Gewascodes voor grasland in 2019

Per 1 januari 2019 zijn de gewascodes voor grasland die dienen te worden gebruikt voor de Gecombineerde Opgave gewijzigd. De meest opvallende wijziging is dat gewascode 336 voor grasland (natuurlijk grasland, hoofdfunctie natuur) is komen te vervallen. Voor de percelen die in 2018 gewascode 336 hadden,  moet in 2019 de gewascode 265 of 331 worden gebruikt. Welke code van toepassing is, is afhankelijk van de (verwachte) drogestof opbrengst per ha. Een kort overzicht van de gewascodes voor grasland in 2019.

Uitgesloten percelen

Om betalingsrechten te kunnen verzilveren op een perceel moeten dit perceel overwegend voor landbouwactiviteiten worden gebruikt. Op de percelen mogen weliswaar niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden, echter de duur van deze activiteiten mag niet meer dan 90 dagen per jaar plaatsvinden. Daarnaast zijn percelen met meer dan 50 bomen per hectare uitgesloten van betalingsrechten.

Grasland

Voor percelen (die voor een deel) bestaan uit grasland zijn voor 2019 vijf gewascodes beschikbaar. De indeling vindt in eerste instantie plaats op basis van de opbrengst aan drogestof per hectare:

Hoger dan 5 ton:

  • gewascode 266:  Tijdelijk grasland.
  • gewascode 265:  Blijvend grasland

Lager dan 5 ton:

  • gewascode 331:  Grasland natuurlijk, wel landbouwactiviteiten
  • gewascode 332:  Grasland natuurlijk, beperkte landbouwactiviteiten
  • gewascode 335:  Natuurterrein (hoewel deze gewascode niet wordt gezien als grasland).

Bij een hogere opbrengst dan 5 ton drogestof per ha dient het perceel te worden geboekt onder gewascode 265 (blijvend grasland) of gewascode 266 (tijdelijk grasland). Gewascode 266 dient daarbij te worden gebruikt voor  grasland dat minder dan vijf jaar aaneengesloten grasland is geweest.

Wanneer sprake is van een drogestofopbrengst van minder dan 5 ton drogestof per ha dan is  gewascode 331 (natuurlijk grasland, wel landbouwactiviteiten) mogelijk van toepassing. Dan moet wel sprake zijn van een landbouwkundig gebruik en moet het perceel tenminste eenmaal per jaar worden gemaaid.

Dit betekent dat ook extensief gebruikt grasland onder deze categorie kan vallen. Het betreft dan voor de ‘Meststoffenwet’ gewoon landbouwgrond, maar het wordt op basis van het opbrengstcriterium voor de Gecombineerde Opgave onder natuurlijk grasland geboekt.

Het omgekeerd kan ook het geval zijn. Het kan voor komen dat natuurterrein dat als grasland wordt gebruikt een opbrengst van meer dan 5 ton droge stof per ha heeft. In dat geval moet dan  gewascode 265 worden gebruikt.

Bovenstaande betekent dat ook gronden die voor de ‘Meststoffenwet’ als natuur worden aangeduid, voor de gecombineerde opgave als landbouwgrond gelden. Echter wanneer uit de gebruiksovereenkomst blijkt dat er beperkingen zijn met betrekking tot de beschikkingsmacht wordt het perceel voor de Meststoffenwet dat weer niet als landbouwgrond aangeduid en kunnen er geen gebruiksnormen aan worden ontleend.

Percelen met een lagere opbrengst en zonder of met weinig landbouwactiviteiten moeten onder  gewascode 332 worden opgegeven bij de gecombineerde opgave. Indien de grond meer dan 50% (of geheel) ‘verruigd’ is en het aandeel gras beperkt is, kan ook gekozen worden voor de gewascode 335. Het onderscheid met gewascode 332 is  niet strikt te maken. Beiden komen echter niet in aanmerking voor betalingsrechten of gebruiksnormen.

klik op het plaatje voor een vergroting in pdf

Resumerend betalingsrechten

Resumerend vinden op percelen met grasland onder de gewascodes 265, 266 en 331 landbouwactiviteiten plaats en kunnen deze worden gebruikt voor de uitbetaling van betalingsrechten, indien dit grasland feitelijk bij het bedrijf in gebruik is als landbouwgrond.

Gebruiksnormen

Voor de ‘Meststoffenwet’ is naast het feitelijke gebruik ook van groot belang of de gebruiker voldoende beschikkingsmacht heeft over de betreffende percelen. Het begrip beschikkingsmacht betekent dat de gebruiker in de praktijk in staat is het teeltplan en het bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in hun samenhang te realiseren’. Dit binnen de landbouwpraktijk van het bedrijf. In een groot aantal overeenkomsten voor het gebruik van percelen extensief gebruikt grasland is echter geen sprake van feitelijke beschikkingsmacht. Vaak zijn beperkende voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op het gebruik en het bemestingsplan beïnvloeden (er mogen maar een bepaald deel van het jaar dieren worden geweid, met een maximale veebezetting, er mag geen of een bepaalde hoeveelheid en soort mest op, er worden eisen gesteld aan het kunstmestgebruik, er worden eisen aan het maaibeheer gesteld). Daarnaast maakt een overeenkomst soms melding van zaken die door het waterschap zelf worden geregeld op de dijken. Het geheel van die voorwaarden kan tot de conclusie leiden dat  geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht.

Primaire waterkeringen

Wanneer een bedrijf een primaire waterkering in gebruik heeft, waar men niet de feitelijke beschikkingsmacht over heeft, moet dit aangegeven worden in de opgave. Dit heeft gevolgen voor de mestgebruiksnormen.

 

Klik hier voor het stroomschema van RVO

Grasland scheuren of vernietigen

Het scheuren, doodspuiten of vernietigen van grasland is aan regels gebonden. Die regels gelden voor percelen die worden gebruikt voor voerproductie of beweiding en voor ten minste met 50% met gras beteeld zijn (of waren). De regels gelden dus niet voor grasland dat wordt gebruikt voor graszaad, graszoden, siergrassen of groene braak.

De afgelopen periode hebben veel percelen grasland  ernstig geleden onder de droogte. Zo ernstig wellicht dat wordt overwogen het grasland opnieuw in te zaaien. Let daarbij wel op de regels want dit mag niet altijd en niet zomaar. Hieronder een korte samenvatting van de verschillende regels:

 

Klei en veengrond

Gras op klei- veengrond mag in verschillende perioden worden gescheurd of vernietigd. Grofweg mag u in de periode 1 februari t/m 15 september grasland vernietigen op klei- en veengrond. In de periode 16 september t/m 30 november mag grasland op klei- en veengrond worden vernietigd als  direct daarna tulpen, krokussen, irissen of blauwe druifjes (muscari) wordt geplant en in de periode 1 november t/m 31 december mag op kleigrond grasland op kleigrond worden vernietigd als het eerstvolgende gewas geen gras is. Gras op veengrond mag in deze periode niet worden vernietigd. Let wel op het nemen van een scheurmonster wanneer u een stikstofbehoeftig gewas inzaait dat u wilt bemesten.

 

Zand- en lossgrond

Gras op zand- en lössgrond mag in de periode van 1 februari tot en met 10 mei worden vernietigd wanneer direct daarna een stikstofbehoeftig gewas wordt geteeld. In de periode 1 februari tot en met 31 mei mag grasland worden vernietigd wanneer direct daarna gras teelt wordt geteeld.

In de periode  1 juni t/m 15 juli mag grasland worden vernietigd als een  aangewezen aaltjesbeheersend gewas in op het perceel wordt gezaaid. Het gaat om deze gewassen: Japanse haver, Tagetes erecta en Tagetes patula. Het inzaaien van deze gewassen dient direct na het vernietigen plaats te vinden, maar uiterlijk op 16 juli. Het gewas voor de aaltjesbeheersing dient dan uiterlijk in het volgende voorjaar in te worden gezaaid. U mag dit gewas niet vernietigen in de periode tussen het moment van inzaaien en 23 oktober van hetzelfde jaar. Laat ook het gewas tenminste 100 dagen op uw land staan, zodat het effectief is tegen aaltjes. Japanse haver mag wel worden gemaaid maaien om zaadvorming te voorkomen.

Heeft u een derogatiebedrijf? Dan mag u ook in de periode 1 juni tot en met 31 augustus grasland worden gescheurd voor graslandvernieuwing. U moet dit wel van tevoren bij RVO aanmelden. Dit kan tot en met 31 augustus. Er is geen stikstofbemonsteringsplicht na het scheuren vervalt hierdoor voor deze percelen. Wel dient rekening te worden gehouden met een korting van 50 kilogram stikstof per hectare op uw stikstofgebruiksnorm.

In de periode 16 september t/m 30 november mag het grasland worden vernietigen als direct daarna tulpen, krokussen, irissen of blauwe druifjes (muscari) worden geplant.

 

Schade door droogte

Als u grasland wordt vernietigt in een periode dat dit niet is toegestaan, dan is sprake van een overtreding. Wanneer dit wordt geconstateerd volgt een boete en een randvoorwaardenkorting.

Door de droogte van deze zomer heeft het grasland in een aantal gevallen flinke schade opgelopen. Voor wie schade heeft die is veroorzaakt door de droogte en het perceel wil herstellen door het opnieuw in te zaaien is het daarom belangrijk de juiste procedure te volgen.

Als uw perceel op zand- of lössgrond ligt, kunt u een vrijstelling voor schadeherstel aan RVO doorgeven.  Dan kunt u tot en met 31 augustus vrijstelling aanvragen voor het vernietigen van uw perceel of een perceelgedeelte grasland. U dient wel te voldoen aan de volgende voorwaarden.

  • De beschadiging van uw grasland is veroorzaakt door droogte of vraat door dieren die in uw graszode leven.
  • Uw verwachte grasopbrengst zonder herinzaai is ten minste 25% lager dan in een jaar zonder vraat of droogte.
  • De totale oppervlakte beschadigd grasland is ten minste 5% van de oppervlakte grasland die op uw bedrijf in gebruik is.
  • Een geregistreerd schade-expert bevestigt in een rapport dat u aan bovengenoemde voorwaarden voldoet. Het rapport is gereed voordat u zich aanmeldt. U bewaart dit rapport op uw bedrijf.
  • De herinzaai van uw gescheurde graszode gebeurt binnen 7 werkdagen nadat u deze heeft vernietigd. U kunt tot en met 15 september gras herinzaaien.
  • Bovenstaande geldt voor niet-derogatiebedrijven op zand- en lössgrond. Maakt u wel gebruik van derogatie en ligt uw bedrijf of zand- of lössgrond, dan hoeft u niet aan bovenstaande voorwaarden voldoen, maar dient u het vernietigen van de graszode wel aan RVO door te geven voordat u de graszode vernietigd. U maakt daarbij gebruik van hetzelfde formulier als bij het vragen van vrijstelling.

 

Formulier

Het formulier voor zowel het melden voor derogatiebedrijven als voor de vrijstelling voor schadeherstel kunt u hier vinden.

 

Een nieuwe invulling voor de definitie van Landbouwgrond in het kader van het GLB

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft op 11 juli 2017 uitspraak gedaan in een beroepsprocedure omtrent de beoordelingswijze die RVO.nl hanteert bij het bepalen van het feit of een perceel voor de directe betalingen vanuit het GLB kan worden aangemerkt als landbouwgrond.

Voorheen hanteerde RVO daarbij de zogenaamde N-code die op de provinciale natuurbeheerkaarten aan een perceel zijn toegekend. Het College heeft in haar uitspraak bepaald dat deze typering niet leidend mag zijn in de beoordeling.

Landbouwgrond of geen landbouwgrond wordt vanaf nu beoordeeld op basis van de feitelijke situatie

Provincies leggen jaarlijks in de natuurbeheerplannen de verschillende natuurbeheer- en landschapsbeheertypen voor percelen en terreinen vast. Dit gebeurt in het kader van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). In de Basisbetalingsregeling (BBR) was vastgelegd dat deze natuurbeheerkaarten ook moesten worden gebruikt bij de toekenning en uitbetaling van betalingsrechten.

 

Een aantal van de daarin opgenomen natuurtypen wordt aangemerkt als landbouwgrond en komt in aanmerking  voor betalingsrechten. De andere natuurtypen niet. Zie hiervoor de Tabel Subsidiabele natuur- en landschapsbeheertypen (pdf). Aan de hand hiervan zijn vanaf 2015 bepaalde natuurgronden uitgesloten van toekenning en uitbetaling van betalingsrechten.

Vanwege de uitspraak van het College hanteert RVO vanaf nu een nieuwe werkwijze om te bepalen of percelen onder subsidiabele landbouw- of natuurgrond vallen. Om te bepalen of sprake is van landbouwgrond volgt RVO vanaf nu de Europese definitie van landbouwgrond. Dit betekent dat een perceel moet voldoen aan:

  • bouwland: grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is;
  • (blijvend) grasland: grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen. Andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige gewassen overheersen. Een perceel grasland is blijvend grasland als deze ten minste 5 jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen;
  • blijvende teelten: teelten die niet in de vruchtwisseling zijn opgenomen van gewassen, anders dan blijvend grasland.

Op basis van deze definitie zijn heide, schorren en kwelders, slikken en platen, duinen, ruigte (onder andere  struiken, bosschages, riet), moeras, riet, percelen met veel pitrus en bos geen landbouwgrond.

Als de vegetatie overwegend bestaat uit ruigte en/of pitrus vallen percelen met ruigte en pitrus niet onder landbouwgrond. Gaat het om bos en is de ondergrond geen gras? Dan is het altijd bos. Grasland met meer dan 50 bomen per hectare is ook bos. Er is dan namelijk sprake van te veel hinder voor landbouwactiviteiten. Boomgaarden, boom- en fruitkwekerijen vallen onder ‘blijvende teelten’.

Wilt u weten welke oppervlakten en gronden voor de GLB-regeling niet onder landbouwgrond vallen? Of wilt u weten waar u rekening mee moet houden bij het intekenen van percelen klik dan hier voor de Handleiding Percelen: Landbouwgrond of niet?

LET OP: Dat grond wordt aangemerkt als landbouwgrond in het kader van het GLB wil niet automatisch zeggen dat sprake is van landbouwgrond in het kader van de Meststoffenwet. Het is dus niet zo dat aan landbouwgrond in het kader van het GLB automatisch gebruiksnormen worden toegekend.

RVO heeft aangegeven alle percelen die voor 11 juli 2017 op grond van natuurbeheerkaarten van de provincies zijn uitgesloten als subsidiabele landbouwgrond opnieuw te zullen beoordelen. Dit doet men aan de hand van lucht- en satellietfoto’s. Blijkt een perceel toch subsidiabele landbouwgrond en geen natuurgrond te zijn, dan stelt RVO dit in het perceelsregister aan te zullen passen.

 

Lees hier de volledige uitspraak van het College

NVWA: controle op vanggewassen via satellietdata

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) maakt bekend dat men dit jaar voor het eerst gebruik zal maken van satellietdata bij de controles op de teelt van een vanggewas. Het gebruik van satellietdata is al bekend uit de zogenaamde teledetectiecontroles die RVO uitvoert naar de gegevens omtrent de landbouwkundig beteelde oppervlakte van de bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen.

Het gebruik van satelietbeelden en -informatie bij toezicht en handhaving is al bekend bij de zogenaamde teledetectiecontroles

Met behulp van de satellietdata kunnen de toezichthouders van de NVWA zien of op de percelen waarop dit verplicht is of waarvoor dit is opgegeven bij de Gecombineerde Opgave ook daadwerkelijk een vanggewas wordt geteeld. De NVWA geeft aan dat deze nieuwe werkwijze er voor zal zorgen dat men meer percelen, gerichter kan controleren.

Bij percelen op zand- en lössgrond waarop maïs is geteeld is het verplicht  om direct na de maisoogst een vanggewas in te zaaien. De inspecties op de teelt van een vanggewas na de teelt van maïs bestaan uit zichtcontroles waarbij vastgesteld wordt of op percelen waar maïs geoogst is het gewenste vanggewas geteeld wordt en dit vanggewas voldoende lang op het perceel staat.

Maar ook na de teelt van andere gewassen kan  een vanggewas worden geteeld bijvoorbeeld om daarmee invulling te geven aan de zogenaamde vergroening (Ecologische Aandachtsgebieden) in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB).  De satellietdata zullen  ook worden gebruikt om te controleren of op dergelijke percelen gedurende 10 weken een vanggewas wordt geteeld. En of er, voordat de 10 weken verstreken zijn, geploegd is of een andere grondbewerking heeft plaatsgevonden.

Belangrijk om nog eens te stellen is dat het voldoen aan alle voorwaarden van het GLB vervolgens weer een voorwaarde om gebruik te kunnen maken van derogatie. Hier grijpen het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) en de Meststoffenwet dan weer in elkaar.

Een extra paar ogen erbij dus die controleren of een vanggewas tijdig wordt ingezaaid en lang genoeg ongestoord op het perceel staat. Wanneer tijdens een inspectie blijkt dat niet aan de wettelijke verplichting wordt voldaan kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Daarnaast beslist de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) over het korten van de subsidie en/of het vervallen van de derogatie.

Hoe zat het ook weer met de uitrijperioden voor dierlijke mest?

Het is weer die tijd van het jaar dat de vraag relevant is hoe het ook al weer precies zat met de perioden waarin het is toegestaan om op welke grond dierlijke mest toe te dienen. Immers de uitrijdperioden voor dierlijke mest zijn afhankelijk van het type mest, de grondsoort en of er sprake is van grasland of bouwland.

Hieronder een kort overzicht van de uitrijdperioden voor gras- en bouwland. In het overzicht daaronder vindt u de uitrijdperioden voor dierlijke mest per maand.

Grasland

  • Het uitrijden van drijfmest mag vanaf 16 februari tot 1 september op alle grondsoorten.
  • Het uitrijden van vaste mest is toegestaan vanaf 1 februari tot 1 september op zand en lössgrond. Op klei- en veengrond mag u vanaf 1 februari tot 16 september vaste mest uitrijden.

Bouwland

  • Het uitrijden van drijfmest op bouwland (alle grondsoorten) is toegestaan van 1 februari tot 1 augustus.
  • Onder voorwaarden mag u drijfmest uitrijden tot 1 september. Dit is toegestaan als u uiterlijk 31 augustus van hetzelfde jaar op de desbetreffende grond:
    • een groenbemester* inzaait die minimaal 8 weken blijft staan voordat u deze vernietigt;
    • winterkoolzaad zaait voor zaadwinning in het volgende jaar of;
    • in het najaar bloembollen plant.
  • Uitrijden van vaste mest op bouwland (zand en lössgrond) mag van 1 februari tot 1 september. U mag het hele jaar door vaste mest gebruiken direct voor de aanplant van fruit- en plantsoenbomen op zand en lössgrond.
  • Op klei- en veengrond mag u het hele jaar vaste mest uitrijden.

bron: RVO.nl

 

Landbouwgrond: agrarische bestemming niet relevant, feitelijk gebruiksdoel wel!

Onlangs deed het College voor Beroep van het bedrijfsleven (hierna: CBb) uitspraak in onderstaande zaak:

Aan een melkveehouderij gelegen in de provincie Zuid Holland (hierna: appelante) werd een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.001,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). De staatssecretaris (hierna: verweerder) heeft geconcludeerd dat appellante niet onder de gebruiksnormen is gebleven. Appellante had bij de Gecombineerde Opgave een perceel gelegen in de provincie Groningen opgegeven dat door verweerder bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte is meegerekend. Volgens de staatssecretaris betrof het geen landbouwgrond en was het bovendien niet feitelijk in gebruik bij het bedrijf van appellante.

Het bezwaar van appellante is ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit is ongegrond verklaard door de rechtbank. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het hier niet gaat om landbouwgrond in de zin van de Msw, maar om braakliggend stuk industrieterrein met de bestemming “industrie”. Verder heeft verweerder erop gewezen dat de ondergrond ter plaatse bestaat uit wit/gele zandgrond met weinig humus en dat de vegetatie uit diverse soorten natuurlijk grassen bloemen en kruiden bestaat. Er waren geen sporen van bemesting en gebleken is dat de eigenaren hebben aangeven dat het perceel niet verhuurd of verpacht mag worden of op een andere manier in gebruik aan derden gegeven wordt. Ook volgt de rechtbank verweerders standpunt dat het feit dat in de praktijk gemaaid is en het maaisel aan schapen is gevoerd niet maakt dat hier sprake is van landbouwgrond in de hier bedoelde zin.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte bij zijn oordeel heeft betrokken dat de bestemming van de grond blijkens het bestemmingsplan industrie is. De gronden zijn landbouwkundig bewerkt; het gras is gemaaid, afgevoerd en aan schapen gevoerd.  Of de eigenaar toestemming heeft gegeven voor dit gebruik is naar het oordeel van appellante evenmin relevant voor de beantwoording van de vraag of sprake is van landbouwkundig gebruik. Reeds bij beperkt landbouwkundig gebruik is er sprake van landbouw in de zin van de Msw en dient de grond te worden aangemerkt als landbouwgrond. De staatssecretaris heeft gepersisteerd in het standpunt dat geen sprake is van landbouwgrond.

Het College overweegt dat volgens de definitie in artikel 1, aanhef en onderdelen g en h, van de Msw wordt onder “landbouw” respectievelijk “landbouwgrond” verstaan:

g. landbouw: akkerbouw, veehouderij – daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm van houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden – , tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet;

h. landbouwgrond: grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend;”.

bloemrijk grasland

Het feitelijke gebruiksdoel bepaalt mede of sprake is van landbouwgrond

Bij de beantwoording van de vraag of het betwiste perceel landbouwgrond is, dienen alle feiten en omstandigheden te worden betrokken. Het perceel betreft een deel van een veel groter perceel, feitelijk niet afgescheiden op enige wijze (afrastering of anderszins) van de rest van het perceel. De eigenaar heeft over het desbetreffende perceel verklaard dat gewacht wordt op een koper of een huurder, die conform de bestemming het terrein verder ontwikkelt. Met het oog daarop is de grond opgehoogd met 1,5 – 2 meter wit zand om deze rijp te maken voor bebouwing. Voorts komt naar voren dat de eigenaar een onderhoudscontract heeft gesloten met een loonwerker voor een aantal onderhoudswerkzaamheden, onder meer het klepelen van gras. Gebleken is dat deze loonwerker het onderhoud aan een ander heeft uitbesteed, die voor het maaien en afvoeren van het gras 15 euro per ha betaald kreeg. Deze persoon heeft op zijn beurt via bemiddeling van een tussenpersoon, zonder medeweten van de eigenaar, de grond ‘verhuurd’ dan wel in gebruik gegeven.

Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank onder deze omstandigheden terecht geoordeeld dat hier sprake is van braakliggend industrieterrein en niet van grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Van braakliggende grond waarop handelingen worden verricht om het geschikt te houden voor de teelt van gewassen, is geen sprake.

Hoewel het juist is dat de bestemming van de grond volgens het bestemmingsplan niet bepalend is, heeft de rechtbank naar het oordeel van het College de bestemming in deze context terecht als indicatie gezien voor het feit dat er van landbouwgrond in dit geval geen sprake is. Het feit dat appellante de grond heeft gehuurd met de bedoeling deze als landbouwgrond te gebruiken en dat ook daadwerkelijk gras is gemaaid, daarvan balen zijn gemaakt en deze zijn afgevoerd naar het bedrijf van de loonwerker/tevens gebruikgever maakt niet dat de grond, niettegenstaande het hiervoor overwogene, als landbouwgrond dient te worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande komt het College aan de vraag of er sprake is van landbouwgrond “die tot het bedrijf behoort” niet toe.

Lees hier de volledige uitspraak.

Overmacht Basisbetalingsregeling GLB

Wie door overmacht, zoals bijvoorbeeld vanwege uitzonderlijke (weers)omstandigheden, niet  of niet volledig kan voldoen aan de voorwaarden voor de uitbetaling van betalingsrechten, vergroeningsbetaling, extra betaling jonge landbouwers of graasdierpremie (Basisbetalingsregeling) kan een beroep doen op  overmacht. Hiervoor kent de systematiek een regeling.

Redenen voor overmacht

Redenen voor overmacht zijn onder andere het overlijden van de begunstigde, een dier- of plantenziekte of een niet voorziene onteigening. Echter ook extreme weersomstandigheden kunnen een reden voor overmacht zijn. Gezien de extreme weersomstandigheden in sommige delen van ons land is deze reden op dit moment actueel. Wordt een beroep op overmacht goedgekeurd, dan blijft het recht op uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling bestaan.

extreme neerslag

Extreme weersomstandigheden kunnen een reden zijn voor een beroep op overmacht als niet kan worden voldaan aan de voorwaarden van de basisbetalingsregeling.

Extreme weersomstandigheden in juni 2016

In juni 2016 was sprake van extreme weersomstandigheden onder andere in Zuidoost-Nederland. Het kan zijn dat door de overvloedige regen en hagel de toestand van de gewassen zodanig is dat er geen andere keuze rest dan het aanpassen van het bouwplan. Hierdoor wordt afgeweken van hetgeen op de Gecombineerde Opgave is aangegeven en kan wellicht niet meer aan de voorwaarden worden voldaan die gelden voor de Basisbetalingsregeling. Wat nu?

  • Kijk altijd eerst of met het alternatieve bouwplan alsnog kan worden voldaan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling. Lukt dit, dan hoeft er geen beroep te worden gedaan op overmacht. Wel moeten de wijzigingen in het bouwplan tijdig worden doorgegeven aan RVO. Dit kan via ‘mijn dossier’ op de site van RVO.
  • Lukt het niet om met een alternatief bouwplan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling te voldoen, dan kan een beroep worden gedaan op overmacht. Hiertoe moet een melding worden gedaan. In deze melding moet worden  aangegeven dat de wijzigingen in het bouwplan noodzakelijk zijn, maar ook waarom niet kan worden voldaan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling. In dat geval hoeven de wijzigingen in het bouwplan niet te worden doorgegeven.

Wijziging in bouwplan

Bij het aanbrengen van wijzigingen van het bouwplan is het belangrijk dat eerst wordt gekeken of op een andere wijze kan worden voldaan aan de voorwaarden. Bijvoorbeeld door op hetzelfde perceel een ander toegestaan vanggewas voor ecologisch aandachtsgebied (EA) te zaaien of een volgteelt EA op een ander perceel te zaaien. Bijvoorbeeld als u na een mislukte hoofdteelt nog een tweede hoofdteelt wilt zaaien en deze niet voor 30 september wordt geoogst.

neerslagrecord juni

Met name het zuidoosten van ons land kreeg in juni van dit jaar grote hoeveelheden neerslag te verwerken (bron: website KNMI)

Wat te doen:

Gewijzigde bouwplan voldoet wel aan de voorwaarden

U wijzigt uw bouwplan en u kunt daarmee nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling.

  • Wijzigt vóór 15 juli de hoofdteelt, geef dit dan door in ‘Mijn percelen’ van de Gecombineerde Opgave in het digitale dossier op de site van RVO. Houd bij wijzigingen vóór 15 juli ook rekening met de verplichtingen die gelden voor gewasdiversificatie. Voor gewasdiversificatie moeten de gewassen in de periode van 15 mei tot en met 15 juli op het land staan.
  • Wijzigt de ingangsdatum van de volgteelt voor ecologisch aandachtsgebied? Geef dit dan uiterlijk op de dag van inzaai door met de Gecombineerde opgave op de site van RVO. Bij een vanggewas als ondervrucht in het hoofdgewas geldt de oogstdatum van het hoofdgewas als inzaaidatum van het vanggewas. De uiterste ingangsdatum van de volgteelt voor ecologisch aandachtsgebied is 30 september.

Gewijzigde bouwplan voldoet niet aan de voorwaarden : Beroep doen op overmacht 

Kunt u met een gewijzigd bouwplan toch niet voldoen aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling? Dan kunt u met het formulier Melding Overmacht Basisbetalingsregeling GLB een beroep worden gedaan op overmacht beroep doen op overmacht (kijk bij Direct Regelen). Bij de melding moet op het daarvoor bestemde formulier worden aangegeven, aan welke voorwaarden niet kan worden voldaan en waarom niet. Daarbij moet worden aangegeven om welke percelen het gaat. Bij de melding overmacht moeten ook bewijsstukken worden meegestuurd van de overmachtssituatie zoals bijvoorbeeld foto’s en een schaderapport. Zorg er tenslotte voor dat de melding zo snel mogelijk wordt gedaan. Alleen dan kan RVO op basis van een feitelijke controle constateren dat inderdaad sprake is van een uitzonderlijke situatie. De ingediende melding en de meegestuurde bewijsstukken worden door RVO beoordeeld. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de specifieke situatie zoals die zich heeft voorgedaan op het bedrijf in kwestie en wordt gebruik gemaakt van gegevens van onder andere het KNMI (neerslaggegevens) en actuele satellietbeelden.

Wanneer een beroep op overmacht wordt gedaan volstaat de melding en hoeft het gewijzigde bouwplan niet aan RVO te worden doorgegeven.

 

Herstelbemesting bouwland na extreme neerslag

Bij het vaststellen van het vierde actieprogramma nitraatrichtlijn is destijds een regeling opgenomen die het mogelijk maakt om een  herstelbemesting van gewassen op bouwland mogelijk maakt bij extreme regenval. Van deze regeling kan echter niet zonder meer gebruik worden gemaakt. Aan de regels zijn een aantal voorwaarden en regels verbonden waar aan moet worden voldaan. Zo moet worden voldaan aan de normen voor extreme regenval, moet sprake zijn van significante schade bij achterwege blijven van de herstelbemesting en moet men zich voor deze herstelbemesting aanmelden.

Daarbij geldt de vrijstellingsregeling alleen voor stikstof en mag deze herstelbemesting alleen worden uitgevoerd met kunstmest. In tegenstelling tot bij fosfaat kan extreme regenval voor stikstof resulteren in uitspoeling van stikstof. Dit kan weer leiden tot opbrengst- of kwaliteitsverlies. Om de gevolgen hiervan te beperken is de mogelijkheid tot het uitvoeren van een herstelbemesting

Voorwaarden

Voor wie een herstelbemesting op bouwland wil uitvoeren, gelden de volgende voorwaarden:

  • buienradar

    Onder extreme neerslag wordt verstaan meer dan 50 mm in een etmaal of 60 mm in 2 opeenvolgende etmalen.

    U mag een herstelbemesting uitvoeren als u schade leidt of dreigt te leiden uit opbrengstderving of kwaliteitsverlies door een hoeveelheid regen van meer dan 50 mm in een etmaal (tussen 8.00 uur en de daaropvolgende 24 uur) of 60 mm in 2 opeenvolgende etmalen (tussen 8.00 uur en de daaropvolgende 48 uur). Het KNMI bevestigt de neerslaghoeveelheid.

  • De verwachte financiële opbrengst van het gewasperceel is zonder extra bemesting minimaal 25% lager.
  • U heeft door een geregistreerd schade-expert de neerslag en opbrengstderving in een rapport laten bevestigen. In het rapport is ook de ligging en oppervlakte van het gewasperceel vastgelegd. U bewaart dit rapport in uw administratie. Een geregistreerd schade-expert is een expert die staat geregistreerd bij de Stichting Nederlands Instituut van Register-experts (NIVRE), Nederlandse Vereniging van Agrarische Experts (NVAE) of de Stichting Verenigd register van taxateurs (VRT) of is verbonden aan een schadeverzekeringsmaatschappij die is opgenomen in een vergunningenregister van de Nederlandse Bank (DNB) of de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
  • De herstelbemesting geldt alleen voor bouwland.
  • U mag maximaal 25 % van de vastgestelde hoeveelheid stikstof per gewasperceel extra gebruiken. De vastgestelde hoeveelheid stikstof per gewas staat in Tabel 1 van de Tabllenbrochure Meststoffenwet
  • U mag de extra hoeveelheid stikstof alleen in de vorm van kunstmest (anorganische meststoffen) geven.

U meldt de herstelbemesting aan voordat u deze uitvoert. Heeft u zich aangemeld, maar voert u de herstelbemesting toch niet uit? Dan moet u dit ook doorgeven.

Internetconsultatie ontwerpwijziging Uitvoeringsregeling Meststoffenwet equivalente maatregelen

Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken heeft een ontwerpwijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet,  waarin een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm en stikstofgebruiksnorm bij het treffen van de equivalente maatregelen mogelijk wordt gemaakt, via een open internetconsultatie ter inzage gelegd. De inzagetermijn eindigt op 13 mei 2016.

uitvoeringsregeling

De internetconsultatie loopt van 31 maart tot 13 mei 2016

De ontwerpwijziging maakt een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm of stikstofgebruiksnorm mogelijk indien een landbouwer ervoor kiest één van de volgende zogenaamde ‘equivalente maatregelen’ op bouwland te treffen:

  • stikstof- en fosfaatgebruiksnormen afhankelijk van de gewasopbrengst;
  • Een hogere stikstofgebruiksnorm bij vervanging dierlijke mest door kalkammonsalpeter (KAS), chilisalpeter, kalksalpeter, stikstofmagnesium of mineralenconcentraat;
  • Een hogere stikstofgebruiksnorm bij rijenbemesting in mais op zand en lössgronden.

Doel van de internetconsultatie is het inwinnen van zienswijzen (toevoegingen, wijzigingen, aanvullingen) ten aanzien van de voorgenomen wijziging van de Uitvoeringsregeling. Met andere woorden: ‘meedenken’ wordt op prijs gesteld.

Klik hier voor meer informatie over de voorgenomen wijzigingen en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

Regels en verplichtingen voor houders van hobbydieren

De normen en verplichtingen van de Meststoffenwet gelden alleen voor bedrijfsmatig gehouden dieren. Bedrijfsmatig wil in dit kader zeggen: dieren gehouden voor ‘gebruiks- of winstdoeleinden’. Dieren die louter om hobbymatige redenen of als gezelschapsdier of voor educatieve doeleinden (zoals dierentuinen en kinderboerderijen) worden gehouden vallen niet onder bedrijfsmatig gehouden dieren. Voor de houders van deze dieren gelden dan ook niet de administratieve verplichtingen van de Meststoffenwet. Zo hoeft bijvoorbeeld een hobbydierhouder bij de afvoer van mest bijvoorbeeld geen Vervoersdocument Dierlijke Mest (VDM) in te vullen.

Al eerder hebben we op deze site aandacht besteed aan hobbydieren op het agrarische bedrijf. Maar hoe zit het met de verplichtingen van hobbydierhouders? En, waar ligt het onderscheid tussen hobbymatig en bedrijfsmatig?

In de Meststoffenwet is niet in cijfers vastgelegd wat het onderscheid is tussen hobbymatig en bedrijfsmatig. De Wet stelt dat het onderscheid uit de feitelijke omstandigheden moet blijken. Om iets meer houvast te hebben mag een houder ervan uitgaan dat hij als hobbymatig wordt aangemerkt indien de door hem of haar gehouden dieren per jaar niet meer stikstof produceren dan 350 kg. Dit is tevens de grens voor bedrijven die in de Meststoffenwet vallen onder de vrijstellingregeling voor kleine bedrijven. Voor het idee, dit betekent zo’n 5-6 paarden (afhankelijk van het gewicht) of 4 zoogkoeien of 30 schapen of een paar honderd kippen. Maar zoals gezegd deze grens is geen vast gegeven: de feitelijke omstandigheden blijven leidend.

Hobbydierhouders hoeven zoals gezegd geen administratie bij te houden. Voor hen gelden wel regels voor de hoeveelheid dierlijke mest die ze op hun grond mogen brengen. Als dat grond is die gebruikt wordt als grasland of bouwland,  dus voor de teelt van gewassen, dan mag maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare worden aangewend. Dat is overeenkomstig de Europese Nitraatrichtlijn. Als de grond een andere bestemming heeft (tuin, recreatie, etc), dan mag er niet meer dan 20 kg fosfaat in de vorm van dierlijke mest worden opgebracht. Voor kunstmest gelden geen directe beperkingen. Daarnaast moeten ook hobbydierhouders zich houden aan de uitrijperiodes van meststoffen en aan de bepalingen die gelden voor het scheuren van grasland.

In principe hoeft een hobbydierhouder de mest die hij afvoert niet te (laten) bemonsteren en te analyseren en hoeft er geen VDM te worden ingevuld. Wel moet uit de administratie blijken waar de mest naar toe is gegaan. Wanneer de door hobbydieren geproduceerde mest wordt afgevoerd naar een bedrijf dat de mest gebruikt voor bedrijfsmatige landbouwdoeleinden, moet de mest vervoerd worden via een geregistreerde vervoerder. Die zal ook voor een VDM zorgen. Wanneer een hobbydierhouder mest aanvoert van een landbouwbedrijf moet ook een VDM worden opgemaakt. Daarbij moet uiteraard rekening worden gehouden met de maximale toediening op de eigen grond en de mestproductie van de eigen hobbydieren.