Voor wie zijn de fosfaatrechten bij opfok en inscharen?

Enige tijd geleden hebben we op mestboete.nl al enige aandacht besteed aan de problematiek van de toekenning van fosfaatrechten bij uitscharen en opfokken van jongvee. Melkveehouders schaarden een deel van het jaar een deel van hun (jong)vee uit bij een opfokker of een grondeigenaar om de dieren te weiden.  De fosfaatrechten werden toegekend aan de opfokker of de inschaarder . De eigenaar van de dieren of de uitschaarder stelt nu dat (een deel van) die rechten aan hem toebehoren. De inschaarder of opfokker kan zich niet vinden in die claim van de eigenaar of opfokker. In dergelijke situaties is in een aantal gevallen sprake van enig getouwtrek over en weer omtrent de vraag aan wie de fosfaatrechten toe behoren. Hoe zit het nu?

Bij de toekenning van de fosfaatrechten zijn de rechten toegekend aan het bedrijf dat op 2 juli 2015 aangemerkt werd als de houder van de dieren.  Het begrip ‘houden van dieren’, gaat, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten,  uit van het feitelijke houderschap. Het is daarbij van ondergeschikt belang of en dat de houder ook de eigenaar van de dieren is. Het gaat er dus,  voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten, niet om wie de eigenaar was van de dieren op de peildatum van 2 juli 2015, maar om wie de feitelijke houder van de dieren was. Dat wil zeggen degene die feitelijk de dieren in zijn stal had onderbracht, de dieren op zijn land weide of de verzorging op zich nam.

Dat rechten zijn toegewezen aan een partij wil nog niet per definitie zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij….

Maar dat de rechten zijn toegekend aan één partij wil nog niet zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij. In de gevallen dat dit wringt komen in de meeste gevallen partijen onderling wel tot een vergelijk, door bijvoorbeeld  een 50/50 verdeling toe te passen of de toebedeelde fosfaatrechten naar rato van de lengte van de uitschaarperiode te verdelen tussen uit- en inschaarder.  Een dergelijke verdeling (naar rato van de inschaarperiode) is niet mogelijk bij de opfokkers van jongvee, waar jongvee van een melkveehouder 12 maanden per jaar  is ondergebracht bij de opfokker.  In een aantal gevallen maakt de eigenaar van de dieren ook dan aanspraak op de rechten die aan de opfokker zijn toegewezen.

De vraag is hoe de rechtbank zal oordelen inzake dergelijke claims van de eigenaar van de dieren of de uitschaarder. In een aantal kort gedingen kwam de voorzieningenrechter tot op het eerste oog geheel verschillende uitspraken. Toch kunnen in deze zaken al wel een aantal (on)mogelijkheden worden gezien.

In een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland oordeelde de voorzieningenrechter dat de rechten naar rato moesten worden verdeeld van de periode waarover partijen de dieren hielden in een kalenderjaar. Daarrbij achtte de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat de inschaarder had meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee het uitscharende bedrijf het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van inschaarder heeft verhoogd. Tenslotte overwoog de rechtbank dat de inschaarder er geen in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden. De inschaarder heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering.

De Rechtbank Noord Nederland oordeelde in een andere casus  dat de opfokker medewerking moest verlenen aan het overdragen van de hem toegekende rechten aan de melkveehouder. De Rechtbank vond de grond hiervoor in een specifieke voorwaarden uit de ‘overeenkomst van opfok‘ die stelt dat indien ‘er tussentijds veranderingen komen vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen in geval van ruiming (mkz of andere ziekten) dan zijn deze voor de eigenaar van de dieren.’ De conclusie van de Rechtbank is dat uit hetgeen partijen in hun onderlinge verhouding zijn overeengekomen, volgt dat de opfokker verplicht is om mee te werken aan de overgang van de fosfaatrechten naar de eigenaar van de dieren, voor zover die fosfaatrechten zijn verkregen uit hoofde van het stallen van jongvee van de eigenaren van die dieren.

In een derde uitspraak  oordeelde de voorzieningenrechter juist weer in het voordeel van de inschaarder. De rechtbank overwoog daarbij dat met het afstaan van de fosfaatrechten de inschaarder zou worden benadeeld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat slechts sprake was van een eenmalige inscharing tussen partijen en geen structurele relatie. Daarnaast oordeelt de voorzieningenrechter dat de uitschaarder door de gang van zaken niet belemmerd wordt zijn bedrijfsuitvoering en de regeling er niet voor bedoeld is om agrariërs anderszins een geldelijk voordeel te verschaffen. Dat de inschaarder toevallig een voordeel heeft verkregen is het gevolg van een bewuste keuze van de wetgever en kan de inschaarder niet worden aangerekend aldus de voorzieningenrechter.

Uiteraard moeten de uitspraken in bodemprocedure meer duidelijkheid geven over de uiteindelijke toekenning van de rechten, maar wat de uitspraken tot nu toe laten zien is dat elke zaak specifiek is en zowel in zijn algemene context als in detail dient te worden beoordeeld. Een aantal aspecten die daarbij van belang kunnen wel uit de uitspraken worden afgeleid. Duidelijk is dat onder andere de afspraken die tussen partijen zijn vastgelegd in de overeenkomst van opfok van belang zijn. Ditzelfde geldt ook voor de lengte van de periode van uitscharen en de lengte van de periode van samenwerking tussen partijen (structureel of eenmalig). Een ander aspect is in hoeverre partijen al dan niet worden benadeeld in relatie tot hun toekomstige bedrijfsvoering en hoe partijen zich hebben gedragen in het kader van het fosfaatreductieplan.

 

Fosfaatrechten van ingeschaarde dieren

Fosfaatrechten worden toegekend op basis van het aantal stuks melkvee dat op 2 juli 2015 op een bedrijf werd gehouden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het houderschap en niet de eigendomssituatie met betrekking tot dat melkvee doorslaggevend is. In het geval van in- en uitscharen van dieren worden de fosfaatrechten  daarmee toegekend aan de inschaarder. Vervolgens biedt de wet de mogelijkheid om indien een landbouwer voor 1 april 2018, had gemeld en aangetoond dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, het fosfaatrecht kon worden herverdeeld. Hierbij wordt het fosfaatrecht van de uitschaarder  verhoogd en het fosfaatrecht van de inschaarder, met diens instemming, verlaagd.  Maar wat wanneer de inschaarder zijn medewerking daar niet aan wenst te verlenen? In een dergelijke zaak deed de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland onlangs uitspraak.

[A] exploiteert een melkveehouderij, [C] exploiteert een veehouderij en veehandel. In 2015, 2016 en 2017 heeft [A] steeds in de periode 15 mei tot 15 oktober jongvee uitgeschaard bij [C]. De dieren stonden derhalve gedurende de periode 15 mei tot 15 oktober in het I&R systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) geregistreerd op het uniek bedrijfsnummer (UBN) van [C]. In de perioden voor en na het uitscharen verbleven de pinken op het bedrijf van [A] zelf. Het aantal pinken dat op voormelde wijze door [A] was uitgeschaard en door [C] was ingeschaard bedroeg in 2015 38 stuks. [A] heeft [C] gevraagd mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’ als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet. [C] heeft deze medewerking geweigerd.

Aan wie horen de fosfaatrechten van ingeschaarde dieren toe? Misschien toch niet zo duidelijk als het wel lijkt.

[A] vorderde in deze zaak vervolgens [C] bij vonnis te gelasten alsnog deze medewerking te verlenen. [A] heeft, zo stelt hij, een groot belang bij de fosfaatrechten omdat hij als actief melkveehouder in staat moet zijn om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen. Hij heeft de fosfaatrechten nodig om het melkvee dat hij in 2015 had ook thans nog te kunnen houden op zijn melkveebedrijf. Hij was eigenaar van deze dieren en in 2015 was hij gedurende zeven maanden ook houder hiervan.

[C] weigert zijn instemming te verlenen, met als gevolg dat, aldus [A], [C] ongerechtvaardigd wordt verrijkt en [C] hierdoor jegens [A] in strijd handelt met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. De weigering strookt, volgens [A] ook niet met de afspraken en de eerdere handelwijze van partijen. Partijen hebben nimmer beoogd of afgesproken dat eventuele quoteringen of mestrechten verband houdende met de inscharingen aan [C] zouden toekomen. In 2017 gold de Regeling fosfaatreductieplan 2017. [C] heeft toen meegewerkt aan het indienen van de formulieren ‘Uitschaarverklaring melk en niet melk producerende bedrijven voor fosfaatreductieplan 2017’ zonder hiervoor een vergoeding te vragen. Deze regeling was een opmaat voor de gewijzigde Msw, aldus [A].

[C] voert aan dat op basis van het wettelijk systeem de fosfaatrechten op zijn bedrijf zijn geregistreerd. [C] meent dat hij op goede gronden zijn instemming mag weigeren omdat hij recht en belang heeft bij behoud van de op zijn bedrijf gestelde fosfaatrechten. Hij exploiteert een veehouderij en houdt naast vleesvee ook melkvee. Omdat [C] voor het houden en inscharen van melkvee vanaf 1 januari 2018 fosfaatrechten nodig heeft, wenst [C] geen afstand van de hem toegekende rechten te doen. Met [A] zijn daar ook geen afspraken over gemaakt. De vergelijking met instemming met het fosfaatreductieplan 2017 gaat volgens [C] niet op en van onrechtmatig handelen is volgens [C] geen sprake.

De rechtbank overweegt dat artikel 23 lid 5 Msw de landbouwer die melkvee had uitgeschaard een mogelijkheid geeft om de ongewenste gevolgen van de fosfaatregeling te vermijden, maar anderzijds legt de wet het benutten van die mogelijkheid geheel in handen van partijen.

Voor de vraag of [C] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid zijn medewerking kon onthouden aan de mogelijkheid tot herverdeling van de toegekende fosfaatrechten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt: De fosfaatrechten zijn aan [C] toegekend omdat de 38 pinken van [A] op 2 juli 2015 bij hem waren ingeschaard. Die datum is echter een willekeurig gekozen peildatum, die door partijen niet te voorzien was. Doordat de pinken op dat moment op het bedrijfsnummer van [C] geregistreerd stonden, is het voordeel dat daaraan verbonden was, namelijk het toekennen van fosfaatrechten, aan [C] toegevallen. Zulks echter wel vanuit de daaraan ten grondslag liggende geachte dat deze runderen bij voortduring op zijn stal stonden dan wel door hem werden geweid. Vast staat echter dat partijen afspraken hebben gemaakt over het in- en uitscharen van de runderen voor de periode 1 mei 2015 tot 1 oktober 2015 en dat de runderen voor het overige bij [A] op stal stonden.

Dit in- en uitscharen gebeurde derhalve op basis van tussen partijen gemaakte afspraken, waarbij de runderen 5/12de gedeelte van het jaar bij [C] stonden en 7/12de gedeelte van het jaar bij [A] . Een redelijke toepassing van artikel 23 lid 5 Msw brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval met zich, ook in het licht van de algemene strekking van deze wet, dat de onderhavige fosfaatrechten – die [C] om niet heeft verkregen maar die inmiddels een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen – conform de partijafspraken over de perioden van houderschap, in beginsel in diezelfde verhouding tussen partijen dienen te worden verdeeld.

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken hebben gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat [C] heeft meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee [A] het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van [C] heeft verhoogd. Dat [C] er een in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden, heeft [C] niet duidelijk gemaakt. [C] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering. [C] schaart met name vee in en wel gedurende vijf maanden per jaar, waartoe de bijbehorende fosfaatrechten afdoende zouden moeten zijn. Onder de gegeven omstandigheden kan van [C] dan ook verlangd worden dat hij (opnieuw) zijn instemming verleend aan een gedeeltelijke verlaging van zijn fosfaatrechten en wel voor 7/12de deel van de 38 runderen. Dit komt overeen met (afgerond) 22 runderen. Nu [C] zijn instemming wenst te onthouden, wordt hij geacht onrechtmatig jegens [A] te handelen en zal hij worden veroordeeld zijn medewerking te verlenen als na te melden.

Of deze uitspraak ook stand zal houden in de bodemprocedure is de vraag. De uitspraak zal sowieso de nodige discussie tussen in- en uitscharende partijen uitlokken die niet zonder meer tot een vergelijk zijn gekomen. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige uitspraak

Waar vind ik meer informatie over het Fosfaatreductieplan 2017?

Op 1 maart 2017 gaat de regeling Fosfaatreductieplan 2017 van start. Voor de meeste bedrijven met vrouwelijke runderen toch iets om rekening mee te houden. De ministeriële regeling is vorige week  gepubliceerd. Het is nu van belang om tijdig de juiste keuzes te maken.  De informatie omtrent de regeling wordt verstrekt via ZuivelNL en RVO. Een kort overzicht van de verschillende kanalen:

koe in wei

Waar vind ik meer informatie over het fosfaatreductieplan?

Fofaatreductieloket
ZuivelNL heeft een Fosfaatreductieloket opgezet om melkveehouders zo goed mogelijk van informatie te voorzien. Dit loket is dé vraagbaak over de ministeriële regeling en is sinds dinsdag 21 februari gestart. Via dit reactieformulier kunt u vragen stellen.
Maar wilt u liever met iemand van het Fosfaatreductieloket bellen, neem dan contact op via tel. 038 – 4572855. Zij zijn bereikbaar op werkdagen tussen 09.00 en 16.30 uur.

Algemene informatie
Verder staat er op de website van ZuivelNL een overzicht met Vragen en Antwoorden dat regelmatig wordt bijgewerkt en aangevuld. Eveneens is op de site een algemene toelichting op de regeling en rekenvoorbeelden te vinden, alsmede een algemene presentatie over dit plan.

Rundveehouders en ‘stoppers’
ZuivelNL voert de regeling uit voor melkleverende bedrijven. Bent u wel houder van runderen maar heeft u geen melkleverend bedrijf? Of heeft u vragen over de regeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderij (‘stoppersregeling’)? Dan kunt u met deze vragen terecht bij RVO.nl via telefoonnummer: 088-0424242. RVO.nl geeft ook op de website meer informatie over de gehele fosfaatreductiemaatregelen 2017.

En op mestboete.nl?
Ook op Mestboete.nl zal aandacht worden besteed aan de regeling in het algemeen en de gevallen ‘waarin het knelt’ in het bijzonder. Op dit moment kan nog geen bezwaar worden gemaakt tegen de regeling. Dit kan pas tegen een besluit dat voortvloeit uit  de regeling. Het eerste besluit dat op uw bedrijf van toepassing zal zijn, zal op het moment van verrekening zijn. Dit zal waarschijnlijk op zijn vroegst eind april, begin mei. In de tussenliggende periode kunt u natuurlijk ook altijd bellen of uw vraag stellen via email.

Regeling fosfaatreductieplan gepubliceerd

Door middel van publicatie in de Staatscourant van 17 februari 2017 heeft de Staatsecretaris van Economisch zaken de zogenaamde Regeling fosfaatreductieplan 2017 bekend gemaakt. Via deze regeling, moet de fosfaatproductie door de melkveehouderij worden beperkt, zodat Nederland kan voldoen aan het zogenaamde fosfaatplafond en derogatie voor de komende periode kan worden veilig gesteld.

De regeling is in grote lijnen gelijk aan de eerdere gve-reductie regeling zoals die door de sector zelf is opgesteld, maar kent een aantal opmerkelijke verschillen. Hierbij een korte samenvatting van de regeling die op 1 maart 2017 ingaat.

Voor melkleverende bedrijven wordt uitgegaan van 2 referenties of aantallen:

  • het referentieaantal: Dit is het aantal gve aan vrouwelijke runderen  aanwezig op het bedrijf op 2 juli 2015 minus 4 procent. Voor bedrijven die op 2 juli 2015 grondgebonden waren geldt de vermindering van 4 procent niet en geldt het aantal gve dat op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig was;
  • het doelstellingsaantal: Dit is  het aantal gve aan vrouwelijke runderen op het bedrijf aanwezig op 1 oktober 2016. Het doelstellingsaantal kan nooit lager zijn dan het referentieaantal.

Op basis van deze twee aantallen dient het aantal gve’s op een bedrijf in de loop van dit jaar te worden teruggebracht. Dit gebeurt in vijf perioden, die elk een taakstelling hebben voor het doelstellingsaantal:

  • Periode 1: maart en april 2017, 5 procent voor elke maand
  • Periode 2: mei en juni 2017, 10 procent voor elke maand
  • Periode 3: juli en augustus 2017, ten hoogste 20 procent
  • Periode 4: september en oktober 2017, ten hoogste 40 procent
  • Periode 5: november en december 2017, ten hoogste 40 procent

Indien het doelstellingsaantal minus de korting in een periode lager uitkomt dan het referentieaantal geldt het referentieaantal als maximaal aantal te houden gve’s. De kortingspercentages over de perioden 3 tot en met 5 zijn maximale percentages. De definitieve verminderingspercentages voor deze perioden worden uiterlijk op de laatste dag van de voorafgaande periode door de minister vastgesteld.

Indien niet aan het doelstellingsaantal wordt voldaan geldt een te betalen geldsom van 240 euro per maand per gve die teveel is gehouden. Voor periode 1 geldt eenmalig een te betalen geldsom van 480 euro aan gve die over de maand april te veel is gehouden, omdat maart te kort dag wordt geacht.

Aan bedrijven die wel het doelstellingsaantal halen, maar nog niet voldoen aan het referentieaantal dienen een geldsom te betalen van 56 euro per maand per gve opgelegd voor het aantal dat boven het referentieaantal is gehouden.

Deze geldsommen worden gebruikt om bedrijven die minder gve houden dan hun referentieaantal te ‘belonen’. Voor het gerealiseerde  verschil ontvangen de bedrijven over de maand april 120 euro, in de periode 2 en 3 per maand 60 euro per gve dat minder is gehouden dan het referentieaantal. In de periode 4 en 5 is dit bedrag 150 euro per gve. Een en ander tot een maximum van 10% van de referentieaantal. Mochten geïncasseerde geldsommen niet voldoende zijn dan worden deze bedragen naar rato bijgesteld.

Tenslotte zijn er nog een aantal uitzonderingssituaties, die betrekking hebben op de overname van een (beëindigd) bedrijf en de omstandigheid dat door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte of overlijden van een persoon of vernieling van melkveestallen op 2 juli 2015 tijdelijk tenminste 5% minder zijn gehouden dan voor de intreding van deze omstandigheden het geval was. Deze bedrijven dienen uiterlijk op 1 april 2017 een verzoek in te dienen om hun referentiedoelstelling te verhogen op een daarvoor door RVO ingericht formulier. Voor bedrijfsoverdrachten na 1 maart 2017 geldt dat dit binnen 1 maand na de bedrijfsoverdracht dient te worden gedaan.

De regeling is van toepassing op alle bedrijven met runderen, zowel bedrijven die melk leveren als bedrijven die dat niet doen (bijvoorbeeld jongveeopfokbedrijven, groepen vleesveebedrijven). Voor deze groep niet-melk leverende bedrijven: geldt echter maar één referentie: het aantal dieren aanwezig op 15 december 2016. Ook geldt voor deze groep bedrijven geen reductiepercentage. Vleeskalverhouders  zijn echter uitgezonderd van de regeling. Een vleeskalverhouder wordt in de regeling gedefinieerd als: ‘houder die uitsluitend mannelijke en vrouwelijke runderen jonger dan een jaar houdt en welke uitsluitend door de houder worden afgevoerd voor de slacht‘.

Lees hier de volledige regeling

Klik hier voor de algemene presentatie van ZuivelNL mbt de regeling;

Klik hier voor een aantal voorbeeldberekeningen

Invoering stelsel fosfaatrechten pas per 1 januari 2018

In een brief gericht aan de Tweede Kamer heeft Staatssecretaris van Dam een aantal relevante wijzigingen ten opzichte van het ingediende Wetsvoorstel kenbaar gemaakt. In de brief geeft de Staatssecretaris aan dat uit intensief contact met de Europese Commissie is gebleken dat het stelsel fosfaatrechten, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, door de Commissie als staatssteun zal worden opgevat. Dit omdat rechten worden geïntroduceerd die vanaf inwerkingtreding schaars zullen zijn, vrij verhandelbaar worden en een waarde vertegenwoordigen in het economisch verkeer. Deze rechten worden bovendien gratis toegewezen aan bedrijven die in Nederland op de peildatum melkvee op hun bedrijf hielden.

koe in weiDe Europese Commissie benadrukt dat geen goedkeuring zal worden gegeven aan maatregelen die leiden tot het verstrekken van staatssteun als het doel van de maatregel is om een overtreding van een bestaande Europese norm, in dit geval het fosfaatproductieplafond in de derogatiebeschikking, te herstellen of indien de maatregelen niet verder gaan dan wat op basis van Europese normen reeds verplicht is. De Europese Commissie heeft aangegeven dat het huidige wetsvoorstel daarom zal leiden tot het oordeel dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

In reactie hierop heeft de Staatssecretaris het wetsvoorstel op twee punten gewijzigd: Ten eerste wordt het volledige fosfaatrechtenstelsel pas ingevoerd op 1 januari 2018. Op die dag zullen fosfaatrechten worden verstrekt en vanaf die dag is het verboden fosfaat met melkvee te produceren tenzij de melkveehouder over voldoende fosfaatrechten beschikt. De rechten worden gratis verstrekt en zijn vrij verhandelbaar. De totale hoeveelheid rechten die op 1 januari 2018 zullen worden toegekend, komen overeen met het fosfaatproductieplafond in de derogatie­beschikking. De hoeveelheid rechten per individueel bedrijf wordt bepaald op basis van gegevens over de veestapel op 2 juli 2015 (de peildatum) en de forfaitaire excretiewaarden. De generieke korting zal echter niet worden toegepast nadat de rechten zijn verstrekt maar direct worden verwerkt in de hoeveelheid rechten die wordt toegekend. Ten tweede zullen de criteria die de fosfaatbank zal toepassen voor het toekennen van niet overdraagbare rechten verder gaan dat wat reeds op basis van geldende Europese normen verplicht is.

20161013-tweet-kees-romijnDeze wijzigingen leiden ertoe dat het stelsel van fosfaatrechten op 1 januari 2018 in plaats van op 1 januari 2017 in werking treedt én dat de hoeveelheid rechten die bij de start van het stelsel wordt toegekend past bij het derogatieplafond.

De Staatssecretaris stelt tenslotte dat de Europese Commissie nog geen groen licht gegeven voor de introductie voor het fosfaatrechtenstelsel en er geen zekerheid is over de voortzetting van de derogatie na 2017. Voor dit laatste is het van belang dat in 2017 ook zonder het stelsel van fosfaatrechten een reductie van de fosfaatproductie plaatsvindt. De Staatssecretaris besluit zijn brief dan ook met de opmerking dat, ondanks dat het stelsel pas per 2018 zal worden ingevoerd, een nadrukkelijk beroep zal worden gedaan op partijen om een overtuigende daling van de fosfaatproductie in 2017 te realiseren.

Lees hier de volledige brief.

Over de Kingloopwijzer en Fosfaatrechten

De Kringloopwijzer (hierna: KLW) beschrijft onder andere de mineralenkringloop op melkveehouderijbedrijven. De KLW bouwt in dit kader voort op de bedrijfsspecifieke excretie (BEX) die als handreiking sinds 2006 binnen de Nederlandse wet- en regelgeving in gebruik is in het kader van de verplichtingen die volgen uit het stelsel van gebruiksnormen, het stelsel van verplichte mestverwerking en het stelsel van verantwoorde en grondgebonden groei melkveehouderij. Daarin biedt de BEX de mogelijkheid om aan de hand van bedrijfsspecifieke gegevens de mestproductie te bepalen.

tweet-wvs

 

Deze rol van BEX blijft vooralsnog onveranderd. In het kader van het stelsel van fosfaatrechten wordt melkveehouders vooralsnog echter niet de mogelijkheid geboden om bij de verantwoording af te wijken van de wettelijk vastgestelde excretieforfaits. De regering is met de partijen uit de zuivelketen overeengekomen dat voor een bedrijfsspecifieke verantwoording in het kader van onderhavig stelsel de inzet moet zijn om deze te baseren op een systematiek die ziet op de gehele mineralenkringloop op het bedrijf. Hiermee valt niet alleen de BEX af, maar vooralsnog, zo concludeert de Staatssecretaris vervolgens, is er geen systematiek voorhanden die borgt dat de mineralenkringloop op een bedrijf op een juiste wijze wordt vastgesteld. .

Om bedrijfsspecifieke verantwoording in het kader van de fosfaatrechten in de toekomst alsnog mogelijk te maken is in het wetsvoorstel, onder artikel 21b, tweede lid, wel een voorziening opgenomen die het mogelijk maakt om gebruik te maken van ‘een door de Minister van Economische Zaken aan te wijzen methode en onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden‘ aan te wijzen methode van bedrijfsspecifieke verantwoording. Daarbij is aangegeven dat daarvoor het gebruik van de KLW het meest voor de hand ligt. Voorwaarde is dan wel dat de systematiek en rekenregels van de KLW onafhankelijk en wetenschappelijk worden getoetst, de KLW privaat (dus door het landbouwbedrijfsleven) geborgd wordt en dat er duidelijke criteria zijn op basis waarvan vastgesteld kan worden welke bedrijven wel en welke bedrijven niet op een verantwoorde wijze hun mineralenkringloop kunnen verantwoorden met de KLW. Dus overheid stelt voorwaarden, de sector dient het aan te tonen dat aan die voorwaarden is voldaan en de overheid beslist of dat inderdaad ook zo is.

site kringloopwijzer

Ook al krijgt de kringloopwijzer in 2017 geen rol met betrekking tot de fosfaatrechten, invullen van de kringloopwijzer blijft verplicht.

De vraag is dan ook: kan de KLW deze eisen invullen? Een onlangs verschenen rapport van het Louis Bolk instituut beantwoord die vraag met een duidelijk neen. De conclusie van het rapport is dat, de KLW weliswaar betrouwbaarder is dan de BEX, maar nog niet geschikt is als beleidsinstrument. De KLW moet op een aantal punten verder uitgewerkt of verbeterd worden, de gevoeligheid voor (invul)fouten en fraude moet worden verbeteren en er is wetenschappelijke verantwoording en validatie zijn nodig. Dit laatste wordt momenteel bekeken door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet die uiterlijk in november hun bevindingen op zullen leveren.

Tot het moment waarop de Minister een methode aanwijst op basis waarvan bedrijven met melkvee bedrijfsspecifiek verantwoording af kunnen leggen dienen bedrijven met melkvee op basis van de forfaitaire excretiewaarden uit de Meststoffenwet verantwoording af te leggen binnen het stelsel van fosfaatrechten. De kans dat dit lukt voor 2017 is erg klein. Uit de beantwoording van de schriftelijke vragen naar aanleiding van het Wetsvoorstel geeft de staatssecretaris zelf aan dat hij invoering van de kringloopwijzer voorafgaand aan de generieke korting in 2018 onaannemelijk vindt (zie ook de tweet hierboven). Nu moet het Wetsvoorstel natuurlijk nog in de Tweede Kamer worden behandeld en kunnen er ook met betrekking tot dit aspect nog wijzigingen worden doorgevoerd. Echter het is zeker zinnig om nu al nadrukkelijk rekening houden met een scenario waarin dit niet het geval is en tenminste in 2017 zal moeten worden gewerkt met de voorgeschreven excretieforfaits.