Naast boete ook een randvoorwaardenkorting

Wie  een overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) begaat of niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit Gebruik Meststoffen (hierna: BGM) kan naast met een boete ook worden geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting op de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: GLB).

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Deze beheerseisen zijn door Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, en bijlage 3 en bijlage 4 van deze uitvoeringsregeling en komen er – samengevat –  op neer dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen ervoor moet zorgen dat hij aan de gestelde regelgeving en voorwaarden van de uitvoeringsregeling voldoet.

Deze voorwaarden bestaan onder andere uit het voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit gebruik meststoffen (BGM), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm). Is dit niet het geval kan een korting worden doorgevoerd op deze rechtstreekse betalingen. Vaak betreft het dan een korting ter grootte van een percentage van 3%.

Voorgaande komt aan de orde in een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed. Verweerder heeft een randvoorwaardenkorting opgelegd aan appellante. Bij een bedrijfscontrole is geconstateerd dat voldoende opslagcapaciteit voor vaste mest ontbreekt, waarvoor verweerder een korting van 3% op de rechtstreekse betalingen heeft doorgevoerd.

Appellante heeft de niet-naleving betwist: volgens haar was de bestaande capaciteit van de mestopslag voldoende omdat enerzijds verweerder  de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest, kleiner is dan verweerder heeft berekend. Anderzijds stelt appellante dat de capaciteit van de mestopslagruimte op haar bedrijf toereikend is.

Wat betreft de vereiste capaciteit van de opslagruimte voor vaste mest overweegt het College dat verweerder deze heeft berekend op 263 m3, aan de hand van de rekenregels van artikel 28, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw en bijlage D, tabel I, kolom A, van de Uitvoeringsregeling Msw.

In artikel 29 van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat in vier gevallen de capaciteit van de mestopslagruimte kleiner kan zijn. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn:

a.       Indien kan worden aangetoond dat een contract voor afvoer van de extra mest is aanwezig is;
b.       Indien mest kan worden aangewend op een deel van de tot het bedrijf behorende bouwland of grasland waarvoor het uitrijverbod niet geldt
c.       Aangetoond kan worden het aantal tot het bedrijf behorende stallen kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan
d.       Aantoonbaar kan worden gemaakt dat in de periode augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren owrden gehouden.

Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat zij zich beroept op de uitzondering genoemd in het eerste lid, onder b. De enkele verwijzing door appellante naar de hopen vaste mest op de kopakker, die gereed zouden liggen om te worden uitgereden, acht het College als onderbouwing  echter onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder mogen uitgaan van een vereiste opslagruimte voor vaste mest van 263 m3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opslagruimte op het bedrijf voldoet aan die minimaal vereiste capaciteit. Allereerst moet worden vastgesteld dat het daarbij alleen gaat om opslagruimte voor vaste mest. De NVWA heeft over de bevindingen tijdens de controle een inspectieverslag opgesteld, waarin is vermeld dat de mestopslag voor vaste mest op het erf een inhoud heeft van 105 m3. Appellante heeft dit niet betwist. Wel betoogt zij dat ook de opslag van vaste mest op de kopakker moet worden meegerekend. Appellante heeft daarbij gesteld dat de opslag daar voldoet aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. In deze bepaling – een andere beheerseis waaraan een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt dient te voldoen op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.16, bij de Uitvoeringsregeling – zijn de eisen gesteld waaraan moet worden voldaan bij de opslag van agrarische bedrijfsstoffen op een onverhard oppervlak indien deze langer dan twee weken maar korter dan een half jaar worden opgeslagen. Eén van de eisen is dat het opslaan in elk geval zodanig plaatsvindt dat contact met hemelwater wordt voorkomen. Naar aanleiding van het betoog van appellante heeft de NVWA een aanvullend rapport uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2017.

In het aanvullend rapport is vermeld dat de mestopslag niet was afgedekt, zoals ook te zien is op de foto behorend bij het aanvullend rapport. Al daarom volgt het College het betoog van appellante niet dat voldaan is aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Dat er geen vloeistof van de mestvaalt in het oppervlaktewater is terechtgekomen, zoals appellante heeft betoogd, is niet relevant. Voor zover appellante lijkt te betogen dat niet hoefde te worden voldaan aan artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer, omdat de mest slechts kort op de kopakker werd opgeslagen, volgt het College appellantes redenering niet. In dat geval zou naar het oordeel van het College namelijk geen sprake zijn van opslagruimte voor meststoffen, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw, gelet op de definitie daarvan in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, namelijk een ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de opslag van meststoffen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat reeds het storten van mest op de kopakker van die locatie een opslagruimte zou maken.

Verweerder heeft dus terecht het deel van de kopakker waar appellante de mest heeft gestort, niet meegerekend bij de vaststelling van de capaciteit van de mestopslagruimte. Nu de capaciteit van de mestopslagruimte op het bedrijf van appellante 105 m3 was, terwijl een capaciteit van 263 m3 vereist was, voldeed appellante niet aan de beheers-eis van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.18, bij de Uitvoeringsregeling en is de korting op de rechtstreekse betalingen terecht doorgevoerd.

Lees hier de volledige uitspraak

Gewascodes voor grasland in 2019

Per 1 januari 2019 zijn de gewascodes voor grasland die dienen te worden gebruikt voor de Gecombineerde Opgave gewijzigd. De meest opvallende wijziging is dat gewascode 336 voor grasland (natuurlijk grasland, hoofdfunctie natuur) is komen te vervallen. Voor de percelen die in 2018 gewascode 336 hadden,  moet in 2019 de gewascode 265 of 331 worden gebruikt. Welke code van toepassing is, is afhankelijk van de (verwachte) drogestof opbrengst per ha. Een kort overzicht van de gewascodes voor grasland in 2019.

Uitgesloten percelen

Om betalingsrechten te kunnen verzilveren op een perceel moeten dit perceel overwegend voor landbouwactiviteiten worden gebruikt. Op de percelen mogen weliswaar niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden, echter de duur van deze activiteiten mag niet meer dan 90 dagen per jaar plaatsvinden. Daarnaast zijn percelen met meer dan 50 bomen per hectare uitgesloten van betalingsrechten.

Grasland

Voor percelen (die voor een deel) bestaan uit grasland zijn voor 2019 vijf gewascodes beschikbaar. De indeling vindt in eerste instantie plaats op basis van de opbrengst aan drogestof per hectare:

Hoger dan 5 ton:

  • gewascode 266:  Tijdelijk grasland.
  • gewascode 265:  Blijvend grasland

Lager dan 5 ton:

  • gewascode 331:  Grasland natuurlijk, wel landbouwactiviteiten
  • gewascode 332:  Grasland natuurlijk, beperkte landbouwactiviteiten
  • gewascode 335:  Natuurterrein (hoewel deze gewascode niet wordt gezien als grasland).

Bij een hogere opbrengst dan 5 ton drogestof per ha dient het perceel te worden geboekt onder gewascode 265 (blijvend grasland) of gewascode 266 (tijdelijk grasland). Gewascode 266 dient daarbij te worden gebruikt voor  grasland dat minder dan vijf jaar aaneengesloten grasland is geweest.

Wanneer sprake is van een drogestofopbrengst van minder dan 5 ton drogestof per ha dan is  gewascode 331 (natuurlijk grasland, wel landbouwactiviteiten) mogelijk van toepassing. Dan moet wel sprake zijn van een landbouwkundig gebruik en moet het perceel tenminste eenmaal per jaar worden gemaaid.

Dit betekent dat ook extensief gebruikt grasland onder deze categorie kan vallen. Het betreft dan voor de ‘Meststoffenwet’ gewoon landbouwgrond, maar het wordt op basis van het opbrengstcriterium voor de Gecombineerde Opgave onder natuurlijk grasland geboekt.

Het omgekeerd kan ook het geval zijn. Het kan voor komen dat natuurterrein dat als grasland wordt gebruikt een opbrengst van meer dan 5 ton droge stof per ha heeft. In dat geval moet dan  gewascode 265 worden gebruikt.

Bovenstaande betekent dat ook gronden die voor de ‘Meststoffenwet’ als natuur worden aangeduid, voor de gecombineerde opgave als landbouwgrond gelden. Echter wanneer uit de gebruiksovereenkomst blijkt dat er beperkingen zijn met betrekking tot de beschikkingsmacht wordt het perceel voor de Meststoffenwet dat weer niet als landbouwgrond aangeduid en kunnen er geen gebruiksnormen aan worden ontleend.

Percelen met een lagere opbrengst en zonder of met weinig landbouwactiviteiten moeten onder  gewascode 332 worden opgegeven bij de gecombineerde opgave. Indien de grond meer dan 50% (of geheel) ‘verruigd’ is en het aandeel gras beperkt is, kan ook gekozen worden voor de gewascode 335. Het onderscheid met gewascode 332 is  niet strikt te maken. Beiden komen echter niet in aanmerking voor betalingsrechten of gebruiksnormen.

klik op het plaatje voor een vergroting in pdf

Resumerend betalingsrechten

Resumerend vinden op percelen met grasland onder de gewascodes 265, 266 en 331 landbouwactiviteiten plaats en kunnen deze worden gebruikt voor de uitbetaling van betalingsrechten, indien dit grasland feitelijk bij het bedrijf in gebruik is als landbouwgrond.

Gebruiksnormen

Voor de ‘Meststoffenwet’ is naast het feitelijke gebruik ook van groot belang of de gebruiker voldoende beschikkingsmacht heeft over de betreffende percelen. Het begrip beschikkingsmacht betekent dat de gebruiker in de praktijk in staat is het teeltplan en het bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in hun samenhang te realiseren’. Dit binnen de landbouwpraktijk van het bedrijf. In een groot aantal overeenkomsten voor het gebruik van percelen extensief gebruikt grasland is echter geen sprake van feitelijke beschikkingsmacht. Vaak zijn beperkende voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op het gebruik en het bemestingsplan beïnvloeden (er mogen maar een bepaald deel van het jaar dieren worden geweid, met een maximale veebezetting, er mag geen of een bepaalde hoeveelheid en soort mest op, er worden eisen gesteld aan het kunstmestgebruik, er worden eisen aan het maaibeheer gesteld). Daarnaast maakt een overeenkomst soms melding van zaken die door het waterschap zelf worden geregeld op de dijken. Het geheel van die voorwaarden kan tot de conclusie leiden dat  geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht.

Primaire waterkeringen

Wanneer een bedrijf een primaire waterkering in gebruik heeft, waar men niet de feitelijke beschikkingsmacht over heeft, moet dit aangegeven worden in de opgave. Dit heeft gevolgen voor de mestgebruiksnormen.

 

Klik hier voor het stroomschema van RVO