Wijziging Regeling fosfaatreductieplan: introductie van het jongveegetal

Door publicatie in de Staatscourant heeft Staatssecretaris Van Dam een aantal wijzigingen met betrekking tot de  Regeling fosfaatreductieplan 2017 vastgesteld. Een deel van deze wijzigingen was reeds aangekondigd. Zo was bekend dat de Regeling zou worden beperkt tot melkproducerende bedrijven. Ook had de Staatssecretaris al aangegeven zeldzame runderrassen te zullen ontzien. Deze toezeggingen zijn vertaald in deze wijziging van de Regeling.

20170429 weilandMet de wijzigingen zou het voor kunnen komen dat runderen van bedrijven die onder de Regeling vallen (melkleverende bedrijven) worden verplaatst naar bedrijven die niet langer onder de Regeling vallen (denk hierbij aan  jongvee van melkveebedrijven naar jongveeopfokbedrijven). Het zogenaamde ‘ontwijken’, wat het beoogde effect van de Regeling zou ondermijnen. In het oorspronkelijke plan van zuivel.nl was hiervoor een minimale jongveebezetting van 33% ingebouwd. In de wijziging van de Regeling wordt iets soortgelijks geïntroduceerd: het jongveegetal. Naast het referentieaantal en het doelstellingsaantal dus een nieuwe referentie.

Wat is het jongveegetal ?

Het jongveegetal wordt berekend door het aantal runderen op een melkleverend bedrijf op 28 april 2017 van 0 tot 1 jaar en van 1 jaar en ouder dat nog niet gekalfd heeft te delen door het aantal runderen dat op die dag aanwezig is op dit bedrijf en tenminste  eenmaal heeft gekalfd. Hierbij moet worden gerekend met de GVE-normen zoals deze in de Regeling staat.  Dus: het aantal GVE aan ‘jongvee’ gedeeld door het aantal GVE aan ‘melkkkoeien’. Om de voorgeschreven GVE-reductie te bereiken dient vanaf nu met deze verhouding te worden gerekend. Ook al is er minder jongvee op het bedrijf.

Het voldoen aan de doelstelling of de referentie is dus vanaf 28 april 2017 niet meer mogelijk door alleen het aantal dieren te reduceren dat nog niet heeft afgekalfd. De bedoeling van de Staatssecretaris is duidelijk: ontwijking voorkomen. Bedrijven die – volstrekt ter goeder trouw – afspraken hadden gemaakt om in de loop van het jaar hun jongvee onder te brengen bij een jongveeopfokbedrijf, zien hiermee hun plannen gedwarsboomd en dat is zuur.

20170429 melkstalEen tweede maatregel om ‘ontwijking’ te voorkomen die in de Regeling is opgenomen heeft betrekking op  melkkoeien. Voor runderen die tenminste eenmaal hebben gekalfd, geldt dat wanneer koeien worden afgevoerd naar een niet-melkleverend bedrijf,  deze koeien niet binnen een periode van 4 maanden terug mogen keren naar het oorspronkelijk afvoerende bedrijf. Gebeurt dit toch dan zal met terugwerkende kracht een herberekening van de heffing worden gemaakt.

Tenslotte is in de Regeling een uitzondering voor  de aanwas van runderen van de rassen Brandrood rund, Fries Hollands vee, Lakenvelder, Roodbont Fries vee en Groninger blaarkop opgenomen. Voorwaarde is wel dat de runderen als zodanig worden gemerkt in het I&R-systeem. Hoe dit dient te gebeuren zal nader worden aangegeven door de Staatssecretaris.

De wijzigingen van de Regeling treden per 1 mei 2017 in werking. Voor de onderdelen van de Regeling die betrekking hadden op niet-melkleverende bedrijven werkt de aanpassing terug tot en met 1 maart 2017. Deze bedrijven vallen hiermee dus met terugwerkende kracht uitgezonderd van de Regeling.

Lees hier de volledige tekst van de wijziging van de Regeling

Invoering stelsel fosfaatrechten pas per 1 januari 2018

In een brief gericht aan de Tweede Kamer heeft Staatssecretaris van Dam een aantal relevante wijzigingen ten opzichte van het ingediende Wetsvoorstel kenbaar gemaakt. In de brief geeft de Staatssecretaris aan dat uit intensief contact met de Europese Commissie is gebleken dat het stelsel fosfaatrechten, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, door de Commissie als staatssteun zal worden opgevat. Dit omdat rechten worden geïntroduceerd die vanaf inwerkingtreding schaars zullen zijn, vrij verhandelbaar worden en een waarde vertegenwoordigen in het economisch verkeer. Deze rechten worden bovendien gratis toegewezen aan bedrijven die in Nederland op de peildatum melkvee op hun bedrijf hielden.

koe in weiDe Europese Commissie benadrukt dat geen goedkeuring zal worden gegeven aan maatregelen die leiden tot het verstrekken van staatssteun als het doel van de maatregel is om een overtreding van een bestaande Europese norm, in dit geval het fosfaatproductieplafond in de derogatiebeschikking, te herstellen of indien de maatregelen niet verder gaan dan wat op basis van Europese normen reeds verplicht is. De Europese Commissie heeft aangegeven dat het huidige wetsvoorstel daarom zal leiden tot het oordeel dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

In reactie hierop heeft de Staatssecretaris het wetsvoorstel op twee punten gewijzigd: Ten eerste wordt het volledige fosfaatrechtenstelsel pas ingevoerd op 1 januari 2018. Op die dag zullen fosfaatrechten worden verstrekt en vanaf die dag is het verboden fosfaat met melkvee te produceren tenzij de melkveehouder over voldoende fosfaatrechten beschikt. De rechten worden gratis verstrekt en zijn vrij verhandelbaar. De totale hoeveelheid rechten die op 1 januari 2018 zullen worden toegekend, komen overeen met het fosfaatproductieplafond in de derogatie­beschikking. De hoeveelheid rechten per individueel bedrijf wordt bepaald op basis van gegevens over de veestapel op 2 juli 2015 (de peildatum) en de forfaitaire excretiewaarden. De generieke korting zal echter niet worden toegepast nadat de rechten zijn verstrekt maar direct worden verwerkt in de hoeveelheid rechten die wordt toegekend. Ten tweede zullen de criteria die de fosfaatbank zal toepassen voor het toekennen van niet overdraagbare rechten verder gaan dat wat reeds op basis van geldende Europese normen verplicht is.

20161013-tweet-kees-romijnDeze wijzigingen leiden ertoe dat het stelsel van fosfaatrechten op 1 januari 2018 in plaats van op 1 januari 2017 in werking treedt én dat de hoeveelheid rechten die bij de start van het stelsel wordt toegekend past bij het derogatieplafond.

De Staatssecretaris stelt tenslotte dat de Europese Commissie nog geen groen licht gegeven voor de introductie voor het fosfaatrechtenstelsel en er geen zekerheid is over de voortzetting van de derogatie na 2017. Voor dit laatste is het van belang dat in 2017 ook zonder het stelsel van fosfaatrechten een reductie van de fosfaatproductie plaatsvindt. De Staatssecretaris besluit zijn brief dan ook met de opmerking dat, ondanks dat het stelsel pas per 2018 zal worden ingevoerd, een nadrukkelijk beroep zal worden gedaan op partijen om een overtuigende daling van de fosfaatproductie in 2017 te realiseren.

Lees hier de volledige brief.

Wetsvoorstel fosfaatrechten ingediend

20160908-brief-fosfaatrechten

Via een brief aan de Tweede Kamer heeft Staatssecretaris van Dam het wetsvoorstel Fosfaatrechten ingediend

Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken (EZ) heeft het wetsvoorstel fosfaatrechten bij de Tweede Kamer ingediend. Het stelsel van fosfaatrechten regelt dat de in Nederland geproduceerde hoeveelheid fosfaat via mest door melkvee weer onder het zogenaamde fosfaatplafond komt. Dit is een voorwaarde om voor de periode vanaf 2018 in aanmerking te komen voor derogatie. 

Het wetsvoorstel voorziet enerzijds in een bevriezing van de fosfaatproductie door melkvee per 2 juli 2015. Anderzijds zal via een generieke korting die zal worden doorgevoerd in 2018 de fosfaatproductie worden teruggebracht.  

Melkveebedrijven krijgen begin 2017 een aantal fosfaatrechten toegekend op basis van het aantal gehouden koeien op 2 juli 2015. Deze fosfaatrechten zijn vrij verhandelbaar. Bij iedere transactie wordt 10% van de verhandelde rechten afgeroomd, tenzij het een overdracht binnen de familie (tot en met de derde graad) betreft. De afroming is echter onvoldoende om de fosfaatproductie op korte termijn weer onder het fosfaatplafond te brengen. Daarom zal per 1 januari 2018 ook een  korting op de toegekende rechten worden doorgevoerd. De exacte hoogte van deze korting is op dit moment nog niet bekend. Nadat de fosfaatproductie weer onder het Europees plafond is gebracht, worden fosfaatrechten die dan nog bij transacties worden afgeroomd opnieuw uitgegeven. Dat loopt via de op te richten fosfaatbank die zal worden beheerd door RVO.

koe in wei

Bedrijven die op 2 juli 2015 grondgebonden waren zullen in enige mate worden gecompenseerd voor hun latente ruimte op die datum.

Vanaf 2017 moet een melkveehouderijbedrijf jaarlijks aantonen dat de mestproductie op het bedrijf lager is dan de op dat bedrijf rustende fosfaatrecht. Het berekenen van de mestproductie is in het wetsvoorstel vooralsnog beperkt tot het gebruik van de forfaitaire normen. Een opening wordt geboden voor de systematiek van de kringloopwijzer (KLW), maar deze zal – volgens het Wetsvoorstel – pas worden toegelaten wanneer de KLW voldoende geborgd wordt geacht en wanneer er voldoende garanties zijn omtrent het realiseren van het fosfaatplafond. Veiligheidshalve dient er in afwachting van de behandeling  van het wetsvoorstel daarom tenminste, in een scenario, rekening mee worden gehouden dat in 2017 uitgegaan moet worden van een mestproductie die – voor de fosfaatrechten – is gebaseerd op de forfaitaire normen. Voor de gebruiksnormen mag dan nog wel worden uitgegaan van de BEX of KLW berekening.

In 2018 wordt over het toegekende fosfaatrecht een generieke korting doorgevoerd. Deze korting zal minder impact hebben op grondgebonden en biologische bedrijven. Melkveehouders die op 2 juli 2015 veel grond hadden in verhouding tot het aantal dieren (grondgebonden bedrijven) zullen deels voor de generieke korting worden gecompenseerd. Grondgebondenheid zal in de toekomst ook worden meegenomen bij het opnieuw uitgeven van afgeroomde rechten door de fosfaatbank.

Het exacte  afromingspercentage zal pas medio 2017 bekend worden gemaakt. Dan zal ook worden gekeken of ook aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de fosfaatproductie in de varkens- en/of pluimveehouderij onder de respectievelijke sectorplafonds te krijgen. Daartoe is in het wetsvoorstel een voorziening opgenomen die het mogelijk maakt om, bij Algemene Maatregel van Bestuur, een generieke korting toe te passen op de varkens- en/of pluimveerechten. Als alternatief hiervoor noemt de Staatssecretaris het beëindigen van ontheffingen die in het kader de POR regeling, het Zuivere Ei en Golden Harvest zijn verleend en waarvan de einddatum is vastgesteld op 31 december 2017, niet te verlengen.

Opvallend is dat in het wetsvoorstel (onder artikel 33a) ook een voorziening is opgenomen om het bij AmvB mogelijk te maken om een productierecht om te zetten in een varkensrecht, pluimveerecht of fosfaatrecht. Hieraan wordt de voorwaarde voorbonden ‘dat de landbouwer op wiens bedrijf het om te zetten productierecht rust met de omzetting instemt en de omzetting geen toename veroorzaakt van de hoeveelheid geproduceerde stikstofverbindingen, fosfaat en fijnstof‘. Let wel: dit is een voorziening, dat wil nog niet zeggen dat van de voorziening gebruik zal worden gemaakt.

Ditzelfde geldt voor de voorziening die onder artikel 33ab is opgenomen om bij AmvB een percentage vast te stellen waarmee het varkensrecht, pluimveerecht of fosfaatrecht kan worden verminderd.

De Tweede en Eerste Kamer zullen zich de komende maanden over het wetsvoorstel fosfaatrechten buigen. De ingangsdatum is en blijft vooralsnog 1 januari 2017. Medio 2017 wordt vervolgens het definitieve generieke afromingspercentage aangekondigd, waarna melkveehouders tot begin 2018 de tijd hebben om op de korting in te spelen.

Lees hier de volledige brief
Lees hier het wetsvoorstel
Lees hier de memorie van toelichting

Inventarisatie gegevens fosfaatrechten

Momenteel wordt het wetsvoorstel voorbereid  waarmee een stelsel van fosfaatrechten voor de melkveehouderij zal worden ingevoerd. Naar verwachting zal dit stelsel ingaan op 1 januari 2017. Vooruitlopend daarop is de overheid begonnen met de voorbereidingen voor de invoering van deze rechten. De rechten zullen worden toegekend aan bedrijven die op 2 juli 2015 melkvee hielden en waar op 1 januari 2017 nog sprake is van een landbouwbedrijf.

Als onderdeel daarvan heeft RVO de informatie die van belang is voor het vaststellen van het aantal rechten verzameld. Bedrijven worden nadrukkelijk opgeroepen om de gegevens te controleren. Op de website van RVO kunnen de bedrijven deze gegevens inzien en wijzigen. Hiervoor kan de optie ‘direct regelen’ op de website van RVO worden gebruikt.

site fosfaatrechten RVO

bekijken en aanpassen van de verzamelde gegevens kan via de site van RVO

Naast deze controle zal RVO later deze maand ook een brief met alle gegevens die van belang zijn aan de bedrijven toesturen. Ook dan bestaat de mogelijkheid om de gegevens na te kijken en aan te passen.

De gegevens die in dit kader van belang zijn:

  • Het aantal stuks melkvee op 2 juli 2015
  • De melkproductie over 2015,
  • Het gemiddelde aantal melkkoeien over 2015
  • De fosfaatgebruiksruimte.

Zijn de gegevens niet juist dan kan dit via de website worden doorgegeven. De wijzigingen dienen te worden onderbouwd door middel van bewijsstukken. Deze bewijsstukken moeten worden voorzien van een paraaf of handtekening.

Welke bewijsstukken kunnen worden gebruikt:

  • melkproductie: afschriften van de melkfabriek (melkleverantieoverzicht), berekening voor melk die niet aan de fabriek is geleverd (bijvoorbeeld melk die aan kalveren is gevoerd)
  • diercategorie: veesaldokaarten, CRV-veesaldokaarten, koekaart, MPR-uitslag, veeregister
  • dieraantallen: aan- en afvoerbewijzen, facturen, veesaldokaarten, CRV-mineraal
  • oppervlakte grond: eigendomsaktes, pachtcontracten, grondgebruiksverklaring
  • fosfaattoestand van de bodem (PAL- en Pw-waarde): analyseverslagen die geldig waren in 2015. In de analyseverslagen over de fosfaattoestand geeft u aan bij welk perceel elk afzonderlijk verslag hoort.

RVO geeft bij voorbaat al aan dat uitdraaien van het managementsysteem worden niet geaccepteerd als bewijsstuk.

Aan bedrijven die tussen 2 juli 2015 en 1 januari 2017 zijn gestopt of overgedragen worden geen fosfaatrechten toegekend. Wie in de betreffende periode een bedrijf heeft overgenomen kan wel fosfaatrechten toegekend krijgen. Bedrijven die de overdracht voor  13 juni 2016 hebben gemeld ontvangen ook een brief. Wel moet dan bekend zijn welk bedrijf is overgenomen.  Is het bedrijf gesplitst en is daarbij het oorspronkelijke bedrijf opgeheven? Dan geeft u in uw reactie aan dat u een deel van het gesplitste bedrijf heeft overgenomen. Binnenkort komt op de site van RVO een formulier beschikbaar voor gesplitste bedrijven.

Op het moment dat de behandeling van de wet heeft plaatsgevonden en de exacte voorwaarden (en de aangekondigde knelgevallenregeling) duidelijk zijn zal  het aantal toegekende fosfaatrechten in een beschikking worden medegedeeld aan de betreffende bedrijven. Tegen deze beschikking staat de mogelijkheid van bezwaar open.

Wordt vervolgd!

Uitzonderingen berekening melkveefosfaatoverschot 2014

Het wetsvoorstel ‘Verantwoorde groei melkveehouderij’ stelt grenzen de aan de groei (zonder extra grond) van het melkveefosfaatoverschot op een bedrijf ten opzichte van het melkveefosfaatoverschot in 2014. In een aantal situaties is het melkveefosfaatoverschot  in 2014 niet representatief voor de normale bedrijfssituatie en de ontwikkeling van het bedrijf. Staatssecretaris van Dam heeft aangegeven dat dit, naar zijn mening, aan de orde in twee specifieke situaties.

In de eerste plaats kan dit het geval zijn wanneer door medewerking van het bedrijf aan de realisatie van een natuurgebied of publieke infrastructuur waarbij sprake was van tijdelijke vergroting van de grond in gebruik bij het bedrijf als gevolg van participatie in een dergelijk project. De fosfaatruimte kan hierdoor in 2014 groter zijn geweest dan in andere jaren en daarmee is het melkveefosfaatoverschot in 2014 kleiner dan in andere jaren. Of sprake is van deze situatie dient aangetoond te worden door een wijziging van de bestemming van landbouwgrond in gebruik op het bedrijf vanwege natuurontwikkeling of aanleg van infrastructuur. Er dient een direct verband te zijn tussen de extra grond in gebruik op het landbouwbedrijf en deze wijziging van de bestemming van (een deel van) de landbouwgrond op het bedrijf. Er dient in alle gevallen sprake te  zijn van een ongewone en tijdelijke situatie die direct samenhangt met de ontwikkeling van het publieke project. Zo wordt de jarenlange huur of pacht van grond in eigendom bij natuurorganisaties of terreinbeherende organisaties op basis van kortlopende overeenkomsten zonder dat er sprake is van ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden nadrukkelijk niet als een bijzondere situatie beschouwd.

koe in wei

De staatssecretaris geeft twee uitzonderlijke omstandigheden aan met betrekking tot het melkveefosfaatoverschot in 2014 .

In de tweede plaats is sprake van een uitzonderlijke situatie wanneer de fosfaatproductie op het bedrijf buitengewoon laag was in vergelijking met voorgaande jaren  door een sterke daling van het aantal dieren of een ongewone samenstelling van de veestapel op het bedrijf als gevolg van ziekte of overlijden van de landbouwer (in geval van samenwerkingsverbanden als maatschappen: een of meer van de samenwerkende veehouders), zijn of haar echtgenoot/geregistreerd partner of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of door voorkomen van een dierziekten of ernstige diergezondheidsproblemen op het bedrijf, of door vernieling van de stal waar het melkvee werd gehouden (bijvoorbeeld door brand). Ook als één van deze gebeurtenissen zich in een van de twee jaren voorafgaand aan 2014 heeft voltrokken kan dat nog een wezenlijke invloed hebben op de omvang van de veestapel in 2014 en daarmee de fosfaatproductie in 2014. De fosfaatproductie van melkvee in 2014 dient minimaal vijf procent lager te zijn geweest dan zonder de genoemde gebeurtenis op het bedrijf het geval zou zijn geweest. Enige uitval van vee op een melkveebedrijf gedurende een jaar is niet ongebruikelijk en dus ook kleine fluctuaties in de fosfaatproductie niet.

Een melkveehouder die meent dat er sprake is van een situatie zoals hierboven beschreven, dient dat vóór 1 april 2017 bij RVO.nl aan te melden. Voor de melding zal een formulier beschikbaar worden gesteld, waarmee de melkveehouder gevraagd wordt op te geven: de werkelijke fosfaatproductie in 2014 op basis van de werkelijke omvang van de melkveestapel in 2014; de werkelijke fosfaatruimte in 2014 op basis van de werkelijke oppervlakte grond in gebruik bij het bedrijf in 2014; de gecorrigeerde fosfaatproductie 2014 op basis van de gecorrigeerde omvang van de melkveestapel zoals deze zou zijn geweest zonder ziekte/overlijden van de landbouwer of dierziekte of ernstige diergezondheidsproblemen of vernieling van de stal; en/of de gecorrigeerde fosfaatruimte 2014 op basis van de oppervlakte landbouwgrond in gebruik met aftrek van de tijdelijke grond in gebruik in 2014 in verband met de medewerking aan de realisatie van een natuurontwikkelingsproject of publieke infrastructuur waarbij sprake was van bestemmingswisseling van landbouwgrond.

Dat een van bovengenoemde situaties van toepassing was op het bedrijf in 2014 dient verder met schriftelijke bewijsstukken (zoals medische verklaringen, verklaringen van veeartsen, verklaringen van de verzekeringsmaatschappij, documenten die de deelname aan publieke natuurontwikkelingsprojecten of infrastructuurprojecten  bewijzen en waaruit blijkt dat er sprake was van wijziging van de bestemming van landbouwgrond in gebruik bij het bedrijf in verband met genoemd natuurontwikkelings-, of infrastructuurproject) aangetoond te worden. In geval de lage fosfaatproductie in 2014 het directe gevolg was van een verkleining van de veestapel op grond van ziekte van de veehouder in een voorgaand jaar (2012 of 2013) of het gevolg van voorkomen van een dierziekte of ernstige diergezondheidsproblemen in een voorgaand jaar waardoor de veestapel in 2014 ongebruikelijk klein was, dient dit ook met bewijsstukken aangetoond te worden.

Er zijn – op dit moment – geen andere redenen om de berekening van het melkveefosfaatoverschot 2014 te wijzigen.

Klik hier voor de volledige nota van wijziging

Aanmelden vrijstelling AMvB grondgebondenheid

koe in wei

Aanmelden voor de vrijstelling kan via de site van RVO

Met de vrijstelling AMvB grondgebondenheid mag het gehele melkveefosfaatoverschot worden verwerkt. Met andere woorden een bedrijf hoeft geen extra grond te verwerven of de fosfaatproductie van het melkvee te beperken om aan de AMvB grondgebondenheid te voldoen.

Voorwaarden voor vrijstelling
Bedrijven kunnen gebruik maken van de vrijstelling AMvB grondgebondenheid wanneer het bedrijf voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • Het bedrijf meldt zich voor 1 februari 2016 aan voor de vrijstelling
  • Het bedrijf stuurt voor 1 februari 2016 bewijsstukken op waarmee het bedrijf aantoont dat het bedrijf  voor 30 maart 2015 financiële verplichtingen is aangegaan om het volledige melkveefosfaatoverschot te laten verwerken.
  • Het bedrijf kan binnen 3 maanden na afloop van het kalenderjaar aantonen dat het bedrijf het volledige melkveefosfaatoverschot heeft laten verwerken door degene met wie het bedrijf de financiële verplichting is aangegaan.

Bewijsstukken
Met de aanmelding dienen bewijsstukken te worden meegestuurd waaruit blijkt dat er financiële verplichtingen zijn aangegaan. De bewijsstukken kunnen digitaal met de aanmelding naar RVO worden toegestuurd, of na de aanmelding per post aan RVO worden toegestuurd.

Bewijsstukken die kunnen worden overlegd kunnen bijvoorbeeld kopieën zijn van de relevante overeenkomst(en). Het kan daarbij gaan om contracten met een verwerker (VDM met code 61), bewerker (driepartijenovereenkomst) of landbouwer (vervangende verwerkingsovereenkomst). Uit de overeenkomst moet blijken dat er voor 30 maart 2015 financiële verplichtingen zijn aangegaan om het gehele melkveefosfaatoverschot te laten verwerken. In de contracten moet duidelijk vermeld staan voor welke jaren de financiële verplichtingen zijn aangegaan.

Binnen 3 maanden na afloop van elk kalenderjaar moeten vervolgens de bewijzen worden ingestuurd. Uit deze bewijsstukken die dienen te worden toegezonden aan RVO moet blijken dat het gehele melkveefosfaatoverschot over het afgelopen kalenderjaar is verwerkt door de partij waarmee  de financiële verplichting is aangegaan. De eerste keer is dit dus na afloop van het jaar 2016. RVO moet dan de betreffende stukken dus voor 1 april 2017 hebben ontvangen.

De financiële verplichting dient dus te zijn aangegaan voordat de precieze omvang van het melkveefosfaatoverschot van de komende jaren bekend is. Uit de overeenkomst moet desondanks blijken dat deze betrekking heeft op het hele verwachte melkveefosfaatoverschot van het bedrijf.

Rekenmodel grondgebondenheid gepubliceerd

Op verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken heeft staatssecretaris van Dam de rekenwijze met betrekking tot de grondgebondenheid behorende bij de AMvB Verantwoorde groei melkveehouderij gepubliceerd. Hij heeft aan dit verzoek gehoor gegeven door middel van een brief met een toelichting en een aantal rekenvoorbeelden. De brief kan hier worden gedownload.

De inhoud van de brief spreekt voor zich, wellicht met één uitzondering waarover de nodige verwarring bestond: de extra grond die nodig zou zijn wanneer de fosfaatproductie niet toe zou nemen. In stap 2.2 van de berekening wordt gesteld dat als de fosfaatproductie van het melkvee niet toeneemt, geen extra grond in het bedrijf hoeft te worden gebracht.

Lees hier de brief met de toelichting en een aantal voorbeelden.

Daarnaast is ook op de site van RVO een berekeningswijze (stappen) gepubliceerd. Klik hier om naar deze berekening te gaan.

 

 

Advies Raad van State wetsvoorstel Wet grondgebonden groei melkveehouderij

De Afdeling advisering van Raad van State (hierna: de Afdeling) adviseert over wetgeving en bestuur. De Afdeling adviseert uitsluitend over de juridische context en juistheid van de Wet zelf en in relatie met andere wetgeving. Inhoudelijk velt de Afdeling geen oordeel. Onlangs heeft de Afdeling advies uitgebracht over het wetsvoorstel grondgebonden groei melkveehouderij. Het wetsvoorstel (klik hier) en de memorie van toelichting (klik hier) zijn op 26 september 2015 bij de Tweede Kamer ingediend ter behandeling door de vaste commissie voor Economische Zaken. Daarmee is ook het advies van de Afdeling openbaar geworden.

De Afdeling gaat in haar advies met name in op twee punten: als eerste de regulering van het eigendomsrecht en de manier waarop dit  inhoudelijk wordt gemotiveerd in het wetsvoorstel. Als tweede de periode waarover de knelgevallenvoorziening zou moeten gelden.

De Afdeling  wijst er in haar advies op dat de melkveehouders minder mogelijkheden krijgen om de uitbreiding van de fosfaatproductie in zijn geheel buiten het bedrijf te verwerken. Immers, afhankelijk van de intensiteit van een bedrijf,  moet er ook extra grond onder het bedrijf worden gebracht.  De Afdeling concludeert dat hiermee sprake is van regulering van het gebruik van eigendom. Een inmenging in het eigendomsrecht moet op grond van Europeesrechtelijke verdragen niet alleen deugdelijk worden bekendgemaakt, maar daarnaast ook inhoudelijk voldoende precies en nauwkeurig zijn in de omschrijving van wie, wanneer tot wat bevoegd is. De Afdeling vraagt aandacht voor deze omschrijving.

Het tweede punt betreft de knelgevallenregeling die het wetsvoorstel kent. Deze voorziening houdt in dat alleen melkveehouders die kunnen aantonen dat zij vóór 7 november 2014 financiële verplichtingen zijn aangegaan voor het laten verwerken van hun gehele fosfaatoverschot, deze contracten gewoon mogen uitdienen. De Afdeling merkt op dat op 7 november 2014 alleen nog maar bekend was dat het geheel verwerken van het fosfaatoverschot zou kunnen worden beperkt, door bedrijven te verplichten een deel van de extra fosfaatproductie te compenseren met grond. Pas op het moment dat de nieuwe regels op 30 maart 2015 werden aangekondigd in verband met de voorhang van het ontwerpbesluit in beide kamers van de Staten-Generaal, is duidelijk geworden hoe de beperking eruit gaat zien.

Gelet daarop moet in de toelichting bij het wetsvoorstel uitgebreider worden ingegaan op de rechtvaardiging voor het feit dat de regels ook zien op het kalenderjaar 2015. Daarbij moet aandacht worden besteed aan grensdatum van 7 november 2014 die voor de knelgevallenvoorziening is gekozen.

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Raad van State en het nadere rapport van de minister.

Rietzwenkgras: kampioen fosfaatefficiëntie?

Zachtbladig rietzwenk; kampioen fosfaatefficiëntie’, zo kopte het artikel, om te vervolgen met de tekst:  ‘Nu fosfaatrechten in Nederland een feit zijn, is efficiënt omgaan met dit mineraal nog belangrijker om enige ontwikkelruimte te behouden op het melkveebedrijf’. Vervolgens wordt de link gemaakt naar het voordeel van een grassoort met een hoge fosfaatefficiëntie: zachtbladig rietzwenkgras. Het klinkt logisch, maar is dit wel zo? Is een hoge fosfaatefficiëntie van gewassen een gunstige eigenschap, die resulteert in  ontwikkelruimte?

Fosfaatrechten hebben betrekking op de uitscheiding van fosfaat via mest door melkvee. Hoe lager de fosfaatuitscheiding per dier, hoe meer dieren kunnen worden houden. Om een lagere fosfaatuitscheiding te krijgen – en dus ontwikkelingsruimte te realiseren –  moet de fosfaatopname door de dieren dus laag zijn bij voldoende opname van energie en eiwit. Dit betekent lage fosfaatgehalten in het ruwvoer. Een laag fosfaatgehalte kan alleen bij een lage fosfaatopname door het gewas. Dus zoek je naar gewassen met wellicht juist een lage fosfaatefficiëntie  in termen van fosfaatopname per kg drogestof. Op zich een verassende conclusie, maar wellicht ook wat kort door de bocht. Wat hierboven wordt gesteld is dat het gaat om het fosfaatgehalte in het ruwvoer, met andere woorden hoeveel fosfaat zit er in het gras per kg drogestof. En dan doet rietzwenk het best goed (zie onderstaande Tabel). Nog liever, zou je willen kijken naar de hoeveelheid fosfaat per kVEM of per kg ruweiwit.

Conclusie 1: Voor de fosfaatrechten is niet de efficiëntie van opname van belang, maar gaat om het gehalte aan P per kg drogestof of beter nog het gehalte aan P per kVEM.

tabel rietzwenk

bron: Barenbrug

 

In het artikel wordt verder gesteld: ‘De relatieve drogestof opbrengst van dit mengsel (rietzwenkgras) ligt 19 procent hoger dan van een grasmengsel met 100 procent Engels raaigras.’ Dit betekent dat het verschil in P opname geen kwestie is van efficiëntie, maar van een verschil in drogestofproductie. Bij een opbrengst van 11.900 kg drogestof zou het mengsel van rietzwenkgras 118 kg fosfaat opnemen (zie Tabel) en een mengsel van Engels raaigras met 10.000 kg drogestof 115 kg fosfaat. Het effect dat in de Tabel wordt gepresenteerd lijkt dus een opbrengst effect. Er wordt niet meer fosfaat opgenomen uit de bodem, de opgenomen fosfaat wordt verdund over meer kilogrammen drogestof.

Conclusie 2: rietzwenkgras is geen kampioen fosfaatefficiëntie, maar eerder kampioen drogestof produceren.

Bovenstaande wil niet zeggen dat rietzwenkgras geen rol kan hebben bij het invullen van maatregelen in het kader van het anticiperen op fosfaatrechten. Het geeft slechts aan dat een commerciële boodschap van een leverancier altijd binnen de feitelijke toepassing op het veehouderijbedrijf moet worden beoordeeld.

Minder BEX voordeel in 2015?

De aanpassing in de forfaitaire productienormen en de hogere fosforgehalten in de ruwvoerkuilen zorgen in 2015 voor een 15% lager BEX-voordeel op bedrijfsniveau dan vorig jaar. Dat concludeert DLV op basis van gegevens van ruim 200 bedrijven’

Deze tekst vraagt om enige nuancering, want 15% (!) meer mest betekent (meestal) veel meer mestafvoer. In de eerste plaats wordt verwezen naar een lager voordeel, dit is niet hetzelfde als een hogere mestproductie. DLV stelt dat door hogere fosforgehalten in het rantsoen de fosfaatexcretie op het bedrijf van een BEX deelnemer in 2015 zo’n 9% hoger zal zijn dan in eerdere jaren. Daarnaast zorgen aanpassingen van de forfaitaire normen voor een daling van het BEX-voordeel van 6%: samen 15%. Deze laatste 6% verandert echter niets aan hoogte van de mestproductie op een bedrijf dat deelneemt aan BEX.

BEX analyse

Door gebruik te maken van de mest kan worden aangetoond dat de feitelijke mineralenproductie lager ligt dan de norm.

Vooropgesteld: de fosforgehalten in het ruwvoer in 2014 waren op veel bedrijven hoger dan het langjarig gemiddelde. Hogere gehalten in het ruwvoer betekenen waarschijnlijk ook een hogere uitscheiding van fosfaat in mest. Hoeveel hoger is echter de vraag: essentieel voor de hoogte van de fosfaatproductie is het VEM gehalte van het rantsoen. Of liever gezegd de verhouding tussen fosfor en kVEM per kg ds: per kuil, in het ruwvoer en in het rantsoen.

Bij een gemiddeld hoger fosforgehalte in het aangelegde ruwvoer ten opzichte van 2014 van 0,2 g/kg ds voor mais en 0,4 g/kg ds voor gras komen de analyses van mestboete bij een gelijk VEM gehalte per kg ds als in 2014 uit op een fosfaatproductie die zo’n 5% boven het langjarig gemiddelde ligt. Is de verhouding fosfor/kVEM lager dan in 2014 dan wordt die 5% lager, is de verhouding fosfor/kVEM juist hoger dan neemt het nadeel toe.

Moraal van het verhaal: Maak een prognose van uw BEX-berekening voor 2015. Gemiddelden zijn aardig en doen het goed om een algemene tendens aan te geven, maar alleen uw eigen berekening geeft duidelijkheid.