Een Pyrrhus-overwinning

Een Pyrrhus-overwinning is een overwinning die dezelfde uitwerking heeft als een nederlaag. Anders gezegd betekent het dat wat een overwinning lijkt, eigenlijk een verlies is; een “valse” overwinning. De uitdrukking is ontleend aan de veldslagen die Pyrrhus  leverde tegen de Romeinen.

Ook in procedures in het kader van de Meststoffenwet is soms sprake van een Pyrrhus-overwinning, zoals onderstaand voorbeeld duidelijk maakt.

Het voorbeeld betreft een varkensbedrijf  dat van RVO een voornemen tot het opleggen van een  boete ontving, vanwege het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht voor stikstof in dierlijke mest. Naar aanleiding van de tegen dit voornemen ingediende zienswijze paste RVO een correctie toe op basis van de rekenregels van het zogenaamde stikstofgat.  Hierdoor werd de niet verantwoorde hoeveelheid stikstof weliswaar kleiner, maar resteerde nog een bepaalde hoeveeheid niet verantwoorde stikstof. De boete werd hierdoor weliswaar gematigd, maar werd deels gehandhaafd en ook daadwerkelijk opgelegd.

Tegen deze boete werd beroep aangetekend. In het beroepschrift werd aangegeven dat RVO bij het berekenen van de productie van dierlijke meststoffen op het bedrijf ten onrechte had gerekend met een norm voor het stikstofverlies (een correctie voor onvermijdelijke verliezen van stikstof) die geldt voor dieren gehuisvest in een emissie-arme stal. In plaats daarvan had gebruik moeten worden gemaakt van de norm die geldt voor dieren gehuisvest in een traditionele stal. Deze norm is hoger en toepassing van ervan zou  de resterende hoeveelheid niet-verantwoorde hoeveelheid stikstof ruimschoots compenseren.

In zijn vonnis stelt de rechter het bedrijf op dit punt in het gelijk. De rechtbank onderkende echter terecht dat hierdoor de correctie voor het stikstofgat zoals die naar aanleiding van de zienswijze was toegekend ook zou moeten worden aangepast. De correctie voor het stikstofgat werd daarop verlaagd met exact evenveel kilogrammen stikstof als de correctie voor het stikstofverlies door dieren toenam. Het netto resultaat was daarmee nul en de boete bleef even hoog. Dit leidde tot de volgende uitspraak:

De rechtbank:

– Verklaart het beroep gegrond;
– Vernietigt het bestreden besluit van RVO
– Laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand;

De varkenshouder krijgt daarmee het gelijk van de rechter, maar de boete blijft gelijk. Een Pyrrhus-overwinning dus. Voorbeelden als deze geven aan dat wat gold voor de veldslagen van Pyrrhus, ook voor procedures in het kader van de Meststoffenwet van toespassing is: met een eenduidige strategie en een goed doordachte tactiek kunnen verassingen worden voorkomen.

Geen groei, toch extra mest verwerken door de Melkveewet

Er is de afgelopen periode al het nodige gezegd en geschreven over de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (de Melkveewet). Hoewel een aantal kernelementen van de Wet nog nader zullen worden uitgewerkt in een AMvB die pas later dit jaar bekend wordt en RVO hier en daar nog een foutje uit de berekeningen van de melkveefosfaatreferentie moet halen, is de kern van de Wet duidelijk: een melkveehouder die in de toekomst zijn bedrijf uit wil breiden moet deze uitbreiding compenseren door meer grond in zijn bedrijf te brengen of de extra geproduceerde mest volledig te verwerken. Het referentiepunt daarvoor is de zogenaamde melkveefosfaatreferentie. Is het overschot op het bedrijf groter dan deze  melkveefosfaatreferentie, dan moet de overschrijding van de melkveefosfaatreferentie volledig worden verwerkt of worden geborgd door extra grond.

Melkveehouders kunnen echter ook zonder dat hun melkveestapel groeit, te maken krijgen met een extra hoeveelheid te verwerken mest. Dat komt door de lagere gebruiksnormen in 2015 ten opzichte van die in het referentiejaar 2013.  In 2015 zijn, voor vrijwel alle grondsoorten,  de fosfaatgebruiksnormen aangescherpt  en dat betekent minder plaatsingsruimte en dus – bij een gelijke fosfaatproductie door de dieren –  een hoger fosfaatoverschot.

Een voorbeeld: Een melkveebedrijf had in 2013 gemiddeld 100 melkkoeien (melkproductie: 8.800 kg), 40 stuks jongvee onder het 1 jaar en 40 stuks jongvee boven 1 jaar. Dit betekent een fosfaatproductie van 5530 kg fosfaat. Met 40 hectare grasland en 10 hectare mais (alles fosfaattoestand neutraal) had het bedrijf in 2013 een plaatsingsruimte van 4.450 kg fosfaat. Dit betekent dat het bedrijf een fosfaatreferentie van 1080 kg krijgt toegekend. Wanneer de dieraantallen en de melkproductie per koe in 2015 gelijk blijven, blijft ook de fosfaatproductie gelijk blijft aan de 5530 kg fosfaat. Toch zal toch sprake zijn van een hoger overschot voor fosfaat. De plaatsingsruimte daalt immers, door de lagere gebruiksnormen, tot 4.200 kg. Hierdoor ontstaat een verplicht te verwerken melkveefosfaatoverschot van 250 kilo fosfaat.

Een mogelijke optie om dit te voorkomen is om via de BEX, de fosfaatproductie van het bedrijf te verlagen. Wanneer het bedrijf in het voorbeeld er in slaagt via de BEX systematiek de fosfaatproductie met 4,6% te verlagen ten opzichte van de forfaitaire norm past de fosfaatproductie weer binnen de fosfaatreferentie.

Wilt u de gevolgen van de melkveefosfaatreferentie in 2015 voor uw bedrijf doorrekenen dan is het  rekenmodel dat het vakblad Boerderij hiervoor ontwikkelde wellicht een aardig instrument. Klik HIER om naar het rekenmodel te gaan.

Inzendtermijn voor mestgegevens bij RVO verlengd tot en met 13 februari 2015

RVO

inloggen op de site van RVO was niet altijd mogelijk: vandaar uitstel van de termijn van indienen

Door netwerkproblemen op mijn.rvo.nl is was het niet altijd mogelijk  om de door RVO gevraagde gegevens in het kader van de Meststoffenwet door te geven. Daarom is de termijn voor het doorgeven van de betreffende gegevens verlengd tot en met vrijdag 13 februari 2015

Het gaat daarbij om:

  • de aanmelding derogatie 2015
  • de aanvullende gegevens 2014
  • een reactie op de referentiegegevens 2013 voor de melkveefosfaatreferentie
  • de voergegevens 2014.

(bron: mijn.rvo.nl)

Per 1 april 2015 AGR/GPS op vrachtauto verplicht bij vervoer vaste mest

 

Bij het aan- en afvoeren van meststoffen dient volgens de Meststoffenwet van elke vracht het stikstofgehalte en fosfaatgehalte te worden bepaald. Deze bepaling vindt plaats door weging, bemonstering en analyse  van de betreffende vracht door de vervoerder. De uitkomst van de bemonstering is voor de aan- en afvoerende partij van belang voor zijn/haar verantwoordingsplicht in het kader van de gebruiksnormen. In het verleden is al veel gezegd over de autonome of bewust gecreëerde onnauwkeurigheid van deze bepaling (het verschil tussen hetgeen op papier en wat in werkelijkheid wordt aan- of afgevoerd).

Hierbij ging het recentelijk vooral over de gehalten bij de afvoer van vaste mest na mestscheiding. Met de komst van de verwerkingplicht werd deze stroom nog belangrijker (niet alleen afvoer van het bedrijf, maar ook het voldoen aan de mestverwerkingsplicht) en nam de druk op de gehalten toe. Bovendien was het monsterprotocol voor deze meststroom nauwelijks uitgewerkt. Dit alles bij elkaar zou de fraudedruk opvoeren tot een onacceptabel niveau. Hierop heeft de overheid gereageerd door  vervoerders van deze meststoffen verplicht te stellen een systeem van automatische gegevensregistratie en Global Positioning Systeem (AGR/GPS-apparatuur) te hanteren bij het laden en lossen van de mest.

Tot op heden hanteren vervoerders bij de bemonstering van vrachten met vaste mest zogenaamde  ‘losse koffers’ met daarin de AGR/GPS-apparatuur (zie foto). Volgens de staatssecretaris waarborgen deze ‘losse koffers’ echter onvoldoende dat het fysieke mesttransport overeenkomt met de opgegeven hoeveelheid vaste mest en de gehaltes op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM). Het zou te gemakkelijk zijn gegevens te manipuleren en daarmee zou de toepassing van dit soort ‘losse koffers’ een mogelijke bron van fraude zijn.

Met ingang van 1 april 2015 is ter voorkoming hiervan, bij het vervoer van vaste mest, een onlosmakelijke verbinding verplicht van de AGR/GPS-apparatuur gemonteerd op het chassis van het transportmiddel, waarmee de mest wordt vervoerd. Hiermee wordt voor het vervoer van vaste mest aangesloten bij de verplichting die al geldt bij het vervoer van drijfmest. De sector krijgt gedurende een overgangsperiode, tot 1 januari 2016 de gelegenheid om de transportmiddelen uit te rusten met de gekoppelde AGR/GPS-apparatuur.

Een tweede maatregel is dat de monstername van vaste mest in de toekomst alleen nog worden uitgevoerd door geaccrediteerde, onafhankelijke laboratoria of monsternemende organisaties.  Hierover zijn weliswaar een aantal besluiten genomen, maar de exacte datum waarop dit wordt ingevoerd is nog niet bekend.  Wat al wel bekend is, is dat:

  • de onafhankelijke monsternemer zal een persoon zijn die werkt voor een geaccrediteerde organisatie
  • de monsternemende organisatie wordt door de overheid erkend
  • om marktwerking te bevorderen is er voor gekozen om niet alleen laboratoria maar ook andere monsternemende organisaties in aanmerking te laten komen voor accreditatie en erkenning.

Om praktische redenen wordt de onafhankelijke monsterneming gefaseerd ingevoerd, te beginnen met dikke fractie. Afhankelijk van de ervaringen en resultaten in dat traject, wordt de nieuwe werkwijze ook naar andere mestsoorten uitgerold. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als private systemen voldoende waarborg bieden. Het streven is om de maatregel voor de onafhankelijke monstername rond de zomer 2015 gereed te hebben voor introductie.

Aanmelden derogatie voor 1 februari 2015

grasland

de bekendste voorwaarde voor derogatie is ongetwijfeld de eis van tenminste 80% grasland in het areaal

Wie in 2015 gebruik wil maken van derogatie kan zich tot en met 31 januari 2015 hiervoor aanmelden. Dit kan via de pagina Derogatie op de site van RVO. Het tijdig aanmelden is slechts één van de voorwaarden waaraan u moet voldoen om voor derogatie in aanmerking te komen. Hieronder een overzichtje met de eisen die gelden voor deelname aan derogatie:

  • U meldt zich voor 1 februari aan.
  • U doet voor 1 februari opgave Aanvullende gegevens (over 2014).
  • U betaalt het verschuldigde bedrag via een automatische incasso.
  • Van de totale oppervlakte landbouwgrond die u op 15 mei bij uw bedrijf in gebruik heeft bestaat minimaal 80 % uit grasland. Met grasland wordt bedoeld  gras dat wordt geteeld voor diervoeder. De percelen heeft u van 15 mei tot en met 15 september onafgebroken als grasland in gebruik. Als u grasland vernieuwt, mag u die percelen ook meetellen. Gras voor graszaad of graszoden, siergrassen en gras als vanggewas telt niet mee als grasland.
  • U zorgt ervoor dat uw landbouwgrond is bemonsterd en geanalyseerd op de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverend vermogen (zie ook dit bericht).
  • U stelt voor 1 februari een bemestingsplan op. In de Toelichting bij Bemestingsplan leest u hoe u dit doet. Een wijziging moet u binnen zeven dagen in het bemestingsplan opnemen. Het bemestingsplan bewaart u vijf jaar op uw bedrijf.
  • U gebruikt op uw bedrijf geen fosfaat uit kunstmest.
  • U mag voor percelen landbouwgrond die bestaan uit klei of veen rekenen met de norm van 250 kg stikstof uit graasdierenmest. Voor percelen die bestaan uit zand en löss en die liggen in de provincie Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg geldt de norm van 230 kg. Voor percelen zand en löss in de rest van Nederland geldt de norm van 250 kg.
  • U stelt op verzoek gegevens beschikbaar voor monitoringsonderzoek en u werkt mee aan metingen van het grond- en oppervlaktewater.
  • U zorgt ervoor dat u de administratieve verplichtingen van de mestwetgeving nakomt.
  • U houdt zich aan de regels van de mestwetgeving zoals de gebruiksnormen, uitrijdregels, gebruik (bijvoorbeeld een vanggewas na maïs op zand- en lössgrond en de voorwaarden voor het mogen vernietigen van de graszode) en aan- en afvoer van meststoffen.

De gebruiksnorm van 250 of 230 kg stikstof bij derogatie geldt alleen voor mest van graasdieren. Graasdieren zijn runderen (behalve witvleeskalveren), schapen, geiten, paarden, ezels, Midden-Europese edelherten, damherten en waterbuffels. Het maakt niet uit of de mest op het eigen bedrijf is geproduceerd of is aangevoerd.

Als u ook mest van staldieren gebruikt, berekent u eerst hoeveel hectare u nodig heeft om de graasdierenmest toe te delen. Voor die hectares geldt de norm van 250 of 230 kg stikstof per hectare per jaar. Voor de overige hectares geldt de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar. U berekent uw gebruiksruimte op bedrijfsniveau en u mag de mest naar eigen inzicht verdelen.

Hoe oud mag een derogatiemonster zijn ?

Wie voor derogatie in aanmerking wil komen moet een bemestingsplan opstellen. Onderdeel van dit plan zijn grondmonsters: de zogenaamde derogatiemonsters. Die monsters mogen een bepaalde leeftijd hebben. Hoe oud mag een derogatiemonster zijn, is dan ook een vraag die, zo lijkt het wel, jaarlijks terugkomt. Vier jaar is dan het standaard antwoord. Vervolgvraag is dan: Wanneer is een derogatiemonster 4 jaar oud ? Dat is al weer een wat lastigere vraag. Ook voor RVO en NVWA. In principe zijn er twee antwoorden: vier jaar na de monsterdatum of vier jaar na de analysedatum. Een klein verschil, met mogelijk grote gevolgen.

Op dit moment stelt het bevoegde gezag dat voor derogatiemonsters de monsterdatum bepalend is voor de leeftijd van het monster. Ik zeg bewust ‘op dit moment’ want wie de onderliggende regelingen leest of op de RVO-site kijkt, komt wellicht tot een andere conclusie. Zo treft u in de toelichting bij de Uitvoeringsregeling meststoffenwet (artikel 27a lid 1)  de volgende omschrijving aan:

‘Deze waarden dienen door het laboratorium te worden vastgelegd in een analyserapport. Deze analyserapporten moeten actueel zijn en mogen daarom op 1 februari van het desbetreffende jaar niet ouder zijn dan vier jaar.’

Dit zou betekenen dat de analysedatum bepalend is. Ook op de RVO-site staat op het moment van dit schrijven een soortgelijke uitleg.

Duidelijk dus ! Dus niet: In de praktijk gaat, zoals al eerder gesteld, de NVWA namelijk uit van de monsterdatum. Inmiddels heeft RVO laten weten dat ook zij uitgaat van de monsterdatum en dat de tekst op de website zal worden aangepast.  Of dit juridisch ook stand zal houden kan op dit moment nog niet met zekerheid worden gezegd. Dit lijkt op zijn minst, gezien de tekst van de Uitvoeringsregeling, twijfelachtig. Echter onder het motto voorkomen is beter dan genezen is het advies om voor 1 februari aanstaande, alle grondmonsters met een monsterdatum van vóór 1 februari 2011 te vervangen door nieuwe grondmonsters. Het kan nog net.

Het begrip ‘redelijke beslistermijn’

Op 3 november 2014 deed de Rechtbank Overijssel uitspraak in het beroep dat door een veehouder was ingesteld naar aanleiding van een door RVO aan deze veehouder opgelegde boete voor het overschrijden van de gebruiksnormen in de Meststoffenwet (hierna: Msw). Interessant aan deze casus is dat de Rechtbank in haar uitspraak ingaat op het begrip redelijke beslistermijn.

Bij besluit van 22 juli 2009 (het primaire besluit) heeft RVO aan de veehouder,  voor het jaar 2007 een bestuurlijke opgelegd voor een bedrag van € 45.000,- wegens het overschrijden van de gebruiksnormen in de Meststoffenwet.  Bij besluit van 21 november 2013 (het bestreden besluit) heeft RVO  het boetebedrag bijgesteld naar € 20.403,50. De veehouder heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De veehouder stelde zich in zijn beroepschrift onder andere op het standpunt dat RVO met het bestreden besluit, door ruim 4,5 jaar na zijn voornemen om veehouder bestuurlijke boetes op te leggen (van 11 maart 2009) te beslissen, in strijd is gekomen met de redelijke beslistermijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Artikel 6, eerste lid, van het EVRM brengt mee dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

De onderhavige procedure waarbij verweerder besluiten heeft genomen waarbij aan eiser in het kader van de  Msw bestuurlijke boetes zijn opgelegd, is begrepen onder de werkingssfeer van artikel 6, eerste lid van het EVRM.

De rechtbank diende derhalve te beoordelen of de hiervoor bedoelde redelijke termijn is overschreden. Daarbij geldt, volgens de Rechtbank, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt, dat de redelijkheid van de termijn niet in abstracto kan worden bepaald maar steeds moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval, waarbij onder meer in aanmerking moet worden genomen de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van partijen en het belang dat in het geding is.

De redelijke termijn neemt een aanvang wanneer door RVO jegens de betreffende onderneming een handeling wordt verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft ontleend, en in redelijkheid ook de verwachting heeft kunnen ontlenen, dat haar wegens overtreding van de Msw een boete zal kunnen worden opgelegd. In dit geval heeft de veehouder aan het boetevoornemen van 11 maart 2009 de verwachting kunnen ontlenen dat aan hem een boete zou kunnen worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft voor de beslechting van een geschil als het onderhavige in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat die niet binnen een redelijke termijn is geschied, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Aangezien de redelijke termijn is aangevangen met genoemd boetevoornemen van 11 maart 2009 en de rechtbank met de uitspraak van op 3 november 2014 uitspraak deed, is de redelijke termijn met 43 maanden (vanaf 11 maart 2011 tot heden) overschreden.

RVO heeft erkend dat de besluitvorming in eisers geval lang heeft geduurd, maar ziet hierin geen grond voor matiging van de opgelegde bestuurlijke boetes. Verweerder stelt daartoe, dat de lange duur van de beslistermijn gedeeltelijk te wijten is aan de problematiek rond eisers brijvoerinstallatie. Door het voeren met deze installaties leggen varkens meer fosfaat in hun lichaam vast dan bij een droogvoerinstallatie. Het verkrijgen van duidelijkheid over die problematiek heeft de nodige tijd gekost. Voorts stelt verweerder met besluitvorming te hebben moeten wachten tot de forfaitaire fosfaatgebruiksnorm bij opfokzeugen was aangepast.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen die omstandigheden niet de langere behandeltermijn die in het onderhavige geval in acht is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de zaak als ingewikkeld is aan te merken of dat het processuele gedrag van partijen de langere beslistermijn nadelig heeft beïnvloedt.

De rechtbank ziet in de overschrijding van de behandeltermijn met een periode van 43 maanden aanleiding de boete voor de veehouder te verminderen. Daarbij overweegt de rechtbank dat in een geval als het onderhavige waarin sprake is van een overschrijding van meer dan twaalf maanden met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad over de mate van vermindering naar bevind van zaken wordt gehandeld (zie onder meer:  ECLI:NL:HR:2008:BD0191). De rechtbank acht, gelet op alle omstandigheden, een vermindering van de boete met 30 procent niet onredelijk.

Lees hier de volledige uitspraak

Fout(je) in berekening melkveefosfaatreferentie

Bedrijven met melkvee en/of bijgehorend jongvee kunnen sinds kort een voorlopige berekening van de melkveefosfaatreferentie inzien bij RVO. Nu blijkt dat een deel van het jongvee ouder dan 2 jaar ten onrechte als melkkoe is meegenomen. RVO geeft aan dat de berekeningen worden aangepast en dat de betreffende bedrijven, waarschijnlijk via mijn.rvo.nl, worden ingelicht.

Controle melkveereferentie

RVO heeft onlangs brieven gestuurd naar bedrijven die in 2013 melkkoeien en/of jongvee hebben gehad. In deze brief wordt erop gewezen dat de voorlopige berekeningen van de melkveefosfaatreferentie kunnen worden nagekeken. Eventuele afwijkingen kunnen worden gemeld.

Berekening melkveefosfaatreferentie

De berekening vindt plaats aan de hand van het aantal dieren in 2013 en uw P-plaatsingsruimte in dat jaar. De forfaitaire P-excretie van 2015 wordt gehanteerd bij de productie. Is de fosfaatproductie kleiner dan de fosfaatruimte, dan is de melkveefosfaatreferentie nul.

Om uw P-referentie in te zien of te wijzigen kunt u gebruik maken van de deze link. U komt dan rechtstreeks terecht bij uw P-referentie, aan de rechter zijde van de pagina ziet u onder het kopje direct regelen, bekijken en wijzigen fosfaatreferentie, staan. Wanneer u deze link aan klikt, verschijnt er een nieuw scherm waar u uw P-referentie in kan zien. Vervolgens kunt u uw P-referentie controleren.

  • Stap 1: controleer uw relatiegegevens
  • Stap 2: controleer uw fosfaat productie, melkproductie (geleverd aan fabriek), gemiddeld aantal stuks melk-  kalfkoeien en jongvee.
    Melkkoeien (categorie 100): (melkkoeien aanwezig op 1 april 2013 + gemiddeld aanwezig koeien in 2013 bekend bij I&R) /
    Jongvee 1 jaar en ouder (categorie 102): gemiddelde aantal jongvee boven een jaar wat in 2013 bij I en R bekend is  Er is nog onduidelijkheid over welk gedeelte van het jongvee meegenomen is bij “categorie 100” Deze informatie zullen wij aanvullen op deze site als RVO duidelijkheid heeft gegeven.
    Jongvee jonger dan 1 jaar (categorie 101): gemiddeld aantal jongvee onder een jaar wat in 2013 bij I en R bekend is
  • Stap 3: controleer uw plaatsing ruimte van fosfaat. Het areaal grond is overgenomen van de gecombineerde opgave 2013. Indien u Pal en Pw waarden heeft ingevuld zijn uw opgegeven percelen ingedeeld in de volgende klassen met bijbehorende gebruiksruimte.
Pal waarde (grasland Pw waarde (bouwland)
<27 Laag 100 <36 Laag 85
27-50 Neutraal 95 36-55 Neutraal 65
>50 Hoog 85 >55 Hoog 55
<16 arm/fixerend 120 <25 arm /fixerend 120

Aan de hand van de tabel kunt u uw fosfaat gebruiksruimte berekenen.

  •  Stap 4: indien uw referentie niet klopt kunt u de betreffende cijfers aanpassen en de nieuwe berekening opslaan. Vervolgens voegt u overzichten/ bewijsmateriaal toe om de aangepaste waarden te onderbouwen (zie hiervoor ook het vorige bericht over de melkveefosfaatreferentie).
  • Stap 5: insturen nieuwe referentie

Foutieve aantallen

Jongvee ouder dan 1 jaar (pinken, cat. 102) worden melkkoeien zodra de dieren hebben gekalfd. Bij de voorlopige berekening zijn, per abuis, de pinken al eerder als melkkoe aangemerkt (vanaf 2 jaar).  Dit heeft weer invloed op de gemiddelde melkproductie per koe en daarmee op de fosfaatexcretie. RVO heeft aangegeven dat de fout wordt hersteld en dat binnenkort de berekeningen worden aangepast op mijn.rvo.nl. De betrokken veehouders worden ingelicht over de fout en de correctie hiervan. RVO bekijkt nog op welke manier zij gaat doen, waarschijnlijk via mijn.rvo.nl.

Advies

Het advies van mestboete.nl is om de nieuwe voorlopige berekeningen van de melkveefosfaatreferentie nog even af te wachten. Indien de aangepaste berekeningen op dit punt of andere onderdelen begin januari nog niet correct zijn kan alsnog worden gereageerd.

Mestafvoer naar particulieren

Soms gaat het mis op de kleine dingen. Mestafvoer naar particulieren of particuliere organisaties is daar een bekend voorbeeld van: het kan, het mag, maar is ook aan regels gebonden. Vindt de afvoer niet plaats volgens die regels, dan kunnen de consequenties aanzienlijk zijn. In dit bericht worden de regels met betrekking tot de afvoer van mest naar particulieren samengevat.

Wat is een particulier?

In de eerste plaats moet worden nagegaan of een particulier ook een particulier is. Een particulier, in het kader van de Meststoffenwet, is iemand zonder landbouwbedrijf en zonder relatienummer bij RVO. Wie wel beschikt over een relatienummer wordt door RVO gezien als een landbouwbedrijf. Op dat moment gelden, met betrekking tot de mestafvoer en de gebruiksnormen, de regels en normen van de Meststoffenwet. Iemand met minder dan 3 ha is zich vaak niet bewust van het feit dat hij/zij misschien nog wel een registratienummer bij RVO heeft. Even checken dus.

20170524 tuinDe grond die een particulier in gebruik heeft valt onder de definitie ‘overige grond’. Als deze grond wordt gebruikt als grasland of bouwland dan mag – vanaf 1 januari 2015 – maximaal 80 kg fosfaat per ha worden toegediend. Deze norm geldt voor fosfaat in dierlijke meststoffen en compost. De norm voor stikstof in dierlijke mest bedraagt 170 kg per ha.

Is de ‘overige grond’ geen grasland of bouwland, maar bijvoorbeeld tuin,  dan geldt een norm van 20 kg fosfaat per ha. In dat geval geldt geen stikstofnorm.

Afvoer van mest naar particulieren.

Een veehouder mag jaarlijks, zonder wegen en bemonsteren en op basis van de forfaitaire gehalten, maximaal 250 kg fosfaat uit dierlijke mest naar particulieren afvoeren. Naar één particulier mag jaarlijks maximaal 20 kg fosfaat worden afgevoerd. Op het ‘Vervoersbewijs dierlijke meststoffen’ (VDM) moet dan de opmerkingscode 31 ‘Levering aan particulier (en andere eindgebruiker zonder relatienummer)’ worden ingevuld.

Indien een veehouder meer dan 20 kg fosfaat naar een particulier wil afvoeren, dan mag dit alleen door middel van wegen en bemonsteren. De particulier mag uiteraard niet meer aanvoeren dan volgens de bovenstaande normen is toegestaan.

Let op: Kennisgeving melkveefosfaatreferentie is onderweg!

Bedrijven met melkvee mogen vanaf 2015 alleen nog groeien als er voldoende grond bij het bedrijf in gebruik is om de extra mest aan te wenden. Of als het bedrijf de extra geproduceerde mest volledig laat verwerken. Een combinatie van grond en mestverwerking om de extra mest te verantwoorden is ook mogelijk.

Het kenmerk dat wordt gebruikt om te bepalen of een bedrijf is gegroeid wordt de melkveefosfaatreferentie genoemd. Dit cijfer is dus van groot belang voor de toekomst van een bedrijf. Binnenkort stuurt RVO aan elk melkveebedrijf een kennisgeving van de voor het bedrijf berekende melkveefosfaatreferentie.

De melkveefosfaatreferentie is de maat voor het door melkvee geproduceerde fosfaatoverschot in 2013 en wordt berekend als:

De melkveefosfaatreferentie  = de mestproductie (in kilogram fosfaat) van het in 2013 op het bedrijf gehouden melkvee – de fosfaatruimte op basis van de oppervlakte grond die in 2013 bij het bedrijf in gebruik was.

Is de mestproductie kleiner dan de fosfaatruimte, dan is de melkveefosfaatreferentie nul. Alleen actieve bedrijven die in 2013 melkvee hebben gehouden krijgen een melkveefosfaatreferentie

Binnenkort start RVO met de verzending van de beschikkingen met de definitieve melkveefosfaatreferentie 2013. Zijn de referentiegegevens 2013 die RVO heeft gebruikt niet juist? Dan staat daartegen de mogelijkheid van bezwaar open. Dit kan bijvoorbeeld door de RVO de juiste stukken toe te zenden via ‘Direct regelen’ op de site van RVO.

Het is belangrijk van alle wijzigingen een bewijsstuk mee te sturen. Voorzie bewijsstukken bovendien van een handtekening van andere betrokkenen of documenten van derden, bijvoorbeeld facturen, met bijbehorende bankafschriften.

Hieronder is per referentiegegeven aangegeven welke bewijsstukken u mee kunt sturen. Uit de bewijsstukken moet blijken wat het juiste referentiegegeven voor 2013 moet zijn.

  • Melkproductie: afschriften van de melkfabriek (melkleverantieoverzicht)
  • Diercategorie: veesaldokaarten
  • Dieraantallen: aan- en afvoerbewijzen, facturen, veesaldokaarten
  • Oppervlakte landbouwgrond en natuurterrein: eigendomsaktes, pachtcontracten, grondgebruiksverklaring, overeenkomsten met beheersregime waaruit het gebruik van de grond blijkt, overeenkomsten van grond met anderen waaruit de oppervlakte van het perceel en de periode van gebruik blijkt
  • Fosfaattoestand van de bodem (PAL- en Pw-waarde): analyseverslagen die geldig waren in 2013

Let op: Uitdraaien van het bedrijfsmanagementsysteem (BMS) gelden niet als bewijsstuk.

koe in wei

bij groei: extra grond  of volledige verwerking van de extra geproduceerde mest

Vond er in 2013 een bedrijfsoverdracht plaats of is het bedrijf in 2014 vóór 1 november 2014 overgenomen? Dan worden de gegevens van het overgenomen bedrijf genomen als uitgangspunt voor de berekening van de melkveefosfaatreferentie. Bedrijven die na 1 november 2014 zijn opgericht hebben een melkveefosfaatreferentie van nul.

De melkveefosfaatreferentie is bedrijfsgebonden en niet verhandelbaar. De melkveefosfaatreferentie kan alleen overgaan naar een andere landbouwer:

  • bij een overdracht van het bedrijf door erfopvolging,
  • of als er sprake is van bloed- of aanverwantschap in de eerste, tweede of derde graad

Bij elke andere vorm van overdracht van een bedrijf, of bedrijfsbeëindiging, vervalt de melkveefosfaatreferentie en wordt de melkveefosfaatreferentie nul.