidige voorstel voor wijziging van de meststoffenverordening het nog niet mogelijk om mineralenconcentraat uit dierlijke mest onder de noemer van kunstmest(vervanger) te scharen. De producteisen (met name de gewenste concentratie) van samengestelde vloeibare anorganische meststoffen liggen in het huidige voorstel te hoog. Mineralenconcentraat kan niet aan die eisen voldoen: Om als vloeibare meststof te worden aangemerkt, moet een product minimaal 1,5 of 2% stikstof bevatten. De gehalten in de huidige mineralenconcentraten zitten daar een stuk onder. Om alsnog te kunnen voldoen zouden mineralenconcentraten verder moeten worden geconcentreerd (denk daarbij aan een factor 2 – 3 ten opzichte van de huidige concentratie). Daarnaast voldoet het product mineralenconcentraat op zichzelf niet aan de eisen voor een eindpunt in de verordening dierlijke bijproducten, wat ook nodig is om het als kunstmestvervanger te zien. Kortom er moet nog het een en ander gebeuren in het nieuwe voorstel en aan het mineralenconcentraat zelf voordat erkenning een feit kan zijn.

Een alternatieve route die nadrukkelijk in beeld komt, is om derogatie te verkrijgen voor mineralenconcentraat. Derogatie betekent in dit verband de toestemming om af te mogen wijken van de standaard stikstofnorm uit dierlijke mest van 170 kg N per ha en staat min of meer los van de derogatie die we kennen en geldt voor  graasdierbedrijven met een hoog percentage grasland in het areaal. In de derogatie voor mineralenconcentraat wordt de inzet om mineralenconcentraat toe te mogen dienen boven de gebruiksnorm van stikstof in dierlijke mest. Een officieel verzoek is nog niet ingediend, maar dit zal waarschijnlijk binnenkort gebeuren. Wanneer het verzoek zou worden gehonoreerd, zou dit op zijn vroegst in het volgende actieprogramma nitraatrichtlijn kunnen worden opgenomen. We spreken dan over de periode vanaf 2018.

Toch is de route via derogatie waarschijnlijk sneller dan de route via de Europese meststoffenverordening. De realistische tijdshorizon voor die laatste route zou (op dit moment) het jaar 2020 zijn. Tot die tijd is Nederland voor de afzet van mineralenconcentraten onder andere aangewezen op de pilot mineralenconcentraten en het creëren van extra ruimte (ten opzichte van de 10 producenten die er tot nu toe aan deelnemen) binnen die pilot.

Aanmelding Pilot evenwichtsbemesting fosfaat

kringloopwijzerOp maandag 25 januari vanaf 10:00 uur kunnen (nieuwe) deelnemers zich aanmelden voor de pilot evenwichtsbemesting fosfaat. Vanaf dat moment zal het aanmeldformulier op de site van LTO Noord beschikbaar zijn. Aanmelden kan tot 1 februari 2016. In totaal kunnen 150 veehouders deelnemen, dat zijn er 50 meer dan in 2015. De ondernemers die het afgelopen jaar hebben deelgenomen moeten zich ook aanmelden, maar genieten wel voorrang.

Melkveehouders die mee willen doen, moeten aan kunnen tonen dat zij drie achtereenvolgende jaren een hogere onttrekking door hun gewassen hebben gehad dan er via meststoffen mocht worden toegediend. Dat aantonen dient te gebeuren door middel van de Kringloopwijzer van 2013 en 2014 en 2015. Hiertoe moeten bij de aanmelding de kringloopwijzers over de afgelopen drie jaar (2013, 2014 en 2015) worden overlegd. Die worden beoordeeld en indien deze akkoord worden bevonden komt de ondernemer in aanmerking voor deelname. Bij deelname wordt een extra bemestingsruimte op basis van de Kringloopwijzers toegewezen die wordt bekrachtigd via een officiële ontheffing van de forfaitaire gebruiksnorm. Deze ontheffing wordt door het Ministerie van Economische Zaken verstrekt en door RVO verzonden. Vorig jaar bedroeg de toegekende extra fosfaatgebruiksnorm gemiddeld 18 kg per hectare.

maiskuil

Deelname aan de BEP pilot is een optie voor wie via de kringloopwijzer aan kan tonen dat er meer fosfaat wordt onttrokken dan de fosfaatgebruiksnorm

Aan deelname zijn ook kosten verbonden. Deze eigen bijdrage is voor nieuwe deelnemers die in 2016 een beschikking ontvangen gesteld op € 300 voor LTO leden en € 400 voor niet LTO leden. Voor bestaande deelnemers blijft het bedrag gelijk aan het bedrag dat ze het afgelopen jaar betaalden.  Meer informatie over de afweging of deelname zinvol is en de voorwaarden die aan  deelname verbonden zijn vindt u op de site van LTO Noord

Voor nieuwe deelnemers wordt het wel dringen: zoals gezegd kunnen maximaal 150 ontheffingen worden verleend. De 100 bedrijven die in 2015 aan de pilot hebben deelgenomen genieten voorrang bij deelname in 2016. Verder hebben bedrijven die in het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM) zitten, voorrang. De overige bedrijven worden geselecteerd op volgorde van binnenkomst.

Tabellen Meststoffenwet per 1 januari 2016 aangepast

Voor het kalenderjaar 2016 zijn een aantal wijzigingen aangebracht in de tabellen en normen die gebruikt moeten worden in het kader van het voldoen aan de verplichtingen van de Meststoffenwet (zie deze publicatie in de Staatscourant). De tabellen zijn aangepast vanwege bijstellingen voor het kalenderjaar 2016 in de Uitvoeringsregeling Gebruik meststoffen en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Zo zijn per 1 januari een aantal diergebonden mestproductie- en excretienormen  aangepast. Hetzelfde geldt voor een aantal mestcodes en gehalten van stikstof en fosfaat in dieren. Het betreft dan wijzigingen van respectievelijk tabel 4, 5a en 7.

De meest opvallende wijzigingen zijn de verlaging van de stikstofcorrectienormen (varkens, kippen, kalkoenen, pekingeenden, nertsen), het samenvoegen van een aantal diercategoriëen (opfokzeugen en -beren), paarden, ponies  of zelfs het vervallen van diercategorieën (slachtzeugen). Voor enkele diersoorten zijn tenslotte de gehalten per kilogram en per dier gewijzigd (ouderdieren van vleesrassen en vleeskuikens).

Klik hier voor een  overzicht van alle normen en gehalten die gelden voor 2016 (omdat niet alle normen en wijzigingen door RVO correct zijn verwerkt is hier en daar met pen een wijziging aangebracht conform de normen in de Staatscourant, in afwachting van juiste tabellen door RVO).

Voor alle duidelijkheid: voor de berekeningen (bijvoorbeeld voor de opgave van de aanvullende gegevens) over 2015 moet van de normen worden uitgegaan die golden voor 2015.