Aanvullende voorwaarden bij nieuwe handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie

Op 12 juli 2019 is de nieuwe Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie gepubliceerd (hierna: Handreiking). Deze handreiking is de richtlijn voor melkveebedrijven die de BEX systematiek toepassen om daarmee aan te tonen dat de uitscheiding van stikstof en fosfaat lager is dan de forfaitaire normen. Voor bedrijven die over 2019 met de BEX-systematiek willen rekenen is het verplicht om de onlangs verschenen versie van de Handreiking tot te passen..

De nieuwe Handreiking bevat, zoals altijd bij een nieuwe versie, een aantal inhoudelijke wijzigingen of verbeteringen ten opzichte van de vorige versie. Opvallend bij deze versie is echter dat ook in de voorwaarden voor toepassing van de Handreiking een aantal aanvullende voorwaarden zijn toegevoegd.

Een van deze aanvullende voorwaarden is dat een bedrijf dat door middel van BEX methodiek de excretie van stikstof en fosfaat bij melkvee verantwoordt, de uitdraai van de resultaten van de BEX (via de Excretiewijzer, de KringloopWijzer of een ander programma met de berekeningswijze die in BEX is opgenomen) met de datum van uitdraai, op uiterlijk 1 februari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de BEX betrekking heeft,  in de administratie op moet nemen. Deze uitdraai – met een datum van vóór 1 februari,- dient altijd in de administratie bewaard te blijven, ook als blijkt dat op basis van een fout een nieuwe uitdraai na 1 februari wordt gemaakt om op te nemen in de administratie.

Een tweede procedurele voorwaarde die is toegevoegd aan de voorwaarden voor toepassing van de BEX is dat indien de Handreiking wordt gebruikt voor verantwoording van de lagere uitscheiding van stikstof en fosfaat, de daarin opgenomen invoergegevens over dieren, diervoeders en huisvesting gelijk dienen te zijn aan de invoergegevens die worden gebruikt voor de KringloopWijzer,  waarvan het resultaat over hetzelfde kalenderjaar ter beschikking dient te worden gesteld aan de afnemer(s) van de door geproduceerde koemelk. Hiermee legt de Handreiking een rechtstreekse koppeling met de Kringloopwijzer.

Beide aanvullingen lijken ingegeven door het feit dat de minister de borging van de BEX systematiek onvoldoende acht. Al eerder heeft de minister aangegeven dat de KringloopWijzer wel als voldoende geborgd werd geacht, maar de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie niet. Door de termijn van het opstellen te verkorten en de koppeling van invoergegevens tussen BEX en KringloopWijzer gelijk te stellen lijkt de minister de borging van de BEX te willen verbeteren.

Of wanneer niet aan deze voorwaarden ook kan of zal resulteren in het volledig afkeuren van een BEX berekening is de vraag. Immers zoals al eerder gesteld is de BEX van belang voor bedrijven waar sprake is van een  verschil tussen de feitelijke excretie van stikstof en fosfaat en de forfaitaire normen. Om dit verschil  te kunnen onderbouwen kan een beroep worden gedaan op de mogelijkheid van de zogenaamde ‘vrije bewijsleer’ die de Algemene wet bestuursrecht kent. De meest bekende methode van een dergelijke onderbouwing is de Bedrijfsspecifieke Excretie oftewel de BEX-berekening.

De reken- en verantwoordingswijze van de BEX-berekening kan worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze aan de hand waarvan bedrijven – gebruik makend van de Handreiking en de daarin genoemde voorwaarden – gemotiveerd en onderbouwd kunnen afwijken van de vastgestelde excretieforfaits voor melkveebedrijven. Hierbij wordt nadrukkelijk gesproken over een methode, niet over de of de enige methode. Er is immers sprake van vrije bewijsleer. Voor de BEX systematiek spreekt echter wel dat deze akkoord is bevonden door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM), breed wordt toegepast en, zoals reeds eerder vermeld, mag worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze voor de invulling van de zogenaamde vrije bewijsleer.

De vraag is of dat wanneer niet wordt voldaan aan de genoemde aanvullende voorwaarden of termijnen niet kan worden onderbouwd dat de mestproductie lager was en dus daarmee de inhoudelijke bewijsvoering niet zal worden geaccepteerd. Immers wanneer wel aan de overige inhoudelijke voorwaarden van de Handreiking wordt voldaan is de inhoudelijke onderbouwing op zich gelijk. Duidelijk is wel dat het niet voldoen aan de nieuwe procedurele termijnen zal leiden tot discussie en risico op afkeuring. Immers de veehouder zal aan moeten kunnen tonen dat sprake is van een juiste berekening en vooral correcte invoer.

 

Klik hier om de Handreiking te bekijken

De Handreiking taat ook online op drie pagina’s bij RVO:

 

Handreiking bedrijfsspecifieke excretie melkvee geactualiseerd

Met ingang van het nieuwe jaar is ook de Handreiking bedrijfsspecifieke excretie melkvee (BEX)  geactualiseerd. Deze handreiking is een vooraf geaccordeerde methode om van de forfaitaire mestproductie voor melkvee af te wijken. Om dat te mogen doen, moet aan de voorwaarden van en aan de regels van de handreiking worden voldaan.

Voor de berekening van de bedrijfsspecifieke excretie melkvee over het kalenderjaar 2016 blijft de Handreiking van 1 mei 2015 in principe het uitgangspunt. U mag echter ook de versie van 28 december 2016 gebruiken. Enerzijds omdat uitkomst van de nieuwe versie weinig verschil vertoont met het eindresultaat dat wordt bereikt  met de handreiking die sinds 1 mei 2015 gold. Anderzijds omdat – via het beroep op de vrije bewijsleer – altijd kan worden betoogd dat deze nieuwe versie (die van 28 december 2016) is gebaseerd op de meest recente inzichten en daarmee een betere uitkomst op zal leveren dan de vorige versie. Voor 2017 is het verplicht om de versie van 28 december 2016 te gebruiken.

introscherm kringloopwijzer

De berekening van de kringloopwijzer en de BEX module zijn geactualiseerd

In de versie van 28 december 2016 zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • Er wordt een rasfactor gebruikt om de voederbehoefte of -opname van de melkveestapel te berekenen.
  • Berekeningen voor voederbehoefte bij weiden en zomerstalvoedering zijn gebaseerd op dagen in plaats van maanden.
  • Voor de berekening van de voederbehoefte van jongvee worden dezelfde uitgangspunten gebruikt als in de Handreiking BEX jongvee staan.
  • Melkpoeder is toegevoegd aan de lijst met voeders in de handreiking.
  • De lijst met categorieën overig graasvee is aangepast.
  • De formules voor de berekening van de VEM-opname uit vers gras, graskuil en snijmaïskuil zijn geactualiseerd en uitgebreid.

Zowel de versie van de handreiking van 1 mei 2015 als de versie van 28 december 2016 kunnen worden geraadpleegd via de pagina ‘BEX en Kringloopwijzer‘ op deze site. Of klik op deze link naar de site van RVO.nl en scroll naar beneden.

UPDATE:  Per 20 maart 2017 is de handreiking opnieuw geactualiseerd. In de nieuwste actualisatie  zijn de volgende (aanvullende) wijzigingen doorgevoerd:

  • De omschrijving ‘overwegend melkvee’  is nader gespecificeerd.
  • De wijze van berekening voor de VEM-opname van het melkvee is aangepast. Er is nu 1 methode voor de berekening van de VEM-opname van het melkvee.
  • Omdat droogstaande melkkoeien in de meeste bedrijven op stal blijven, wordt in de berekening voor de opname van vers gras een correctie toegepast voor het aantal dagen dat de koeien droog staan (58 dagen).
  • De verhoudingsfactoren die gebruikt worden voor de opname van stikstof en fosfor door melkvee zijn aangepast. Het gaat om de verhoudingsfactoren om vanuit de stikstof- en fosforgehalten in de op het bedrijf vervoederde geconserveerde grasproducten aan het melkvee de gehalten in vers gras te berekenen.
  • Als er andere graasdieren op het bedrijf zijn, dan moet de hoeveelheid voer die aan deze dieren wordt vervoederd in mindering worden gebracht op de totale hoeveelheid voer die op het bedrijf is vervoederd. Tabel 4 in de Handreiking bevat hiervoor de forfaitair toe te passen hoeveelheden per diercategorie. Deze tabel is aangepast.
  • Voor de omrekening van bruto stikstofexcretie naar netto stikstofexcretie is nu tabel 6 actueel.
  • Bij het bemonsteren van lage kuilen (minder dan 2 meter) die zijn afgedekt met dekkleden, is onder omschreven voorwaarden het aantal bemonsteringen teruggebracht van 3 naar 2 (bijlage I).
  • BEX-berekeningen die via de Excretiewijzer of de Kringloopwijzer worden uitgevoerd, zullen vanwege de toepassing van andere stalemissiefactoren voor ammoniak uit mest tot een hogere netto stikstofexcretie uit mest leiden. Hoewel deze emissiefactoren al langer in de Handreiking BEX stonden, waren die tot 2017 nog niet doorgevoerd in de Excretiewijzer en de Kringloopwijzer.

Voor de berekening van de bedrijfsspecifieke excretie melkvee over het kalenderjaar 2017, dient de versie van 20 maart 2017 met de daarbij behorende voorwaarden en definities te worden gebruikt.

Voor de berekening van de bedrijfsspecifieke excretie melkvee over het kalenderjaar 2016 blijft de Handreiking van 1 mei 2015 uitgangspunt. Eventueel mag de versie van 28 december 2016 worden gebruikt.

Over de Kingloopwijzer en Fosfaatrechten

De Kringloopwijzer (hierna: KLW) beschrijft onder andere de mineralenkringloop op melkveehouderijbedrijven. De KLW bouwt in dit kader voort op de bedrijfsspecifieke excretie (BEX) die als handreiking sinds 2006 binnen de Nederlandse wet- en regelgeving in gebruik is in het kader van de verplichtingen die volgen uit het stelsel van gebruiksnormen, het stelsel van verplichte mestverwerking en het stelsel van verantwoorde en grondgebonden groei melkveehouderij. Daarin biedt de BEX de mogelijkheid om aan de hand van bedrijfsspecifieke gegevens de mestproductie te bepalen.

tweet-wvs

 

Deze rol van BEX blijft vooralsnog onveranderd. In het kader van het stelsel van fosfaatrechten wordt melkveehouders vooralsnog echter niet de mogelijkheid geboden om bij de verantwoording af te wijken van de wettelijk vastgestelde excretieforfaits. De regering is met de partijen uit de zuivelketen overeengekomen dat voor een bedrijfsspecifieke verantwoording in het kader van onderhavig stelsel de inzet moet zijn om deze te baseren op een systematiek die ziet op de gehele mineralenkringloop op het bedrijf. Hiermee valt niet alleen de BEX af, maar vooralsnog, zo concludeert de Staatssecretaris vervolgens, is er geen systematiek voorhanden die borgt dat de mineralenkringloop op een bedrijf op een juiste wijze wordt vastgesteld. .

Om bedrijfsspecifieke verantwoording in het kader van de fosfaatrechten in de toekomst alsnog mogelijk te maken is in het wetsvoorstel, onder artikel 21b, tweede lid, wel een voorziening opgenomen die het mogelijk maakt om gebruik te maken van ‘een door de Minister van Economische Zaken aan te wijzen methode en onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden‘ aan te wijzen methode van bedrijfsspecifieke verantwoording. Daarbij is aangegeven dat daarvoor het gebruik van de KLW het meest voor de hand ligt. Voorwaarde is dan wel dat de systematiek en rekenregels van de KLW onafhankelijk en wetenschappelijk worden getoetst, de KLW privaat (dus door het landbouwbedrijfsleven) geborgd wordt en dat er duidelijke criteria zijn op basis waarvan vastgesteld kan worden welke bedrijven wel en welke bedrijven niet op een verantwoorde wijze hun mineralenkringloop kunnen verantwoorden met de KLW. Dus overheid stelt voorwaarden, de sector dient het aan te tonen dat aan die voorwaarden is voldaan en de overheid beslist of dat inderdaad ook zo is.

site kringloopwijzer

Ook al krijgt de kringloopwijzer in 2017 geen rol met betrekking tot de fosfaatrechten, invullen van de kringloopwijzer blijft verplicht.

De vraag is dan ook: kan de KLW deze eisen invullen? Een onlangs verschenen rapport van het Louis Bolk instituut beantwoord die vraag met een duidelijk neen. De conclusie van het rapport is dat, de KLW weliswaar betrouwbaarder is dan de BEX, maar nog niet geschikt is als beleidsinstrument. De KLW moet op een aantal punten verder uitgewerkt of verbeterd worden, de gevoeligheid voor (invul)fouten en fraude moet worden verbeteren en er is wetenschappelijke verantwoording en validatie zijn nodig. Dit laatste wordt momenteel bekeken door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet die uiterlijk in november hun bevindingen op zullen leveren.

Tot het moment waarop de Minister een methode aanwijst op basis waarvan bedrijven met melkvee bedrijfsspecifiek verantwoording af kunnen leggen dienen bedrijven met melkvee op basis van de forfaitaire excretiewaarden uit de Meststoffenwet verantwoording af te leggen binnen het stelsel van fosfaatrechten. De kans dat dit lukt voor 2017 is erg klein. Uit de beantwoording van de schriftelijke vragen naar aanleiding van het Wetsvoorstel geeft de staatssecretaris zelf aan dat hij invoering van de kringloopwijzer voorafgaand aan de generieke korting in 2018 onaannemelijk vindt (zie ook de tweet hierboven). Nu moet het Wetsvoorstel natuurlijk nog in de Tweede Kamer worden behandeld en kunnen er ook met betrekking tot dit aspect nog wijzigingen worden doorgevoerd. Echter het is zeker zinnig om nu al nadrukkelijk rekening houden met een scenario waarin dit niet het geval is en tenminste in 2017 zal moeten worden gewerkt met de voorgeschreven excretieforfaits.

 

Finale deadline indienen kringloopwijzer nadert

Melkveebedrijven met een melkveefosfaatreferentie groter dan nul zijn vanaf 1 januari 2015 verplicht om de KringloopWijzer te gebruiken (dit is opgenomen in de leveringsvoorwaarden van uw zuivelonderneming). Niet alleen is men verplicht de KringloopWijzer te gebruiken, de KringloopWijzer moest ook uiterlijk 1 mei 2016 zijn ingediend (deze termijn is dit jaar verplaatst van 1 maart naar 1 mei).

Indienen was mogelijk door het bestand uit de KringloopWijzer te uploaden naar de Centrale Database of door de gegevens handmatig in te voeren. Met het verstrijken van de deadline van 1 mei 2016 is uploaden niet langer mogelijk, handmatige invoer nog wel. Dat is ook nodig gezien het feit dat van de 12.000 melkveehouders voor wie de verplichting (waarschijnlijk) gold, zo’n 9.000 melkveehouders hieraan voor 1 mei hadden voldaan.

site kringloopwijzer

indienen van de kringloopwijzer of instellen van de machtiging kan via de site van de kringloopwijzer

Dit zou betekenen dat ongeveer 3.000 melkveehouders hun KringloopWijzer nog in moeten dienen. De bedrijven die het betreft zijn hierover inmiddels geïnformeerd door hun zuivelonderneming en hebben hiervoor de tijd gekregen tot 1 juli 2016.

In de groep bedrijven die de KringloopWijzer nog niet heeft ingediend zit een aanzienlijke groep waarvan de melkveefosfaatreferentie niet bekend is bij de zuivelonderneming. De beschikking van de melkveefosfaatreferentie is eind 2013 door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) afgegeven en kan worden teruggevonden in ‘mijn dossier’ op de site van RVO. Wanneer de melkveefosfaatreferentie niet bekend is bij de zuivelorganisatie, gaat die er van uit dat de referentie hoger is dan 0. Hiermee staat het melkveebedrijf te boek als verplicht om een KringloopWijzer aan te leveren. Wie dat niet wil, dient de zuivelonderneming alsnog (voor 1 juli) te laten weten dat de melkveefosfaatreferentie nul is. Dit kan door de machtiging in de Centrale Database KringloopWijzer zo in te stellen dat de melkveefosfaatreferentie bekend wordt binnen het systeem en bij de zuivelonderneming. Deze groep bedrijven hoeft, wanneer deze machtiging eenmaal is ingesteld, verder niets te doen.

introscherm kringloopwijzer

De KringloopWijzer is een webapplicatie. Data en software staan op een server die alleen via een beveiligde inlog toegankelijk is.

Een andere groep bedrijven, die daadwerkelijk een melkveefosfaatreferentie heeft van groter dan 0, maar nog geen kringloopwijzer heeft ingediend zal dit alsnog moeten dien. Gebeurt dit niet voor 1 juli 2016, dan treedt de zogenaamde herstelperiode in werking. Deze periode duurt een maand en gedurende deze maand kan een melkveehouder alsnog zijn KringloopWijzer indienen, de juiste machtiging instellen (indien de melkveefosfaatreferentie 0 is) of bezwaar maken tegen het feit dat men de kringloopwijzer in zou moeten dienen. Dit laatste heeft overigens alleen maar zin wanneer door middel van een bezwaarschrift met gegronde redenen wordt gemotiveerd dat en waarom sprake is van bijzondere omstandigheden op het bedrijf die het niet indienen rechtvaardigen.

Wanneer de herstelperiode voorbij is, er geen KringloopWijzer of een bezwaarschrift is ingediend of de juiste machtiging niet is ingesteld, verplicht het kwaliteitssysteem de zuivelonderneming om melkweigering toe te passen vanaf 1 augustus 2016. Hierbij aantekenend dat een bezwaarschrift in eerste instantie slechts een schorsende werking zal hebben. Om dit te voorkomen is het zaak, tijdig de juiste actie te ondernemen.

Vanaf 2017 fosfaatrechten voor de melkveehouderij

Staatssecretaris van Dam heeft per brief aan de Tweede Kamer aangegeven dat en hoe hij het systeem van fosfaatrechten in de melkveehouderij wil invoeren.  De afgelopen maanden is er uitvoerig overleg geweest tussen het ministerie en de zogenaamde regiegroep  ( LTO Nederland, de Nederlandse Zuivelorganisatie, het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt, Netwerk GRONDig en de Stichting Natuur en Milieu) over de invulling van het systeem.  De uiteindelijke opzet is dan ook een compromis tussen de wensen van de diverse partijen. Een groot aantal van die wensen hebben we de afgelopen periode in de media al voorbij zijn gekomen (ontzien extensieve bedrijven, generieke korting, afroming bij transacties, vrije verhandelbaarheid, etc). Hieronder kort een aantal hoofdpunten uit de brief van de Staatssecretaris:

koe in wei

Vanaf 2017 fosfaatrechten voor melkvee

Peildatum

Alle melkveebedrijven krijgen per 1 januari 2017 een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend op basis van het aantal gehouden koeien op 2 juli 2015, de datum waarop het fosfaatstelsel werd aangekondigd. De rechten worden gebaseerd op het aantal dieren dat op de peildatum werd gehouden. Uitgangspunt van het stelsel is dat melkveehouders alleen de fosfaat mogen produceren – en dus melkvee mogen houden – waarvoor ze de over fosfaatrechten beschikken.  Wel kan het voordeel van efficiënter produceren (BEX voordeel) worden gebruikt om met minder fosfaat per dier, meer dieren te houden. Voorwaarde is wel dat het instrument kringloopwijzer voldoende geborgd kan worden.

Grondgebonden bedrijven

Bij de invoering van het stelsel wil Van Dam extensieve, grondgebonden bedrijven zoveel mogelijk ontzien. Boeren met meer plaatsingsruimte op hun grond dan mestproductie door het melkvee  – en die dus geen aandeel hebben in het fosfaatoverschot – krijgen extra rechten op basis het verschil tussen mestproductie en plaatsingsruimte. Voor de berekening van de plaatsingsruimte wordt aangesloten bij de GDI opgave van 2015.

Generieke korting

De totale hoeveelheid rechten die op deze manier wordt toebedeeld is echter te groot om de fosfaatproductie weer onder het zogenaamde fosfaatplafond te brengen. Daarom worden de toegekende fosfaatrechten voor een gedeelte afgeroomd. Het afromingspercentage op bedrijfsniveau zal tussen 4 en maximaal 8% liggen. Het exacte afromingspercentage wordt op 1 juli 2017 vastgesteld. Dat is de uitkomst van het overleg van staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken met de melkvee- en zuivelsector. Melkveehouders krijgen vervolgens tot begin 2018 de tijd om hun fosfaatproductie via natuurlijk verloop in te krimpen. Vanaf 1 januari 2018 mogen melkveehouders dan niet meer fosfaat produceren dan hun fosfaatrechten minus de generieke korting.

Afroming bij verhandelen
Melkveehouders die hun bedrijf beëindigen of die minder koeien willen houden kunnen de rechten die daarmee vrijkomen onderling verhandelen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal dit bijhouden in een register. Bij iedere transactie komt 10% van de overgedragen rechten te vervallen. Hierdoor wordt de totale hoeveelheid rechten verlaagd en moet – samen met de generieke korting – een totale fosfaatproductie die onder het niveau van het fosfaatplafond ligt kunnen worden gerealiseerd. Of de korting bij transacties ook van toepassing is bij de wijziging van ondernemingsvorm of overname/overdracht van een bedrijf is op dit moment nog niet bekend. Wellicht dat hier een uitzondering voor komt wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

Zodra de fosfaatproductie weer onder het het fosfaatplafond is gebracht, zal RVO rechten die via transacties zijn afgeroomd opnieuw uitgeven aan bedrijven die aan nader te bepalen voorwaarden voldoen.

Beschikking en knelgevallenregeling
Melkveehouders ontvangen later dit jaar een beschikking omtrent het aantal fosfaatrechten dat is toegekend. Mocht deze niet correct zijn dan kan hiertegen gericht bezwaar worden gemaakt. Ook kan een beroep worden gedaan op een beperkte knelgevallenregeling op het moment dat er aantoonbare bijzondere omstandigheden op het bedrijf speelden waardoor tijdelijk minder dieren op het bedrijf werden gehouden (genoemd wordt ziekte van de ondernemer).

Lees hier de volledige brief

Aanmelding Pilot evenwichtsbemesting fosfaat

kringloopwijzerOp maandag 25 januari vanaf 10:00 uur kunnen (nieuwe) deelnemers zich aanmelden voor de pilot evenwichtsbemesting fosfaat. Vanaf dat moment zal het aanmeldformulier op de site van LTO Noord beschikbaar zijn. Aanmelden kan tot 1 februari 2016. In totaal kunnen 150 veehouders deelnemen, dat zijn er 50 meer dan in 2015. De ondernemers die het afgelopen jaar hebben deelgenomen moeten zich ook aanmelden, maar genieten wel voorrang.

Melkveehouders die mee willen doen, moeten aan kunnen tonen dat zij drie achtereenvolgende jaren een hogere onttrekking door hun gewassen hebben gehad dan er via meststoffen mocht worden toegediend. Dat aantonen dient te gebeuren door middel van de Kringloopwijzer van 2013 en 2014 en 2015. Hiertoe moeten bij de aanmelding de kringloopwijzers over de afgelopen drie jaar (2013, 2014 en 2015) worden overlegd. Die worden beoordeeld en indien deze akkoord worden bevonden komt de ondernemer in aanmerking voor deelname. Bij deelname wordt een extra bemestingsruimte op basis van de Kringloopwijzers toegewezen die wordt bekrachtigd via een officiële ontheffing van de forfaitaire gebruiksnorm. Deze ontheffing wordt door het Ministerie van Economische Zaken verstrekt en door RVO verzonden. Vorig jaar bedroeg de toegekende extra fosfaatgebruiksnorm gemiddeld 18 kg per hectare.

maiskuil

Deelname aan de BEP pilot is een optie voor wie via de kringloopwijzer aan kan tonen dat er meer fosfaat wordt onttrokken dan de fosfaatgebruiksnorm

Aan deelname zijn ook kosten verbonden. Deze eigen bijdrage is voor nieuwe deelnemers die in 2016 een beschikking ontvangen gesteld op € 300 voor LTO leden en € 400 voor niet LTO leden. Voor bestaande deelnemers blijft het bedrag gelijk aan het bedrag dat ze het afgelopen jaar betaalden.  Meer informatie over de afweging of deelname zinvol is en de voorwaarden die aan  deelname verbonden zijn vindt u op de site van LTO Noord

Voor nieuwe deelnemers wordt het wel dringen: zoals gezegd kunnen maximaal 150 ontheffingen worden verleend. De 100 bedrijven die in 2015 aan de pilot hebben deelgenomen genieten voorrang bij deelname in 2016. Verder hebben bedrijven die in het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM) zitten, voorrang. De overige bedrijven worden geselecteerd op volgorde van binnenkomst.

Uitstel indienen kringloopwijzer tot 1 mei

kringloopwijzerDe zuivelondernemingen hebben de termijn voor het indienen van de kringloopwijzer via de Centrale Database KringloopWijzer verlengd met twee maanden (van 1 maart naar 1 mei). Dit is het gevolg van de vertraagde oplevering van de Centrale Database KringloopWijzer. Deze vertraging zou voortkomen uit het feit dat er veel koppelingen moeten worden ingebouwd om gegevens automatisch in te kunnen lezen. Het indienen van de kringloopwijzer is verplicht voor alle bedrijven met een melkveefosfaatreferentie die groter is dan nul en dient plaats te vinden via de site www.dekringloopwijzer.nl.

Doordat de Centrale Database KringloopWijzer nog niet volledig gereed is, kunnen melkveehouders deze niet gebruiken voor het maken van het wettelijk verplichte bemestingsplan en de BEX-berekening. Het uitstel tot 1 mei geldt nadrukkelijk niet voor de andere verplichtingen in het kader van de Meststoffenwet.  Melkveehouders kunnen hiervoor, net als voorgaande jaren, gebruik maken van bestaande programma’s.

Indienen kringloopwijzer voor maart 2016

Vanaf 2015 zijn alle melkveebedrijven met een fosfaatoverschot verplicht de KringloopWijzer in te vullen. De zuivelondernemingen hebben deze verplichting opgenomen in hun leveringsvoorwaarden. De genoemde groep melkveebedrijven moet voor 1 maart 2016  de kringloopwijzer hebben opgesteld en ingediend. Dit  dient te gebeuren via de site: www.dekringloopwijzer.nl. Voordat kan worden begonnen met het invullen van de kringloopwijzer, moet op de site worden ingelogd. Dit inloggen verloopt via eHerkenning (Niveau 2+). Hiervoor is geopteerd vanuit privacy overwegingen: de gegevens die nodig zijn om de kringloopwijzer kunnen voor een belangrijk deel automatisch worden ingelezen. Dat vraagt natuurlijk om een deugdelijke afscherming. Na het inloggen kunnen machtigingen worden gegeven aan organisaties waarmee deze hun gegevens automatisch in kunnen laden.

Doel van het instellen van deze verplichting is dat met de KringloopWijzer de mineralenefficiëntie op een melkveebedrijf in beeld worden gebracht. Op  basis van dit inzicht kan beter worden gestuurd op de benutting van mineralen en daarmee worden bespaard op voer- en kunstmestaankoop en/of mestafvoer.

Door het optimaliseren van de bedrijfsvoering zou het in de toekomst bovendien mogelijk moeten zijn om ontwikkelingsruimte te creëren voor het bedrijf. In bovenstaande Youtube video wordt ingegaan op het proces omtrent de kringloopwijzer: van inloggen tot indienen.

Is de verplichting tot het indienen van de kringloopwijzer in 2015 beperkt tot melkveebedrijven met een fosfaatoverschot., vanaf 2016 is de kringloopwijzer verplicht voor alle melkveebedrijven.

Benutten van overblijvende fosfaatruimte

schema mestbeleid

In bovenstaand overzicht is – schetsmatig – de situatie weergegeven zoals we die regelmatig op melkveebedrijven tegen komen. In het schema is in het bovenste blok de mestproductie, in kg stikstof en fosfaat, gegeven. In de onderste rij blokken is de verantwoording van de geproduceerde stikstof en fosfaat gegeven via respectievelijk de gebruiksnormen van de grond die in gebruik is bij het bedrijf en de mest die wordt afgevoerd naar derden. Het derde blok, de mutatie van de voorraad dierlijke mest, is in dit voorbeeld beschouwd als sluitpost.

De cijfers in dit voorbeeld zijn afgerond en hebben geen betrekking op een specifiek bedrijf, maar staan model voor een groep bedrijven. Het zijn bedrijven die een aanzienlijk voordeel met BEX realiseren, maar de stikstof:fosfaat verhouding in de productie van de mest (3,0), niet terugvinden in de stikstof:fosfaat verhouding van de afgevoerde mest (2,66) en de gebruiksnormen (2,77).

Vaak doet zich dan, omdat mest wordt afgevoerd om de stikstofverantwoording te kunnen realiseren, de situatie voor dat er meer fosfaat wordt afgevoerd dan nodig is om aan de gebruiksnorm voor fosfaat te voldoen. In het voorbeeld hierboven betreft het 550 kg fosfaat oftewel bijna 20 kg fosfaat per ha (per jaar!), bij de toch al krappe gebruiksnormen. Fosfaatkunstmest aankopen is wellicht de gemakkelijkste oplossing, maar dit is niet op alle bedrijven (derogatie!) toegestaan.

Wanneer dit fenomeen zich een aantal jaren voordoet kan een situatie ontstaan waarin de fosfaatvoorziening van de gewassen in gevaar komt. Hetzelfde geldt in principe voor de organische stof .

Een aantal van de opties die we in de praktijk zien bij bedrijven die hierop anticiperen zijn wellicht wat verassend. In de eerste plaats  noemen we het scheiden van mest en het afvoeren van de dunne (!) fractie. Deze fractie bevat een relatief hoge verhouding tussen stikstof en fosfaat, waardoor deze afvoer beter aansluit bij de verhouding die nodig is met betrekking tot de mutatie van de voorraad. Plus de dikke fractie (met fosfaat en organische stof) kan voor het eigen bedrijf behouden blijven. Het nadeel is duidelijk: extra kosten in verband met het scheiden van de mest om vervolgens de meest waterige fractie af te zetten. Daarnaast moet in het achterhoofd worden gehouden dat dunne fractie als product maar een beperkte periode in het jaar kan worden afgezet en niet bij iedereen. Tenslotte moet wel voldoende fosfaat worden afgezet om te kunnen voldoen aan de verwerkingsplicht.

Andere bedrijven vullen de onbenutte ruimte voor fosfaat in door bijvoorbeeld een product als compost aan te voeren. Hiermee kan de overgebleven fosfaatruimte alsnog worden benut. Compost is vooral een product om  effectieve organische stof aan te voeren. Voor de mestwetgeving telt fosfaat in compost voor 50% mee mits deze 50% niet boven een fosfaatgehalte van 3,5 kg per ton drogestof uitkomt. Het deel boven de 3,5 kg per ton drogestof telt voor 100% mee. De stikstof in compost telt voor 10% mee en telt mee onder de gebruiksnorm werkzame stikstof dus niet voor de gebruiksnorm dierlijke mest.

Een alternatief voor compost kan het aanvoeren schuimaarde zijn. Schuimaarde  is een hoogwaardige snelwerkende kalkmeststof die ook extra beschikbaar calcium levert. Dit is met name van belang op percelen waar de calciumbezetting in de bodem laag is en waar verhoging van de pH gewenst is. Daarnaast brengt schuimaarde ook enige organische stof mee. Ook de stikstof in schuimaarde telt mee onder de gebruiksnorm werkzame stikstof.

Vanuit de kringloopgedachte is het natuurlijk merkwaardig: organische stof en fosfaat worden afgevoerd via dierlijke mest en vervolgens weer aangevoerd via een product als compost of schuimaarde dat onder een andere categorie meststoffen valt: het is maar welk labeltje je er op plakt.

De verplichte KringloopWijzer

Vanaf 1 januari 2015 zijn alle melkveebedrijven met een fosfaatoverschot verplicht om de KringloopWijzer in te vullen. Naar verwachting betreft dit ongeveer 60% van alle melkveebedrijven in Nederland. Met ingang van 1 januari 2016 breidt deze verplichting zich uit naar alle melkveebedrijven in ons land.

Het verplicht invoeren van de kringloopwijzer is een van de maatregelen die een aantal samenwerkende partijen (LTO, NZO, NAJK, Nevedi, VLB) in 2014 aankondigden. De partijen hopen op deze manier ontwikkelingsruimte voor de melkveehouderij te behouden en tegelijkertijd het realiseren van een betere mineralenefficiëntie te belonen. Niet iedereen is het daar mee eens: onlangs hebben de leden van de NMV zich uitgesproken tegen een verplichte invoering van de kringloopwijzer.

fosfaatkringloop

Een goed beeld van de mineralenkringloop op het bedrijf geeft inzicht (rode cijfers in kg fosfaat per ha)

Met de kringloopwijzer kunnen een tweetal voordelen voor een melkveebedrijf worden gerealiseerd: bedrijven die aan kunnen tonen dat de mestproductie van hun dieren lager ligt dan de forfaitaire normen, mogen rekenen met de lagere mestproductie. Het bekende BEX voordeel. Het tweede is dat bedrijven die aan kunnen tonen dat ze een hogere opbrengst in kilogrammen fosfaat realiseren van hun grond dan de gebruiksnorm, komen in aanmerking om gebruik te maken van een hogere (bedrijfsspecifieke) gebruiksnorm voor fosfaat. Dit laatste loopt momenteel in pilot-vorm voor een gelimiteerd aantal geselecteerde bedrijven.

Oorspronkelijk is de kringloopwijzer ontwikkeld als hulpmiddel om het mineralenmanagement op het bedrijf te ondersteunen. Het systeem brengt in beeld wat er onder de staart van de koe vandaan komt, hoeveel (weide)mest en kunstmest er wordt toegediend, hoeveel daarvan weer wordt onttrokken en hoeveel en waar mineralen verloren gaan. Of het systeem op dit moment ook solide genoeg is om als basis te dienen als basis voor regelgeving is de vraag. Zo schreven we hier al eerder over het feit dat uit onderzoek blijkt dat de bepalingsmethodiek voor ruwvoerkuilen een aanzienlijke afwijking toelaat. Het nadeel van een kringloopberekening is dat dergelijke afwijkingen gedurende de hele berekening mee blijven lopen.

Gelukkig levert de verplichte invoering van de kringloopwijzer in de huidige opzet voor niemand een echt nadeel op. Wie minder gunstig uitkomt kan uit blijven gaan van de forfaitaire normen en is daarmee alleen de tijd kwijt die is gemoeid met het aanmelden en invullen van de kringloopwijzer.

De verplichting tot het invullen van de kringloopwijzer is gesteld in de leveringsvoorwaarden van de zuivelorganisaties. Alleen door het invullen van de KringloopWijzer op www.dekringloopwijzer.nl kan een melkveehouder voldoen aan deze verplichting. Dit betekent dat iedere melkveehouder zich aan moet melden via de centrale database. Het aanmelden zou het invullen van de kringloopwijzer ook een stuk eenvoudiger moeten maken. In de database kunnen de gegevens van bijvoorbeeld de melkfabriek en de voerleveranciers rechtstreeks worden ingelezen. Dat scheelt dan weer tijd.