Ook in 2013: alleen derogatie bij voldoen aan gebruiksnormen

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak omtrent de vraag of al in 2013 overschrijding van een gebruiksnorm zou leiden tot het intrekken van derogatie. De rechtbank had het beroep van een veehouder die bezwaar had gemaakt tegen het intrekken van derogatie in 2013 vanwege het enkele feit dat hij de gebruiksnormen had overschreden gegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat in artikel 25, vierde lid, van de uitvoeringsregeling, niet uitdrukkelijk is bepaald dat het niet voldoen aan alle gebruiksnormen leidt tot het vervallen van de derogatie. Dit gevolg was, naar het oordeel van de rechtbank, per 1 januari 2013 niet duidelijk, voorzienbaar en kenbaar in een wettelijk voorschrift opgenomen. Dit is wel alsnog gebeurd in artikel 27c van de Urm, maar omdat deze bepaling pas per 24 juli 2013 van kracht is geworden, kon dat geen gevolgen hebben voor de normen voor het jaar 2013. RVO heeft hoger beroep aangetekend tegen deze beslissing van de rechtbank

foto01a

Ook in 2013 vervalt derogatie bij overschrijding gebruiksnorm

Het College stelt vast dat tussen partijen op zichzelf niet in geschil is dat de veehouder in 2013 de stikstofgebruiksnorm en de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft overschreden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of uit de artikelen 24 en 25 van de Urm voldoende duidelijk volgt dat per 1 januari 2013 terugval naar de reguliere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen plaatsvindt indien niet aan de voorwaarde in artikel 25, vierde lid, van de Urm is voldaan. Het College begrijpt hieruit dat partijen in wezen wensen te vernemen of artikel 25, vierde lid, van de Urm, voldoet aan het lex certa-beginsel dat van de wetgever verlangt dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze verboden gedragingen omschrijft.

Het College overweegt dat per 1 januari 2013 is artikel 25, vierde lid, van de Urm in werking is getreden. In de Toelichting bij de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 19 december 2012, nr. WJZ / 12380071, tot wijziging van de Urm  in verband met enkele aanpassingen staat met betrekking tot deze bepaling onder meer het volgende (Stcrt. 2012, 26 556, p.7): “Artikel 25, derde lid, Urm bepaalt dat de landbouwer bij de aanmelding verklaart dat hij onder andere artikel 10 in samenhang met de artikelen 7 en 8 van de wet naleeft en ten aanzien van zijn bedrijf doet naleven. Deze bepaling is een implementatie van artikel 4, tweede lid, van de derogatiebeschikking waarin ook een dergelijke verklaring bij de melding wordt vereist. Deze verklaring impliceert dat men zich aan de voorwaarden zal houden en ook dat deze voorwaarden gelden: ‘De systematiek van de regeling is naar het oordeel van de rechtbank zo dat het voor de landbouwer die zich aanmeldt voor derogatie niet alleen op voorhand duidelijk is aan welke voorwaarden hij moet voldoen om gebruik te kunnen maken van een grotere gebruiksruimte, maar ook dat hij vooraf ondubbelzinnig verklaart zich aan deze voorwaarden te zullen houden. De verhoogde gebruiksnorm geldt alleen als aan alle voorwaarden wordt voldaan. Houdt de landbouwer zich daar niet aan, dan kan hij er geen gebruik van maken.’ Geconstateerd is dat de Urm aan duidelijkheid kan winnen door deze redenering te expliciteren. Dit is met artikel I, lid 2, van deze regeling beoogd.

Vanwege aanhoudende onduidelijkheid binnen de sector met betrekking tot de consequenties van het niet voldoen aan de voorwaarden voor derogatie, heeft de wetgever de Urm per 24 juli 2013 aangevuld met artikel 27c. De Toelichting bij de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 15 juli 2013, nr. WJZ / 13115244, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met enkele aanpassingen waaronder de voorwaarden voor derogatie vermeldt hierover (Stcrt. 2013, 20 753, p. 2): “Hoewel de Urm per 1 januari 2013 verduidelijkt is ten aanzien van de voorwaarde dat de landbouwer moet voldoen aan de gebruiksnormen voor derogatie, blijkt in de sector nog steeds onduidelijkheid te bestaan over de consequenties die het niet voldoen aan de voorwaarden met zich kan brengen. Deze regeling beoogt deze eventuele onduidelijkheid weg te nemen door één van deze consequenties expliciet op te nemen in de Urm. Het overtreden van één van de voorwaarden leidt ertoe dat de landbouwer de derogatienorm niet mag toepassen en terugvalt op de norm van 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Dit stond eerder niet expliciet in de Urm aangegeven omdat dit van rechtswege reeds het geval is. Om misverstanden te voorkomen is deze consequentie alsnog ter verduidelijking opgenomen in het nieuwe artikel 27c Urm. De consequentie dat dientengevolge de boete berekend moet worden aan de hand van deze lagere gebruiksnorm vloeit hieruit rechtstreeks voort.”

Het College is van oordeel dat uit bovenstaande regelgeving in samenhang met de toelichting voldoende duidelijk volgt dat veehouders alle gebruiksnormen moesten naleven om te voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Urm en dat het niet voldoen daaraan tot gevolg heeft dat terugval naar de norm in artikel 9 van de Msw plaatsvindt. Het College volgt derhalve niet de stelling van de veehouder dat de consequentie van het niet voldaan aan de voorwaarden voor derogatie – terugval – zich pas heeft geopenbaard met de inwerkingtreding van artikel 27c van de Urm. Voor zover er al onzekerheid had kunnen bestaan over de tekst van artikel 25, vierde lid, van de Urm, bieden de systematiek van de regelgeving en de toelichting bij deze bepaling voldoende duidelijkheid over de bedoeling van deze voorwaarde en de gevolgen van het niet naleven daarvan. Het College ziet artikel 27c van de Urm  dan ook als een technische verduidelijking van hetgeen al eerder in artikel 25, vierde lid, van deze regeling is opgenomen. Van strijd met het lex certa-beginsel is gelet op het voorgaande geen sprake.

Hiermee is ook duidelijk dat bij het niet voldoen aan één van de gebruiksnormen ook in 2013 betekent dat derogatie komt te vervallen.

Lees hier de volledige uitspraak

Natuurgrond of Landbouwgrond? Soms is het een grijs gebied…

Drie boeren in de Krimpenerwaard die met natuurinclusieve landbouw meewerken aan het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland, hangt een forse mestboete boven het hoofd, meldt het vakblad Boerderij. De boeren pachten grond van de provincie Zuid-Holland via Natuurcoöperatie Krimpenerwaard en beheren de grond die zo meetelt voor het Natuurnetwerk (voorheen EHS). Zowel de provincie als de boeren zien de grond als landbouwgrond. RVO ziet dit echter anders en dreigt met boetes die op kunnen lopen tot bedragen van meer dan een ton. De provincie stelt zich op het standpunt dat de betreffende percelen binnen de natuurrandvoorwaarden worden gebruikt als landbouwgrond. De provincie vindt de boetes dan ook onterecht en wil graag in gesprek met staatssecretaris Martijn van Dam over de kwestie.

stockfotos 015a

Is het landbouwgrond of natuurterrein ? Het is niet altijd direct duidelijk….

 De kwestie draait daarmee om het onderscheid tussen landbouwgrond en natuurgrond. Met andere woorden wanneer worden percelen aangemerkt als landbouwgrond en wanneer als natuurterrein?

Een bekend probleem. Immers de ruime definitie van het begrip ‘landbouwgrond’ in de Meststoffenwet, namelijk ‘grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend (artikel 1, eerste lid, onderdeel g)’ kan, in het geval dat natuurterrein voor enige vorm van landbouw in gebruik is, als snel tot de vraag leiden of dan sprake is van landbouwgrond of toch van natuurterrein.

In dergelijke gevallen moet worden gekeken in hoeverre het opgelegde beheersregime een ‘aanmerkelijke inperking van de landbouwactiviteit’ en het daarmee samenhangende gebruik van meststoffen met zich brengt. Kan worden gesteld dat sprake is van een aanmerkelijke inperking, dan zal dit in het algemeen leiden tot de conclusie dat geen sprake is van landbouwgrond, maar van natuurterrein. Wanneer bovendien met de  bescherming van natuurwaarden sprake is van beheer van soorten die bij een normaal landbouwkundig niet aan de orde is kan ook geen sprake zijn van landbouwgrond. Belangrijk zijn de inperkingen die worden gesteld en de beheerdoelen die worden nagestreefd.

Gelet op het bovenstaande is de vraag: is het landbouwgrond of natuurgrond niet een scherp zwart/wit verhaal, maar dient aan de hand van de feitelijke omstandigheden te worden bepaald of sprake is van een zodanige inperking van de landbouwactiviteit of beheerdoelen dat niet langer sprake kan zijn landbouwgrond maar de grond dient te worden aangemerkt als natuurterrein (zie ook de uitspraak van het CBb van 6 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:259).

Hoe het in deze kwestie afloopt zal de toekomst leren. Op basis van de beschikbare informatie lijkt het alsof RVO de regelgeving hier juist interpreteert, maar het is aan de provincie om haar standpunt deugdelijk moeten motiveren en te onderbouwen op een wijze waaruit blijkt dat geen sprake is van significante beperkingen van het landbouwkundige gebruik en ook de beheerdoelen in lijn zijn met een landbouwkundig gebruik van de betreffende percelen.

Matiging van het boetebedrag bij geringe niet-naleving van de derogatievoorschriften

Onlangs deed de Rechtbank Den Haag uitspraak in onderstaande casus die handelde over een op te leggen boete bij een geringe niet-naleving van de derogatievoorschriften.

 Bij besluit van 22 juli 2014 (het primaire besluit) heeft de Staatssecretaris van economische zaken door middel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: verweerder) aan een melkveebedrijf (hierna: eiseres) een boete opgelegd van € 21.077,- wegens overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen in 2012 met 3.011 kilogram stikstof. Bij de berekening van de overschrijding is uitgegaan van een gebruiksnorm van 170 kilogram per hectare landbouwgrond en niet van de verhoogde derogatienorm van 250 kilogram per hectare. Eiseres voldeed niet aan de derogatievoorwaarden omdat niet alle percelen tijdig waren bemonsterd en het bemestingsplan niet volledig en naar waarheid was opgesteld.

In het herzieningsbesluit heeft verweerder het bestreden besluit herzien. Verweerder heeft daarbij, naar aanleiding van het bezwaar van eiseres, het primaire besluit gedeeltelijk herroepen, in die zin  is gematigd tot 25% van het oorspronkelijke bedrag, te weten tot € 5.269,25.

20170425 paginasEiseres vindt dat met een waarschuwing volstaan had kunnen worden en wijst ter onderbouwing van haar beroep op een volgens haar soortgelijk geval. Subsidiair stelt eiseres dat bijzondere omstandigheden aanleiding hadden moeten vormen voor verdere matiging van de boete, waarbij het boetebedrag op grond van het beleid van verweerder niet hoger mag zijn dan € 2.000,-.

Tussen partijen is niet in geschil dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor derogatie, nu eiseres niet al haar percelen tijdig heeft bemonsterd. Daarmee heeft eiseres artikel 7 van de Msw overtreden, nu de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen van 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond met 3.011 kilogram heeft overschreden. Verweerder was derhalve bevoegd eiseres een bestuurlijke boete op te leggen.

Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder op grond van zijn beleid had moeten volstaan met een schriftelijke waarschuwing dan wel de boete op maximaal € 2.000,- had moeten stellen. Verweerder hanteert beleid, waarbij matiging van de boete plaatsvindt bij geringe niet-naleving van de derogatievoorschriften. Dat beleid heeft ook betrekking op de situatie dat niet, niet volledig of niet tijdig is voldaan aan het derogatievoorschrift om de tot het bedrijf horende percelen tijdig te laten bemonsteren en analyseren.

Op grond van het Handhavingsbeleid derogatie 2012 komt een landbouwer alleen in aanmerking voor matiging van de boete tot € 2.000,- indien alle percelen zijn bemonsterd maar sprake is van overtreding van een andersoortige derogatievoorwaarde. In gevallen waarin er onvoldoende grondmonsters zijn genomen, maar waarin er voor slechts een gering deel van het areaal (0,15 hectare marge) geen geldige bodemanalyse aanwezig was, wordt met een schriftelijke waarschuwing volstaan. In de onderhavige zaak is ruim 4 van de ruim 41 hectare te laat bemonsterd.

De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat matiging van de boete tot € 2.000,- op grond van het Handhavingsbeleid derogatie 2012 in dit geval niet aan de orde was.

Bij het herzieningsbesluit heeft verweerder besloten de boete te matigen, omdat in de onderhavige zaak volgens hem sprake is van met een recente zaak vergelijkbare feiten en omstandigheden. In die zaak zag de rechtbank Noord-Nederland aanleiding de boete te matigen tot een bedrag dat uit een oogpunt van speciale en generale preventie passend te achten is, namelijk op 25% van het volgens artikel 57 van de Meststoffenwet berekende bedrag (ECLI:NL:RBNNE:2015:3045). Van voornoemde uitspraak zullen de uitkomsten worden verwerkt in verweerders beleid.

Hoewel dit nieuwe beleid nog moet worden neergelegd in een beleidsregel meent de rechtbank met verweerder dat eiseres dient te profiteren van dit begunstigende beleid. Met het gematigde boetebedrag van € 5.269,25 wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de verminderde ernst en verwijtbaarheid van de overtreding.

Lees hier de volledige uitspraak

Resultaten derogatie controle 2014

Onlangs verscheen de publicatie: ‘Resultaten van controles in 2014 op Nederlandse derogatiebedrijven en trends in de veehouderij’. Met deze publicatie geeft de overheid invulling aan artikel 9 van de derogatiebeschikking waarin de verplichte controle-inspanningen derogatie zijn vastgelegd. De controles worden ingevuld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) die de administratieve controle uitvoert en de Nederlandse Voedsel en Warenautoritieit (NVWA) die belast is met de fysieke controles.

derogatie

Het percentage graslandbedrijven dat gebruik maakt van individuele derogatie ten opzichte van het totaal aantal bedrijven met graslandbedrijven (klik op het plaatje voor een vergroting)

Fysieke controles

Op tenminste 7% van de bedrijven die zich hebben aangemeld voor de derogatie moeten fysieke controles worden uitgevoerd op de naleving van de derogatievoorwaarden (de zogenaamde 7%-controle). Deze controles vinden in de loop van het jaar waarvoor de derogatie is aangevraagd plaats. Dergelijke controles vinden plaats op het bedrijf (fysieke controle), waarbij tijdens de controle aandacht wordt besteed aan de volgende onderwerpen: graasdierenmest, eis 80% grasland, bemestingsplan (landbouwkundige berekening, wettelijke berekening), grondbemonstering / bodemanalyse, vernietigen graszode, gebruik fosfaatkunstmest, vanggewas en een aantal aanvullende voorwaarden.

Bij zaken waarbij herstel mogelijk is (bijvoorbeeld bemestingsplan), wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld om deze onvolkomenheid te herstellen voordat de derogatie komt te vervallen. Bij zaken die niet kunnen worden hersteld wordt de derogatie ingetrokken of wordt een boete opgelegd. In 2014 zijn op 1.523 bedrijven (van de 19.367 met derogatie) fysieke controles uitgevoerd. Deze bedrijven werden zowel willekeurig (703) als bewust geselecteerd (820). Bij de controles die betrekking hadden op het voldoen aan de derogatievoorwaarden werden bij 317 bedrijven (21%) afwijkingen gevonden. Veelal hadden die betrekking op het bemestingsplan of de onderliggende grondmonsters.

Uiteindelijk (na zienswijze en bezwaarprocedure) hebben deze controles in 38 gevallen geleid tot het opleggen van een boete of intrekken van de derogatie.

Administratieve controle

Daarnaast zijn in 2014 alle 21.135 bedrijven die in 2013 derogatie hadden, administratief gecontroleerd op het voldoen aan de gebruiksnorm dierlijke mest. Dit gebeurde op basis van de bij RVO beschikbare informatie. Op basis hiervan zijn 172 bedrijven nader onderzocht. Hierbij werd gekeken naar alle gebruiksnormen. Uiteindelijk is aan 20 bedrijven daadwerkelijk een boete opgelegd.

Klik hier voor het volledige rapport

Fosfaatrechten voor melkveesector

Hoewel Staatsecretaris Dijksma eerder liet weten dat ze nog niet toe was aan het invoeren van een systeem van fosfaatrechten, liet ze op de laatste dag voor het zomerreces van de tweede kamer weten toch een dergelijk systeem in te willen voeren.

De  fosfaatrechten worden per bedrijf berekend. De basis voor de rechten wordt gevormd door het gemiddeld aantal gehouden stuks melk- en jongvee in referentiejaar 2014 en forfaitaire fosfaatproductie op basis van de gemiddelde melkproductie per melkkoe op het bedrijf. Deze fosfaatproductie zal gaan gelden als de maximale fosfaatproductie die op het bedrijf is toegestaan. Door gebruik te maken van de BEX-systematiek (kringloopwijzer) krijgen melkveehouders wel ontwikkelruimte, wanneer blijkt dat ze efficiënter met fosfaat omgaan dan de norm. Lukt dit niet dan kunnen fosfaatrechten worden aangekocht. De fosfaatrechten worden verhandelbaar. Uitwisseling tussen sectoren is echter niet aan de orde. Varkens- of pluimveerechten kunnen niet worden omgezet in pluimveerechten.

koe in weiPeildatum en referentiejaar

Uitgangspunt van de toekenning van fosfaatrechten aan een melkveebedrijf is het gemiddeld aantal stuks melkvee in 2014: het referentiejaar. Wijzigingen die tussen 2014 en 2 juli, het moment van verzending van deze brief van de staatssecretaris aan de Kamer, nog hebben plaatsgevonden, kunnen bij de toekenning van fosfaatrechten nog worden meegenomen in het geval dat sprake zou zijn van een onevenredige benadeling van ondernemers. Wanneer dit het geval is zal nog moeten worden uitgewerkt in een knelgevallenregeling.

Afroming mogelijk

Het sectorale fosfaatproductieplafond van 84,9 miljoen kilo zal worden opgenomen in de wet. De wet zal het ook mogelijk maken fosfaatproductierechten af te romen om binnen het sectorplafond te blijven. Staatssecretaris Dijksma onderzoekt de mogelijkheden om bij afroming rekening te houden met de bijdrage van de bedrijven aan de overschrijding van het plafond.

Overeenstemmming met sectororganisaties

Over dit nieuwe systeem heeft de staatssecretaris overleg gevoerd met LTO Nederland, NZO, NMV NAJK en de Stichting Natuur en Milieu. Met de sectororganisaties is overeenstemming bereikt over dit plan. Met genoemde organisaties zal de staatssecretaris een regiegroep vormen om het systeem nader uit te werken en in de wet vast te leggen. Doelstelling is dat de nieuwe wetgeving per 1 januari 2016 (!) van kracht wordt. Dan moet het systeem van fosfaatrechten nog wel door de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld en geaccordeerd. Snelle inwerkingtreding is weliswaar van belang voor behoud van de derogatie, maar het is de vraag of dit voor 2016 haalbaar is.

Stapeling van wetgeving

Met de afgekondigde maatregel ontstaat een stapeling van wetgeving die is opgebouwd uit de gebruiksnormen, verplichte mestverwerking, melkveefosfaatreferentie, grondgebondenheid en fosfaatrechten. Ook naar deze stapeling zal de komende tijd nog nader worden gekeken.

Klik hier voor de volledige brief van de Staatssecretaris

Regels en verplichtingen voor houders van hobbydieren

De normen en verplichtingen van de Meststoffenwet gelden alleen voor bedrijfsmatig gehouden dieren. Bedrijfsmatig wil in dit kader zeggen: dieren gehouden voor ‘gebruiks- of winstdoeleinden’. Dieren die louter om hobbymatige redenen of als gezelschapsdier of voor educatieve doeleinden (zoals dierentuinen en kinderboerderijen) worden gehouden vallen niet onder bedrijfsmatig gehouden dieren. Voor de houders van deze dieren gelden dan ook niet de administratieve verplichtingen van de Meststoffenwet. Zo hoeft bijvoorbeeld een hobbydierhouder bij de afvoer van mest bijvoorbeeld geen Vervoersdocument Dierlijke Mest (VDM) in te vullen.

Al eerder hebben we op deze site aandacht besteed aan hobbydieren op het agrarische bedrijf. Maar hoe zit het met de verplichtingen van hobbydierhouders? En, waar ligt het onderscheid tussen hobbymatig en bedrijfsmatig?

In de Meststoffenwet is niet in cijfers vastgelegd wat het onderscheid is tussen hobbymatig en bedrijfsmatig. De Wet stelt dat het onderscheid uit de feitelijke omstandigheden moet blijken. Om iets meer houvast te hebben mag een houder ervan uitgaan dat hij als hobbymatig wordt aangemerkt indien de door hem of haar gehouden dieren per jaar niet meer stikstof produceren dan 350 kg. Dit is tevens de grens voor bedrijven die in de Meststoffenwet vallen onder de vrijstellingregeling voor kleine bedrijven. Voor het idee, dit betekent zo’n 5-6 paarden (afhankelijk van het gewicht) of 4 zoogkoeien of 30 schapen of een paar honderd kippen. Maar zoals gezegd deze grens is geen vast gegeven: de feitelijke omstandigheden blijven leidend.

Hobbydierhouders hoeven zoals gezegd geen administratie bij te houden. Voor hen gelden wel regels voor de hoeveelheid dierlijke mest die ze op hun grond mogen brengen. Als dat grond is die gebruikt wordt als grasland of bouwland,  dus voor de teelt van gewassen, dan mag maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare worden aangewend. Dat is overeenkomstig de Europese Nitraatrichtlijn. Als de grond een andere bestemming heeft (tuin, recreatie, etc), dan mag er niet meer dan 20 kg fosfaat in de vorm van dierlijke mest worden opgebracht. Voor kunstmest gelden geen directe beperkingen. Daarnaast moeten ook hobbydierhouders zich houden aan de uitrijperiodes van meststoffen en aan de bepalingen die gelden voor het scheuren van grasland.

In principe hoeft een hobbydierhouder de mest die hij afvoert niet te (laten) bemonsteren en te analyseren en hoeft er geen VDM te worden ingevuld. Wel moet uit de administratie blijken waar de mest naar toe is gegaan. Wanneer de door hobbydieren geproduceerde mest wordt afgevoerd naar een bedrijf dat de mest gebruikt voor bedrijfsmatige landbouwdoeleinden, moet de mest vervoerd worden via een geregistreerde vervoerder. Die zal ook voor een VDM zorgen. Wanneer een hobbydierhouder mest aanvoert van een landbouwbedrijf moet ook een VDM worden opgemaakt. Daarbij moet uiteraard rekening worden gehouden met de maximale toediening op de eigen grond en de mestproductie van de eigen hobbydieren.

Inzendtermijn voor mestgegevens bij RVO verlengd tot en met 13 februari 2015

RVO

inloggen op de site van RVO was niet altijd mogelijk: vandaar uitstel van de termijn van indienen

Door netwerkproblemen op mijn.rvo.nl is was het niet altijd mogelijk  om de door RVO gevraagde gegevens in het kader van de Meststoffenwet door te geven. Daarom is de termijn voor het doorgeven van de betreffende gegevens verlengd tot en met vrijdag 13 februari 2015

Het gaat daarbij om:

  • de aanmelding derogatie 2015
  • de aanvullende gegevens 2014
  • een reactie op de referentiegegevens 2013 voor de melkveefosfaatreferentie
  • de voergegevens 2014.

(bron: mijn.rvo.nl)

Aanmelden derogatie voor 1 februari 2015

grasland

de bekendste voorwaarde voor derogatie is ongetwijfeld de eis van tenminste 80% grasland in het areaal

Wie in 2015 gebruik wil maken van derogatie kan zich tot en met 31 januari 2015 hiervoor aanmelden. Dit kan via de pagina Derogatie op de site van RVO. Het tijdig aanmelden is slechts één van de voorwaarden waaraan u moet voldoen om voor derogatie in aanmerking te komen. Hieronder een overzichtje met de eisen die gelden voor deelname aan derogatie:

  • U meldt zich voor 1 februari aan.
  • U doet voor 1 februari opgave Aanvullende gegevens (over 2014).
  • U betaalt het verschuldigde bedrag via een automatische incasso.
  • Van de totale oppervlakte landbouwgrond die u op 15 mei bij uw bedrijf in gebruik heeft bestaat minimaal 80 % uit grasland. Met grasland wordt bedoeld  gras dat wordt geteeld voor diervoeder. De percelen heeft u van 15 mei tot en met 15 september onafgebroken als grasland in gebruik. Als u grasland vernieuwt, mag u die percelen ook meetellen. Gras voor graszaad of graszoden, siergrassen en gras als vanggewas telt niet mee als grasland.
  • U zorgt ervoor dat uw landbouwgrond is bemonsterd en geanalyseerd op de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverend vermogen (zie ook dit bericht).
  • U stelt voor 1 februari een bemestingsplan op. In de Toelichting bij Bemestingsplan leest u hoe u dit doet. Een wijziging moet u binnen zeven dagen in het bemestingsplan opnemen. Het bemestingsplan bewaart u vijf jaar op uw bedrijf.
  • U gebruikt op uw bedrijf geen fosfaat uit kunstmest.
  • U mag voor percelen landbouwgrond die bestaan uit klei of veen rekenen met de norm van 250 kg stikstof uit graasdierenmest. Voor percelen die bestaan uit zand en löss en die liggen in de provincie Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg geldt de norm van 230 kg. Voor percelen zand en löss in de rest van Nederland geldt de norm van 250 kg.
  • U stelt op verzoek gegevens beschikbaar voor monitoringsonderzoek en u werkt mee aan metingen van het grond- en oppervlaktewater.
  • U zorgt ervoor dat u de administratieve verplichtingen van de mestwetgeving nakomt.
  • U houdt zich aan de regels van de mestwetgeving zoals de gebruiksnormen, uitrijdregels, gebruik (bijvoorbeeld een vanggewas na maïs op zand- en lössgrond en de voorwaarden voor het mogen vernietigen van de graszode) en aan- en afvoer van meststoffen.

De gebruiksnorm van 250 of 230 kg stikstof bij derogatie geldt alleen voor mest van graasdieren. Graasdieren zijn runderen (behalve witvleeskalveren), schapen, geiten, paarden, ezels, Midden-Europese edelherten, damherten en waterbuffels. Het maakt niet uit of de mest op het eigen bedrijf is geproduceerd of is aangevoerd.

Als u ook mest van staldieren gebruikt, berekent u eerst hoeveel hectare u nodig heeft om de graasdierenmest toe te delen. Voor die hectares geldt de norm van 250 of 230 kg stikstof per hectare per jaar. Voor de overige hectares geldt de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar. U berekent uw gebruiksruimte op bedrijfsniveau en u mag de mest naar eigen inzicht verdelen.

Hoe oud mag een derogatiemonster zijn ?

Wie voor derogatie in aanmerking wil komen moet een bemestingsplan opstellen. Onderdeel van dit plan zijn grondmonsters: de zogenaamde derogatiemonsters. Die monsters mogen een bepaalde leeftijd hebben. Hoe oud mag een derogatiemonster zijn, is dan ook een vraag die, zo lijkt het wel, jaarlijks terugkomt. Vier jaar is dan het standaard antwoord. Vervolgvraag is dan: Wanneer is een derogatiemonster 4 jaar oud ? Dat is al weer een wat lastigere vraag. Ook voor RVO en NVWA. In principe zijn er twee antwoorden: vier jaar na de monsterdatum of vier jaar na de analysedatum. Een klein verschil, met mogelijk grote gevolgen.

Op dit moment stelt het bevoegde gezag dat voor derogatiemonsters de monsterdatum bepalend is voor de leeftijd van het monster. Ik zeg bewust ‘op dit moment’ want wie de onderliggende regelingen leest of op de RVO-site kijkt, komt wellicht tot een andere conclusie. Zo treft u in de toelichting bij de Uitvoeringsregeling meststoffenwet (artikel 27a lid 1)  de volgende omschrijving aan:

‘Deze waarden dienen door het laboratorium te worden vastgelegd in een analyserapport. Deze analyserapporten moeten actueel zijn en mogen daarom op 1 februari van het desbetreffende jaar niet ouder zijn dan vier jaar.’

Dit zou betekenen dat de analysedatum bepalend is. Ook op de RVO-site staat op het moment van dit schrijven een soortgelijke uitleg.

Duidelijk dus ! Dus niet: In de praktijk gaat, zoals al eerder gesteld, de NVWA namelijk uit van de monsterdatum. Inmiddels heeft RVO laten weten dat ook zij uitgaat van de monsterdatum en dat de tekst op de website zal worden aangepast.  Of dit juridisch ook stand zal houden kan op dit moment nog niet met zekerheid worden gezegd. Dit lijkt op zijn minst, gezien de tekst van de Uitvoeringsregeling, twijfelachtig. Echter onder het motto voorkomen is beter dan genezen is het advies om voor 1 februari aanstaande, alle grondmonsters met een monsterdatum van vóór 1 februari 2011 te vervangen door nieuwe grondmonsters. Het kan nog net.