Gehalten in koek na mestscheiding

Monsters van vaste mest bestaande uit koek na scheiding van rundveemest (mestcode 13) en varkensmest (mestcode 43) mogen sinds 1 oktober 2017 alleen worden genomen door onafhankelijke monsternemers van een geaccrediteerde en erkende organisatie. Deze maatregel is destijds geïntroduceerd om manipulatie van gehalten bij de monstername uit te sluiten en de uniformiteit van de monstername (en daarmee van de analyse uitslagen) te verbeteren. Het ging er daarbij vooral om onverklaarbare (extreem) hoge gehalten uit te sluiten en discussies omtrent de rechtmatigheid daarvan te voorkomen.

Dat sommige gehalten als (te) hoog konden worden aangemerkt was duidelijk. Minder duidelijk is welke gehalten nu als ‘te’ hoog dienen te worden aangemerkt. In december 2017 hebben Cumela Nederland, LTO, POV, TLN en Rabobank (hierna: Cumela cs) hiervoor een aanzet gegeven in de vorm van een tabel met acceptabele bandbreedtes voor analyse-uitslagen van een aantal mestsoorten. Onder deze mestsoorten waren mestcode 13 en mestcode 43. Doel van de tabel is om eenvoudig te kunnen te bepalen of sprake is van onacceptabele gehalten in de aan- of afgevoerde mest. Hieronder de destijds gepubliceerde Tabel.

klik op het plaatje voor een vergroting

 

Cumela cs geeft als acceptabele bovengrenzen voor mestcode 13 gehalten van 8 kilogram stikstof per ton en 6 kilogram fosfaat per ton. Voor mestcode 43 zijn deze gehalten16 kilogram stikstof per ton en 20 kilogram fosfaat per ton.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft daarnaast voor analyses van koek na mestscheiding (mestcodes 13 en mestcodes 43) absolute bovengrenzen voor het fosfaatgehalte gedefinieerd. Deze bovengrenzen zijn het resultaat van onderzoek van de Wageningen University & Research. Uit het onderzoek volgt voor mestcode 13 een bovengrens van 15 kilogram fosfaat per ton. Voor mestcode 43 geldt een bovengrens van 31 kilogram fosfaat per ton.

Het is de vraag hoe zowel de Tabel van Cumela cs als de bovengrenzen van RVO zich verhouden tot hetgeen in de praktijk wordt waargenomen. Zeker met de onafhankelijke monsternemer als schakel in het monsternameproces. Door middel van een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur zijn de resultaten van de vervoersdocumenten dierlijke mest (VDM’s) voor mestcode 13 en 43 in de periode 1 oktober 2017 tot 1 september 2018 (één jaar) opgevraagd.

De resultaten van deze analyses zijn samengevat in onderstaande Tabel. Een drietal opvallende conclusies:

1. De forfaitaire gehalten van 2019 liggen voor met name stikstof aanzienlijk boven het gehalte dat gemiddeld in de praktijk wordt waargenomen. Voor fosfaat is ook sprake van een verschil, maar is het verschil kleiner.

2. Ruim 70% van de monsters van mestcode 13 liet een hoger gehalte zien dan het acceptabele gehalte voor stikstof of fosfaat in de tabel van Cumela cs. Voor mestcode 43 was dit nog bijna een kwart van de monsters.  Bij zulke percentages kunnen tenminste kanttekeningen worden geplaatst bij de term ‘acceptabele gehalten’.

3. De grens van de door RVO geformuleerde grenswaarde werd slechts respectievelijk 4% en 3% van de monsters overschreden. Dit zou het gevolg kunnen zijn van een nabehandeling (bijvoorbeeld drogen) van de betreffende vrachten. Als controlepunt lijken de gehalten dien door RVO worden gehanteerd echter wel reëel.

 

mestcode forfait (kg/ton) gemiddelde (kg/ton) % monsters boven norm 
stikstof fosfaat stikstof fosfaat bovengrens Cumela cs maximum RVO
mestcode 13 16,9 9,8 9,8 7,6 72,7 4,4
mestcode 43 25,7 21,4 10,9 18,0 23,0 2,8

 

Wie kijkt naar de gehalten die in de praktijk worden aangetroffen in koek na mestscheiding  in relatie tot de forfaitaire gehalten,  de acceptabele gehalten (Cumela cs) en de onaannemelijke gehalten (RVO) kan niet anders dan concluderen  dat zowel de forfaitaire gehalten voor deze mestcodes als de gehalten die worden gebruikt in de Tabel van Cumela cs als ‘acceptabele’ gehalten bijstelling behoeven. 

 

Wijziging voorraad dierlijke mest: onderbouwen en motiveren

Bij procedures die betrekking hebben op het vermeend niet voldoen aan de voorwaarden van de Meststoffenwet komt het regelmatig voor dat de hoogte van de eindvoorraad dierlijke mest in geschil is. Een voorbeeld daarvan is een zaak waarin de rechtbank Gelderland onlangs uitspraak deed (ECLI:NL:RBGEL:2017:2942).

Wanneer we spreken over de hoogte van de eindvoorraad dierlijk mest zijn er twee aspecten aan de orde: de omvang van de mestvoorraad (de tonnen) en de gehalten aan stikstof en fosfaat in de mestvoorraad (kg per ton). Met betrekking tot het eerste komt het voor dat de betreffende agrariër aangeeft dat de omvang van de mestvoorraad in eerste instantie niet goed is ingeschat en bij nader inzien hoger (voor zover het de eindvoorraad betreft) had moeten zijn vastgesteld. Het tweede aspect, de gehalten in de mestvoorraad, worden door RVO – indien mogelijk – gerelateerd aan de afgevoerde mest. Vooral bij van nature sterk ontmengende mestsoorten kan dit resulteren in een vertekend beeld van de eindvoorraad.

20170313 ontvangstbevestiging

De eigen opgave van een mestvoorraad is een belangrijke basis

Met betrekking tot de correctie van een oorspronkelijke hoeveelheid mestvoorraad geldt dat RVO in beginsel de door agrariër zelf opgegeven cijfers tot uitgangspunt mag, kan en zal nemen. Dit wordt alleen anders wanneer de agrariër naderhand geloofwaardig kan maken dat en waarom zijn oorspronkelijke opgave (toch) onjuist was. Daarbij geldt dat minder snel reden bestaat tot afwijking van de oorspronkelijke opgave van de agrariër naarmate er meer tijd is verstreken tussen de eerste opgave en de voorgestelde correctie daarvan. Daarnaast geldt dat die correcties extra kritisch zullen worden bezien indien plaatsvinden in het kader van een procedure over een bestuurlijke boete. Dit betekent dat het op de weg van de agrariër ligt om zijn stellingen op dit punt aannemelijk te maken en te onderbouwen.

Dat een eenvoudige verklaring niet volstaat om de eindvoorraad dierlijke mest te corrigeren blijkt onder andere in deze procedure (ECLI:NL:RBGEL:2017:2942). Regel is dat op grond van de beschikbare stukken de betrouwbaarheid van de correctie moet kunnen worden vastgesteld en hoe later in de procedure deze wijziging moet worden doorgevoerd hoe overtuigender de argumenten zullen moeten zijn.

Hetzelfde geldt min of meer voor de vaststelling van de gehalten in de voorraad dierlijke mest. Op grond van artikel 94, lid 2 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) moeten de gehalten aan stikstof en fosfaat in de voorraad mest worden bepaald aan de hand van de ‘best beschikbare gegevens’. In de toelichting op artikel 94 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt het begrip ‘best beschikbare gegevens’ om het mineralengehalte in een voorraad te bepalen verder toegelicht:

  1. De beste methode is de gehele voorraad bemonsteren en analyseren op dezelfde manier als de aan- en afvoer van mest. Als dit praktisch gezien niet mogelijk is, dan:
  2. Uitgaan van de gehalten van de in het desbetreffende jaar afgevoerde hoeveelheid mest. Als die gegevens niet beschikbaar zijn, dan:
  3. Gebruik maken van de forfaitaire gehalten van de betreffende mestcode.

In de praktijk hanteert RVO waar mogelijk bemonsterde waarden van afgevoerde mest en anders de forfaitaire waarden van een gegeven mestcode. Wie daar van af wil wijken zal moeten motiveren waarom de afwijking beter voldoet als ‘best beschikbare methode’. Met andere woorden men zal moeten onderbouwen dat het gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest, niet voldoet aan de definitie  ‘best beschikbare methode’ van de gehalten aan stikstof en fosfaat in de betreffende voorraad dierlijke mest en bovendien aannemelijk moeten maken dat het voorgestelde alternatief dit wel of beter doet. In de eerder genoemde casus bepaalde de rechtbank dat RVO slechts andere – vaak voor de agrariër gunstigere – gehalten hoeft te hanteren indien er gerede twijfel bestaat over de juistheid van de vastgestelde waarden op basis van de gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest of het forfait.

Moraal van het verhaal is dus dat wanneer er een geschil is over de hoogte en/of het mineralengehalte in een mestvoorraad het niet een kwestie is van ‘even aanpassen’. Het zaak is, dit zo vroeg mogelijk in de procedure aan te geven en de argumenten daartoe stevig te onderbouwen en te motiveren.

AGR/GPS per 1 januari 2017 verplicht voor export vaste verwerkte mest [update]

Op 22 december 2016 is de regelgeving gepubliceerd waarin de exporteurs vaste rundvee- en varkensmest na mestscheiding worden verplicht om  hun transport materieel te hebben uitgerust mest AGR/GPS. Deze verplichting gaat in  per 1 januari 2017. Langs verschillende kanten is met verbazing gereageerd op de korte termijn tussen de publicatie in de Staatscourant en de datum waarop de maatregel van kracht wordt. Ook al is deze maatregel eerder aangekondigd, de verplichting is pas definitief wanneer de wijziging van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet ook als zodanig is gepubliceerd. In een aantal gevallen hebben exporteurs daarom gewacht met het nemen van maatregelen tot dit het geval was. Nu er maar 6 werkdagen zitten tussen de publicatie en de inwerkingtreding van de regelgeving zullen ze er niet in slagen tijdig aan de regelgeving te voldoen.

Vanuit verschillende kanten wordt dan ook aangedrongen op een overgangsregeling waarbinnen bijvoorbeeld alleen waarschuwend wordt opgetreden, maar geen boetes worden opgelegd. Maar laat duidelijk zijn: op dit moment is geen sprake van een dergelijke overgangsregeling en geldt dat vanaf 1 januari AGR/GPS verplicht zijn.

Onafhankelijk monsternemer

In dezelfde publicatie in de Staatscourant zijn ook de verplichtingen voor de onafhankelijk monsternemer beschreven. Duidelijk is dat dit systeem van bemonstering voor dikke fracties van rundvee- en varkensmest (na mestscheiding) en mengsels met deze dikke fracties zal gaan gelden vanaf 1 oktober 2017.

[update: 2 januari 2017]: Inmiddels heeft Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken aangegeven niet voornemens te zijn om het schrappen van de vrijstelling voor de AGR/GPS verplichting bij de export van vast bewerkte mest op te schorten. Hij wil de sector wel tegemoet komen in hun zorgen dat, vanwege de publicatie van de regeling aan het eind van het jaar, ondernemers niet tijdig kunnen voldoen aan de nieuwe voorwaarden. Hij heeft daarom toegezegd  vanaf 1 januari 2017 een periode te zullen hanteren waarin niet direct handhavend wordt opgetreden, maar waarin de sector in de gelegenheid wordt gesteld de benodigde apparatuur alsnog te laten installeren. RVO.nl en NVWA zullen in die periode alleen waarschuwen en geen boetes opleggen. Van Dam denkt hierbij aan een periode van 4 weken maar zal met de sector overleggen over wat realistisch is en daarover nader communiceren.

Lees hier de volledige publicatie uit de Staatscourant

Onafhankelijke monstername bij dikke fractie verplicht in 2017

Al eerder berichtten we op deze site over het feit dat de internetconsultatie van de Wijzigingsregeling van de Uitvoeringsregeling is opengesteld. Hierin is onder andere opgenomen dat vaste mestmonsters van dikke fractie vanaf 2017 alleen mogen worden genomen door onafhankelijke monsternemers van een geaccrediteerde en erkende organisatie en niet meer door vervoerders zelf. De staatssecretaris wil deze regeling opnemen in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (URM) en per 1 januari 2017 in werking laten treden.

Met de nieuwe regeling willen de overheid en het bedrijfsleven de fraude met vaste mest terugdringen en de handhaving van het mestbeleid versterken.

Onder de nieuwe regeling is onafhankelijke monstername bij de afvoer van dikke fractie na mestscheiding vanaf het bedrijf verplicht. Het gaat hierbij om vaste mest bestaande uit koek na mestscheiding die valt onder mestcode 13 en mestcode 43 of een mengsel waarin mestcode 13 en/of 43 zit.

Naast vrachtbemonstering wordt het onder strikte voorwaarden waarschijnlijk ook mogelijk om een partij te bemonsteren. Dit mestmonster geldt dan voor meerdere vrachten van vaste dierlijke meststoffen uit de betreffende partij.

Op het moment dat de nieuwe regeling in werking treedt, moet een onafhankelijke monsternemende organisatie zijn erkend door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze erkenning kan vanaf (waarschijnlijk) begin november bij RVO worden aangevraagd.

Kosten

De kosten voor het aanvragen van de erkenning zijn € 1.312. De erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd en is niet overdraagbaar.

Verplichtingen organisatie

Een erkende onafhankelijke monsternemende organisatie heeft meerdere verplichtingen:

  • Deelname aan het harmonisatieoverleg tussen de monsternemende organisaties en het ministerie van Economische Zaken.
  • Gevolg geven aan de uitkomsten van dat overleg.
  • Zorg dragen dat onafhankelijkheid geborgd is. U garandeert bijvoorbeeld dat monsters genomen worden door een onafhankelijk persoon.
  • Zorg dragen voor het feit dat dat monsters genomen worden volgens de regels die gelden voor vrachtbemonstering en partijbemonstering
  • Houden aan de voorschriften in het accreditatieprogramma (AP06). Deze wordt later gepubliceerd.
  • Registratie van afwijkingen en bijzonderheden zoals:
    • afwijkingen van de werkwijze zoals beschreven in het accreditatieprogramma (AP06). Deze wordt later gepubliceerd.
    • afwijkingen van de bemonsteringsstrategie van de monsternemende organisatie.
    • bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen.

Van afwijkingen of bijzonderheden is bijvoorbeeld sprake als er gescheiden mest is opgegeven, maar ter plaatse blijkt het niet om dikke fractie te gaan. Wanneer afwijkingen of bijzonderheden worden geconstateerd mag de bemonstering niet worden uitgevoerd en dient de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) te worden geïnformeerd.

Voorwaarden monstername

Ook het nemen van een representatief monster is aan regels en voorwaarden geboden. Meer informatie over de voorwaarden van en regels bij de vrachtbemonstering vindt u door hier te klikken. Meer informatie over de voorwaarden van en regels bij de partijbemonstering vindt u door hier te klikken.

Internetconsultatie ‘bemonsteringssystematiek dikke fractie’ opengesteld

Op 16 juli jongstleden is een internetconsultatie opengesteld waarin een aantal wijzigingen aan de orde komen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet die met name betrekking hebben op de bemonsteringssystematiek van vaste mest (dikke fractie).

Met de wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt de bemonsteringssystematiek van vaste mest (dikke fractie) aangepast. De bemonstering van vaste mest wordt tot op heden door de vervoerder uitgevoerd. Hierdoor wordt in de ogen van de overheid de betrouwbaarheid van de bemonsteringsuitslag onvoldoende gegarandeerd en wordt mogelijk geen representatief beeld van de totale vracht gegeven. In het 5e Nitraat Actie Programma (hierna: NAP) heeft Nederland toegezegd dat er een systematiek zal worden ontwikkeld waardoor de kans op foutieve bemonstering wordt geminimaliseerd.

De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft met een brief van 20 november 2014 (Kamerstukken II 2014/15, 33037, nr. 136) en een brief van 13 oktober 2015 (Kamerstukken II, 2015/16, 33037- nr. 160) de Tweede Kamer aangekondigd dat de huidige bemonstering voor vaste mest wordt aangepast. De Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt zo aangepast dat alleen nog onafhankelijke monsternemende organisaties, zijnde organisaties die beschikken over een accreditatie en een erkenning, de bemonstering van vaste mest, bestaande uit dikke fractie na mestscheiding, mogen uitvoeren.

Volgens de voorliggende regeling moet dikke fractie, mestcode 13 of 43 (of een mengsel met deze mestcodes),  na inwerking treding van de aanpassing bij afvoer bemonsterd worden door een onafhankelijk monsternemer of een onafhankelijk en geaccrediteerde organisatie. Het is de bedoeling is dat op termijn alle vaste mestsoorten door een onafhankelijke monsternemer worden bemonsterd.  Het mestmonster moet volgens het voorstel per vracht tijdens het lossen worden genomen. Indien de mest naar het buitenland wordt gebracht, moet het monster tijdens het laden worden genomen.

Naast de bemonstering per vracht is onder voorwaarden ook partijbemonstering mogelijk. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

  • Er mag maar één partij mest op de locatie aanwezig zijn.
  • De afvoer van de gehele partij vindt plaats op één dag.
  • De partij mag tussen de monstername en afvoer niet van samenstelling wijzigen en ook niet worden verplaatst.
  • De periode tussen het moment van bemonstering en afvoer is maximaal 2 werkdagen.

Ook wordt de uitzondering voor verplicht gebruik van AGR/GPS apparatuur bij grensoverschrijding ingetrokken (TK 33037, nr. nr.160). Door de uitzondering kan de schijn gewekt worden dat mest buiten de landsgrenzen is gebracht. Met het schrappen van de uitzondering kan hierop beter toezicht worden uitgeoefend. Het besluit om AGR/GPS te verplichten voor export van bewerkte mest heeft tot gevolg dat 150 tot 300 transportmiddelen voorzien moeten worden van AGR/GPS-apparatuur.

Het is de bedoeling dat de nieuwe regelgeving per 1 januari 2017 wordt ingevoerd.

De consultatie heeft tot doel om belanghebbenden te informeren over de wijzigingsregeling en geeft de gelegenheid, te reageren en bezwaarpunten in te brengtn. Wie wil reageren kan dit doen voor 10 september 2016 en kan daarvoor gebruikmaken van deze internetpagina. Op deze pagina kan ook de tekst van de Ministeriële regeling worden geraadpleegd.

NVV opent Meldpunt Boetes Meststoffenwet

Al eerder maakten we op deze site melding van het zogenaamde fosfaatgat. We gebruikten deze term voor die situaties waarin aan een veehouder een boete worden opgelegd terwijl de ondernemer (vaak van een bedrijf met geen of weinig grond) aangeeft structureel (meer dan) voldoende mest te hebben afgevoerd, maar de balans toch niet sluitend kan krijgen en daarmee niet kan voldoen aan de verantwoordingsplicht.

De exacte oorzaak van een dergelijk fosfaatgat blijft onduidelijk, maar is meer dan waarschijnlijk terug te voeren tot spreiding en onnauwkeurigheden in het systeem en de gebruikte systematiek of andere heterogeniteit in de mestafvoer of mestaanvoer. De juridische interessante vraag is  in hoeverre en wanneer dergelijke spreiding en onnauwkeurigheden kunnen worden aangevoerd als een omstandigheid die het opleggen van een boete onterecht maken.  De procedures in dit kader lopen nog en zullen in 2016 een vervolg krijgen.

meldpuntmeldpunt NVV

In het verlengde hiervan opende de NVV onlangs een meldpunt boetes meststoffenwet. Doel van dit meldpunt is het krijgen van inzicht in de boetes die varkenshouders vanaf de invoering van de nieuwe meststoffenwet in 2007 hebben gekregen, als ze de mineralenbalans op hun bedrijf niet sluitend krijgen.  Daarvoor start de NVV een analyse en roept leden op zich te melden als ze tegen een opgelegde boete in beroep zijn gegaan.

Bij de NVV is op dit moment een aantal zaken bekend waarbij varkenshouders zijn veroordeeld door de rechtbank voor het niet kunnen voldoen aan de verantwoordingsplicht, ondanks dat ze in de ogen van de betrokken veehouder, voldoende mest hadden afgevoerd.  Zij kregen hiervoor boetes opgelegd. In sommige gevallen werd de boete na behandeling door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) aanzienlijk verlaagd. In sommige gevallen werd de zaak door RVO geseponeerd voor behandeling door het CBb. Maar ook zijn bij mestboete.nl zaken bekend waarbij RVO juist hoger beroep aantekende naar aanleiding de uitspraak van een rechtbank.

Inzicht

Om meer inzicht te krijgen in  de zaken waar varkenshouders tegenaan lopen bij dergelijke procedures, roept de NVV haar leden op zich te melden als ze tegen een opgelegde boete bezwaar hebben gemaakt. Meld daarbij wat de uitkomst van de procedure is geweest. Ook varkenshouders die een schikking hebben getroffen worden verzocht zich te melden. Meer info vindt u hier.

Indienen kringloopwijzer voor maart 2016

Vanaf 2015 zijn alle melkveebedrijven met een fosfaatoverschot verplicht de KringloopWijzer in te vullen. De zuivelondernemingen hebben deze verplichting opgenomen in hun leveringsvoorwaarden. De genoemde groep melkveebedrijven moet voor 1 maart 2016  de kringloopwijzer hebben opgesteld en ingediend. Dit  dient te gebeuren via de site: www.dekringloopwijzer.nl. Voordat kan worden begonnen met het invullen van de kringloopwijzer, moet op de site worden ingelogd. Dit inloggen verloopt via eHerkenning (Niveau 2+). Hiervoor is geopteerd vanuit privacy overwegingen: de gegevens die nodig zijn om de kringloopwijzer kunnen voor een belangrijk deel automatisch worden ingelezen. Dat vraagt natuurlijk om een deugdelijke afscherming. Na het inloggen kunnen machtigingen worden gegeven aan organisaties waarmee deze hun gegevens automatisch in kunnen laden.

Doel van het instellen van deze verplichting is dat met de KringloopWijzer de mineralenefficiëntie op een melkveebedrijf in beeld worden gebracht. Op  basis van dit inzicht kan beter worden gestuurd op de benutting van mineralen en daarmee worden bespaard op voer- en kunstmestaankoop en/of mestafvoer.

Door het optimaliseren van de bedrijfsvoering zou het in de toekomst bovendien mogelijk moeten zijn om ontwikkelingsruimte te creëren voor het bedrijf. In bovenstaande Youtube video wordt ingegaan op het proces omtrent de kringloopwijzer: van inloggen tot indienen.

Is de verplichting tot het indienen van de kringloopwijzer in 2015 beperkt tot melkveebedrijven met een fosfaatoverschot., vanaf 2016 is de kringloopwijzer verplicht voor alle melkveebedrijven.

Reactie Cumela, LTO en NVV op anti-fraude maatregelen Meststoffenwet

Per brief van 13 oktober 2015 heeft staatssecretaris Dijksma de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de fraudemaatregelen Meststoffenwet. In haar brief geeft staatssecretaris Dijksma een overzicht van de beleidsmaatregelen die zijn of worden ingevoerd met betrekking tot het bestrijden van fraude met mest. Op 16 oktober heeft Cumela Nederland hier in een brief op gereageerd. Daarbij geeft Cumela aan enerzijds het doel van het beleid en de diverse maatregelen die in de brief worden genoemd te ondersteunen. Anderzijds, vraagt Cumela aandacht voor enkele bezwaren.

AGR-GPS

De verplichting tot het gebruik van AGR-GPS bij de export van vaste mest bewerkte mest is onnodig en zou de flexibiliteit van dergelijke transporten sterk beperken volgens Cumela

Het belangrijkste bezwaar heeft betrekking op het beëindigen van de uitzondering van de toepassing van AGR/GPS bij de export van vaste/bewerkte mest. In de brief van de staatssecretaris wordt gesteld: ‘Deze transporten komen pas in beeld van de handhavende instanties nadat de VDM’s zijn aageleverd (maximaal 30 dagen na transport). Deze maakt controle in Nederland of in onze buurlanden vrijwel onmogelijk‘. Cumela wijst de staatssecretaris er fijntjes op dat al deze vrachten minimaal 12 uur voordat het transport plaatvind dient te zijn aangemeld bij de NVWA, inclusief leverancier en afnemer in het buitenland. Dit betekent dat de handhavende instanties dus al vooraf op de hoogte zijn van de uit te voeren transporten en niet pas wanneer het VDM binnen is bij RVO. Cumela hecht groot belang aan deze uitzondering omdat die het mogelijk maakt om bij een grote mestvraag in het buitenland extra transportcapaciteit via zogeheten ‘charters’ in te huren. Het vervallen van de uitzondering zou dat onmogelijk maken en zou daarmee een deel van de noodzakelijke flexibiliteit bij de export van vaste mest onmogelijk maken.

Een tweede bezwaar van Cumela is gericht tegen het toepassen van de Wet bibob bij registratie van elke nieuwe intermediairsregistratie. In de brief wordt in dit kader gewezen op de praktische uitvoerbaarheid van de maatregel bij bijvoorbeeld een samenwerkingsverband tussen een loonwerker met een aantal veehouders.

LTO stelt in haar reactie dat fraudebestrijding bij mestafzet goed is, maar  de onafhankelijke monstername veehouders te veel op kosten zal jagen.  Dijksma wil onder andere dat de bemonstering van vaste mest voortaan wordt uitgevoerd door een erkende, onafhankelijke organisatie die zich vooraf heeft geaccrediteerd en niet meer door de vervoerder van de mest. LTO vreest dat dit zal leiden tot hoge kosten voor veehouders, en dan blijft het risico op fraude bestaan. Daar moet een alternatief voor ontwikkeld worden.

Dijksma liet bij de aankondiging van de maatregelen weten dat ze openstaat voor alternatieven die eenzelfde effect hebben als de aanpak die zij voorstelt. LTO wil daar graag met de staatssecretaris over in gesprek.

De Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) geeft in haar reactie aan het risico zeer groot te achten dat de extra kosten voor de anti-fraude maatregelen eenzijdig worden afgewenteld worden op de varkenshouders terwijl de sector in zwaar financieel weer verkeert.

NVV had altijd al grote twijfels over het functioneren van de Meststoffenwet. Dit is voor de organisatie de reden geweest om jaren geleden een procedure aan te spannen tegen de overheid, omdat varkenshouders door de aangetoonde onnauwkeurigheden in het systeem van wegen en bemonsteren vastlopen in de verantwoording van mineralen. NVV overweegt om meer werk van die juridische procedure te maken.

Of de staatssecretaris gevoelig is voor de argumenten van Cumela,  LTO en NVV zal binnenkort blijken: wordt vervolgd dus.

Vervolg anti-fraude beleid mesttransporten

In een brief aan de Tweede Kamer gaf Staatssecretaris Dijksma een overzicht van haar beleid om fraude bij transport van mest uit te bannen. Ze omschrijft haar aanpak als fors maar noodzakelijk. Een overzicht van de door haar genoemde maatregelen:

 

Zwaardere toets bij toetreding

Sinds 1 januari 2014 is het toetsingskader uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob), opgenomen in de Meststoffenwet. Hiermee kan de registratie van intermediairs worden ingetrokken. Vanaf nu zal dit toetsingskader ook worden toegepast voorafgaand aan elke nieuwe registratie van een intermediaire onderneming. Het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet maakt dit op dit moment al mogelijk. Het toepassen van het toetsingskader van de Wet bibob op deze wijze voorkomt dat intermediairs, waarvan de registratie eerder is ingetrokken, zich eenvoudig opnieuw kunnen laten registreren.

GPSkoffer

Het gebruik van losse GPS koffers werd al eerder aangemerkt als te fraudegevoelig.

Verantwoording van aan- en afvoer

Momenteel houden zowel primaire als intermediaire ondernemers een verantwoording bij van aan- en afgevoerde hoeveelheden fosfaat. Verantwoording op stikstof is alleen verplicht voor primaire ondernemers. Intermediaire bedrijven kennen deze verplichting niet vanwege de stikstofverliezen die optreden bij opslag, be- en verwerking van mest. Onvermijdelijke vervluchtiging tijdens opslag in combinatie met variabele verliezen in mestbewerking geven een grote onzekerheidsmarge in de handhaving. Dit maakt dat een verplichte verantwoording op stikstof voor intermediairen onvoldoende aangrijpingspunten geeft in de handhaving.

Wel  vindt nog onderzoek plaats naar hoe het drogestof gehalte in mestmonsters benut kan worden in de handhaving en hoe dit zich verhoudt tot extra administratieve lastendruk.

 

Mestopslagen 

Ten behoeve van een effectievere handhaving op bedrijfsniveau wordt de registratie van mestopslagen verbeterd per 1 januari 2016. Van de opslagen worden de GPS-coördinaten vastgelegd, waardoor een koppeling mogelijk is met de laad- en losberichten die RVO.nl van de transportmiddelen ontvangt. Verder krijgt elke opslag een uniek nummer, waardoor de historie van de opslag, ook als deze een andere eigenaar krijgt, te volgen is. Bij een melding van overdracht van het gebruik van de opslag wordt niet alleen het nummer, maar ook de hoeveelheid mest, inclusief de tonnen stikstof en fosfaat in betreffende opslag, geregistreerd op naam van de nieuwe gebruiker.

 

Extreme waarden

Bij het vervoer van mest worden via bemonstering en analyse de mineralenconcentraties van de vracht bepaald. Met enige regelmaat ontvangt RVO.nl extreem hoge of lage concentraties. Extreme waarden zijn een signaal voor de handhaver. De controle aandacht richt zich op de verantwoordingsplicht van diverse actoren in de keten, op de intermediair die het monster heeft genomen, de mestleverancier, de ontvanger van de mest of een combinatie daarvan. Intermediaire ondernemers die mest met extreme waarden vervoeren kunnen aanvullend, verplicht worden alle afvoer uiterlijk 24 uur voorafgaand aan het laden te melden, voor een periode van maximaal één jaar – met mogelijkheid tot verlenging. De NVWA kan vervolgens toezicht houden op het laden en lossen van het transport, de monsters onder zich nemen en eventueel een contra-monster nemen.

 

Onafhankelijke monsterneming vaste mest

In eerdere brieven  de Staatsecretaris al uitgebreid inhoudelijk ingegaan op de nieuw te ontwikkelen systematiek van bemonstering van vaste mest. Kern is dat het feitelijk nemen van het monster in de nieuwe situatie niet meer door de vervoerder, maar door een geaccrediteerde en erkende, onafhankelijke organisatie wordt uitgevoerd.

Het objectiveren van mestmonsters vaste mest is mogelijk de belangrijkste in de totale fraudeaanpak. Dit vraagt om een goede balans. De wens tot snelle invoering is groot, maar tegelijkertijd willen we verzekerd zijn van een stevig fundament voor de toekomst en voldoende invoeringstijd. De regelgeving wordt de eerste helft van 2016 gepubliceerd. Op dat moment zal gekozen worden wanneer de regeling onverkort van kracht wordt.

 

Risicoanalyse uitzonderingen transportregelgeving

De hoofdregels voor mesttransport is dat een mesttransport vergezeld gaat van een Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (VDM), dat de mest wordt gewogen, bemonsterd en geanalyseerd en dat het transportmiddel is uitgerust met AGR/GPS-apparatuur. Daarnaast wordt de mest vervoerd door een geregistreerd vervoerder. Op deze regel zijn in de loop der tijd een aantal uitzonderingen ontstaan (denk aan mestafzet naar particulieren). Op basis van VDM-analyses van RVO.nl blijkt bijna 25% van alle mesttransporten gebruik te maken van één of meerdere uitzonderingen op de hoofdregels. Dit zet de handhaafbaarheid en de naleving onder druk.

De hoofdregels voor mesttransport zijn duidelijk en noodzakelijk. Voor de uitzonderingen op de deze regel zal een risico-analyse met betrekking tot de kans op en/of de impact van niet-naleving worden uitgevoerd.  Op basis van de uitkomsten van deze risicoanalyse komt de staatsecretaris in 2016 met een voorstel om het aantal uitzonderingen daar waar nodig in te perken.

De uitzondering van AGR/GPS op export van vaste bewerkte mest wordt door mijn handhavers als prominente risicofactor genoemd. Het gaat hier om ruim 7000 transporten van enkele 10-tallen bedrijven. Deze transporten komen pas in beeld van de handhavende instanties nadat de VDM’s zijn aangeleverd (maximaal 30 dagen na transport). Dit maakt controle in Nederland of in onze buurlanden vrijwel onmogelijk. Daarom zal ik deze uitzondering zo spoedig mogelijk en vooruitlopend op mijn risicoanalyse, schrappen.

Actieve handhaving op nieuwe AGR/GPS-regels bij vervoer vaste mest

Zoals al eerder op deze site is geschreven zijn vanaf 1 april 2015 de regels voor het gebruik van AGR-GPS apparatuur voor het vervoer van vaste mest gewijzigd. Vanaf die datum is het niet meer toegestaan om losse AGR/GPS apparatuur te gebruiken. De AGR/GPS-apparatuur moet onlosmakelijk verbonden zijn met het chassis van het transportmiddel (trekkend en getrokken voertuig). Verder is het verplicht om vervoersmiddelen van vaste mest te registreren en de koppeling tussen het kenteken en het unieke AGR-apparaat te registreren. Na een overgangsperiode wordt vanaf 1 september actief gehandhaafd op naleving van de nieuwe regels.

agr-gps

meer info over typegoedkeuringen e.d. op de site van RVO

Transportmiddelen zonder luchtvering

Transportmiddelen zonder luchtvering mogen tot 1 januari 2016 de bestaande AGR/GPS- apparatuur (losse unit) blijven gebruiken. Bij transportmiddelen zonder luchtvering hoeft de AGR/GPS-apparatuur nog niet onlosmakelijk verbonden te zijn met het chassis van het transportmiddel. Wel moet ieder chassis waarop een laadbak voor vaste mest is of wordt bevestigd een eigen AGR/GPS-apparaat hebben. Bij een containerauto met aanhanger zijn dus twee AGR/GPS-apparaten nodig! Daarnaast  is het ook verplicht om deze vervoersmiddelen van vaste mest nu al te registreren en de koppeling tussen het kenteken en het unieke AGR-apparaat te registreren.

Handhaving

Vanaf 1 september 2015 wordt door de NVWA en RVO actief gehandhaafd op de nieuwe regels.