Het begrip ‘redelijke beslistermijn’

Op 3 november 2014 deed de Rechtbank Overijssel uitspraak in het beroep dat door een veehouder was ingesteld naar aanleiding van een door RVO aan deze veehouder opgelegde boete voor het overschrijden van de gebruiksnormen in de Meststoffenwet (hierna: Msw). Interessant aan deze casus is dat de Rechtbank in haar uitspraak ingaat op het begrip redelijke beslistermijn.

Bij besluit van 22 juli 2009 (het primaire besluit) heeft RVO aan de veehouder,  voor het jaar 2007 een bestuurlijke opgelegd voor een bedrag van € 45.000,- wegens het overschrijden van de gebruiksnormen in de Meststoffenwet.  Bij besluit van 21 november 2013 (het bestreden besluit) heeft RVO  het boetebedrag bijgesteld naar € 20.403,50. De veehouder heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De veehouder stelde zich in zijn beroepschrift onder andere op het standpunt dat RVO met het bestreden besluit, door ruim 4,5 jaar na zijn voornemen om veehouder bestuurlijke boetes op te leggen (van 11 maart 2009) te beslissen, in strijd is gekomen met de redelijke beslistermijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Artikel 6, eerste lid, van het EVRM brengt mee dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

De onderhavige procedure waarbij verweerder besluiten heeft genomen waarbij aan eiser in het kader van de  Msw bestuurlijke boetes zijn opgelegd, is begrepen onder de werkingssfeer van artikel 6, eerste lid van het EVRM.

De rechtbank diende derhalve te beoordelen of de hiervoor bedoelde redelijke termijn is overschreden. Daarbij geldt, volgens de Rechtbank, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt, dat de redelijkheid van de termijn niet in abstracto kan worden bepaald maar steeds moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval, waarbij onder meer in aanmerking moet worden genomen de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van partijen en het belang dat in het geding is.

De redelijke termijn neemt een aanvang wanneer door RVO jegens de betreffende onderneming een handeling wordt verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft ontleend, en in redelijkheid ook de verwachting heeft kunnen ontlenen, dat haar wegens overtreding van de Msw een boete zal kunnen worden opgelegd. In dit geval heeft de veehouder aan het boetevoornemen van 11 maart 2009 de verwachting kunnen ontlenen dat aan hem een boete zou kunnen worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft voor de beslechting van een geschil als het onderhavige in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat die niet binnen een redelijke termijn is geschied, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Aangezien de redelijke termijn is aangevangen met genoemd boetevoornemen van 11 maart 2009 en de rechtbank met de uitspraak van op 3 november 2014 uitspraak deed, is de redelijke termijn met 43 maanden (vanaf 11 maart 2011 tot heden) overschreden.

RVO heeft erkend dat de besluitvorming in eisers geval lang heeft geduurd, maar ziet hierin geen grond voor matiging van de opgelegde bestuurlijke boetes. Verweerder stelt daartoe, dat de lange duur van de beslistermijn gedeeltelijk te wijten is aan de problematiek rond eisers brijvoerinstallatie. Door het voeren met deze installaties leggen varkens meer fosfaat in hun lichaam vast dan bij een droogvoerinstallatie. Het verkrijgen van duidelijkheid over die problematiek heeft de nodige tijd gekost. Voorts stelt verweerder met besluitvorming te hebben moeten wachten tot de forfaitaire fosfaatgebruiksnorm bij opfokzeugen was aangepast.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen die omstandigheden niet de langere behandeltermijn die in het onderhavige geval in acht is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de zaak als ingewikkeld is aan te merken of dat het processuele gedrag van partijen de langere beslistermijn nadelig heeft beïnvloedt.

De rechtbank ziet in de overschrijding van de behandeltermijn met een periode van 43 maanden aanleiding de boete voor de veehouder te verminderen. Daarbij overweegt de rechtbank dat in een geval als het onderhavige waarin sprake is van een overschrijding van meer dan twaalf maanden met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad over de mate van vermindering naar bevind van zaken wordt gehandeld (zie onder meer:  ECLI:NL:HR:2008:BD0191). De rechtbank acht, gelet op alle omstandigheden, een vermindering van de boete met 30 procent niet onredelijk.

Lees hier de volledige uitspraak

Fout(je) in berekening melkveefosfaatreferentie

Bedrijven met melkvee en/of bijgehorend jongvee kunnen sinds kort een voorlopige berekening van de melkveefosfaatreferentie inzien bij RVO. Nu blijkt dat een deel van het jongvee ouder dan 2 jaar ten onrechte als melkkoe is meegenomen. RVO geeft aan dat de berekeningen worden aangepast en dat de betreffende bedrijven, waarschijnlijk via mijn.rvo.nl, worden ingelicht.

Controle melkveereferentie

RVO heeft onlangs brieven gestuurd naar bedrijven die in 2013 melkkoeien en/of jongvee hebben gehad. In deze brief wordt erop gewezen dat de voorlopige berekeningen van de melkveefosfaatreferentie kunnen worden nagekeken. Eventuele afwijkingen kunnen worden gemeld.

Berekening melkveefosfaatreferentie

De berekening vindt plaats aan de hand van het aantal dieren in 2013 en uw P-plaatsingsruimte in dat jaar. De forfaitaire P-excretie van 2015 wordt gehanteerd bij de productie. Is de fosfaatproductie kleiner dan de fosfaatruimte, dan is de melkveefosfaatreferentie nul.

Om uw P-referentie in te zien of te wijzigen kunt u gebruik maken van de deze link. U komt dan rechtstreeks terecht bij uw P-referentie, aan de rechter zijde van de pagina ziet u onder het kopje direct regelen, bekijken en wijzigen fosfaatreferentie, staan. Wanneer u deze link aan klikt, verschijnt er een nieuw scherm waar u uw P-referentie in kan zien. Vervolgens kunt u uw P-referentie controleren.

  • Stap 1: controleer uw relatiegegevens
  • Stap 2: controleer uw fosfaat productie, melkproductie (geleverd aan fabriek), gemiddeld aantal stuks melk-  kalfkoeien en jongvee.
    Melkkoeien (categorie 100): (melkkoeien aanwezig op 1 april 2013 + gemiddeld aanwezig koeien in 2013 bekend bij I&R) /
    Jongvee 1 jaar en ouder (categorie 102): gemiddelde aantal jongvee boven een jaar wat in 2013 bij I en R bekend is  Er is nog onduidelijkheid over welk gedeelte van het jongvee meegenomen is bij “categorie 100” Deze informatie zullen wij aanvullen op deze site als RVO duidelijkheid heeft gegeven.
    Jongvee jonger dan 1 jaar (categorie 101): gemiddeld aantal jongvee onder een jaar wat in 2013 bij I en R bekend is
  • Stap 3: controleer uw plaatsing ruimte van fosfaat. Het areaal grond is overgenomen van de gecombineerde opgave 2013. Indien u Pal en Pw waarden heeft ingevuld zijn uw opgegeven percelen ingedeeld in de volgende klassen met bijbehorende gebruiksruimte.
Pal waarde (grasland Pw waarde (bouwland)
<27 Laag 100 <36 Laag 85
27-50 Neutraal 95 36-55 Neutraal 65
>50 Hoog 85 >55 Hoog 55
<16 arm/fixerend 120 <25 arm /fixerend 120

Aan de hand van de tabel kunt u uw fosfaat gebruiksruimte berekenen.

  •  Stap 4: indien uw referentie niet klopt kunt u de betreffende cijfers aanpassen en de nieuwe berekening opslaan. Vervolgens voegt u overzichten/ bewijsmateriaal toe om de aangepaste waarden te onderbouwen (zie hiervoor ook het vorige bericht over de melkveefosfaatreferentie).
  • Stap 5: insturen nieuwe referentie

Foutieve aantallen

Jongvee ouder dan 1 jaar (pinken, cat. 102) worden melkkoeien zodra de dieren hebben gekalfd. Bij de voorlopige berekening zijn, per abuis, de pinken al eerder als melkkoe aangemerkt (vanaf 2 jaar).  Dit heeft weer invloed op de gemiddelde melkproductie per koe en daarmee op de fosfaatexcretie. RVO heeft aangegeven dat de fout wordt hersteld en dat binnenkort de berekeningen worden aangepast op mijn.rvo.nl. De betrokken veehouders worden ingelicht over de fout en de correctie hiervan. RVO bekijkt nog op welke manier zij gaat doen, waarschijnlijk via mijn.rvo.nl.

Advies

Het advies van mestboete.nl is om de nieuwe voorlopige berekeningen van de melkveefosfaatreferentie nog even af te wachten. Indien de aangepaste berekeningen op dit punt of andere onderdelen begin januari nog niet correct zijn kan alsnog worden gereageerd.

Mestafvoer naar particulieren

Soms gaat het mis op de kleine dingen. Mestafvoer naar particulieren of particuliere organisaties is daar een bekend voorbeeld van: het kan, het mag, maar is ook aan regels gebonden. Vindt de afvoer niet plaats volgens die regels, dan kunnen de consequenties aanzienlijk zijn. In dit bericht worden de regels met betrekking tot de afvoer van mest naar particulieren samengevat.

Wat is een particulier?

In de eerste plaats moet worden nagegaan of een particulier ook een particulier is. Een particulier, in het kader van de Meststoffenwet, is iemand zonder landbouwbedrijf en zonder relatienummer bij RVO. Wie wel beschikt over een relatienummer wordt door RVO gezien als een landbouwbedrijf. Op dat moment gelden, met betrekking tot de mestafvoer en de gebruiksnormen, de regels en normen van de Meststoffenwet. Iemand met minder dan 3 ha is zich vaak niet bewust van het feit dat hij/zij misschien nog wel een registratienummer bij RVO heeft. Even checken dus.

20170524 tuinDe grond die een particulier in gebruik heeft valt onder de definitie ‘overige grond’. Als deze grond wordt gebruikt als grasland of bouwland dan mag – vanaf 1 januari 2015 – maximaal 80 kg fosfaat per ha worden toegediend. Deze norm geldt voor fosfaat in dierlijke meststoffen en compost. De norm voor stikstof in dierlijke mest bedraagt 170 kg per ha.

Is de ‘overige grond’ geen grasland of bouwland, maar bijvoorbeeld tuin,  dan geldt een norm van 20 kg fosfaat per ha. In dat geval geldt geen stikstofnorm.

Afvoer van mest naar particulieren.

Een veehouder mag jaarlijks, zonder wegen en bemonsteren en op basis van de forfaitaire gehalten, maximaal 250 kg fosfaat uit dierlijke mest naar particulieren afvoeren. Naar één particulier mag jaarlijks maximaal 20 kg fosfaat worden afgevoerd. Op het ‘Vervoersbewijs dierlijke meststoffen’ (VDM) moet dan de opmerkingscode 31 ‘Levering aan particulier (en andere eindgebruiker zonder relatienummer)’ worden ingevuld.

Indien een veehouder meer dan 20 kg fosfaat naar een particulier wil afvoeren, dan mag dit alleen door middel van wegen en bemonsteren. De particulier mag uiteraard niet meer aanvoeren dan volgens de bovenstaande normen is toegestaan.

Let op: Kennisgeving melkveefosfaatreferentie is onderweg!

Bedrijven met melkvee mogen vanaf 2015 alleen nog groeien als er voldoende grond bij het bedrijf in gebruik is om de extra mest aan te wenden. Of als het bedrijf de extra geproduceerde mest volledig laat verwerken. Een combinatie van grond en mestverwerking om de extra mest te verantwoorden is ook mogelijk.

Het kenmerk dat wordt gebruikt om te bepalen of een bedrijf is gegroeid wordt de melkveefosfaatreferentie genoemd. Dit cijfer is dus van groot belang voor de toekomst van een bedrijf. Binnenkort stuurt RVO aan elk melkveebedrijf een kennisgeving van de voor het bedrijf berekende melkveefosfaatreferentie.

De melkveefosfaatreferentie is de maat voor het door melkvee geproduceerde fosfaatoverschot in 2013 en wordt berekend als:

De melkveefosfaatreferentie  = de mestproductie (in kilogram fosfaat) van het in 2013 op het bedrijf gehouden melkvee – de fosfaatruimte op basis van de oppervlakte grond die in 2013 bij het bedrijf in gebruik was.

Is de mestproductie kleiner dan de fosfaatruimte, dan is de melkveefosfaatreferentie nul. Alleen actieve bedrijven die in 2013 melkvee hebben gehouden krijgen een melkveefosfaatreferentie

Binnenkort start RVO met de verzending van de beschikkingen met de definitieve melkveefosfaatreferentie 2013. Zijn de referentiegegevens 2013 die RVO heeft gebruikt niet juist? Dan staat daartegen de mogelijkheid van bezwaar open. Dit kan bijvoorbeeld door de RVO de juiste stukken toe te zenden via ‘Direct regelen’ op de site van RVO.

Het is belangrijk van alle wijzigingen een bewijsstuk mee te sturen. Voorzie bewijsstukken bovendien van een handtekening van andere betrokkenen of documenten van derden, bijvoorbeeld facturen, met bijbehorende bankafschriften.

Hieronder is per referentiegegeven aangegeven welke bewijsstukken u mee kunt sturen. Uit de bewijsstukken moet blijken wat het juiste referentiegegeven voor 2013 moet zijn.

  • Melkproductie: afschriften van de melkfabriek (melkleverantieoverzicht)
  • Diercategorie: veesaldokaarten
  • Dieraantallen: aan- en afvoerbewijzen, facturen, veesaldokaarten
  • Oppervlakte landbouwgrond en natuurterrein: eigendomsaktes, pachtcontracten, grondgebruiksverklaring, overeenkomsten met beheersregime waaruit het gebruik van de grond blijkt, overeenkomsten van grond met anderen waaruit de oppervlakte van het perceel en de periode van gebruik blijkt
  • Fosfaattoestand van de bodem (PAL- en Pw-waarde): analyseverslagen die geldig waren in 2013

Let op: Uitdraaien van het bedrijfsmanagementsysteem (BMS) gelden niet als bewijsstuk.

koe in wei

bij groei: extra grond  of volledige verwerking van de extra geproduceerde mest

Vond er in 2013 een bedrijfsoverdracht plaats of is het bedrijf in 2014 vóór 1 november 2014 overgenomen? Dan worden de gegevens van het overgenomen bedrijf genomen als uitgangspunt voor de berekening van de melkveefosfaatreferentie. Bedrijven die na 1 november 2014 zijn opgericht hebben een melkveefosfaatreferentie van nul.

De melkveefosfaatreferentie is bedrijfsgebonden en niet verhandelbaar. De melkveefosfaatreferentie kan alleen overgaan naar een andere landbouwer:

  • bij een overdracht van het bedrijf door erfopvolging,
  • of als er sprake is van bloed- of aanverwantschap in de eerste, tweede of derde graad

Bij elke andere vorm van overdracht van een bedrijf, of bedrijfsbeëindiging, vervalt de melkveefosfaatreferentie en wordt de melkveefosfaatreferentie nul.

Welke grond telt mee?

De meststoffenwet kent een verantwoordingsplicht voor de geproduceerde en aangevoerde meststoffen. Een deel van die verantwoordingsplicht kan worden ingevuld met de gebruiksnormen die kunnen worden ontleend aan de in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is (artikel 1 lid 1 onder m Msw). Meestal is het duidelijk welke grond dit betreft, maar soms ook niet. En soms denkt een medewerker van de NVWA anders over het antwoord op deze vraag dan u. Dan kan worden besloten deze niet mee te tellen. De gevolgen van het (achteraf) niet mee mogen tellen van deze grond kunnen enorm zijn. Het is dus belangrijk van tevoren duidelijk te hebben welke percelen wel en welke percelen niet voor gebruiksnormen in aanmerking komen.

foto01a

Om grond mee te mogen tellen voor de gebruiksnormen is de feitelijke beschikkingsmacht van belang.

Sinds 2006 (Kamerstukken II 2004/05, 29, 930, nr 3, blz 107 en verder) is bij de bepaling of grond meetelt bij het bedrijf niet zozeer de juridische titel maar eerder de feitelijke  beschikkingsmacht van belang. Het begrip ‘ feitelijke beschikkingsmacht’   veronderstelt wellicht de aanwezigheid van een geldige juridische titel, maar hecht meer waarde aan de beslissingsbevoegdheid over de teelt en de teeltmaatregelen (grondbewerkingen, bemesting, teeltkeuze, oogst, etc) op een perceel. Vooral bij gehuurde percelen (op afstand) leidt dit wel eens tot situaties waarin het bevoegde gezag twijfelt of sprake is van de ‘ feitelijke beschikkingsmacht’. Hieronder een tweetal voorbeelden:

Grond op afstand (ECLI:NL:CBB:2013:BZ1613)

In deze casus was de vraag of de in 2007 gehuurde percelen landbouwgrond in Friesland mochten worden  aangemerkt als tot het bedrijf (gelegen Gelderland) behorende oppervlakte landbouwgrond. De staatssecretaris meent van niet en heeft de betreffende grond niet betrokken in de “Berekening gebruik meststoffen 2007”. Na deze correctie op de oppervlakte landbouwgrond heeft de staatssecretaris geconstateerd dat de gebruiksnormen in 2007 zijn overschreden en meerdere bestuurlijke boetes opgelegd, voor een bedrag van in totaal € 173.413,50.

Het College voor Beroep van het Bedrijfsleven (hierna: het College) herzag deze boete.  Naar het oordeel van het College was genoegzaam komen vast te staan dat het bedrijf het exclusieve gebruiksrecht van de betreffende percelen had, dat zij dat recht met uitsluiting van ieder ander hebben uitgeoefend en dat zij derhalve ook de feitelijke beschikkingsmacht hadden. Daarbij werd in aanmerking genomen dat uit  het AID-rapport bij deze casus bleek dat het bedrijf beschikte over een gebruiksovereenkomst, een factuur betreffende  huur grasland, drie analyseverslagen en een factuur van Mest- & Kalkhandel G, waarop onder andere stond vermeld: ‘saldo gemaakte kosten en gewasopbrengsten voor u: 0,00 Euro’.

Voor zover de staatssecretaris betoogde dat het bedrijf niet het economisch risico van de teelt droeg zag hij er aan voorbij dat het bedrijf onbestreden heeft aangevoerd dat het, gelet op de kosten van transport en het prijsniveau van ruwvoer in het betreffende jaar, economisch de meest verantwoorde beslissing was om met Mest- en Kalkhandel G overeen te komen dat de gewasopbrengst zou worden verrekend met de door hem voor zijn werkzaamheden in rekening te brengen kosten.

 

Inscharen of grond in gebruik (ECLI:NL:CBB:2014:CA2239)

In deze casus waren partijen primair verdeeld of het bedrijf enkele in 2007 van een eigenaar gehuurde percelen landbouwgrond konden aanmerken als tot hun bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. De staatssecretaris meent van niet en heeft de betreffende percelen niet betrokken in zijn “Berekening gebruik meststoffen 2007”. Na deze correctie op de oppervlakte landbouwgrond heeft de staatssecretaris geconstateerd dat de gebruiksnormen in 2007 zijn overschreden en aan het bedrijf meerdere bestuurlijke boetes opgelegd voor een bedrag van in totaal € 145.646,50.

In haar beslissing verwees het College naar de verklaring van de eigenaar die tegenover de AID had aangegeven dat hij de dieren omweidde en controleerde, het gras maaide en het slootwerk betaalde. Ook regelde de eigenaar  het bemesten, zonder vergoeding of opdracht van het bedrijf. De eigenaar heeft tevens zonder overleg met het bedrijf besloten om één van de betreffende percelen niet met mais in te zaaien en heeft in dit verband voorts verklaard dat hij altijd zelf de regie over de betreffende percelen heeft gehad. Het bedrijf heeft verklaard dat hem pas in de zomer werd meegedeeld dat de inzaai van maïs niet was doorgegaan en dat hij er niet van op de hoogte was dat er mest op de percelen was uitgereden. Een en ander maakte dat het College tot de slotsom kwam dat het bedrijf  niet de feitelijke beschikkingsmacht over deze percelen heeft gehad. Het voorgaande leidde tot de conclusie dat de boete terecht was opgelegd.

 

Conclusie

In de twee voorbeelden hierboven is het wellicht vrij duidelijk of sprake is van ‘eigen grond’ of niet, maar in de praktijk kunnen veel tussenvormen voor komen. Moraal van het verhaal is echter altijd: het is van doorslaggevend belang dat door middel van  documenten, afspraken en de  feitelijke omstandigheden invulling wordt gegeven aan het begrip feitelijke beschikkingsmacht. Is dat niet of onvoldoende mogelijk, zoek dan naar een andere oplossing: wellicht minder praktisch, maar wel zo veilig.

twee ruilen, één huilen

Twee ruilen, één huilen, zo luidt een oud Nederlands gezegde. De betekenis ervan is dat bij ruilen één van de betrokken partijen uiteindelijk aan het kortste eind trekt. Zo zou het ook wel eens kunnen gaan met het zogenaamde ‘uitruilen van mest’ in het kader van de mestverwerkingsplicht. Ik zal kort proberen uit te leggen wat ik hier mee bedoel.

In 2014 werd het voor ieder veehouderijbedrijf met een fosfaatoverschot (een hogere hoeveelheid fosfaat in de geproduceerde mest dan kan worden geplaatst op de eigen grond) verplicht een deel van dit overschot te verwerken. Doel van de wetgever was om een deel van deze overschotmest uit de markt te nemen en daarmee de druk op de mestmarkt te verlagen. Hierdoor zou mest weer de waarde kunnen krijgen van hetgeen het eigenlijk is: een waardevolle organische meststof.

Onlangs verscheen onderstaand artikel in het vakblad ‘Boerderij’. Kort samengevat stelt het artikel dat de verwerkingsdoelstelling aanzienlijk zal worden verhoogd: van 28 miljoen kg fosfaat zoals oorspronkelijk was begroot naar 47 miljoen kg op basis van de meest recente inzichten. Hoe is dit nu mogelijk ? Waren de eerdere berekeningen dan zo ver bezijden de waarheid ? Neen, dat niet….het is het gevolg van (uit)ruilen.

artikel boerderij

Zoals gezegd geldt sinds 2014 een verplichting tot verwerking (volledige verwerking of export) van een deel van de fosfaat in de overschotmest op bedrijfsniveau. Voor bedrijven in het concentratiegebied zuid geldt een verplichting van 30% van de overschotmest, voor bedrijven in het overschotgebied oost: 15% en voor bedrijven in de rest van Nederland 5%. Voorzien was dat in 2015 deze percentages zouden stijgen naar respectievelijk: 50%, 30% en 10%. De totale verwerkte hoeveelheid fosfaat zou dan 28 miljoen kg fosfaat bedragen. Bedrijven moeten of hun verplichting zelf verwerken, of een overeenkomst aangaan met een ander bedrijf dat de verplichting van het bedrijf overneemt. Zo’n overeenkomst wordt een Vervangende Verwerkings Overeenkomst genoemd (VVO). In onderstaande Tabel die afkomstig is uit de in 2012 opgestelde ex-ante analyse van het mestbeleid is weergegeven hoeveel fosfaat in mest werd verwerkt in 2011 en zou moeten worden verwerkt volgens de eerder genoemde percentage in 2015. Wat blijkt ? De hoeveelheid fosfaat die in 2011 werd verwerkt (of geëxporteerd) is groter dan de doelstelling voor 2015. De oorzaak ligt in het feit dat er in 2011 al zoveel pluimveemest werd verwerkt (of geëxporteerd) dat daarmee bijna volledig in de verwerkingsplicht zou kunnen worden voorzien. Dus als andere bedrijven via een VVO overeenkomst hun verwerkingsplicht over zouden dragen aan de pluimveebedrijven zou er geen additionele mestverwerkingscapaciteit nodig zijn. Terwijl dit juist wel de bedoeling was: een deel van de overschotmest uit de markt nemen en daarmee de druk op de mestmarkt verminderen.

 

Overzicht van de hoeveelheid verwerkte en geëxporteerde fosfaat in 2011 en de hoeveelheid te verwerken mest op basis van de prognose van de voorlopige verwerkingspercentages voor 2015 per diertak en als totaal voor Nederland (Groenendijk et al. 2012, Luessink et al (2012)). Alle cijfers in miljoen kg fosfaat.

diertak verwerkt in 2011 2015 volgens voorlopige %
TOTAAL 28 27
pluimvee 27 8,7
varkens 7 14,6
rundvee 3,0 3,7
overigen 0,0 1,7

 

Logisch dan ook dat dit in het beleid werd opgelost door een zogenaamd ‘schot’ te introduceren voor VVO’s tussen pluimveebedrijven en niet-pluimveebedrijven. Dus niet-pluimveebedrijven mochten hun verwerkingsplicht niet overdragen aan pluimveebedrijven. Hierop is één uitzondering: via intermediairs of verwerkers die zowel niet-pluimveemest als pluimveemest op hun naam hebben en verwerken (of exporteren) kan dit wel. Dit wordt uitruilen genoemd. Vervolgens werden het afgelopen jaar de grenzen van dit uitruilen opgezocht. Met als uiteindelijk resultaat dat het schot dat de overheid zo bewust had aangebracht, feitelijk werd teniet werd gedaan door de route via intermediairs. Het mag, het kan, maar het gaat wel ten koste van het uiteindelijke doel: fosfaat uit de Nederlands mestmarkt halen. Niet verwonderlijk dan ook dat de overheid nu reageert door de verwerkingsdoelstelling aanzienlijk te verhogen en eigenlijk aan te passen op een situatie zonder schot tussen pluimveemest en niet-pluimveemest.

Wie het artikel uit ‘Boerderij’ combineert met de cijfers in de Tabel hierboven combineert kan het ook zien: In het artikel wordt gesproken over een nieuw niveau van mestverwerking van 47 miljoen kg fosfaat. Met een beetje fantasie kun je de opbouw van dat cijfer uit de tabel halen: de verwerking (plus export) die in 2011 al plaatsvond bedroeg 37 miljoen kg fosfaat. Daarbij moet worden opgeteld de extra benodigde verwerking voor de niet-pluimvee sectoren bij een volledig ‘schot’: voor varkens (14,6 – 7 =) 7,6 miljoen kg fosfaat, voor rundvee (3,7 – 3,0 =) 0,7 miljoen kg fosfaat en 1,7 miljoen kg fosfaat voor de overige sectoren: samen 47 miljoen kg fosfaat.

De vraag is nog hoe dit zal worden ingevuld. De regelgeving telt hiertoe twee mogelijkheden: het generiek verhogen van de verwerkingspercentages voor alle bedrijven of het specifiek verhogen van de verwerkingspercentages voor pluimveebedrijven, waardoor de mogelijkheid tot uitruilen wordt beperkt of tot nul wordt gereduceerd. Volgende week vind nader overleg plaats tussen overheid en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en kort daarna zal een en ander waarschijnlijk duidelijker worden. Dan zal ook duidelijk worden of het gezegde omtrent ruilen ook dit keer opgaat en zo ja, voor wie.

Anti-fraudemaatregelen mestafvoer

Het bestrijden van fraude bij de afvoer van mest is een speerpunt in het beleid van Staatsecretaris Dijksma. Daarbij richt het beleid zich specifiek op de afvoer van vaste mest. De afvoer van vaste mest is immers gekoppeld aan de verplichting tot mestverwerking. Daarnaast doet de meeste fraude zich ook voor bij de afvoer van  vaste mest. Dit heeft een tweetal redenen: de gehaltes van vaste mest zijn hoger en daarmee is het effect groter en de bemonstering is minder stringent gereguleerd dan bij dunne mest, wat de mogelijkheden voor fraude vergroot.

Al eerder, (Kamerstukken 33037 nr. 85) informeerde de Staatsecretaris de Tweede Kamer over de aanpak die zij voorstaat bij de bestrijding van dergelijke fraude. Per brief van 20 november 2014 informeerde ze diezelfde kamer over de voortgang van het een en ander. Een tweetal punten stel ik hier aan de orde: de introductie van de onafhankelijke monsternemer en de partijbemonstering.

Onafhankelijke monsterneming
De Staatsecretaris stelt dat in de toekomst de monstername van de mest dient te gebeuren door een onafhankelijke monsternemer die, in plaats van de vervoerder, het mestmonster neemt. De onafhankelijke monsternemer zal een persoon zijn die werkt voor een geaccrediteerde organisatie (denk aan een laboratiorium). De huidige mestregelgeving kent al accreditaties. Nu al mogen mestmonsters alleen worden geanalyseerd door geaccrediteerde organisaties. Deze werkwijze wordt verbreed naar de monsterneming. Accreditatie is in Europese wetgeving het hoogste niveau van kwaliteitsborging en wordt buiten concurrentie en zonder winstoogmerk bedreven. De kosten van de Raad voor Accreditatie (RvA) worden gedekt door de marktpartijen die geaccrediteerd zijn. De normen worden opgesteld door de overheid.

Naast geaccrediteerd, moeten monsternemende organisaties door de Staatsecretaris worden erkend. De erkenningscriteria moeten nog worden opgesteld. Aanvullend op accreditatie biedt erkenning een instrument om bestuursrechtelijk in te grijpen bij constateren van fraude. Om marktwerking te bevorderen is ervoor gekozen om niet alleen laboratoria maar ook andere monsternemende organisaties in aanmerking te laten komen voor accreditatie door de RvA plus erkenning door de overheid.

Partijbemonstering
Om naast de objectiviteit van de monsterneming ook de representativiteit van een monster te verbeteren, wordt in de nieuwe systematiek partijbemonstering mogelijk. Omdat een partij beter toegankelijk is voor een monsternemer en de bemonsterwijze beschreven is, heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) geoordeeld dat uit een partij een representatiever monster genomen wordt dan met de huidige werkwijze.

Om zeker te zijn dat de afgevoerde mest daadwerkelijk afkomstig is van de bemonsterde partij is borging nodig. Dit is bijvoorbeeld het geval als er op een bedrijfslocatie één partij vaste mest aanwezig is, die binnen afzienbare tijd afgevoerd wordt. Op een bedrijfslocatie met meerdere partijen vaste mest zal de ondernemer aan de overheid moeten aantonen dat hij de tracering geborgd heeft. Als hij dat niet kan, zal hij iedere afzonderlijke vracht moeten laten bemonsteren door de onafhankelijke persoon.

Om praktische redenen wordt deze systeemwijziging gefaseerd ingevoerd, te beginnen met dikke fractie. Daarna wordt de nieuwe werkwijze ook voor andere mestsoorten toegepast. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als private systemen voldoende waarborg bieden. Het streven is om deze maatregel rond de zomer 2015 gereed te hebben voor introductie.

Schuldig totdat het tegendeel bewezen is

Bij het opleggen van een bestuurlijke boete in verband met het niet naleven van de verantwoordingsplicht voor fosfaat en stikstof die geldt binnen de Meststoffenwet (oftewel het overschrijden van de gebruiksnormen) is sprake van het opleggen van een zogenaamde punitieve sanctie (doel van de sanctie is straffen).

zulke brieven zijn nooit leuk

Zulke brieven zijn nooit leuk.

Bij het opleggen een dergelijke sanctie ligt het in beginsel op de weg van het bevoegde gezag om, op basis van concrete feiten en omstandigheden, aan te tonen dat – en in welke mate – een vermeende overtreder de gebruiksnormen heeft overschreden. Deze zogenaamde onschuld presumptie vind je ook terug bij andere punitieve sancties. Denk bijvoorbeeld aan een snelheidsovertreding: Het bevoegde gezag toont met een meting, voorzien van een correctie in verband met de meetonnauwkeurigheid, aan dat de snelheid van een voertuig op een gegeven wegtraject hoger was dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid.

Binnen de Meststoffenwet werkt het echter allemaal net even anders. In artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet wordt op de vermeende overtreder de verantwoordingsplicht gelegd en is onschuld presumptie niet van toepassing. Het is aan de vermeende overtreder om de hoeveelheid fosfaat, respectievelijk stikstof in de aangevoerde, geproduceerde en afgevoerde mest te verantwoorden. Hiermee heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen dat niet het bewijs van het bevoegde gezag, maar de verantwoording van de aangifteplichtige bepalend is voor de op te leggen sanctie. Daarbij moet de aangifteplichtige steeds aan kunnen tonen dat de mest die is geproduceerd of is aangevoerd en niet meer in opslag zit, is afgevoerd, alsmede naar wie deze is afgevoerd.

Dit neemt niet weg dat de wetgever, indien hij ter zake een bestuurlijke boete op wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden dient aan te tonen dat een vermeende overtreder de verantwoordingsplicht inderdaad niet heeft nageleefd. Maar belangrijk is wel dat de verantwoordingsplicht bij degene rust op wiens bedrijf de mest is geproduceerd of aangevoerd: Schuldig totdat het tegendeel bewezen is, dus.

Het stikstofgat: gerichte correctie of willekeurig plakwerk ?

Een veel voorkomend probleem bij de uitwerking van de gebruiksnormenberekening op veehouderijbedrijven die veel mest afvoeren is de situatie waarin geen overschrijding plaatsvindt van de fosfaatgebruiksnorm, maar wel van de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest. Dit terwijl er (meer) dan voldoende mest wordt afgevoerd. Een probleem dat (waarschijnlijk en vooral) wordt veroorzaakt doordat de vaste norm voor de vervluchtiging van stikstof te laag is vastgesteld ten opzichte van de verliezen die plaatsvinden op het bedrijf in kwestie. Hoewel al jaren wordt gesproken over aanpassing of het meer flexibel maken van deze norm is dit tot op heden nog niet gebeurd.

stikstofgat

Het stikstofgat: nog steeds een onverklaard fenomeen.

Wel wordt het probleem onderkend en er wordt zelfs voor gecorrigeerd. Op grond van een toezegging van de toenmalige minister Veerman in 2006 hanteert de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) een correctie voor dit zogenaamde stikstofgat. Deze correctie houdt in dat er van wordt uitgegaan dat de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de geanalyseerde mestafvoer, mag worden gebruikt voor de berekening van een correctie van de hoeveelheid stikstof in de geproduceerde mest. Deze correctie wordt dan in mindering gebracht op de berekende stikstofproductie door de dieren.

Een voorbeeld
De varkens op bedrijf X produceren in een gegeven kalenderjaar 1000 kg fosfaat en 2000 kg stikstof. Op de grond die bij het bedrijf hoort kon per hectare 55 kg fosfaat en 170 kg N worden geplaatst. De resterende mest wordt afgevoerd. Na analyse blijkt in deze afgevoerde mest  950 kg fosfaat en 1500 kg stikstof in te zitten. De voorraden blijven gelijk. Uit de verantwoordingsplicht van de dierlike mest blijkt dat er 1005 kg fosfaat is verantwoord en 1670 kg stikstof. Er resteert dus een hoeveelheid van 330 kg stikstof die niet is verantwoord. Goed voor een boete van ruim 2.000 Euro.

De verhouding tussen stikstof en fosfaat in de afgevoerde mest bedraagt: 1.500/950 = 1,58. Wanneer deze verhouding op de fosfaatproductie wordt gelegd betekent dit: 1,58 * 1000 =. 1580 kg stikstof. De correctie voor het ‘ stikstofgat’ bedraagt daarmee: 2.000 – 1.580 kg = 420 kg. Deze correctie wordt in mindering gebracht op de mestproductie door de dieren. De berekening wordt dan als volgt.

De varkens op bedrijf X produceren 1.000 kg fosfaat en (2.000-420) 1.580 kg stikstof. Op de grond die bij het bedrijf hoort kan  55 kg fosfaat en 170 kg N worden geplaatst. De resterende mest wordt afgevoerd. Na analyse blijkt er 950 kg fosfaat en 1500 kg stikstof in de afgevoerde mest te zitten. De voorraden blijven gelijk. In totaal is hiermee 1005 kg fosfaat is verantwoord en 1670 kg stikstof. Hiermee is volledig aan de verantwoordingsplicht voldaan.

Toch geen volledige oplossing
Een mooie oplossing. Toch kleven er een aantal nadelen aan:

  • De correctie voor het stikstofgat is niet opgenomen in de Meststoffenwet en kan daarom niet worden gezien als een ‘recht’ en het wordt niet in elke situatie zonder meer of op deze wijze toegepast. Denk in dit kader bijvoorbeeld aan bedrijven die mestscheiding hebben toegepast waardoor de stikstof : fosfaat verhouding in de afgevoerde mest sterk afwijkt van de oorspronkelijk geproduceerde mest.
  • De correctie is alleen van toepassing op bedrijven met staldieren en niet voor mest afkomstig van graasdieren.
  • Bij bedrijven met veel grond is de mestafvoer beperkt en lastiger om aan te tonen dat de afgevoerde mest representatief is voor de gemiddelde mest op het bedrijf. Of denk in dit kader aan bedrijven die een deel van de mest op basis van forfaitaire normen afvoeren.

In bovenstaande omstandigheden kan het lastig zijn om het gelijk aan uw zijde te krijgen terwijl u wel in uw recht staat. Lastig, maar niet onmogelijk wanneer u uw rechten en de mogelijkheden hierin kent.