Geheime marges niet toegestaan

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft op 18 december 2018 in een drietal hoger beroepen de boetes voor overtreding van de Meststoffenwet geschrapt.

Het College oordeelde in deze uitspraken dat het de veehouders aan een redelijke mogelijkheid ontbrak om zich te verweren tegen het feit dat hun mestboekhouding niet sluitend was of niet werd voldaan aan de gebruiksnormen en de conclusie van de minister dat zij de Meststoffenwet zouden hebben overtreden.

Veehouders moeten een mestboekhouding voeren, waarin zij productie, afvoer en opslag van mest verantwoorden. Als die boekhouding niet sluit of de gebruiksnormen worden overschreden dan vormt dat een aanwijzing voor het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht (artikel 14 van de Meststoffenwet) of overtreding van de gebruiksnormen (artikel 7 gezien in samenhang met artikel 8 van de Meststoffenwet), maar er kunnen ook andere oorzaken zijn voor de niet sluitende boekhouding.

Omdat stikstof kan vervluchtigen en fosfaat kan bezinken of meer fosfaat kan worden vastgelegd dan in de normen is aangenomen, is het nodig om de binnen de Meststoffenwet gebruikte cijfers te corrigeren of een onzekerheidsmarge te betrachten. Daarnaast kunnen allerlei onnauwkeurigheden en (meet-)fouten optreden. Denk daarbij aan de afvoer van dierlijke mest. De minister hanteert derhalve marges om te voorkomen dat voor een papieren overtreding (hoge) boetes worden opgelegd, terwijl er geen sprake is van een overtreding van de regels en voorwaarden van de Meststoffenwet.

In de drie genoemde procedures betwisten de beboete veehouders dat zij niet zouden hebben voldaan aan hun verantwoordingsplicht of meer mest zouden hebben uitgereden dan de gebruiksnormen toe zouden hebben gelaten. De zaken werden door het College aangehouden en het College vroeg advies hieromtrent aan raadsheer advocaat- generaal Wattel. Die bracht daarover op 22 mei 2018 advies uit.

In de uitspraken van 18 december 2018  volgt het College dit advies van Wattel. Dit betekent dat het College het boetesysteem op zichzelf in overeenstemming acht met de in internationale verdragen verankerde grondrechten. Daarnaast oordeelt het College dat een veehouder in verband met het grondrecht van de onschuldpresumptie wel voldoende kans dient te krijgen om zich tegen de aan zijn mestboekhouding ontleende bewijsvermoedens te verweren. Dat kan de veehouder alleen, zo oordeelt het College,  als de minister de door hem gebruikte correctiefactoren en marges (op tijd) onthult.

De minister hield aanvankelijk sommige marges geheim, zoals een stikstofgatmarge en zekere handhavingsmarges, om calculerend en anticiperend gedrag door kwaadwillenden te voorkomen met andere woorden om te voorkomen dat veehouders hun gedrag daarop zouden kunnen afstemmen. Daarmee, zo oordeelt het College, kunnen de boetes de toets der kritiek niet doorstaan en dat is voor het Colleges reden om de opgelegde boetes te schrappen.

Het feit dat RVO op 15 juni 2018 een deel van de gehanteerde ‘geheime’ marges alsnog heeft gepubliceerd doet daar volgens het College niet aan af.

Het College is van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Het in de vorige zin overwogene geldt dus ook indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van deze uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na deze uitspraak voert. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige uitspraken:

ECLI:NL:CBB:2018:652
ECLI:NL:CBB:2018:653
ECLI:NL:CBB:2018:654

 

Grondgebruikersverklaring ook schriftelijk beëindigen

Wanneer zogenaamde ‘losse grond’  tijdelijk in gebruik wordt genomen of uit gebruik wordt gegeven wordt dit vaak via een zogenaamde grondgebruikersverklaring geformaliseerd. Daarbij komt het regelmatig voor dat daarbij een stilzwijgende verlenging wordt afgesproken of de gebruikersverklaring wordt aangegaan ‘tot wederopzegging‘. Dat het verstandig is om ook een einddatum op te nemen in een dergelijke overeenkomst of de overeenkomst schriftelijk te beëindigen blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs uitspraak deed.

Appellante heeft op 12 mei 2016 een Gecombineerde opgave bij RVO ingediend waarin zij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor 2016, alsmede om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers heeft verzocht.

Bij primair besluit heeft RVO het door appellante opgegeven perceel 107 met een oppervlakte van 7,21 ha niet in deze aanvraag meegenomen, omdat appellante van dit perceel niet het gebruik en beheer had op 15 mei 2016, bij gebreke van een daartoe strekkende geldige juridische titel. De rechtbank had eerder al geconcludeerd dat appellante dit perceel voor de duur van zes jaar (ingaande op 1 november 2013 en eindigend op 1 november 2019) van [naam] had gepacht, maar [naam] en appellante hebben gelijktijdig een grondgebruikersverklaring getekend, op grond waarvan het beheer van perceel 107 tot wederopzegging weer bij [naam] is komen te liggen. Niet is gebleken dat deze grondgebruikersverklaring is geëindigd.

In beroep heeft appellante – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij vanaf 1 november 2013 pacht appellante perceel 107 van [naam] heeft gepacht. In 2014 en 2015 is het perceel krachtens een grondgebruikersverklaring bij [naam] in gebruik geweest. Appellante heeft deze grondgebruikersverklaring in november 2015 in goed overleg met [naam] per 1 januari 2016 mondeling opgezegd. Met ingang van die datum was appellante exclusief gerechtigd tot het gebruik en beheer van het perceel op grond van eerder genoemde pachtovereenkomst. Nu appellante op 15 mei 2016 perceel 107 in beheer had, heeft zij recht op de aangevraagde betalingsrechten en betalingen, aldus appellante.

Het College overwoog als volgt: Ingevolge artikel 33, eerste lid, van Verordening 1307/2013 geeft de landbouwer met het oog op de activering van betalingsrechten aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010, ECLI:EU:C:2010:606, Landkreis Bad Dürkheim, C-61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van zijn landbouwactiviteiten te gebruiken.

In artikel 15, tweede lid, van Verordening 639/2014 is bepaald dat als twee of meer aanvragers een aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten voor eenzelfde in het eerste lid bedoelde subsidiabele hectare indienen, het betrokken betalingsrecht wordt toegewezen aan de aanvrager die bevoegd is om te besluiten welke landbouwactiviteiten op die hectare worden verricht en die de uit deze activiteiten voortvloeiende voordelen geniet en financiële risico’s draagt.

Vast staat dat op de peildatum van 15 mei 2016 [naam] de eigenaar was van perceel 107. Ook indien de rechtsgeldigheid van de hiervoor genoemde pachtovereenkomst als uitgangspunt wordt genomen, laat dat onverlet dat met ingang van 1 november 2013 tussen [naam] en appellante een grondgebruikersverklaring is gesloten op grond waarvan het gebruik en beheer van perceel 107 weer aan [naam] toekwam. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de grondgebruikersverklaring per 1 januari 2016 door opzegging is geëindigd.

Uit een door appellante overgelegde verklaring van een loonwerker van 14 april 2017 waarin deze verklaart over de werkzaamheden die hij in opdracht van appellante op het betreffende perceel heeft verricht, kan dit ieder geval niet worden afgeleid. Mogelijk heeft appellante het perceel feitelijk gebruikt, maar dat enkele feit betekent niet dat appellante op basis van een geldige titel ook de bevoegdheid had om het perceel met een zekere autonomie voor de uitoefening van haar landbouwactiviteiten te gebruiken.

RVO heeft daarmee volgens het College terecht geoordeeld dat perceel 107 op 15 mei 2016 niet tot het bedrijf van appellante behoorde.

Lees hier de volledige uitspraak

Zorgplicht bij de aanvoer van mest

De Meststoffenwet gaat uit van een verdeling van de bewijslast waarbij de veehouder aan moet tonen dat hij binnen de gebruiksnormen is gebleven. Dit vraagt om extra waakzaamheid zoals blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs tussenuitspraak deed.

Naar aanleiding van een landelijk onderzoek naar leveringen van mest waarbij op de vervoersdocumenten een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “Groenerije” of “CTE Service” is een onderzoek gestart naar melkvee- en loonbedrijf [naam 1]. Uit dit onderzoek bleek dat in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009 twintig vrachten met dierlijke mest op de bedrijfslocatie van [naam 1] zijn aangevoerd, waarbij [naam 1] niet als afnemer zou zijn vermeld.

De mest werd toch beschouwd als zijnde aangevoerd door [naam 1] ook al stond hij niet geregistreerd als afnemer. Door de extra aanvoer overschreed het bedrijf van [naam 1] de gebruiksnormen. Hiervoor werd een boete opgelegd, het hiertegen ingestelde bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog in beroep echter dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser een verwijt kan worden gemaakt van de door verweerder gestelde overtreding. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld

Het College ziet zich bij de beoordeling van het hogere beroep gesteld voor de vraag of de minister bevoegd was aan [naam 1] een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van artikel 7 van de Msw . Daarvoor is van belang om vast te stellen of er (1) voldoende bewijs is voor de overtreding en de omvang daarvan en (2) of [naam 1] daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden

Is er voldoende bewijs?

Het College stelt vast dat op de vervoersbewijzen van de verweten twintig vrachten mest, in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009, kentekens, vervoerders en data zijn vermeld die overeenkomen met bij de meldingen van de AGR/GPS vermelde kentekens, vervoerders en data. Voorts zijn er aanvullende verklaringen van de vervoerders en stukken uit de administratie van de betrokken vervoerders en intermediairs die bevestigen dat de mest gelost is op het bedrijf van [naam 1]. De verklaringen van de directeuren van Groenerije, daarbij mede in acht genomen, kan verweerder worden gevolgd in de conclusie dat die onderneming niet de daadwerkelijke afnemer was, maar als fictieve afnemer is opgevoerd.

Verder is niet gebleken van verstoorde AGR/GPS-gegevens en bevinden de geregistreerde loslocaties zich op het bedrijf van [naam 1]. Ook voor het feit dat de mest weer zou zijn afgevoerd zijn geen bewijzen. Het College acht het op grond van de vermelde gegevens dan ook aannemelijk dat de twintig vrachten mest op het bedrijf van [naam 1] zijn aangevoerd.

Kan betrokkene aansprakelijk worden gehouden?

Ten aanzien van de vraag wie op de overtreding kan worden aangesproken, heeft het College in haar uitspraak van 6 juli 2015, (ECLI:NL:CBB:2015:233), het volgende overwogen:

“3.8 (…) In de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 29 930, nr. 3, p. 112) staat als toelichting op (thans) artikel 7 van de Msw het volgende vermeld.

“(…) De omschrijving in artikel 5a van de verboden gedraging als het «op of in de bodem brengen van meststoffen» sluit geheel aan bij de in bijlage III, onderdelen 1, onder 3, van de Nitraatrichtlijn ten aanzien van de gebruiksnormen gebruikte terminologie en ook bij het begrip «gebruiken», als gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit gebruik meststoffen. De omschrijving van de gedraging moet in de ruimste betekenis worden begrepen. Zij omvat elk handelen of nalaten waardoor meststoffen op of in de bodem belanden. Het gaat volgens de definitie van artikel 2, onderdeel h, in ieder geval om elk «toevoegen van stoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met oppervlaktelagen». (…)

Niet alleen degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult, maar ook de functionele dader kan voor overtreding van het verbod strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gehouden. (…)

Het woord «gedraging» in de definitie van het begrip «overtreding», moet in de ruimst mogelijke zin worden opgevat: elk handelen of nalaten wordt daaronder begrepen.(…) Dat kan zijn degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult, maar ook de functionele dader (vergelijk het zogenoemde ijzerdraad-arrest: HR 23 februari 1954 NJ 1954, 378). Functioneel dader is degene in wiens machtssfeer de fysieke handelingen liggen waardoor de overtreding is begaan en die voorts de handelingen heeft aanvaard of in het algemeen placht te aanvaarden. Van dit laatste is in beginsel reeds sprake als de functionele dader is tekortgeschoten in hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht om wederrechtelijke handelingen te voorkomen. “

(…) Van appellanten had mogen worden verwacht dat zij, toen zij het bemesten aan [naam 6] overlieten, precieze, op schrift gestelde afspraken met hem zouden hebben gemaakt en op de naleving daarvan toezicht zouden houden. Appellanten hebben onvoldoende toezichtmaatregelen genomen om overtreding van de gebruiksnormen te voorkomen. Zij waren niet aanwezig bij het lossen van de mest en hebben dit toezicht ook niet door een ander voor hen laten doen. Dat de betreffende percelen op 20 kilometer van hun huiskavel liggen maakt niet dat dit niet van hen kon worden verlangd, nu zij zeggenschap over deze percelen hadden. Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat appellanten terecht als overtreder van artikel 7 van de Msw zijn aangemerkt.”

Het College is van oordeel dat in dit geval de overtreding in redelijkheid aan [naam 1] kan worden toegerekend. [naam 1] heeft geen enkele afspraak op schrift gesteld. Hij heeft geen voorzorgsmaatregelen getroffen voor toezicht op de aanvoer van de mest en heeft geen bewijzen gevraagd van de aangevoerde mest en de hoeveelheid stikstof en fosfaat die de mest bevatte. Hij heeft aldus geen enkele controle uitgeoefend. De mest is bovendien gelost over een periode van 29 april 2009 tot 23 juni 2009, waardoor hij in de gelegenheid was om tussentijds in te grijpen. De conclusie is dan ook dat hij niet de zorg heeft betracht die van hem verwacht mocht worden. Van het ontbreken van verwijtbaarheid is gelet daarop evenmin sprake. De minister was derhalve bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen aan [naam 1] wegens overtreding van artikel 7 van de Msw, in samenhang met artikel 8 van de Msw.

Bovenstaande geeft aan dat vertrouwen weliswaar goed is, maar wanneer de spreekwoordelijke mest aan de knikker komt, je met vertrouwen alleen niet ver komt en zowel op schrift als in acties het nodige moet kunnen worden onderbouwd waaruit blijkt dat de mest niet op de landbouwgrond die hoort tot het bedrijf terecht is gekomen.

 

Lees hier de volledige (tussen)uitspraak

 

Bij twijfel over de gehalten in koek na mestscheiding moet eerst de afvoer aannemelijk kunnen worden gemaakt

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin de afvoer van twee vrachten koek na mestscheiding van het bedrijf van eiseres door verweerder was geschrapt.

Uit een onderzoek naar het bedrijf Hamefo Nederland BV (Hamefo), is gebleken dat dit bedrijf Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen (VDM’s) voor transporten van dierlijke mest opmaakte en registreerde, maar deze transporten in werkelijkheid niet zou hebben uitgevoerd. Het betrof veelal vrachten koek na mestscheiding die zouden zijn vervoerd naar Mestverwerking Fryslȃn BV (MVF). De analyses van deze vrachten vertoonden bovendien vaak opmerkelijk hoge stikstof- en fosfaatgehaltes.

Het vermoeden is dat ten tijde van een werkelijk mesttransport extra VDM’s werden ingevuld. Op deze VDM’s werd dan geen kenteken van het vervoermiddel ingevuld. De chauffeurs zouden extra AGR/GPS-koffers bij zich hebben gehad om de fictieve vrachten uniek te maken. Daarnaast zouden de chauffeurs valse weegbonnen hebben opgemaakt bij MVF.
Naar aanleiding van bovenvermeld onderzoek heeft verweerder gecontroleerd of eiseres in 2013 de wet- en regelgeving van het mestbeleid heeft nageleefd. Specifiek werd gekeken naar twee VDM’s die door Hamefo van het bedrijf zijn afgevoerd.

Uit VDM1 blijkt dat Hamefo op 19 december 2013 om 06.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 47,68 ton heeft geladen en op 20 december 2013 om 13.00 uur bij MVF heeft gelost. Op VDM1 is het kenteken van de truck waarmee het transport is uitgevoerd niet vermeld. Op de weegbon die achterop het VDM is afgedrukt, blijkt dat de vracht op 20 december 2013 om 13.12 uur bij MVF is gewogen.

Uit VDM2 blijkt dat Hamefo op 20 december 2013 om 05.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 39,66 ton heeft geladen. Uit het VDM blijkt dat de vracht die dag om 14.00 uur bij MVF is gelost. Op VDM2 is het kenteken van de truck waarmee het transport is gedaan niet vermeld. Volgens de weegbon is de vracht om 13.57 uur bij MVF gewogen.

Uit het onderzoek naar deze twee transporten blijkt dat de VDM’s -volgens ARG/GPS-gegevens- zijn ingelezen op 20 december 2013 om 5:52 uur respectievelijk 5:47 uur. Volgens deze gegevens zouden de transporten toen ook geladen en bemonsterd zijn. De vrachten zouden bij MVF zijn gelost om 13.02 uur respectievelijk 13.11 uur.

Uit gegevens van Data2Track blijkt dat op 20 december 2013 één truck, met kenteken BT-JB-86 type walking floor, om 5.48 uur bij het bedrijf van eiseres is geweest. Volgens deze gegevens is deze truck om 5.54 uur weer vertrokken en om 12.44 uur bij MVF aangekomen. De truck is daar weer vertrokken om 13.13 uur. De geregistreerde laad en losmeldingen van VDM1 en VDM2 corresponderen daarmee met de Data2Track gegevens van deze truck.

Uit deze gegevens heeft verweerder afgeleid dat de VDM’s valselijk zijn opgemaakt en de mest niet is afgevoerd en de betreffende VDM’s niet meegenomen als afvoer van mest, maar beschouwd als zijnde aangewend op de eigen grond. Dit resulteerde in een boete van (in totaal) € 31.804,50.

Eiseres blijft erbij dat op 19 en 20 december 2013 containercombinaties op zijn bedrijf zijn geweest om koek na mestscheiding op te halen en [A.] de containers zelf met een shovel heeft gevuld. De vrachten zijn afgevoerd, de vervoerskosten betaald en de VDM’s en analyserapporten ontvangen. Er zijn monsters genomen die door het laboratorium geanalyseerd zijn. Eiseres stelt geen invloed te hebben gehad op de monsters en kan niet anders dan van de analyses uitgaan. Eiseres blijft erbij dat de vrachten als afvoer in de berekening, van de hoeveelheid mest die zij in 2013 op haar land heeft gebruikt, had moeten worden meegenomen.

Eiseres heeft geen truck met ‘walking floor’ op haar terrein gezien. Zij stelt dat de truck mogelijk ter plaatse is geweest om de chauffeur met de containercombinatie de weg te wijzen of mestmonsters op te pikken en geeft aan dat Hamefo met meer trucks reed dan enkel de trucks die in Data2Track geregistreerd stonden.

Eiseres stelt ook geen invloed te hebben gehad op de Data2Track-gegevens. Als vast komt te staan dat deze gegevens niet overeenkomen met de gegevens op de VDM’s, kan dat volgens eiseres nog niet leiden tot de conclusie, dat de mest helemaal niet is afgevoerd.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat de mest in containers is geladen en vervoerd, zoals eiseres heeft verklaard, omdat containers niet kunnen worden vervoerd met een vrachtwagen met ‘walking floor’ en de mest, gelet op de hoeveelheid, niet binnen zes minuten -tussen aankomst en vertrek- kan zijn geladen. Verweerder neemt aan dat de truck van Hamefo met kenteken BT-JB-86 alleen bij het bedrijf van eiseres is geweest om via het ARG/GPS-systeem een laadmelding te doen. Ook de gehaltes in de gestelde afvoer worden niet aannemelijk geacht. Verweerder acht dat echter niet direct van belang, omdat de afvoer sowieso niet aannemelijk is. Verweerder rekent het eiseres ook aan geen administratie over de mestscheiding kon worden overlegd en eiseres niet weet hoe de mest gescheiden is.

De rechtbank overweegt dat gelet op vaste rechtspraak verweerder mag aannemen dat eiseres de aangevoerde en geproduceerde mest in of op de bodem heeft gebracht, tenzij eiseres aannemelijk maakt dat zij dat niet heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 19 en 20 december 2013 twee vrachten koek na mestscheiding door Hamefo heeft laten afvoeren.

verzamel nota’s, werkbonnen, fotomateriaal, (extra) analyses, etc om de mestscheiding en de afvoer daarvan aannemelijk te maken.

Uit Data2Track-gegevens blijkt dat op 20 december 2013 één truck van Hamefo, de truck met kenteken BT-JB-86 en ‘walking floor’, in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest. De truck is daar aangekomen om 5.48 uur en daar weer vertrokken om 5.54 uur. De truck is bij MVF aangekomen om 12.44 uur en daar weer vertrokken om 13.13 uur.

Uit de gegevens van Data2Track blijkt ook dat de andere geregistreerde vrachtwagens van Hamefo die dag niet in de buurt van het bedrijf van eiseres zijn geweest. Ter zitting is gebleken dat uit die gegevens verder blijkt dat op 19 december 2013 geen geregistreerde truck van Hamefo in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest.

De omstandigheid dat eiseres geen invloed heeft op de Data2Track-gegevens, zoals zij heeft gesteld, betekent niet dat verweerder niet van deze gegevens heeft mogen uitgaan en mede op grond van andere gegevens heeft kunnen concluderen, dat de gestelde afvoer van dikke fractie niet aannemelijk is.

De truck met kenteken BT-JB-86 kan de vrachten waarbij de VDM1 en VDM2 horen niet hebben vervoerd. Volgens VDM1 is de vracht van 47,68 ton geladen op 19 december 2013. Volgens de Data2Track-gegevens was de truck toen niet in de buurt van het bedrijf van eiseres. Volgens VDM2 is de vracht van 39,66 ton geladen om 05.00 uur en dus vóórdat de truck er was.

Volgens VDM2 is de vracht om 14.00 uur bij MVF aangekomen en dus lang nádat de truck daar weer is vertrokken. De vracht met VDM1 is volgens het VDM bij MVF gelost om 13.00 uur en dus binnen de aankomst- en vertrektijd van de truck bij MVF, maar zoals al gezegd, is deze vracht, volgens het VDM, niet op 20 december 2013 geladen en blijkt niet dat de truck op 19 december 2013 al bij het bedrijf van eiseres was.

Daarbij zijn partijen het erover eens dat een truck met ‘walking floor’ niet in zes minuten kan zijn beladen met de vrachten dikke fractie en betwist eiseres zelf dat de vrachten met een truck met ‘walking floor’ zijn vervoerd.

Van het feit dat andere trucks, en wel containercombinaties, die [A.] zelf zou hebben beladen, zoals eiseres heeft verklaard, de vrachten hebben vervoerd, is in het geheel niet gebleken. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat Hamefo ook transporten verzorgde met niet in Data2Track geregistreerde vrachtwagens, maar noch aannemelijk gemaakt dat dat in december 2013 het geval was, noch aannemelijk gemaakt dat de voormelde vrachten door niet geregistreerde vrachtwagens zijn vervoerd. Daarbij heeft MVF verklaard dat Hamefo in december 2013 alleen met de vier in Data2Track geregistreerde vrachtwagens reed en ziet de rechtbank geen grond aan die verklaringen te twijfelen.

Dat eiseres VDM’s heeft die bij de transporten horen, de weegbonnen van de weging van de mest bij MVF en de analyserapporten van de analyses van de mestmonsters, maakt de transporten (toch) nog niet aannemelijk. Genoegzaam is gebleken dat van de VDM’s en weegbonnen niet kan worden uitgegaan. Uit VDM1 blijkt dat de vracht is geladen op 19 december 2013, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht met dat VDM-nummer geladen is op 20 december 2013. Van een laadmelding op 19 december 2013 is niet gebleken. Uit VDM2 volgt dat de vracht is geladen om 5.00 uur, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht is geladen om 5.47 uur. Deze vracht is volgens het VDM gelost om 14.00 uur, terwijl het AGR/GPS-systeem 13.11 uur geregistreerd heeft. Daarbij zijn beide vrachten -volgens de weegbonnen- bij MVF gewogen nádat zij daar volgens de ARG/GPS-gegevens zijn gelost. De vracht met VDM1 zou zelfs zijn gewogen nadat ze volgens de VDM zou zijn gelost.

Dat er mestmonsters zijn genomen en geanalyseerd zijn zegt op zich niks over het transport van de mest. Hetgeen eiseres daarover heeft aangevoerd, kan dan ook verder buiten de beoordeling blijven. Hetgeen eiseres in verband met de mestmonsters, de analyses van de monsters en de mestscheiding heeft aangevoerd, kan immers niet alsnog tot de conclusie leiden dat de mest daadwerkelijk is afgevoerd.

Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren, heeft verweerder er van mogen uitgaan dat eiseres deze mest heeft aangewend.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat eiseres geen enkel verwijt van deze overtredingen kan worden gemaakt en eiseres het slachtoffer is geworden van malafide praktijken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verweerder op voldoende wijze gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres er alles aan gedaan heeft deze overtredingen te voorkomen. Verweerder heeft eiseres dan ook bestuurlijke boetes kunnen opleggen.

Procedures die betrekking hebben op de afvoer van dikke fractie handelen vaak over een verschil van inzicht in hoe de gehalten in de afgevoerde vrachten koek na mestscheiding dienen te worden geïnterpreteerd. In deze situatie deed deze situatie zich ook voor (verweerder achtte de gehalten onaannemelijk hoog), maar dit wordt verder niet direct van belang geacht, omdat verweerder het feit dat er mest is gescheiden en de koek na mestscheiding is afgevoerd sowieso niet aannemelijk acht.

De vraag kan met recht worden gesteld of eiseres in deze situatie de dupe is geworden van al dan niet bewuste praktijken van derden of daadwerkelijk zelf laakbaar heeft gehandeld. Verweerder en de rechtbank gaan uit van dit laatste of stellen dat eiseres tenminste daarvoor verantwoordelijk is.

Deze uitspraak geeft dan ook aan dat, voordat een discussie kan worden gevoerd over de aannemelijkheid van de gehalten, eerst de aannemelijkheid van de mestscheiding zelf, het laden van de koek na mestscheiding en de afvoer van deze koek na mestscheiding van het bedrijf vast dient te staan en moet kunnen worden onderbouwd.

Het advies ‘leg meer vast dan misschien zou moeten’ blijft dan ook als de spreekwoordelijke paal boven water staan. Zo kunnen nota’s, werkbonnen, maar ook foto’s van de scheider, het laden van de koek na mestscheiding, de vrachtwagens op het bedrijf een bijdrage leveren om het vermoeden van verweerder te ontkrachten en duidelijk te maken dat de betreffende vrachten wel zijn afgevoerd van het bedrijf.

Lees hier de volledige uitspraak

Fosfaatrechten van ingeschaarde dieren

Fosfaatrechten worden toegekend op basis van het aantal stuks melkvee dat op 2 juli 2015 op een bedrijf werd gehouden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het houderschap en niet de eigendomssituatie met betrekking tot dat melkvee doorslaggevend is. In het geval van in- en uitscharen van dieren worden de fosfaatrechten  daarmee toegekend aan de inschaarder. Vervolgens biedt de wet de mogelijkheid om indien een landbouwer voor 1 april 2018, had gemeld en aangetoond dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, het fosfaatrecht kon worden herverdeeld. Hierbij wordt het fosfaatrecht van de uitschaarder  verhoogd en het fosfaatrecht van de inschaarder, met diens instemming, verlaagd.  Maar wat wanneer de inschaarder zijn medewerking daar niet aan wenst te verlenen? In een dergelijke zaak deed de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland onlangs uitspraak.

[A] exploiteert een melkveehouderij, [C] exploiteert een veehouderij en veehandel. In 2015, 2016 en 2017 heeft [A] steeds in de periode 15 mei tot 15 oktober jongvee uitgeschaard bij [C]. De dieren stonden derhalve gedurende de periode 15 mei tot 15 oktober in het I&R systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) geregistreerd op het uniek bedrijfsnummer (UBN) van [C]. In de perioden voor en na het uitscharen verbleven de pinken op het bedrijf van [A] zelf. Het aantal pinken dat op voormelde wijze door [A] was uitgeschaard en door [C] was ingeschaard bedroeg in 2015 38 stuks. [A] heeft [C] gevraagd mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’ als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet. [C] heeft deze medewerking geweigerd.

Aan wie horen de fosfaatrechten van ingeschaarde dieren toe? Misschien toch niet zo duidelijk als het wel lijkt.

[A] vorderde in deze zaak vervolgens [C] bij vonnis te gelasten alsnog deze medewerking te verlenen. [A] heeft, zo stelt hij, een groot belang bij de fosfaatrechten omdat hij als actief melkveehouder in staat moet zijn om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen. Hij heeft de fosfaatrechten nodig om het melkvee dat hij in 2015 had ook thans nog te kunnen houden op zijn melkveebedrijf. Hij was eigenaar van deze dieren en in 2015 was hij gedurende zeven maanden ook houder hiervan.

[C] weigert zijn instemming te verlenen, met als gevolg dat, aldus [A], [C] ongerechtvaardigd wordt verrijkt en [C] hierdoor jegens [A] in strijd handelt met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. De weigering strookt, volgens [A] ook niet met de afspraken en de eerdere handelwijze van partijen. Partijen hebben nimmer beoogd of afgesproken dat eventuele quoteringen of mestrechten verband houdende met de inscharingen aan [C] zouden toekomen. In 2017 gold de Regeling fosfaatreductieplan 2017. [C] heeft toen meegewerkt aan het indienen van de formulieren ‘Uitschaarverklaring melk en niet melk producerende bedrijven voor fosfaatreductieplan 2017’ zonder hiervoor een vergoeding te vragen. Deze regeling was een opmaat voor de gewijzigde Msw, aldus [A].

[C] voert aan dat op basis van het wettelijk systeem de fosfaatrechten op zijn bedrijf zijn geregistreerd. [C] meent dat hij op goede gronden zijn instemming mag weigeren omdat hij recht en belang heeft bij behoud van de op zijn bedrijf gestelde fosfaatrechten. Hij exploiteert een veehouderij en houdt naast vleesvee ook melkvee. Omdat [C] voor het houden en inscharen van melkvee vanaf 1 januari 2018 fosfaatrechten nodig heeft, wenst [C] geen afstand van de hem toegekende rechten te doen. Met [A] zijn daar ook geen afspraken over gemaakt. De vergelijking met instemming met het fosfaatreductieplan 2017 gaat volgens [C] niet op en van onrechtmatig handelen is volgens [C] geen sprake.

De rechtbank overweegt dat artikel 23 lid 5 Msw de landbouwer die melkvee had uitgeschaard een mogelijkheid geeft om de ongewenste gevolgen van de fosfaatregeling te vermijden, maar anderzijds legt de wet het benutten van die mogelijkheid geheel in handen van partijen.

Voor de vraag of [C] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid zijn medewerking kon onthouden aan de mogelijkheid tot herverdeling van de toegekende fosfaatrechten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt: De fosfaatrechten zijn aan [C] toegekend omdat de 38 pinken van [A] op 2 juli 2015 bij hem waren ingeschaard. Die datum is echter een willekeurig gekozen peildatum, die door partijen niet te voorzien was. Doordat de pinken op dat moment op het bedrijfsnummer van [C] geregistreerd stonden, is het voordeel dat daaraan verbonden was, namelijk het toekennen van fosfaatrechten, aan [C] toegevallen. Zulks echter wel vanuit de daaraan ten grondslag liggende geachte dat deze runderen bij voortduring op zijn stal stonden dan wel door hem werden geweid. Vast staat echter dat partijen afspraken hebben gemaakt over het in- en uitscharen van de runderen voor de periode 1 mei 2015 tot 1 oktober 2015 en dat de runderen voor het overige bij [A] op stal stonden.

Dit in- en uitscharen gebeurde derhalve op basis van tussen partijen gemaakte afspraken, waarbij de runderen 5/12de gedeelte van het jaar bij [C] stonden en 7/12de gedeelte van het jaar bij [A] . Een redelijke toepassing van artikel 23 lid 5 Msw brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval met zich, ook in het licht van de algemene strekking van deze wet, dat de onderhavige fosfaatrechten – die [C] om niet heeft verkregen maar die inmiddels een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen – conform de partijafspraken over de perioden van houderschap, in beginsel in diezelfde verhouding tussen partijen dienen te worden verdeeld.

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken hebben gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat [C] heeft meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee [A] het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van [C] heeft verhoogd. Dat [C] er een in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden, heeft [C] niet duidelijk gemaakt. [C] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering. [C] schaart met name vee in en wel gedurende vijf maanden per jaar, waartoe de bijbehorende fosfaatrechten afdoende zouden moeten zijn. Onder de gegeven omstandigheden kan van [C] dan ook verlangd worden dat hij (opnieuw) zijn instemming verleend aan een gedeeltelijke verlaging van zijn fosfaatrechten en wel voor 7/12de deel van de 38 runderen. Dit komt overeen met (afgerond) 22 runderen. Nu [C] zijn instemming wenst te onthouden, wordt hij geacht onrechtmatig jegens [A] te handelen en zal hij worden veroordeeld zijn medewerking te verlenen als na te melden.

Of deze uitspraak ook stand zal houden in de bodemprocedure is de vraag. De uitspraak zal sowieso de nodige discussie tussen in- en uitscharende partijen uitlokken die niet zonder meer tot een vergelijk zijn gekomen. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige uitspraak

Wie moet wat bewijzen ?

De verdeling van de bewijslast binnen de Meststoffenwet is soms lastig te bevatten. Of toch niet ? Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak waarbij men in de uitspraak een duidelijke uitleg van de bewijslast gaf in de context van de betreffende zaak.

Uit het strafrechtelijke onderzoek “Osagedoorn” bleek dat dierlijke meststoffen vermoedelijk fictief zijn afgeleverd op naam van diverse particulieren terwijl deze vrachten in waarschijnlijk zijn geleverd aan landbouwbedrijven. Een van die landbouwbedrijven is het bedrijf van appellant. Zowel in 2010 als in 2011 zijn vier vrachten dierlijke meststoffen geleverd op het adres van appellant waarbij op de van deze vrachten opgemaakte vervoersbewijzen niet de naam van appellant als afnemer staat vermeld maar een andere naam. Verweerder heeft deze vrachten gerekend als zijnde aanvoer voor het landbouwbedrijf van appellant en het bedrijf een boete opgelegd vanwege het overschrijden van de gebruiksnormen.

Appellant heeft gesteld dat de in geding zijnde vrachten mest niet aan hem zijn geleverd, maar dat [naam 2] deze mest heeft ontvangen. [naam 2] had in de bewuste jaren de betreffende mestput van appalant gehuurd. Appellant hoeft, zo stelt hij, om deze reden ook niet te bewijzen dat de mest niet op zijn land is uitgereden. Hij heeft de mest immers nooit ontvangen. Dit zou ook worden bevestigd door enkele getuigen, die hebben verklaard de betreffende mest te hebben uitgereden in een weiland in de buurt van appellant.

Een duidelijke uitleg door het CBb

Het College heeft overwogen dat de wetgever bij invoering van de gebruiksnormen is, uitgegaan van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van meststoffen, waaraan de agrariër die meststoffen gebruikt slechts kan ontkomen als aan de voorwaarden voor opheffing van het verbod is voldaan (naleven van de gebruiksnormen). De materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen ligt volgens dit systeem daarmee primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen.

Uit deze maatstaf volgt dat verweerder weliswaar moet aantonen dat de overtreding is begaan, maar dat de materiële bewijslast van de overtreding op de agrariër berust. Concreet betekent dit dat, indien verweerder de aanwezigheid van mest (door aanvoer of eigen productie) heeft aangetoond, wordt aangenomen dat deze mest in of op de grond van de betreffende agrariër is gebracht. Het is dan aan de agrariër om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht.

In de onderhavige situatie toont verweerder aan dat de mest is geleverd op de locatie van appellant. Vervolgens is het aan appellant om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht. Appellant wijst in dit kader op de omstandigheid dat hij de betreffende mestput had verhuurd aan [naam 2]. Daarbij wijst appellant op een huurovereenkomst en een betaling door [naam 2] aan hem. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de mest niet op zijn grond is uitgereden en dat er aanwijzingen zijn dat [naam 2] de in zijn opdracht in de mestput geloste mest weer heeft afgevoerd, dan wel heeft laten afvoeren.

Het College is van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mestopslag daadwerkelijk verhuurd is geweest aan [naam 2] . Appellant onderbouwt zijn stelling met een schriftelijke huurovereenkomst en een bankafschrift. Op die huurovereenkomst ontbreken evenwel gegevens met betrekking tot de huurperiode, de huurlocatie (er staat alleen ‘mestput’), de ondertekening door appellant en de datum van ondertekening. Op het bankafschrift staat dat appellant een bedrag heeft ontvangen voor ‘mestdistributie’. Hier blijkt geen verhuur van de mestput uit. Daarnaast onderbouwt appellant zijn stelling door te wijzen op verklaringen van derden. Het College merkt deze verklaringen echter aan als niet voldoende feitelijk en controleerbaar. Daarmee bewijzen deze verklaringen niet dat de in de mestput van appellant afgeleverde mest niet bij appellant is uitgereden.

Het College is van oordeel dat verweerder heeft aangetoond dat sprake is van de aanwezigheid van de mest en hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende aantoont dat de betreffende mest niet op of in zijn grond is gebracht.

lees hier de volledige uitspraak

Tijdige actie geboden bij hogere gehalten in aangevoerde mest

Een onzekere factor bij de levering van mest zijn de gehalten die volgen uit de analyse. Hoewel in de meeste gevallen daarvoor redelijk goed een bandbreedte kan worden aangegeven vallen de gehalten soms hoger of juist lager uit dan vooraf verwacht. Vooral bij hogere gehalten kan een situatie ontstaan waarbij daardoor de gebruiksnormen worden overschreden door de aanvoerende partij. Een vervelende situatie die  nog vervelender kan worden wanneer daar niet tijdig op wordt gereageerd. Dit blijkt ook uit onderstaand geschil waarin de Rechtbank Overijssel onlangs uitspraak deed.

[X] heeft in de periode van maart tot en met april 2012 ongeveer 600 ton mest geleverd aan [A]. Deze mest is gewogen en bemonsterd. Het gehalte aan fosfaat blijkt echter hoger dan verondersteld. Hierdoor heeft [A] de gebruiksnorm voor fosfaat overschreden en is hem een boete opgelegd.  [X] heeft op grond van het feit dat zij kippenmest van [A] heeft afgenomen een bedrag gevorderd. [A] heeft het betreffende bedrag niet betwist, maar heeft zich beroepen op een opschortingsrecht vanwege de haar opgelegde boete.

[A] voert aan dat [X] had moeten waarschuwen dat sprake was van afwijkende fosfaatgehalten in de betreffende mest. Het was volgens [A] op het moment van de ontvangst van de resultaten van de eerste levering onmogelijk om vast te stellen of de totale geleverde mest in overeenstemming zou zijn met de gebruiksnormen. Bovendien heeft [A] door drukte op het werk de onderzoeksresultaten niet direct gecontroleerd. Daar was volgens [A] ook geen aanleiding voor. Hij had immers afspraken gemaakt met [X] over de fosfaathoogte in de mest.

[X] stelt dat zij geen mededelingsplicht,  maar  [A] wel een onderzoekplicht,  had. [X] voert bovendien aan dat [A] te laat heeft geklaagd: pas in 2014, op het moment dat RVO het voornemen had om [A] een boete op te leggen. Door te laat te klagen is [X] de mogelijkheid ontnomen om schadebeperkende maatregelen te treffen en [A] te adviseren. [A] heeft niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht en zelf onvoldoende maatregelen getroffen teneinde (een definitieve) overschrijding van de fosfaatgebruiksnormen te voorkomen.

De rechtbank oordeelt als volgt: Artikel 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de koper geen beroep meer op kan doen op het argument dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.

[A] dient als akkerbouwer te voldoen aan de Meststoffenwet. In dat kader wordt op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet de mest die door [A] wordt aangevoerd onderzocht op het fosfaatgehalte en ontvangt [A] van dit onderzoek de resultaten. Als [A] niet voldoet aan de aan haar gestelde mestwaarden, kan zij een boete opgelegd krijgen. [A] heeft derhalve een eigen verantwoordelijkheid op de controle van de fosfaatgehalten in de aan haar geleverde mest. [A] had derhalve de onderzoeksresultaten sowieso moeten bestuderen. De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat [A] de onderzoeksresultaten had ontvangen, zij redelijkerwijs had kunnen ontdekken of de aan haar geleverde mest aan de overeenkomst beantwoordde. Vaststaat dat [A] dat niet heeft gedaan. [A] is er immers pas achter gekomen in augustus 2012, het moment waarop haar mestboekhouding werd bijgewerkt.

De rechtbank gaat er verder van uit dat de analysegegevens van de eerste vrachten in ieder geval vóór de latere mestleveringen van [X] aan [A]  bij [A] bekend hadden kunnen zijn. [A] had kunnen constateren dat de fosfaatwaarden afweken van hetgeen partijen met elkaar waren overeengekomen. [A] had op dat moment nog de tijd gehad om de daarop volgende mestleveringen te annuleren. Er zou dan sprake geweest zijn van een beperkte overschrijding van de fosfaatnormen, waarbij [A] zich eventueel had kunnen beroepen op de fosfaatverrekeningsregeling en er was [A] geen boete opgelegd.

[A] heeft aangegeven dat zij, als zij de analyses van de mest had bestudeerd, niet met één opslag had kunnen zien dat zij over het toegestane aantal fosfaten heen zou gaan. [A] had echter wel met één opslag kunnen zien dat de geleverde mest geen 2,9 kg fosfaat per ton bevatte, maar mest met een fosfaatgehalte van meer dan 4 kg per ton, derhalve aanzienlijk hoger dan partijen waren overeengekomen. Dat had [A] op dat moment moeten melden aan [X]. Op dat moment konden er nog maatregelen genomen worden, waardoor [A] geen boete opgelegd zou hebben gekregen. [A] heeft derhalve te laat geklaagd in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW. [A] kan er derhalve geen beroep meer op doen dat de door [X] geleverde mest niet beantwoordde aan hetgeen partijen waren overeengekomen. De rechtbank wijst op grond van het bovenstaande de vordering van [A] af.

 

De moraal van het verhaal is duidelijk: degene die mest aanvoert dient bij afwijkende gehalten (als daarover al iets is afgesproken) tijdig contact op te nemen met de leverancier van de mest. Alleen dan kan de schade worden beperkt en een claim in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW  worden voorkomen.

Lees hier de volledige uitspraak

De adviseur als medepleger

Adviseurs zijn over het algemeen zeer betrokken bij de bedrijfsvoering van hun cliënten.  Echter net zoals voor hun klanten geldt ook voor de adviseur daarbij het wettelijke kader. Wordt dat (bewust) overtreden dan kan dit worden gezien als medeplegen en dat kan (strafrechtelijke) gevolgen hebben voor zowel de adviseur als zijn of haar werkgever. Een voorbeeld daarvan is onderstaande zaak waarin het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) onlangs uitspraak deed.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was de situatie als volgt: een adviseur was in dienst van een advieskantoor. Een akkerbouwer had een bedrijf, waarvan het grootste deel van de percelen van het bedrijf was gelegen in Duitsland. Het advieskantoor verzorgde voor de akkerbouwer de mestboekhouding en de Gecombineerde Opgave. De laatste betrokkene is een veehouder. De veehouder dreef een varkens- en een vleeskuikenbedrijf. Hij besteedde de mestboekhouding en de Gecombineerde Opgave uit aan het advieskantoor.

Verder is in deze zaak van belang dat op grond van artikel 1A lid 1 onder a ii Verordening (EG) 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 (hierna verder aangehaald als ‘de Verordening’), niet-verwerkte varkensmest zonder voorgaande toestemming en zonder gezondheidscertificaat mag worden verhandeld wanneer deze bestemd is om te worden uitgereden op gronden van eenzelfde bedrijf, gelegen aan weerzijden van de grens tussen twee lidstaten en onder controle van de bevoegde autoriteit. In andere gevallen mag dit slechts na instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en lidstaat van bestemming en, op grond van artikel 7 lid 2 en artikel 8 lid 3 van de Verordening, mits de mest vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat. Deze regeling wordt wel de ‘grensboerenregeling’ genoemd.

In deze situatie kon van deze regeling gebruik worden gemaakt omdat kort samengevat het advieskantoor, akkerbouwer en veehouder heeft geadviseerd met elkaar een pachtovereenkomst aan te gaan en daarvoor de documenten (overeenkomsten, facturen) heeft opgesteld. Op die manier kon de veehouder niet-verwerkte varkensmest afvoeren onder de regels van de grensboerenregeling.

De percelen in Duitsland werden echter bewerkt door akkerbouwer, die ook de zeggenschap heeft behouden over hetgeen op die percelen werd geteeld. Gelet daarop kan volgens het oordeel van het Hof niet worden gesteld dat het daadwerkelijk ging om ‘eenzelfde bedrijf’ en zijn het pachtcontract plus de onderliggende facturen en documenten kennelijk slechts opgesteld om de schijn te wekken dat dit wel het geval was. Uit het voorgaande vloeit eveneens voort dat de Gecombineerde Opgave valselijk is opgemaakt voor zover het gaat over het gebruik van 45,44 hectare grond in Duitsland, nu daarin is opgenomen dat de veehouder 45,44 hectare grond in Duitsland in gebruik had, terwijl die grond daadwerkelijk in gebruik was bij de akkerbouwer.

Het advieskantoor heeft zich daarmee in het oordeel van het Hof schuldig gemaakt aan het adviseren omtrent  en daarmee het medeplegen van het opmaken en afleveren van een valse pachtovereenkomst, valse facturen en een valse Gecombineerde Opgave. Daarnaast acht het Hof medeplichtigheid bewezenverklaard aan het door veehouder verzenden van transporten onverwerkte mest naar Duitsland zonder inachtneming van de formaliteiten die gelden wanneer de grensboerenregeling niet van toepassing is.

De vraag die het Hof vervolgens beantwoord of deze verboden gedragingen, verricht door de adviseur, in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan het advieskantoor. Daarvoor dient vastgesteld te worden of die gedragingen plaatsvonden dan wel zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Het Hof is op basis van deze omstandigheden van oordeel dat de verboden gedragingen die door de adviseur zijn verricht in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon en daarmee aan het advieskantoor.

Lees hier de volledige uitspraak

analysegegevens grond verplicht verstrekken?

Ben je verplicht analysegegevens van de grond te verstrekken als  je ze wel hebt, maar er geen gebruik van hebt gemaakt en ze je ook niet beter uitkomen? Over deze vraag deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak.

Appellant exploiteert een melkveehouderijbedrijf. In de Gecombineerde Opgaven van 2013 en 2014 heeft hij vermeld dat fosfaatdifferentiatie voor zijn percelen niet van toepassing is. Hij heeft daarmee gebruik gemaakt met de fosfaatgebruiksnorm voor de fosfaatklasse ‘hoog’.

De staatssecretaris heeft door middel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: verweerder) appellant een aankondiging melkveefosfaatreferentie (hierna: MVFR) gestuurd. Deze was opgebouwd uit de forfaitaire mestproductie van het in 2013 gehouden melkvee minus de fosfaatruimte in 2013. Bij primair besluit heeft verweerder de MVFR vervolgens ongewijzigd vastgesteld op 531 kg fosfaat.

stel je hebt een grondmonster. Ben je dan verplicht die te verstrekken en te gebruiken?

Stel je hebt een grondmonster. Ben je dan verplicht die te verstrekken en te gebruiken?

In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant aangevoerd dat hij een berekening van de fosfaatruimte wenst op basis van actuele cijfers van zijn grondmonsters. Daartoe heeft hij analysecijfers van de grond verstrekt. Verweerder heeft vervolgens de MVFR opnieuw berekend op basis van deze door appellant verstrekte gegevens en bij bestreden besluit  de MVFR verlaagd tot 0 kg.

In beroep voert appellant aan dat verweerder de MVFR ten onrechte heeft verlaagd. Appellant maakte in 2013 geen gebruik van fosfaatdifferentiatie voor zijn percelen. Hij heeft deze gegevens in bezwaar alsnog overgelegd in de veronderstelling dat dit hem een hogere MVFR zou opleveren. Een foutje dus.

Verweerder heeft het beroep van appellant opgevat als een beroep op het verbod van reformatio in peius (het recht waarmee de situatie wordt aangeduid dat appellant door het instellen van bezwaar of beroep er slechter voor komt te staan dan wanneer hij dat niet had ingesteld). Naar de mening van verweerder is dat verbod niet geschonden. Appellant was op grond van artikel 32 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, gelezen in samenhang met artikel 8, aanhef en onder c, en artikel 11 van de Meststoffenwet immers verplicht deze gegevens aan verweerder te verstrekken. Nu dit alsnog is gebeurd  acht verweerder zich (ambtshalve) bevoegd en verplicht het primaire besluit ten nadele van appellant te wijzigen. Gelet hierop is geen sprake van schending van het verbod van reformatio in peius, aldus verweerder.

Het College oordeelde als volgt: Op grond van artikel 21a van de Msw verleent verweerder aan een landbouwer die in het kalenderjaar 2013 melkvee hield een MVFR. Het tweede lid van die bepaling houdt in dat de MVFR wordt berekend door de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen door melkvee in het kalenderjaar 2013 op het bedrijf te verminderen met de fosfaatruimte van dat bedrijf in 2013. Daarbij wordt, voor zover van belang, aangesloten bij de gedifferentieerde fosfaatgebruiksnormen uit het stelsel van gebruiksnormen (zie TK, 2013-2014, 33 979, nr. 3, blz. 9).

Omdat op grond van artikel 24 van het Uitvoeringsbesluit Msw de situatie op 15 mei van enig kalenderjaar bepalend is voor de totale hoogte van de in dat kalenderjaar van toepassing zijnde gebruiksnormen, betekent dit dat de fosfaattoestand van de desbetreffende landbouwgrond uiterlijk op 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar moet zijn vastgesteld en dat de gegevens waaruit die fosfaattoestand blijkt eveneens voor die datum ter beschikking moeten zijn gesteld aan verweerder. Op grond van artikel 103b, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Msw meldt de landbouwer de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van artikel 103a, derde lid, geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.

Appellant heeft in zijn Gecombineerde Opgave 2013 vermeld dat fosfaatdifferentiatie niet van toepassing is. Ook anderszins is niet gebleken dat appellant uiterlijk op 15 mei 2013 gegevens heeft verstrekt aan verweerder over de fosfaattoestand van de bodem. Anders dan verweerder is het College van oordeel dat appellant ook niet verplicht was deze gegevens te verstrekken. Alleen indien appellant een beroep had willen doen op de fosfaatdifferentiatie, had hij de analysegegevens moeten verstrekken. Gelet op het voorgaande moeten de door appellant in 2013 opgegeven gronden dan ook worden aangemerkt als gronden met een hoge fosfaattoestand.

Nu, zoals uit het voorgaande volgt, voor appellant in 2013 de lagere fosfaatgebruiksnormen golden, had verweerder bij de bepaling van de fosfaatruimte in 2013 van die normen moeten uitgaan. Door in het bestreden besluit bij de berekening van de fosfaatruimte 2013 en de MVFR – ten nadele van appellant – uit te gaan van gedifferentieerde fosfaatnormen, heeft verweerder de fosfaatruimte in 2013 en daarmee ook de MVFR in strijd met artikel 21a, tweede lid, van de Msw berekend.

Lees hier de volledige uitspraak

Natuurterrein of landbouwgrond: beperkingen in gebruik geven de doorslag

Een regelmatig terugkerend discussiepunt is de vraag of een perceel moeten worden gezien als landbouwgrond of niet. Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) hierover een heldere uitspraak over het onderscheid tussen landbouwgrond en natuurterrein.

Appellant voert een veehouderijbedrijf. Naar aanleiding van een onderzoek door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), is een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de gebruiksnormen. De door appellant als grasland opgegeven percelen met een omvang van ongeveer 7 hectare, die op basis van een pachtovereenkomst met Staatsbosbeheer bij appellant in gebruik zijn, zijn bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als landbouwgrond meegerekend, omdat deze percelen volgens de staatssecretaris als hoofdfunctie natuur hebben. De rechtbank heeft deze beslissing in stand gelaten.

bloemrijk grasland

Soms is het niet duidelijk of een perceel mag worden gezien als landbouwgrond of natuurterrein

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank op grond van een onjuiste interpretatie van het pachtcontract tussen hem en Staatsbosbeheer tot het oordeel is gekomen dat de desbetreffende percelen de hoofdfunctie natuur hebben. Appellant wijst in dit verband op percelen met agrarisch natuurbeheer SNL-a. Dit type percelen “met uitgestelde maaidatum en het niet mogen bemesten” telt mee binnen het stelsel van gebruiksnormen. Er is geen enkele reden de percelen van Staatsbosbeheer in dit geval dan niet mee tellen.

Het College stelt in haar oordeel dat Artikel 1, aanhef en onder g, van de Msw “landbouw” definieert als akkerbouw, veehouderij, tuinbouw en bosbouw. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de Msw is “landbouwgrond” grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Het begrip “natuurterrein” is sinds 1 januari 2006 niet meer gedefinieerd in de Msw. De achtergrond hiervan is dat gekozen is voor twee gescheiden mestregimes: voor landbouwgrond, waarop de gebruiksnormen van de Msw van toepassing zijn, en voor natuurterrein, waarvoor afzonderlijke beheersregelingen en het Besluit gebruik meststoffen gelden. Daarbij is niet van belang of het natuurterreinen betreft in gebruik bij landbouwbedrijven, natuurbeschermingsorganisaties, landgoederen of anderszins (Kamerstukken II, 2004-2005, 29930, nr 3, blz 65-67 en 111).

Voor 1 januari 2006 luidde de definitie van “natuurterrein” in artikel 1, aanhef en onder v, van de Msw: grond met een houtopstand, alsmede heideveld, ven, hoogveenterrein, zandverstuiving, duinterrein, kwelder, schor, gors, slik, riet- en ruigtland, griend en laagveenmoeras, waarop een beheer wordt gevoerd dat aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet. Uit de definitie die sinds 1 januari 2006 is opgenomen in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit gebruik meststoffen, blijkt dat aan de bestaande definitie in dat Besluit is toegevoegd: grasland of bouwland dat de hoofdfunctie natuur heeft.

In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 26 oktober 2005, houdende wijziging van het Besluit gebruik meststoffen, het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (aanscherping gebruiksregels meststoffen) (Stb 2005, 548, blz 28) staat ten aanzien van het onderscheid tussen landbouwgrond en natuurterrein onder meer het volgende vermeld: “Gegeven de ruime definitie van landbouwgrond in de Meststoffenwet, namelijk grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend (artikel 1, eerste lid, onderdeel g) kan, ingeval natuurterrein voor enige vorm van landbouw in gebruik is, de vraag rijzen of sprake is van landbouwgrond, dan wel van natuurterrein. Ingeval sprake is van een beheersregime dat een aanmerkelijke inperking van de landbouwactiviteit en het daarmee samenhangende gebruik van meststoffen met zich brengt, zal dat in het algemeen leiden tot de conclusie dat geen sprake is van landbouwgrond, maar van natuurterrein. De met het oog op bescherming van natuurwaarden gestelde voorwaarden aan beheersregimes betreffen enkel soorten beheer waarbij geen normaal landbouwkundig gebruik aan de orde is en waarbij dus geen sprake kan zijn van landbouwgrond.”

Gelet op het vorenstaande oordeelt het College aan de hand van de feitelijke omstandigheden of sprake is van een zodanige inperking van de landbouwactiviteit dat geen sprake is van landbouwgrond maar van natuurterrein met de hoofdfunctie natuur (zie de uitspraak van het College van 6 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:259).

Het College komt op basis van bovenstaande tot het volgende oordeel: Appellant liet de desbetreffende percelen door pony’s beweiden en dat zijn landbouwactiviteiten. Artikel 6 van de pachtovereenkomst bevat de volgende beperkingen van de bedrijfsvoering. Beweiding of begrazing is niet toegestaan buiten het tijdvak van 15 april tot 15 november, met stieren, of met meer dan drie groot vee-eenheden (GVE) per hectare. Het bijvoeren van dieren waarmee wordt beweid of begraasd, is niet toegestaan. Appellant dient zich te onthouden van iedere vorm van bemesting van de percelen. Werkzaamheden die de flora, fauna en/of bodem kunnen schaden, bijvoorbeeld het scheuren en doorzaaien van grasland, zijn verboden, net als graafwerkzaamheden en het maken van voederkuilen, afvalhopen of mesthopen. Maaien is appellant enkel toegestaan vanaf 15 juli, het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is verboden, en appellant mag zich uitsluitend te voet op het gepachte begeven. Het wijzigen van de waterhuishouding, beregenen of bevloeien en draineren zijn verboden. Deze beperkingen zijn, naar het oordeel van het College, specifiek gericht op het in stand laten en het beschermen van de natuurwaarden van de percelen. Dit komt ook tot uitdrukking in de in de pachtovereenkomst opgenomen geboden dat appellant gedoogt dat de gepachte percelen opengesteld (kunnen) worden voor publiek en dat wetenschappelijk onderzoek verricht wordt. Hierbij komt dat de pachtprijs van € 77,- per hectare voor landbouwgrond ongewoon laag zou zijn. Het College oordeelt op basis van bovenstaande dat de gesloten pachtovereenkomst dusdanige beperkingen gesteld dat geen sprake is van landbouwgrond, maar van natuurterrein met de hoofdfunctie natuur.

Nu de percelen natuurterrein zijn met de hoofdfunctie natuur, vallen zij buiten het regime van de Msw, en blijven zij op grond van artikel 3, tweede lid, van de Msw bij de berekening van de gebruiksnormen buiten beschouwing. Het College is het in dit verband ook eens met de rechtbank dat de in de pachtovereenkomst aan landbouwactiviteiten verbonden beperkingen in hun onderlinge verband moeten worden bezien. Met de stelling dat de pachtovereenkomst beweiding en begrazing toestaat met een zware veebezetting van 3GVE per hectare, gaat appellant ervan uit dat die clausule in de pachtovereenkomst is bedoeld als een maximum aan de gemiddelde veebezetting over twaalf maanden. Wat er overigens zij van die uitleg, deze ziet in elk geval eraan voorbij dat de pachtovereenkomst beweiding en begrazing slechts over zeven maanden toestaat. Dat appellant schriftelijke toestemming aan Staatsbosbeheer kan vragen om een of meer van de beperkingen aan zijn bedrijfsvoering op de gepachte percelen niet in acht te hoeven nemen, doet aan het voorgaande niet af.

Lees hier de volledige uitspraak