Gehalten in koek na mestscheiding

Monsters van vaste mest bestaande uit koek na scheiding van rundveemest (mestcode 13) en varkensmest (mestcode 43) mogen sinds 1 oktober 2017 alleen worden genomen door onafhankelijke monsternemers van een geaccrediteerde en erkende organisatie. Deze maatregel is destijds geïntroduceerd om manipulatie van gehalten bij de monstername uit te sluiten en de uniformiteit van de monstername (en daarmee van de analyse uitslagen) te verbeteren. Het ging er daarbij vooral om onverklaarbare (extreem) hoge gehalten uit te sluiten en discussies omtrent de rechtmatigheid daarvan te voorkomen.

Dat sommige gehalten als (te) hoog konden worden aangemerkt was duidelijk. Minder duidelijk is welke gehalten nu als ‘te’ hoog dienen te worden aangemerkt. In december 2017 hebben Cumela Nederland, LTO, POV, TLN en Rabobank (hierna: Cumela cs) hiervoor een aanzet gegeven in de vorm van een tabel met acceptabele bandbreedtes voor analyse-uitslagen van een aantal mestsoorten. Onder deze mestsoorten waren mestcode 13 en mestcode 43. Doel van de tabel is om eenvoudig te kunnen te bepalen of sprake is van onacceptabele gehalten in de aan- of afgevoerde mest. Hieronder de destijds gepubliceerde Tabel.

klik op het plaatje voor een vergroting

 

Cumela cs geeft als acceptabele bovengrenzen voor mestcode 13 gehalten van 8 kilogram stikstof per ton en 6 kilogram fosfaat per ton. Voor mestcode 43 zijn deze gehalten16 kilogram stikstof per ton en 20 kilogram fosfaat per ton.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft daarnaast voor analyses van koek na mestscheiding (mestcodes 13 en mestcodes 43) absolute bovengrenzen voor het fosfaatgehalte gedefinieerd. Deze bovengrenzen zijn het resultaat van onderzoek van de Wageningen University & Research. Uit het onderzoek volgt voor mestcode 13 een bovengrens van 15 kilogram fosfaat per ton. Voor mestcode 43 geldt een bovengrens van 31 kilogram fosfaat per ton.

Het is de vraag hoe zowel de Tabel van Cumela cs als de bovengrenzen van RVO zich verhouden tot hetgeen in de praktijk wordt waargenomen. Zeker met de onafhankelijke monsternemer als schakel in het monsternameproces. Door middel van een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur zijn de resultaten van de vervoersdocumenten dierlijke mest (VDM’s) voor mestcode 13 en 43 in de periode 1 oktober 2017 tot 1 september 2018 (één jaar) opgevraagd.

De resultaten van deze analyses zijn samengevat in onderstaande Tabel. Een drietal opvallende conclusies:

1. De forfaitaire gehalten van 2019 liggen voor met name stikstof aanzienlijk boven het gehalte dat gemiddeld in de praktijk wordt waargenomen. Voor fosfaat is ook sprake van een verschil, maar is het verschil kleiner.

2. Ruim 70% van de monsters van mestcode 13 liet een hoger gehalte zien dan het acceptabele gehalte voor stikstof of fosfaat in de tabel van Cumela cs. Voor mestcode 43 was dit nog bijna een kwart van de monsters.  Bij zulke percentages kunnen tenminste kanttekeningen worden geplaatst bij de term ‘acceptabele gehalten’.

3. De grens van de door RVO geformuleerde grenswaarde werd slechts respectievelijk 4% en 3% van de monsters overschreden. Dit zou het gevolg kunnen zijn van een nabehandeling (bijvoorbeeld drogen) van de betreffende vrachten. Als controlepunt lijken de gehalten dien door RVO worden gehanteerd echter wel reëel.

 

mestcode forfait (kg/ton) gemiddelde (kg/ton) % monsters boven norm 
stikstof fosfaat stikstof fosfaat bovengrens Cumela cs maximum RVO
mestcode 13 16,9 9,8 9,8 7,6 72,7 4,4
mestcode 43 25,7 21,4 10,9 18,0 23,0 2,8

 

Wie kijkt naar de gehalten die in de praktijk worden aangetroffen in koek na mestscheiding  in relatie tot de forfaitaire gehalten,  de acceptabele gehalten (Cumela cs) en de onaannemelijke gehalten (RVO) kan niet anders dan concluderen  dat zowel de forfaitaire gehalten voor deze mestcodes als de gehalten die worden gebruikt in de Tabel van Cumela cs als ‘acceptabele’ gehalten bijstelling behoeven. 

 

Gewascodes voor grasland in 2019

Per 1 januari 2019 zijn de gewascodes voor grasland die dienen te worden gebruikt voor de Gecombineerde Opgave gewijzigd. De meest opvallende wijziging is dat gewascode 336 voor grasland (natuurlijk grasland, hoofdfunctie natuur) is komen te vervallen. Voor de percelen die in 2018 gewascode 336 hadden,  moet in 2019 de gewascode 265 of 331 worden gebruikt. Welke code van toepassing is, is afhankelijk van de (verwachte) drogestof opbrengst per ha. Een kort overzicht van de gewascodes voor grasland in 2019.

Uitgesloten percelen

Om betalingsrechten te kunnen verzilveren op een perceel moeten dit perceel overwegend voor landbouwactiviteiten worden gebruikt. Op de percelen mogen weliswaar niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden, echter de duur van deze activiteiten mag niet meer dan 90 dagen per jaar plaatsvinden. Daarnaast zijn percelen met meer dan 50 bomen per hectare uitgesloten van betalingsrechten.

Grasland

Voor percelen (die voor een deel) bestaan uit grasland zijn voor 2019 vijf gewascodes beschikbaar. De indeling vindt in eerste instantie plaats op basis van de opbrengst aan drogestof per hectare:

Hoger dan 5 ton:

  • gewascode 266:  Tijdelijk grasland.
  • gewascode 265:  Blijvend grasland

Lager dan 5 ton:

  • gewascode 331:  Grasland natuurlijk, wel landbouwactiviteiten
  • gewascode 332:  Grasland natuurlijk, beperkte landbouwactiviteiten
  • gewascode 335:  Natuurterrein (hoewel deze gewascode niet wordt gezien als grasland).

Bij een hogere opbrengst dan 5 ton drogestof per ha dient het perceel te worden geboekt onder gewascode 265 (blijvend grasland) of gewascode 266 (tijdelijk grasland). Gewascode 266 dient daarbij te worden gebruikt voor  grasland dat minder dan vijf jaar aaneengesloten grasland is geweest.

Wanneer sprake is van een drogestofopbrengst van minder dan 5 ton drogestof per ha dan is  gewascode 331 (natuurlijk grasland, wel landbouwactiviteiten) mogelijk van toepassing. Dan moet wel sprake zijn van een landbouwkundig gebruik en moet het perceel tenminste eenmaal per jaar worden gemaaid.

Dit betekent dat ook extensief gebruikt grasland onder deze categorie kan vallen. Het betreft dan voor de ‘Meststoffenwet’ gewoon landbouwgrond, maar het wordt op basis van het opbrengstcriterium voor de Gecombineerde Opgave onder natuurlijk grasland geboekt.

Het omgekeerd kan ook het geval zijn. Het kan voor komen dat natuurterrein dat als grasland wordt gebruikt een opbrengst van meer dan 5 ton droge stof per ha heeft. In dat geval moet dan  gewascode 265 worden gebruikt.

Bovenstaande betekent dat ook gronden die voor de ‘Meststoffenwet’ als natuur worden aangeduid, voor de gecombineerde opgave als landbouwgrond gelden. Echter wanneer uit de gebruiksovereenkomst blijkt dat er beperkingen zijn met betrekking tot de beschikkingsmacht wordt het perceel voor de Meststoffenwet dat weer niet als landbouwgrond aangeduid en kunnen er geen gebruiksnormen aan worden ontleend.

Percelen met een lagere opbrengst en zonder of met weinig landbouwactiviteiten moeten onder  gewascode 332 worden opgegeven bij de gecombineerde opgave. Indien de grond meer dan 50% (of geheel) ‘verruigd’ is en het aandeel gras beperkt is, kan ook gekozen worden voor de gewascode 335. Het onderscheid met gewascode 332 is  niet strikt te maken. Beiden komen echter niet in aanmerking voor betalingsrechten of gebruiksnormen.

klik op het plaatje voor een vergroting in pdf

Resumerend betalingsrechten

Resumerend vinden op percelen met grasland onder de gewascodes 265, 266 en 331 landbouwactiviteiten plaats en kunnen deze worden gebruikt voor de uitbetaling van betalingsrechten, indien dit grasland feitelijk bij het bedrijf in gebruik is als landbouwgrond.

Gebruiksnormen

Voor de ‘Meststoffenwet’ is naast het feitelijke gebruik ook van groot belang of de gebruiker voldoende beschikkingsmacht heeft over de betreffende percelen. Het begrip beschikkingsmacht betekent dat de gebruiker in de praktijk in staat is het teeltplan en het bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in hun samenhang te realiseren’. Dit binnen de landbouwpraktijk van het bedrijf. In een groot aantal overeenkomsten voor het gebruik van percelen extensief gebruikt grasland is echter geen sprake van feitelijke beschikkingsmacht. Vaak zijn beperkende voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op het gebruik en het bemestingsplan beïnvloeden (er mogen maar een bepaald deel van het jaar dieren worden geweid, met een maximale veebezetting, er mag geen of een bepaalde hoeveelheid en soort mest op, er worden eisen gesteld aan het kunstmestgebruik, er worden eisen aan het maaibeheer gesteld). Daarnaast maakt een overeenkomst soms melding van zaken die door het waterschap zelf worden geregeld op de dijken. Het geheel van die voorwaarden kan tot de conclusie leiden dat  geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht.

Primaire waterkeringen

Wanneer een bedrijf een primaire waterkering in gebruik heeft, waar men niet de feitelijke beschikkingsmacht over heeft, moet dit aangegeven worden in de opgave. Dit heeft gevolgen voor de mestgebruiksnormen.

 

Klik hier voor het stroomschema van RVO

Voor wie zijn de fosfaatrechten bij opfok en inscharen?

Enige tijd geleden hebben we op mestboete.nl al enige aandacht besteed aan de problematiek van de toekenning van fosfaatrechten bij uitscharen en opfokken van jongvee. Melkveehouders schaarden een deel van het jaar een deel van hun (jong)vee uit bij een opfokker of een grondeigenaar om de dieren te weiden.  De fosfaatrechten werden toegekend aan de opfokker of de inschaarder . De eigenaar van de dieren of de uitschaarder stelt nu dat (een deel van) die rechten aan hem toebehoren. De inschaarder of opfokker kan zich niet vinden in die claim van de eigenaar of opfokker. In dergelijke situaties is in een aantal gevallen sprake van enig getouwtrek over en weer omtrent de vraag aan wie de fosfaatrechten toe behoren. Hoe zit het nu?

Bij de toekenning van de fosfaatrechten zijn de rechten toegekend aan het bedrijf dat op 2 juli 2015 aangemerkt werd als de houder van de dieren.  Het begrip ‘houden van dieren’, gaat, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten,  uit van het feitelijke houderschap. Het is daarbij van ondergeschikt belang of en dat de houder ook de eigenaar van de dieren is. Het gaat er dus,  voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten, niet om wie de eigenaar was van de dieren op de peildatum van 2 juli 2015, maar om wie de feitelijke houder van de dieren was. Dat wil zeggen degene die feitelijk de dieren in zijn stal had onderbracht, de dieren op zijn land weide of de verzorging op zich nam.

Dat rechten zijn toegewezen aan een partij wil nog niet per definitie zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij….

Maar dat de rechten zijn toegekend aan één partij wil nog niet zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij. In de gevallen dat dit wringt komen in de meeste gevallen partijen onderling wel tot een vergelijk, door bijvoorbeeld  een 50/50 verdeling toe te passen of de toebedeelde fosfaatrechten naar rato van de lengte van de uitschaarperiode te verdelen tussen uit- en inschaarder.  Een dergelijke verdeling (naar rato van de inschaarperiode) is niet mogelijk bij de opfokkers van jongvee, waar jongvee van een melkveehouder 12 maanden per jaar  is ondergebracht bij de opfokker.  In een aantal gevallen maakt de eigenaar van de dieren ook dan aanspraak op de rechten die aan de opfokker zijn toegewezen.

De vraag is hoe de rechtbank zal oordelen inzake dergelijke claims van de eigenaar van de dieren of de uitschaarder. In een aantal kort gedingen kwam de voorzieningenrechter tot op het eerste oog geheel verschillende uitspraken. Toch kunnen in deze zaken al wel een aantal (on)mogelijkheden worden gezien.

In een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland oordeelde de voorzieningenrechter dat de rechten naar rato moesten worden verdeeld van de periode waarover partijen de dieren hielden in een kalenderjaar. Daarrbij achtte de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat de inschaarder had meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee het uitscharende bedrijf het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van inschaarder heeft verhoogd. Tenslotte overwoog de rechtbank dat de inschaarder er geen in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden. De inschaarder heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering.

De Rechtbank Noord Nederland oordeelde in een andere casus  dat de opfokker medewerking moest verlenen aan het overdragen van de hem toegekende rechten aan de melkveehouder. De Rechtbank vond de grond hiervoor in een specifieke voorwaarden uit de ‘overeenkomst van opfok‘ die stelt dat indien ‘er tussentijds veranderingen komen vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen in geval van ruiming (mkz of andere ziekten) dan zijn deze voor de eigenaar van de dieren.’ De conclusie van de Rechtbank is dat uit hetgeen partijen in hun onderlinge verhouding zijn overeengekomen, volgt dat de opfokker verplicht is om mee te werken aan de overgang van de fosfaatrechten naar de eigenaar van de dieren, voor zover die fosfaatrechten zijn verkregen uit hoofde van het stallen van jongvee van de eigenaren van die dieren.

In een derde uitspraak  oordeelde de voorzieningenrechter juist weer in het voordeel van de inschaarder. De rechtbank overwoog daarbij dat met het afstaan van de fosfaatrechten de inschaarder zou worden benadeeld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat slechts sprake was van een eenmalige inscharing tussen partijen en geen structurele relatie. Daarnaast oordeelt de voorzieningenrechter dat de uitschaarder door de gang van zaken niet belemmerd wordt zijn bedrijfsuitvoering en de regeling er niet voor bedoeld is om agrariërs anderszins een geldelijk voordeel te verschaffen. Dat de inschaarder toevallig een voordeel heeft verkregen is het gevolg van een bewuste keuze van de wetgever en kan de inschaarder niet worden aangerekend aldus de voorzieningenrechter.

Uiteraard moeten de uitspraken in bodemprocedure meer duidelijkheid geven over de uiteindelijke toekenning van de rechten, maar wat de uitspraken tot nu toe laten zien is dat elke zaak specifiek is en zowel in zijn algemene context als in detail dient te worden beoordeeld. Een aantal aspecten die daarbij van belang kunnen wel uit de uitspraken worden afgeleid. Duidelijk is dat onder andere de afspraken die tussen partijen zijn vastgelegd in de overeenkomst van opfok van belang zijn. Ditzelfde geldt ook voor de lengte van de periode van uitscharen en de lengte van de periode van samenwerking tussen partijen (structureel of eenmalig). Een ander aspect is in hoeverre partijen al dan niet worden benadeeld in relatie tot hun toekomstige bedrijfsvoering en hoe partijen zich hebben gedragen in het kader van het fosfaatreductieplan.

 

Mestboetes in (on)redelijkheid – artikel V-focus

20170303 artikel v-focusOnder de treffende titel ‘Mestboetes in (on)redelijkheid schreef Geesje Rotgers in samenwerking met mestboete.nl in het decembernummer van V-focus een artikel over oorzaken, het verloop van de procedure en de gevolgen van mestboetes voor andere wetgeving.

Fouten maken met mest of in de mestadministratie leidt gemakkelijk tot een stapeling van boetes. Wanneer door een foutje de gebruiksnorm wordt overschreden, kan de derogatie worden ingetrokken met een boete tot gevolg. Mogelijk wordt dan ook niet voldaan aan de mestverwerkingsplicht en de voorwaarden die de Wet Verantwoorde Groei Melkveehouderij stelt, wat ook tot boetes zal leiden. Dan kan nog een korting op de betalingsrechten volgen.

Voor wie het artikel heeft gemist, maar wel is geïnteresseerd in het artikel, hierbij de kans om er nogmaals kennis van te nemen.

Klik hier om het gehele artikel te kunnen lezen.

Regeling fosfaatreductieplan gepubliceerd

Door middel van publicatie in de Staatscourant van 17 februari 2017 heeft de Staatsecretaris van Economisch zaken de zogenaamde Regeling fosfaatreductieplan 2017 bekend gemaakt. Via deze regeling, moet de fosfaatproductie door de melkveehouderij worden beperkt, zodat Nederland kan voldoen aan het zogenaamde fosfaatplafond en derogatie voor de komende periode kan worden veilig gesteld.

De regeling is in grote lijnen gelijk aan de eerdere gve-reductie regeling zoals die door de sector zelf is opgesteld, maar kent een aantal opmerkelijke verschillen. Hierbij een korte samenvatting van de regeling die op 1 maart 2017 ingaat.

Voor melkleverende bedrijven wordt uitgegaan van 2 referenties of aantallen:

  • het referentieaantal: Dit is het aantal gve aan vrouwelijke runderen  aanwezig op het bedrijf op 2 juli 2015 minus 4 procent. Voor bedrijven die op 2 juli 2015 grondgebonden waren geldt de vermindering van 4 procent niet en geldt het aantal gve dat op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig was;
  • het doelstellingsaantal: Dit is  het aantal gve aan vrouwelijke runderen op het bedrijf aanwezig op 1 oktober 2016. Het doelstellingsaantal kan nooit lager zijn dan het referentieaantal.

Op basis van deze twee aantallen dient het aantal gve’s op een bedrijf in de loop van dit jaar te worden teruggebracht. Dit gebeurt in vijf perioden, die elk een taakstelling hebben voor het doelstellingsaantal:

  • Periode 1: maart en april 2017, 5 procent voor elke maand
  • Periode 2: mei en juni 2017, 10 procent voor elke maand
  • Periode 3: juli en augustus 2017, ten hoogste 20 procent
  • Periode 4: september en oktober 2017, ten hoogste 40 procent
  • Periode 5: november en december 2017, ten hoogste 40 procent

Indien het doelstellingsaantal minus de korting in een periode lager uitkomt dan het referentieaantal geldt het referentieaantal als maximaal aantal te houden gve’s. De kortingspercentages over de perioden 3 tot en met 5 zijn maximale percentages. De definitieve verminderingspercentages voor deze perioden worden uiterlijk op de laatste dag van de voorafgaande periode door de minister vastgesteld.

Indien niet aan het doelstellingsaantal wordt voldaan geldt een te betalen geldsom van 240 euro per maand per gve die teveel is gehouden. Voor periode 1 geldt eenmalig een te betalen geldsom van 480 euro aan gve die over de maand april te veel is gehouden, omdat maart te kort dag wordt geacht.

Aan bedrijven die wel het doelstellingsaantal halen, maar nog niet voldoen aan het referentieaantal dienen een geldsom te betalen van 56 euro per maand per gve opgelegd voor het aantal dat boven het referentieaantal is gehouden.

Deze geldsommen worden gebruikt om bedrijven die minder gve houden dan hun referentieaantal te ‘belonen’. Voor het gerealiseerde  verschil ontvangen de bedrijven over de maand april 120 euro, in de periode 2 en 3 per maand 60 euro per gve dat minder is gehouden dan het referentieaantal. In de periode 4 en 5 is dit bedrag 150 euro per gve. Een en ander tot een maximum van 10% van de referentieaantal. Mochten geïncasseerde geldsommen niet voldoende zijn dan worden deze bedragen naar rato bijgesteld.

Tenslotte zijn er nog een aantal uitzonderingssituaties, die betrekking hebben op de overname van een (beëindigd) bedrijf en de omstandigheid dat door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte of overlijden van een persoon of vernieling van melkveestallen op 2 juli 2015 tijdelijk tenminste 5% minder zijn gehouden dan voor de intreding van deze omstandigheden het geval was. Deze bedrijven dienen uiterlijk op 1 april 2017 een verzoek in te dienen om hun referentiedoelstelling te verhogen op een daarvoor door RVO ingericht formulier. Voor bedrijfsoverdrachten na 1 maart 2017 geldt dat dit binnen 1 maand na de bedrijfsoverdracht dient te worden gedaan.

De regeling is van toepassing op alle bedrijven met runderen, zowel bedrijven die melk leveren als bedrijven die dat niet doen (bijvoorbeeld jongveeopfokbedrijven, groepen vleesveebedrijven). Voor deze groep niet-melk leverende bedrijven: geldt echter maar één referentie: het aantal dieren aanwezig op 15 december 2016. Ook geldt voor deze groep bedrijven geen reductiepercentage. Vleeskalverhouders  zijn echter uitgezonderd van de regeling. Een vleeskalverhouder wordt in de regeling gedefinieerd als: ‘houder die uitsluitend mannelijke en vrouwelijke runderen jonger dan een jaar houdt en welke uitsluitend door de houder worden afgevoerd voor de slacht‘.

Lees hier de volledige regeling

Klik hier voor de algemene presentatie van ZuivelNL mbt de regeling;

Klik hier voor een aantal voorbeeldberekeningen

Hoe hoog kan een mestboete zijn?

Overtredingen van de Meststoffenwet leveren vaak (erg) hoge boetebedragen op. Regelmatig is het boetebedrag zo hoog dat de vraag wordt gesteld: kan of mag dat eigenlijk wel? Oftewel hoe hoog mag een boete maximaal zijn? Het antwoord: erg hoog!

Bij overtreding van artikel 7 (overschrijding van de gebruiksnormen voor bedrijven met grond) of artikel 14, eerste lid Meststoffenwet (niet voldoen aan de verantwoordingsplicht voor dierlijke mest voor bedrijven zonder grond) wordt aan de overtreder een bestuurlijke boete opgelegd. De hoogte van deze boete is vastgelegd in respectievelijk artikel 57 en artikel 58 van de Meststoffenwet. Het betreft dan een boete per kilogram overschrijding van de gebruiksnormen respectievelijk het niet kunnen voldoen aan de verantwoordingsplicht. Dit zijn kortweg gesteld de welbekende 7 euro per kg stikstof en 11 euro per kg fosfaat.

foto rapport van bevindingen

Niet voldoen aan de gebruiksnormen of aan de verantwoordingsplicht kan snel resulteren in een hoge boete.

De vraag die vaak volgt is: wat is het maximum boetebedrag dat kan worden opgelegd. Hierover zegt artikel 62, derde lid van de Meststoffenwet meer. Dit artikel geeft aan dat het maximale bedrag waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd per overtreding ten hoogste het bedrag kan zijn dat is bepaald voor de vijfde categorie, zoals bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel geeft aan dat voor een natuurlijk persoon het maximale boetebedrag 82.000 euro bedraagt.

Daarbij komt dat artikel 23 zesde lid van het Wetboek van Strafrecht stelt dat bij aan een rechtspersoon een maximale geldboete kan worden opgelegd van ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. In dit geval betekent dat dus een overtreding van de zesde categorie , zoals bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor sinds 1 januari 2016 een maximum boetebedrag van 820.000 euro kan worden opgelegd. Dit maximum bedrag geldt dus voor rechtspersonen als een besloten vennootschap, een maatschap of een vennootschap onder firma.

Uit het bovenstaande blijkt dat de wetgever er voor heeft gekozen om voor de vaststelling van de maximale boetehoogte aansluiting te zoeken bij de sanctionering zoals die wordt bepaald in het strafrecht. De maximale boetehoogte is gelijk aan de maximale boetehoogte voor een overtreding die zou leiden tot een boete van de vijfde categorie artikel 23, vierde lid Wetboek van Strafrecht. In de memorie van toelichting op de Meststoffenwet (TK 20042005, 29930, nr.3, p.20-21) staat overigens beschreven dat de boetehoogte wordt afgestemd op de boete die kan worden opgelegd ingevolge de Wet op de economische delicten.

Het bovenstaande betekent dat wanneer de hoogte van de boete ter discussie wordt gesteld, dit slechts zelden zal gebeuren vanwege een overschrijding van het boetebedrag dat maximaal kan worden opgelegd. Eerder zal een beroep wordt gedaan op matiging van het boetebedrag vanwege bijzondere omstandigheden of omstandigheden waarin de Wet niet heeft voorzien. Hiertoe zal moeten worden onderbouwd, aangetoond en gemotiveerd dat het werkelijk genoten financiële voordeel dat is verkregen door de overtreding, aanmerkelijk geringer is geweest dan op basis van de uitgangspunten die worden gehanteerd door de wetgever.

Tenslotte is van belang dat bij de vaststelling van een bestuurlijke boete rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de overtreder in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de overtreder zonder dat deze onevenredig wordt getroffen. Het zal duidelijk zijn dat hoe beter dit kan worden onderbouwd, hoe beter met die omstandigheden rekening kan en zal worden gehouden.

Wetsvoorstel fosfaatrechten ingediend

20160908-brief-fosfaatrechten

Via een brief aan de Tweede Kamer heeft Staatssecretaris van Dam het wetsvoorstel Fosfaatrechten ingediend

Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken (EZ) heeft het wetsvoorstel fosfaatrechten bij de Tweede Kamer ingediend. Het stelsel van fosfaatrechten regelt dat de in Nederland geproduceerde hoeveelheid fosfaat via mest door melkvee weer onder het zogenaamde fosfaatplafond komt. Dit is een voorwaarde om voor de periode vanaf 2018 in aanmerking te komen voor derogatie. 

Het wetsvoorstel voorziet enerzijds in een bevriezing van de fosfaatproductie door melkvee per 2 juli 2015. Anderzijds zal via een generieke korting die zal worden doorgevoerd in 2018 de fosfaatproductie worden teruggebracht.  

Melkveebedrijven krijgen begin 2017 een aantal fosfaatrechten toegekend op basis van het aantal gehouden koeien op 2 juli 2015. Deze fosfaatrechten zijn vrij verhandelbaar. Bij iedere transactie wordt 10% van de verhandelde rechten afgeroomd, tenzij het een overdracht binnen de familie (tot en met de derde graad) betreft. De afroming is echter onvoldoende om de fosfaatproductie op korte termijn weer onder het fosfaatplafond te brengen. Daarom zal per 1 januari 2018 ook een  korting op de toegekende rechten worden doorgevoerd. De exacte hoogte van deze korting is op dit moment nog niet bekend. Nadat de fosfaatproductie weer onder het Europees plafond is gebracht, worden fosfaatrechten die dan nog bij transacties worden afgeroomd opnieuw uitgegeven. Dat loopt via de op te richten fosfaatbank die zal worden beheerd door RVO.

koe in wei

Bedrijven die op 2 juli 2015 grondgebonden waren zullen in enige mate worden gecompenseerd voor hun latente ruimte op die datum.

Vanaf 2017 moet een melkveehouderijbedrijf jaarlijks aantonen dat de mestproductie op het bedrijf lager is dan de op dat bedrijf rustende fosfaatrecht. Het berekenen van de mestproductie is in het wetsvoorstel vooralsnog beperkt tot het gebruik van de forfaitaire normen. Een opening wordt geboden voor de systematiek van de kringloopwijzer (KLW), maar deze zal – volgens het Wetsvoorstel – pas worden toegelaten wanneer de KLW voldoende geborgd wordt geacht en wanneer er voldoende garanties zijn omtrent het realiseren van het fosfaatplafond. Veiligheidshalve dient er in afwachting van de behandeling  van het wetsvoorstel daarom tenminste, in een scenario, rekening mee worden gehouden dat in 2017 uitgegaan moet worden van een mestproductie die – voor de fosfaatrechten – is gebaseerd op de forfaitaire normen. Voor de gebruiksnormen mag dan nog wel worden uitgegaan van de BEX of KLW berekening.

In 2018 wordt over het toegekende fosfaatrecht een generieke korting doorgevoerd. Deze korting zal minder impact hebben op grondgebonden en biologische bedrijven. Melkveehouders die op 2 juli 2015 veel grond hadden in verhouding tot het aantal dieren (grondgebonden bedrijven) zullen deels voor de generieke korting worden gecompenseerd. Grondgebondenheid zal in de toekomst ook worden meegenomen bij het opnieuw uitgeven van afgeroomde rechten door de fosfaatbank.

Het exacte  afromingspercentage zal pas medio 2017 bekend worden gemaakt. Dan zal ook worden gekeken of ook aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de fosfaatproductie in de varkens- en/of pluimveehouderij onder de respectievelijke sectorplafonds te krijgen. Daartoe is in het wetsvoorstel een voorziening opgenomen die het mogelijk maakt om, bij Algemene Maatregel van Bestuur, een generieke korting toe te passen op de varkens- en/of pluimveerechten. Als alternatief hiervoor noemt de Staatssecretaris het beëindigen van ontheffingen die in het kader de POR regeling, het Zuivere Ei en Golden Harvest zijn verleend en waarvan de einddatum is vastgesteld op 31 december 2017, niet te verlengen.

Opvallend is dat in het wetsvoorstel (onder artikel 33a) ook een voorziening is opgenomen om het bij AmvB mogelijk te maken om een productierecht om te zetten in een varkensrecht, pluimveerecht of fosfaatrecht. Hieraan wordt de voorwaarde voorbonden ‘dat de landbouwer op wiens bedrijf het om te zetten productierecht rust met de omzetting instemt en de omzetting geen toename veroorzaakt van de hoeveelheid geproduceerde stikstofverbindingen, fosfaat en fijnstof‘. Let wel: dit is een voorziening, dat wil nog niet zeggen dat van de voorziening gebruik zal worden gemaakt.

Ditzelfde geldt voor de voorziening die onder artikel 33ab is opgenomen om bij AmvB een percentage vast te stellen waarmee het varkensrecht, pluimveerecht of fosfaatrecht kan worden verminderd.

De Tweede en Eerste Kamer zullen zich de komende maanden over het wetsvoorstel fosfaatrechten buigen. De ingangsdatum is en blijft vooralsnog 1 januari 2017. Medio 2017 wordt vervolgens het definitieve generieke afromingspercentage aangekondigd, waarna melkveehouders tot begin 2018 de tijd hebben om op de korting in te spelen.

Lees hier de volledige brief
Lees hier het wetsvoorstel
Lees hier de memorie van toelichting

Op naar 2016!

fijne feestdagenHet is een goede gewoonte om op de grens van het oude jaar en het nieuwe jaar  even achteruit en wat uitgebreider vooruit te kijken. Een jaar geleden, omstreeks deze periode van het jaar, besloten we bij Optimus advies om de website mestboete.nl te lanceren: Het moest een onafhankelijk platform worden waarop we actuele ontwikkelingen op het gebied van de Meststoffenwet en onze ervaringen en werkzaamheden in de dagelijkse adviespraktijk wilden delen. Nu, ruim een jaar later,  kijken we terug op misschien wel een van de meest enerverende jaren op het gebied van het mestbeleid, de Meststoffenwet en  mestboetes. Er is veel nieuwe regelgeving ontwikkeld, aangekondigd, aangepast, ingevoerd of aangescherpt. Daarnaast is er veel op basis van vigerende regelgeving gecontroleerd. In de gevallen dat dit leidde tot een (voornemen tot het opleggen van een) boete,  zijn daar de benodigde  zienswijzen, bezwaarschriften, beroepschriften en deskundigenrapporten tegen ingebracht. Daarbij kwamen soms zeer fundamentele en principiële vragen aan de orde. Moeizaam maar – dankzij de behaalde successen – ook mooi werk.

We kijken er dan ook naar uit om in 2016 door te gaan op de weg die we met mestboete.nl in 2015 zijn ingeslagen. Immers het zal er in 2016 niet eenvoudiger op worden: 2016 het jaar van de grondgebondenheid in de Wet verantwoorde groei melkveehouderij, aangescherpte verwerkingspercentages, de finale van de procedures op het gebied van het fosfaatgat, het fosfaatplafond, de nieuwe voorgeschreven wijze van gehaltebepaling in de eindvoorraad dierlijke mest, aanpassingen in het BGM, de verplichte indiening van de kringloopwijzeraanvullende ‘anti-fraude’ maatregelen bij de transporten van dierlijke mest, enzovoort. Het mag duidelijk zijn: genoeg ontwikkelingen om te volgen en informatie om te delen op deze site. We kijken er naar uit om dit te blijven doen: onafhankelijk en altijd met oog voor en vanuit het perspectief van de praktijk.

Kortom: we zijn er klaar voor. Mestboete.nl wenst u alle goeds en gezondheid toe voor het komende jaar, oftewel: een vlekkeloos 2016!

Advies ‘Mestverwerkingspercentages 2016’

verwerkingspercentages

Overzicht van de verplichte verwerkingspercentages in verschillende gebieden en jaren.

Op 1 januari 2014 is in Nederland het stelsel van ‘verplichte mestverwerking’ ingevoerd. Met dit stelsel word geregeld dat  veehouders met een ‘fosfaatoverschot’ op hun bedrijf een deel van dat overschot verplicht moeten laten verwerken. Veehouders met een fosfaatoverschot in regio zuid moeten in 2015 50 procent van het overschot laten verwerken. Voor veehouders in regio Oost geldt een verwerkingspercentage van 30 procent en voor veehouders  uit het compartiment overig: 10 procent.

In opdracht van het ministerie van Economische Zaken geeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) jaarlijks een wetenschappelijk advies over de hoogte van de mestverwerkingspercentages voor het komende jaar, per regio, op basis van een door het ministerie geaccordeerd protocol.

voorpagina rapport

voorpagina advies mestverwerkingspercentages 2016

Onlangs heeft het CDM haar advies voor het komende jaar (2016) gepubliceerd in de vorm van een rapport waarin een analyse van de mogelijke mestverwerkingspercentages per regio voor het jaar 2016 worden gegeven.

De mestverwerkingspercentages zijn gebaseerd op een empirische analyse van de mestproductie per regio voor het jaar 2014, en een analyse van de mestplaatsingsruimte en de verwachte mestplaatsingsgraden per regio, en van de mestdistributie tussen regio’s, voor het jaar 2016.

In het rapport worden een groot aantal variaties en scenario’s doorgerekend. In het basisscenario is het advies van de CDM om in het gebied Zuid een verwerkingspercentage van 74% te gaan hanteren en om in overschotgebied Oost uit te gaan van een verwerkingspercentage an 62%. Voor het gebied overig adviseert de commissie tenslotte  om het verwerkingspercentage van 10% te handhaven.

De staatsecretaris stelt uiteindelijk later dit jaar in overleg met de landbouworganisaties de definitieve mestverwerkingspercentages vast. Hoewel er nog geen zicht is op een concreet onderhandelingsresultaat is het de verwachting dat de verwerkingspercentages voor de gebieden zuid en oost in 2015 met 5-10% zullen worden verhoogd.

Wat is het startmoment van een procedure?

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) uitspaak in een zaak waarin door een veehouder de gebruiksnormen zouden zijn overschreden. In deze hoger beroepsprocedure deed de veehouder onder andere een beroep op matiging van het boetebedrag vanwege de trage besluitvorming. De veehouder gaf aan dat het in de betreffende periode  beleid was om de boete met 10% te matigen wanneer niet binnen 26 weken na dagtekening van het rapport waarin de overtreding was vastgesteld, een besluit was genomen. De veehouder ging in dit verband uit van de periode vanaf het moment dat hij het verzoek kreeg tot het verstrekken van aanvullende gegevens tot het moment van het primaire besluit door RVO tot het opleggen van een boete.

De staatssecretaris heeft daar tegenin gebracht dat in dit geval geen aanspraak kan worden gemaakt op matiging, omdat er geen sprake is geweest van een rapport waarin de overtreding is vastgesteld. Het toesturen van een verzoek tot het verstrekken van aanvullende gegevens mag niet worden gezien als een rapport waarin een overtreding is vastgesteld. Het eerste moment waarop het appellant kenbaar werd gemaakt dat hij rekening moest houden meteen boete wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (hierna: Msw), was op de datum van het voornemen tot het opleggen van een boete. Het primaire besluit waarbij de boete is opgelegd was in dit geval binnen een periode van 26 weken na die datum genomen.

AWB

Tegenwoordig wordt voor termijnoverschrijdingen bij procedures mbt de Meststoffenwet aansluiting gezocht bij de Algemene Wet bestuursrecht

Het CBb volgde de staatssecretaris op dit punt. Het CBb ziet geen aanleiding om, zoals de veehouder ter zitting heeft bepleit, de brief waarin is verzocht nadere gegevens te verschaffen gelijk te stellen met een rapport waarin een overtreding is vastgesteld. Bij het betreffende matigingsbeleid werd door de staatssecretaris aansluiting gezocht bij, het inmiddels vervallen artikel 67 van de Msw, waarbij het rapport van de overtreding als uitgangspunt werd genomen. Een dergelijk rapport vormt de neerslag van een afgerond onderzoek, waarna er in beginsel geen belemmering bestaat om een beslissing te nemen.

De brief waarmee een start werd gemaakt met de controle van de mestboekhouding, is van een andere orde dan het rapport van de overtreding, nu het op dat moment nog niet duidelijk was of sprake was van een overtreding.

Het antwoord op de vraag die wordt gesteld in de titel is daarmee: een procedure start op de datum van het rapport van de NVWA waarin de overtreding is vastgelegd. Wanneer er geen rapport is geldt de datum van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete.