Een herhaalde overtreding of herhaling van een overtreding?

Onlangs deed de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak in een zaak waarin onder andere het onderscheid tussen een herhaalde en een zelfstandige overtreding aan de orde kwam.

Eiseres heeft een vleesverwerkend bedrijf met onder meer een slachterij. Wanneer slachtvee (varkens en runderen) naar de slachterij wordt aangevoerd in veewagens, worden die wagens, nadat ze zijn gelost, ter plekke gereinigd en ontsmet. Daarbij wordt het in de veewagens gebruikte zaagsel uit de veewagens verwijderd. Dit zaagsel is tijdens het transport vermengd met uitwerpselen van het slachtvee. Sinds 2007 voert [bedrijf] B.V. (hierna: de vervoerder) dit mengsel van zaagsel en mest (hierna verder te noemen: ZM) af van de slachterij.

In het rapport van 12 december 2017 van de NVWA dat ten grondslag ligt aan de boete, staat dat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 voor 220 transporten van ZM door de vervoerder vanaf de slachterij geen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) zijn opgemaakt. De minister heeft eiseres hiervoor een boete van € 66.000,– opgelegd (220 maal € 300,–) en dat bij het bestreden besluit gehandhaafd.

In beroep heeft eiseres onder andere betoogd dat het niet proportioneel is dat de minister haar 220 keer eenzelfde boete heeft opgelegd. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de minister in een situatie waarin sprake is van een veelvoud van dezelfde overtredingen niet alle overtredingen beboet, maar slechts een beperkt aantal overtredingen, met dus als gevolg een veel lagere boete. Eiseres heeft als onderbouwing van dit betoog gewezen op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 april 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:1746). In die zaak was sprake van 187 overtredingen van artikel 57b van de Uitvoeringsregeling Msw (vervoer van dierlijke meststoffen buiten Nederland), maar heeft de minister slechts twee overtredingen beboet. Het beboeten van alle overtredingen werd door de minister onredelijk geacht.

Daarnaast heeft eiseres gewezen op twee gevallen die haar beroepshalve bekend zijn geworden, de zaken met nummers 2006002474 en 2017005818. In die zaken was sprake van onderscheidenlijk 168 en 25 overtredingen bij het opmaken van VDM’s, maar uiteindelijk is in beide zaken voor slechts twee overtredingen een boete opgelegd. Eiseres vindt dat de omstandigheid dat in haar geval de 220 overtredingen over een langere periode zouden zijn gepleegd, zoals de minister in het bestreden besluit als motivering heeft gegeven, niet rechtvaardigt dat elke overtreding moet worden beboet.

De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit als motivering van het standpunt dat het niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel om in dit geval alle 220 overtredingen te beboeten, heeft vermeld dat de overtreding langdurig heeft plaatsgevonden, omdat in de periode van 16 november 2016 tot en met 14 juni 2017 van 220 vrachten dierlijke mest geen VDM’s zijn opgemaakt. Ook heeft de minister erop gewezen dat elke zaak wordt beoordeeld naar zijn eigen feiten en omstandigheden en dat niet relevant is of de overtredingen opzettelijk zijn begaan. De rechtbank vindt dat de minister hiermee onvoldoende is ingegaan op het concrete beroep dat eiseres al in bezwaar had gedaan op de uitspraak van de rechtbank Overijssel. Het bestreden besluit is daarom niet voldoende gemotiveerd en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft de minister haar motivering hieromtrent aangevuld. De rechtbank zal daarom bekijken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Overijssel en de andere twee genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met de hier aan de orde zijnde zaak. In de zaak waarover de rechtbank Overijssel zich heeft gebogen, ging het om overtredingen die naar voren waren gekomen uit een administratieve controle van het systeem Client Export Mest waarin de exportmeldingen worden opgenomen. Die overtredingen waren gepleegd in een periode van één maand, namelijk in april 2015. In de hier aan de orde zijnde zaak gaat het om overtredingen die tijdens een fysieke controle zijn geconstateerd en zijn gepleegd over een langere periode. De twee andere zaken betroffen ook administratieve controles over een korte periode, namelijk in beide gevallen een maand. Dat ook in deze zaak sprake is van een administratieve controle omdat de administratie van eiseres is onderzocht, zoals eiseres tijdens de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. De minister heeft uitgelegd wat hij onder administratieve controle verstaat: dat is niet een controle in de administratie van een bedrijf, maar een controle van het Client Export Mestsysteem, waarin alle bedrijven hun gegevens moeten registreren. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan die toelichting.

De minister heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting ook toegelicht waarom dit onderscheid van belang is. Bij een controle van het systeem is op relatief eenvoudige wijze te achterhalen of er een overtreding is en in het geval van eiseres ligt dit anders. Er waren namelijk geen VDM’s geregistreerd, waardoor de overtreding niet eenvoudig was vast te stellen door raadpleging van het systeem. Door het niet opmaken van de VDM’s was er in feite sprake van heimelijke afvoer van dierlijke meststoffen die ook konden worden aangewend op de grond. Daardoor is meer dierlijke mest aangewend dan uit de administratie van eiseres zou blijken, terwijl het belang van een rechtmatig en terughoudend gebruik van meststoffen groot is. De meststromen van eiseres waren in de periode van 16 november 2016 tot en met 17 juni 2017 niet inzichtelijk, waardoor de meststroom niet in de gehele keten kon worden gevolgd. De minister heeft in het verweerschrift verder gewezen op intern beleid dat inhoudt dat er bij een rapport van de NVWA (een fysieke controle) voor wordt gekozen om alle overtredingen te beboeten, wanneer er voldoende aanknopingspunten zijn voor de opvatting dat de overtredingen bewust zijn begaan.

De minister vindt dat eiseres ervan op de hoogte moet zijn geweest dat er op een gegeven moment geen VDM’s werden opgemaakt voor ZM. Dat de vervoerder had aangegeven dat dit niet meer nodig was, vindt de minister niet geloofwaardig mede gelet op de verklaring van de salesmanager van eiseres dat het contract met de vervoerder niet was veranderd, dat het contract was voor de afvoer van ZM en dat dit ook zo in het systeem wordt gezet.

De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze uiteenzetting in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog genoegzaam heeft uitgelegd waarom de door eiseres genoemde gevallen voor de minister geen aanleiding hoeven vormen om slechts een beperkt aantal overtredingen te beboeten. De minister mag, zo oordeelt de rechtbank,  eiseres voor alle 220 overtredingen een boete. Van het 220 keer beboeten van één en dezelfde omstandigheid is daarbij volgens de rechtbank geen sprake.

 

Lees hier de volledige uitspraak

 

Dubbele, dubbele beboeting…mag dat?

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin sprake was van dubbele, dubbele beboeting voor dezelfde overtreding. Kon dit zomaar?

Wat was de situatie? Eiseres BV houdt zich onder meer bezig met de opslag van mest. Eiser is bestuurder van eiseres BV. Zusteronderneming BV, waarvan eiser eveneens bestuurder is, houdt zich onder meer bezig met mesthandel-, vervoers- en transportactiviteiten.

De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) heeft  eiseres BV gecontroleerd op naleving van de Msw. Daarbij is gebleken dat (onder andere) op elf vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) door de leverancier (feitcode M305) gegevens zijn gewijzigd of onleesbaar zijn gemaakt. Hiervoor wordt per VDM een boete van € 300,- opgelegd. In het totaal dus  € 3.300,-.

Dit boetebedrag wordt echter afzonderlijk opgelegd aan zowel eiseres BV, als aan eiser als bestuurder van eiseres BV, de zusteronderneming  BV en nogmaals aan eiser als bestuurder van deze zusteronderneming BV.

In beroep is door eisers BV aangevoerd dat hiermee sprake is van het meermaals straffen voor eenzelfde overtreding. Dit is  (het ne bis in idem principe) en daarnaast dat het boetebedrag onevenredig hoog is nu het bedrag viermaal wordt opgelegd.

De rechtbank merkt in dit kader op dat de overtredingen met betrekking tot de elf VDM’s afzonderlijk zijn begaan door eiseres BV als leverancier (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van eiseres BV)  en de zusteronderneming BV (en eiser in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van zusteronderneming BV) en voor deze overtredingen afzonderlijk beboet.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de rechtspersoon en de leidinggevende van deze rechtspersoon voor de door hen afzonderlijk verrichte activiteiten en voor hun eigen rol in deze overtredingen beboeten. Eiser en eiseres BV zijn in dit verband als leidinggevende respectievelijk de rechtspersoon immers zelfstandige dragers van rechten en plichten. Ditzelfde geldt voor eiser en de zusteronderneming BV.  De rechtbank concludeert daarmee dat geen sprake is van dubbele beboeting en verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het CBb van 7 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:413).

Over de beroepsgrond dat het totaal opgelegde boetebedrag niet evenredig is overweegt de rechtbank dat artikel 5:46, derde lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Nu in Bijlage M van de Uitvoeringsregeling per feitcode vermeld staat welke wettelijke bepalingen zijn overtreden en welke boetes hieraan gekoppeld zijn is hier sprake van wettelijk vastgelegde boetes. Het is in dit verband aan eisers om op basis van bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken dat de van toepassing zijnde boetes met feitcodes M166 en M305 (€ 300,00 per overtreding) in deze zaken te hoog zijn (artikel 5:46, derde lid, van de Awb).

Met hun betoog dat sprake is van (tweemaal) dubbele beboeting hebben eisers, zo vat de rechtbank het betoog van eisers in dit verband op, de verwevenheid tussen de bedrijven enerzijds en met eiser anderzijds als bijzondere omstandigheid aangevoerd. Verweerder heeft met die verwevenheid bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen boetes geen rekening gehouden.

De beboeting leidt er gelet op deze verwevenheid toe dat eiser (via zijn ondernemingen) viermaal in zijn vermogen wordt geraakt (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de CBb van 7 augustus 2018 en de uitspraak van de CBb van 25 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:14). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de financiële verwevenheid in dit geval tot matiging moet leiden omdat het onevenredig is om eiser voor deze overtredingen viermaal in zijn vermogen te treffen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser feitelijk 100% aandeelhouder is van beide bedrijven (eiseres BV en de zusteronderneming BV). Dit zijn kleinschalige bedrijven die ook wat betreft het personeelsverband sterk met elkaar zijn verweven: bij beide bedrijven werken dezelfde twee vaste medewerkers, namelijk eiser en één werknemer (aangevuld met uitzend-/seizoensarbeiders). De overtredingen zijn feitelijk begaan door deze twee personen. De totale boete die voor deze overtredingen is opgelegd, staat daarmee, aldus de rechtbank,  niet meer in verhouding tot de ernst van de feitelijke gedraging. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de boetes voor feitcode M305 te matigen met 20%.

Lees hier de volledige uitspraak:

Redelijke termijn bij terugbetalen onverschuldigde boete

Wie een boete voor bijvoorbeeld het vermeende niet voldoen aan de gebruiksnormen krijgt opgelegd, dient ook wanneer hiertegen bezwaar wordt aangetekend de boete betalen of tenminste een regeling daarvoor te treffen. Wanneer betrokkene in bezwaar of beroep alsnog in het gelijk wordt gesteld wordt het onverschuldigde – maar al wel betaalde – boetebedrag (inclusief wettelijke rente) terug betaald. Dat dit niet altijd soepel verloopt en daarbij van belang is welk verzoek wordt gedaan en termijnen worden betracht blijkt uit onderstaande zaak waarin de Rechtbank Overijssel onlangs uitspraak deed.

In deze zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) bij besluit van 14 februari 2019 het bezwaar van appellant, gericht tegen een aan hem opgelegde boete wegens overtreding van de Meststoffenwet, gegrond verklaard en besloten dat de boete komt te vervallen. In dit besluit is aangegeven dat het al wel betaalde deel van de boete inclusief wettelijke rente zo spoedig mogelijk wordt terugbetaald.

Op 12 juni 2019 heeft betrokkene de minister een ingebrekestelling toegezonden met betrekking tot de terugbetaling van de reeds betaalde boete en het nemen van een beschikking tot vaststelling van de verschuldigde wettelijke rente. Op 26 juni 2019 heeft de minister het door opposant onverschuldigd betaalde boetebedrag aan hem terugbetaald.

Bij brief van 19 juli 2019 heeft opposant beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten aanzien van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:99 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij besluit van 2 augustus 2019 heeft de minister de wettelijke rente vastgesteld op € 454,56.

Bij uitspraak van 14 november 2019 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb (vereenvoudigde behandeling) het ingestelde beroep van 19 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is verzet gedaan.

De rechtbank is er bij haar niet-ontvankelijk verklaring van uit gegaan dat betrokkene met de ingebrekestelling van 12 juni 2019 pas voor het eerst en expliciet de minister heeft verzocht de wettelijke rente vast te stellen. Daarbij is van belang dat voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 4:99 van de Awb geen wettelijke termijn geldt, zodat de redelijke termijn van acht weken (als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb) van toepassing is.

Nu de minister op 2 augustus 2019 alsnog het gevraagde besluit heeft genomen en op die datum nog geen acht weken waren verstreken, heeft de minister tijdig op de aanvraag van 12 juni 2019 beslist.
Het beroep van 19 juli 2019 is ingesteld voordat deze beslistermijn (van acht weken) was verstreken en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

In verzet beslist de rechtbank als volgt: Paragraaf 4.1.3.2 van de Awb regelt de dwangsom voor bestuursorganen bij niet tijdig beslissen. Naar de letterlijke tekst lijkt art. 4:17 Awb slechts van toepassing op het niet tijdig geven van een (primaire) beschikking op een aanvraag. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter dat deze bepaling tevens van toepassing is op het niet tijdig geven van beslissingen op bezwaar tegen een beschikking op aanvraag. Hieruit volgt dat er sowieso een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb is vereist.

Indien een bestuursorgaan ambtshalve een besluit moet nemen, betekent dit dan ook niet dat hierop zonder meer paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is. Bij het uitblijven van een dergelijk besluit zal het bestuursorgaan eerst moeten worden verzocht – door middel van het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb – een dergelijk besluit te nemen. Indien het bestuursorgaan niet binnen de wettelijke termijn dan wel, binnen de redelijke termijn ex artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, een beslissing op die aanvraag neemt, is het bestuursorgaan in verzuim tijdig te beslissen. De dwangsomregeling kan vervolgens worden geactiveerd door het in gebreke stellen van het bestuursorgaan.

De rechtbank heeft de redelijke beslistermijn (te weten acht weken) ex artikel 4:13, tweede lid, van de Awb van toepassing geacht en heeft vervolgens geoordeeld dat de minister tijdig (dus binnen de termijn van acht weken na 12 juni 2019) de gevraagde beschikking ex artikel 4:99 van de Awb heeft genomen. De minister was dus niet in gebreke tijdig een besluit te nemen, zodat het beroep-niet-tijdig te vroeg is ingediend. Dit volgt uit artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Awb.

In verzet beslist de rechtbank dat terecht is geoordeeld dat het beroep is ingediend binnen de termijn die de minister ter beschikking stond, zodat het beroep niet-ontvankelijk is.

Lees hier de volledige uitspraak

De correctie voor het stikstofgat gecorrigeerd?

Een veel voorkomend fenomeen bij de uitwerking van de gebruiksnormenberekening op varkensbedrijven was dat uit de berekening naar voren kwam dat geen overschrijding had plaats gevonden van de fosfaatgebruiksnorm, maar wel van de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest. Dit terwijl er (meer) dan voldoende mest was afgevoerd. Een probleem dat er op wees dat de vaste norm voor de vervluchtiging van stikstof (de norm voor het stikstofverlies per dier) te laag werd vastgesteld ten opzichte van de verliezen die daadwerkelijk plaatsvonden op het bedrijf in kwestie.

Op grond van een toezegging van de toenmalige minister Veerman in 2006 werd hiervoor een extra afvoerpost toegepast die corrigeerde voor dit zogenaamde stikstofgat. Deze correctie voor het stikstofgat houdt in dat bij de berekening van de mestproductie wordt uitgegaan van de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de geanalyseerde mestafvoer. De op basis hiervan correctie wordt dan in mindering gebracht op de berekende stikstofproductie door de dieren.

Een voorbeeld:
De varkens op bedrijf X produceren – als uitkomst van de stalbalans – in een gegeven kalenderjaar 1000 kg fosfaat en 2000 kg stikstof. Op de grond die bij het bedrijf hoort kon in het totaal 55 kg fosfaat en 170 kg N worden geplaatst. De resterende mest wordt afgevoerd. Na analyse blijkt in deze afgevoerde mest  950 kg fosfaat en 1500 kg stikstof te zitten. De begin- en eindvoorraad dierlijke mest houden we in dit voorbeeld zowel qua hoeveelheid als qua samenstelling gelijk. In het totaal kan in dit voorbeeld  1005 kg fosfaat worden verantwoord en 1670 kg stikstof. Er resteert dus een hoeveelheid van 330 kg stikstof die niet is verantwoord en in de systematiek van de Meststoffenwet zou worden toegerekend als zijnde toegediend aan de eigen grond. Er zou dus geen fosfaat in dielijke mest zijn toegediend, maar wel stikstof. Dat is onlogisch.

Voor dit verschil werd gecorrigeerd met behulp van de eerder genoemde correctie voor het sitkstofgat. Dat gebeurde als volgt:

De verhouding tussen stikstof en fosfaat in de afgevoerde mest in het voorbeeld bedraagt: 1.500/950 = 1,58. De Wanneer deze verhouding op de fosfaatproductie wordt gelegd betekent dit: 1,58 * 1000 = 1580 kg stikstof. De ‘correctie voor het stikstofgat’ wordt berekend als het verschil tussen de werkelijke productie (2000) en de berekende productie op basis van de verhoudingen in de afgevoerde mest (1580) en bedraagt daarmee: 2.000 – 1.580 kg = 420 kg. Deze correctie wordt in mindering gebracht op de mestproductie door de dieren en daarmee wordt na correctie volledig aan de gebruiksnormen voldaan.

Nieuwe normen
Met ingang van 2020 zijn voor de diercategorie varkens nagenoeg alle normen voor stikstofverlies per dier aanzienlijk verhoogd. Soms wel met een factor 2 of 3. Hiermee wordt de productie van stikstof in mest (de uitkomst van de stalbalans) lager en zal in veel gevallen het eventuele stikstofgat minder groot zijn of zelf geheel niet meer voorkomen.

In  onderstaande tabel worden geactualiseerde stikstofcorrectie per diercategorie onderscheiden naar stalsysteem en mestsoort gegeven. Tussen haakjes staat de oude norm (2019) vermeld. Alle cijfers zijn gegeven in kilogram stikstof per gemiddeld aanwezig dier.

Drijfmest Vaste mest
Diercategorie Emissiearm Overig Emissiearm Overig
400 Fokzeugen excl. biggen 6,2 (2,0) 6,4 (4,5) 9,3 (2,1) 9,3 (3,8)
401 Fokzeugen incl. biggen 8,9 (2,8) 9,2 (6,2) 13,4 (2,9) 13,4 (5,3)
404 Opfokzeugen en beren van ca. 25 kg tot geslachtsrijpheid 5,0 (2,3) 5,7 (4,5) 6,5 (1,6) 6,5 (3,0)
406 Dek- en zoekberen geslachtsrijp 6,9 (3,9) 7,1 (5,2) 10,4 (3,5) 10,4 (4,5)
407 Gespeende biggen tot ca. 25 kg. Ander bedrijf 0,7 (0,4) 0,7 (0,8) 1,0 (0,4) 1,0 (0,7)
411 Vleesvarkens 4,0 (1,8) 4,6 (3,5) 5,2 (1,3) 5,2 (2,3)

 

Hiermee lijkt een hiaat in de Mestwetgeving gecorrigeerd. Het is echter op dit moment niet duidelijk hoe RVO vanaf nu omgaat met de correctie van het stikstofgat. Blijft die, ondanks de aanpassing van de normen, bestaan? Of rekent RVO vanaf nu (of met terugwerkende kracht) met deze normen? We houden het in de gaten.

Procesbelang gaat voor inhoudelijk belang

Een belangrijke regel in het bestuursrecht is dat er geen rechtsmiddelen open staan wanneer geen sprake is van voldoende procesbelang.  De achterliggende gedachte daarbij is dat degene die bezwaar of (hoger) beroep instelt, het daarmee beoogde resultaat (bijvoorbeeld het van tafel krijgen van een boete)  ook daadwerkelijk moet kunnen bereiken. Is dit niet het geval, dan heeft een inhoudelijke behandeling geen zin, zo stelt de wet. Dit betekent dat voordat een zaak inhoudelijk wordt behandeld, dient te worden getoetst of sprake is van voldoende procesbelang.

Dit geldt ook wanneer beide partijen (dus zowel appellant als verweerder) een inhoudelijke uitspraak voor staan, zoals blijkt uit een uitspraak die het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs deed.

In deze procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld bij het College tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Nadat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, heeft het College verdere behandeling geschorst in afwachting van het advies van de raadsheer advocaat-generaal Wattel in een drietal vergelijkbare zaken, 15/382, 15/430 en 15/692. De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187). Naar aanleiding daarvan heeft het College op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de dire genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653, ECLI:NL:CBB:2018:654).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder heeft bij besluit van 12 februari 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen in de onderhavige procedure. De door appellante gemaakte bezwaren worden in die beslissing alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt herroepen. De door verweerder aan appellant opgelegde boete is daarmee komen te vervallen. Verder heeft verweerder de door appellant gemaakte proceskosten voor de bezwaarprocedure, de kosten van de beroepsprocedure en de procedure in hoger beroep alsmede het verschuldigde griffierecht aan appellant vergoed.

Bij brief van 13 maart 2019 heeft appellant aan het College kenbaar gemaakt het hoger beroep in te trekken, omdat de aan haar opgelegde boete is komen te vervallen en haar proceskosten zullen worden vergoed. Appellant heeft wel te kennen gegeven dat er nog wel een andere voor de rechtspraktijk relevante kwestie speelt, namelijk de vraag of met andere gehalten dan die bij analyse en bemonstering van afgevoerde mest zijn aangetroffen mag worden gerekend bij het opleggen van boetes op grond van de Meststoffenwet. Deze rechtsvraag speelt in tal van andere procedures. Ook verweerder onderkende dat en heeft het College verzocht om deze rechtsvraag te beantwoorden in een uitspraak.

Het College oordeelt echter dat geen sprake is van voldoende procesbelang en motiveert haar oordeel met verwijzing naar vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690), waarin wordt gesteld dat een belanghebbende alleen dan voldoende procesbelang heeft als het resultaat dat met het (hoger) beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor de belanghebbende feitelijk betekenis kan hebben.

Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang, aldus het College. Nu de aan appellante opgelegde boete is komen te vervallen vanwege het nieuw genomen besluit van 12 februari 2019 en daarbij tevens de proceskosten zijn vergoed alsmede het door appellante betaalde griffierecht heeft appellante derhalve geen procesbelang bij het door haar ingestelde hoger beroep.

Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Dus geen inhoudelijke uitspraak. Een dergelijke uitspraak zal moeten komen op het moment dat inhoudelijk vergelijkbare zaken in hoger beroep  zullen dienen voor het College.

Lees hier de volledige uitspraak.

Vrijstelling wegen en bemonsteren bij afvoer mest uit te slopen stal?

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak die onder meer handelde over de verplichting tot het wegen, monsteren en analyseren van mest die wordt afgevoerd uit een te slopen stal.

In 2017 hielden toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op het bedrijf van appellante een controle op de naleving van de verplichtingen van de Meststoffenwet. De conclusie van dit onderzoek was dat appellante de monsterpotten van de mestmonsters van vier vrachten mest die waren afgevoerd niet door de automatische verpakkingsapparatuur had laten afsluiten en dat appellante deze mestmonsters vervolgens tussen de drie en vijf dagen onafgesloten heeft bewaard.

Hiervoor heeft de minister aan appellante, bestuurlijke boetes opgelegd van € 2.400,- vanwege het overtreden van artikel 54, eerste lid, en 80, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Urm). Het door appellante gemaakte bezwaar is door de minister ongegrond verklaard. Ook de rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overtredingen van de Urm. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat de door haar vervoerde mest afkomstig was van een sloopboerderij en de mest daarmee niet bemonsterd hoefde te worden, omdat er tussen CUMELA en (de rechtsvoorganger van) de NVWA een afspraak bestaat over de afvoer van restanten mest uit sloopboerderijen. Deze afspraak zou aansluiten bij de uitzonderingsregeling van artikel 90 van de Urm op grond waarvan geen bemonstering hoeft plaats te vinden. Deze afspraak is tot uitdrukking gebracht in paragraaf 6.11 van de Handleiding Mestwetgeving van CUMELA (hierna: de handleiding).

De minister heeft het bestaan van de door appellante bedoelde afspraak aanvankelijk ontkend. Ter zitting heeft de minister benadrukt dat de buitenwettelijke afspraak is gemaakt voor sloopbedrijven en alleen ziet op het toepassen van de opmerkingscode 35 op het vervoersdocument meststoffen. De verplichting om de te vervoeren mest onder meer te bemonsteren blijft bestaan, ook in het geval dat er voor een sloopboerderij geen relatienummer meer bestaat.

In haar uitspraak stelt het College vast dat paragraaf 6.11. van de handleiding luidt:

AFVOER VAN KLEIN BEDRIJF

Afvoer van mest van een klein landbouwbedrijf kan zonder bemonsteren, wegen en het gebruik van AGR/GPS. Wel moet een VDM worden gebruikt. Een geregistreerd intermediair is niet nodig.

Voorwaarden:
– De oppervlakte landbouwgrond van het bedrijf is kleiner dan drie hectare;
– De productie en de aanvoer van mest zijn samen minder dan 350 kilogram stikstof;
– De afvoer heeft alleen betrekking op de meststoffen die op het bedrijf zijn geproduceerd.
– De aflevering gebeurt rechtstreeks, zonder tussenopslag.
– De afstand tussen de betrokken bedrijven is hemelsbreed maximaal tien kilometer.

Deze uitzondering mag ook worden gebruikt voor de afvoer van een restant mest in een te slopen boerderij die inmiddels niet meer in eigendom is van een landbouwbedrijf, maar van bijvoorbeeld een overheid of projectontwikkelaar. Er is dan wel een VDM nodig. Dit moet volledig worden ingevuld, waarbij een inschatting wordt gemaakt van de soort mest die in de kelders aanwezig is.

Het College ziet, na lezing van deze passage en van de door appellante overlegde notulen van een overleg tussen CUMELA en de minister, geen reden te twijfelen aan het bestaan van de afspraak en ook de minister heeft ter zitting erkend dat de uitzondering van de verplichting tot bemonstering, zoals hiervoor is weergegeven, op zich geldend is.

De vraag is vervolgens of appellante ook aan de in de uitzondering vermelde voorwaarden heeft voldaan: Naar het oordeel van het College is dit niet het geval omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar vervoerde mest afkomstig was van een te slopen boerderij die niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf. Weliswaar blijkt uit de door appellante overgelegde stukken dat de desbetreffende varkensfokkerij zijn activiteiten begin 2017 heeft beëindigd en dat de stallen in de zomer van 2017 zijn gesloopt, maar hieruit kan, volgens het College niet worden afgeleid dat de boerderij op het moment dat appellante de mest uit de stallen van deze boerderij vervoerde niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Uit deze uitspraak blijkt enerzijds dat de uitzondering van wegen, het gebruik van AGR/GPS en bemonstering en analyse bij de afvoer van dierlijke mest ook mag worden toegepast voor de afvoer van een restant mest uit een te slopen boerderij. Anderzijds geldt dat deze uitzondering alleen mag worden toegepast onder strikte voorwaarden (te slopen stal, niet meer in eigendom is van een landbouwbedrijf, resten afvoer van dierlijke mest) en dus niet erg breed kan worden toegepast.

Lees hier de volledige uitspraak.

Veranderingen mestbeleid in 2020

Een nieuw jaar, nieuwe regels: In 2020 veranderen de regels voor het gebruik van mest. De equivalente maatregelen voor extra fosfaat vervallen en sommige voorwaarden veranderen. Ook verandert de hoeveelheid mest die mag worden toegediend aan overige grond. Hieronder zijn een aantal van de belangrijkste veranderingen kort samengevat:

Lagere fosfaatgebruiksnorm

De fosfaatgebruiksnorm voor grond met de fosfaattoestand hoog gaat in 2020 omlaag. Op grasland mag in 2020 nog 75 kilogram fosfaat worden gebruikt en op bouwland is deze hoeveelheid 40 kilogram.

Extra klasse voor fosfaattoestand

Voor wie in 2020 gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie is het belangrijk dat er een extra klasse voor de fosfaattoestand is ingevoerd. Dat betekent dat er nu 5 klassen zijn: hoog, ruim, neutraal, laag en arm. Hoeveel fosfaat er op landbouwgrond van de verschillende klassen mag worden toegediend wordt vermeld in onderstaande tabellen. Wie gebruik wil maken van fosfaatdifferentiatie dient wel tijdig het perceel te (laten) bemonsteren en analyseren volgens het daartoe voorgeschreven bemonsteringsprotocol. Indien een perceel niet is bemonsterd geldt automatisch fosfaattoestand ‘hoog’.

Equivalente maatregelen extra fosfaat vervallen

Wie gebruik maakte van de zogenaamde  equivalente maatregelen mocht  extra stikstof of fosfaat gebruiken op een perceel. Vanaf 2020 komen deze maatregelen voor fosfaat te vervallen. De 2 equivalente maatregelen voor extra stikstof blijven bestaan. Aanmelden kan vanaf 1 maart. Meer hierover leest u op pagina ‘equivalente maatregelen‘ op de site van RVO

Meer fosfaat bij fosfaattoestand hoog

Er is een nieuwe uitzondering waarmee het wordt toegestaan om meer fosfaat te gebruiken op een perceel. Als de fosfaattoestand van een perceel hoog is, mag 5 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend Dit kan alleen wanneer er mest wordt gebruikt die zorgt voor meer organische stof in de bodem. Aan die voorwaarde kan wordt voldaan wanneer tenminste  20 kilogram fosfaat per hectare van één van de onderstaande mestsoorten wordt gebruikt:

  • strorijke vaste mest van rundvee
  • strorijke vaste mest van schapen
  • strorijke vaste mest van geiten
  • strorijke vaste mest van paarden
  • dikke fractie van mest van rundvee
  • champost
  • gft-compost
  • groencompost

Op een biologisch bedrijf mag 10 kilogram fosfaat per hectare extra worden toegediend. Naast de mestsoorten hierboven mag ook strorijke vaste mest van varkens worden gebruikt. Het perceel dient dan zo dicht mogelijk voor het inzaaien of poten van de gewassen te worden bemest.

Uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar dient te worden aangegeven op welk percelen in dat kalenderjaar extra fosfaat is gebruikt. RVO heeft aangegeven binnenkort bekend te maken op welke wijze dit kan worden doorgegeven.

Berekening melkveefosfaatoverschot langer bewaren

Als u uw melkveefosfaatoverschot 2014 (MFO 2014) berekent, gebruikt u de gegevens van 2014. Voor de grondgebonden en verantwoorde groei melkveehouderij blijft het MFO 2014 ook na 2019 belangrijk. Daarom is de periode voor het bewaren van de administratie en bewijsstukken van de berekening verlengd. Deze bewaart u 5 kalenderjaren, nadat u bent gestopt met uw bedrijf. Als u in december 2019 gestopt bent met het bedrijf, bewaart u de administratie over het jaar 2014 tot en met 31 december 2024.

Hoeveelheid mest op ‘overige grond’

Vanaf 1 januari 2020 is er een verschil tussen de toegestane hoeveelheid fosfaat op grasland en bouwland op overige grond. Op grasland op overige grond (paardenweitjes en dergelijke in gebruik bij particulieren) mag 90 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare uitrijden. Op bouwland is dit 60 kilogram fosfaat en 170 kilogram stikstof per hectare.

De oude norm van 80 kilogram per hectare was voor grasland laag en voor bouwland te hoog. Door de aanpassing is de gebruiksnorm voor beide grondsoorten meer passend. De normen sluiten aan bij de fosfaatgebruiksnormen voor landbouwgrond met de fosfaattoestand neutraal. De norm voor stikstof blijft gelijk.

De normen gelden alleen voor mest op overige grond. Grasland op overige grond is bijvoorbeeld grond met hobbydieren. Bij bouwland kunt u denken aan volkstuinen. De hoeveelheden gelden voor dierlijke mest, compost, overige organische mest en herwonnen fosfaat.

Natuurgrond met pacht- of huurcontract

Voor natuurgrond staat soms in een pacht- of huurcontract (gebruiksovereenkomst) hoeveel mest er maximaal mag worden gebruikt. Vanaf dit jaar dient dit te worden beschreven in kilogrammen stikstof of fosfaat. Dit is alleen vereist in overeenkomsten die na 1 januari 2020 worden afgesloten. Voor overeenkomsten die voor deze datum zijn afgesloten  hoeft u dit alleen wanneer u deze overeenkomst verandert of verlengt.

Kerstwens

Na een jaar van hard werken is kerst een periode van terugblikken op het afgelopen jaar, maar ook van vooruitkijken naar de toekomst.

Nieuwe plannen, nieuwe uitdagingen, maar ook nieuwe energie om uitdagingen uit het verleden voortvarend op te pakken en af te ronden.

Wij wensen u fijne dagen toe en hopen dat 2020 u al het goede brengt.

 

 

Hoeveel fosfaat mag een veehouderijbedrijf verwerken?

Wie meer fosfaat op zijn bedrijf produceert dan kan worden geplaatst op de bij het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond (en niet voor één van de uitzonderingsregels in aanmerking komt) moet een percentage van dit fosfaatoverschot (laten) verwerken. Dit kan op drie manieren:

  • Mest afvoeren met op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM) de opmerkingscode 61;
  • Door middel van het afsluiten van een zogenaamde driepartijenovereenkomst mestverwerking (DPO);
  • Via het overdragen van een deel van de verwerkingsplicht aan een overnemende partij via een vervangende verwerkingsovereenkomst (VVO).

Een DPO of een VVO indienen kan tot en met 31 december 2019 via de pagina Mestverwerkingsplicht voor de landbouwer op mijn.rvo.nl. Na deze datum kunt u geen veranderingen meer doorgeven of overeenkomsten over 2019 worden ingediend. Daarom worden in deze periode van het jaar traditioneel veel overeenkomsten opgesteld. Immers pas nu is ongeveer bekend hoe hoog de verwerkingsplicht zal zijn, maar de overeenkomst moet wel tijdig worden geregistreerd.

Maar hoeveel mest mag een veehouderijbedrijf in een kalenderjaar verwerken via DPO’s of via een VDM met code 61 en hoeveel van de verwerkingsplicht kan dan via een VVO’ worden overgenomen van een andere veehouder?

RVO stelt op haar site: ‘Als overnemende partij mag u voor een maximale hoeveelheid fosfaat VVO’s afsluiten. Deze hoeveelheid is maximaal het aantal kilogram mest (in fosfaat) dat de dieren op het bedrijf een kalenderjaar produceren, verminderd met uw eigen verwerkingsplicht. De verwerkingsplicht die wordt overgenomen dient te worden verwerkt met een DPO of VDM met opmerkingscode 61 en mag niet worden ingevuld door hier zelf weer een VVO als overdrager voor af te sluiten‘.

De grondslag voor bovenstaande volgt uit artikel 33a derde lid van de Msw. Daarin wordt de hoeveelheid fosfaat die wordt verwerkt in een kalenderjaar beperkt tot ‘de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar op een bedrijf wordt geproduceerd’. Er kan dus niet meer worden verwerkt (via een VDM met code 61 of een DPO) dan de productie van fosfaat in het kalenderjaar op het bedrijf.

Vervolgens kunnen voor een deel van die hoeveelheid als overnemer van de verwerkingsplicht van een ander VVO’s worden afgesloten. Uit artikel 33a vijfde lid van de Msw dat de overgenomen verwerkingsplicht ook daadwerkelijk moet worden verwerkt (via DPO of mestcode 61) door het overnemende bedrijf en hiervoor geen VVO’s mogen worden ingezet.

Eventueel mag (een deel van) de eigen verwerkingsplicht dan weer wel worden ingevuld met VVO’s die worden aangeschaft van een partij die de verwerkingsplicht overneemt. Wel is van belang dat dat de som van de verwerkingsovereenkomsten (som van de hoeveelheid fosfaat via DPO, overgedragen VVO en code 61) niet hoger mag zijn dan de totale productie van hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogrammen fosfaat op het bedrijf in het betreffende kalenderjaar.
Een aantal voorbeelden: In alle onderstaande voorbeelden bedraagt de fosfaatproductie op het bedrijf in het betreffende kalenderjaar: 10.000 kg. De eigen verwerkingsplicht bedraagt 5.900 kg fosfaat.

  1. Een bedrijf draagt een verwerkingsplicht van 7.500 kg fosfaat over aan een collega veehouder via een VVO en sluit een VVO af overnemer af voor de teveel gecontracteerde (1.600 kg) VVO’s met een andere collega veehouder. Dit bedrijf voldoet niet aan de voorwaarden. Het bedrijf had de 1.600 kg overgenomen verwerkingsplicht immers moeten verwerken via een DPO of een VDM met code 61.
  2. Een bedrijf zet 10.000 kg fosfaat af via een DPO overeenkomst. Het bedrijf neemt via een VVO een verwerkingsplicht over van 4.100 kg fosfaat. Dit bedrijf voldoet wel aan de voorwaarden. Aan de eigen verwerkingsplicht wordt voldaan en het totaal van DPO is niet hoger dan de eigen jaarproductie.
  3. Een bedrijf zet 10.000 kg fosfaat af via een DPO overeenkomst. Het bedrijf neemt via een VVO een verwerkingsplicht over van 7.500 kg fosfaat. Om te kunnen voldoen aan de eigen verwerkingsplicht wordt een VVO afgesloten met een overnemer van 3.400 kg fosfaat. Dit bedrijf voldoet niet aan de voorwaarden: Aan de eigen verwerkingsplicht wordt weliswaar voldaan (2.500 kg via DPO en 3.400 kg via VVO). Maar de som van de afvoer via de DPO (10.000) en de extra afgesloten VVO’s (3.400), is groter dan de eigen productie aan fosfaat in het kalenderjaar en dat is niet toegestaan.
  4. Een bedrijf zet 5.000 kg fosfaat af via een DPO overeenkomst. Het bedrijf neemt 3.500 kg fosfaat over van een derde via een VVO. Het bedrijf draagt een verwerkingsplicht 4.400 kg over aan een overnemer met een VVO. Dit bedrijf wel voldoet aan de regels: Aan de eigen verwerkingsplicht wordt voldaan (4.400 kg VVO + 1.500 kg fosfaat via DPO). De som van de verwerkte hoeveelheid via de DPO (5.000 kg) plus de overgedragen VVO (4.400 kg) is lager dan de productie van fosfaat op het bedrijf (10.000 kg).

 

Kortom: let op bij het handelen in of met VVO’s, zeker wanneer u een aanzienlijk deel van de mestproductie op uw bedrijf heeft verwerkt via een VDM met code 61 of een DPO-overeenkomst.

Stikstofverliezen veehouderij driemaal hoger dan aangenomen ?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) heeft als uitgangspunt dat een bedrijf moet aantonen dat het voldoet aan de gebruiksnormen (artikel 7 Msw) of de verantwoordingsplicht (artikel 14 Msw). Uitgangspunt hiervoor is  de hoeveelheid stikstof en fosfaat in dierlijke mest die op een bedrijf wordt geproduceerd. Deze hoeveelheid wordt berekend op basis van excretieforfaits, de methode van de stalbalans of de vrije bewijslast (bijvoorbeeld de BEX). Bij de vaststelling van de excretie van stikstof wordt de berekende hoeveelheid uitgescheiden stikstof verminderd met gasvormige verliezen die optreden in de stal, bij beweiding en in de mestopslag. Hiervoor zijn forfaits beschikbaar. Deze forfaits worden per diercategorie, stalsysteem en geproduceerde mestsoort (drijfmest of vaste mest) bepaald.

bron: Trouw

De forfaits voor de (gasvormige) stikstofverliezen zijn berekend met het rekenmodel NEMA (National Emission Model for Agriculture) als de som van de verliezen van  ammoniak (NH3), stikstofoxide (NOx), lachgas (N20) en stikstofgas (N2).

Een alternatieve methode voor de bepaling van de stikstofverliezen zou, omdat fosfaat niet vervluchtigt, zijn om te kijken naar verandering in de stikstof/fosfaat-verhouding bij de geproduceerde mest (zonder correctie voor het stikstofverlies) en de afgevoerde mest en op basis van dat verschil de stikstofverliezen te berekenen. Onlangs verscheen van het CBS een publicatie deze vergelijking is gemaakt. waarin die vergelijking is gemaakt: de stikstofverliezen werden berekend op basis van de verandering in de stikstof/fosfaat-verhouding in de mest tussen het moment van excretie en bij de afvoer van dierlijke mest. De verkregen waarden werden vergeleken met de normen die nu worden gebruikt voor de stikstofverliezen en die zijn berekend met gebruikmaking van NEMA.

Uit eerder onderzoek naar mogelijke verschillen kwam al naar voren dat de gasvormige stikstofverliezen uit stallen en mestopslagen die met NEMA worden berekend, lager zijn dan de verliezen die kunnen worden afgeleid uit het verschil in de verhouding tussen stikstof en fosfaat bij excretie en bij mestafvoer van het bedrijf. Die conclusie wam ook uit dit onderzoek van het CBS. Bij de meeste mestsoorten is het stikstofverlies op basis van het verschil in de verhouding tussen stikstof/fosfaat-verhouding groter dan het verlies dat berekend wordt in NEMA. Bij reguliere huisvestingsystemen van rundvee, varkens en pluimvee komen de waarden redelijk overeen, maar bij emissie-arme huisvestingssystemen en vaste mestsoorten was het verschil groter. Een tweede conclusie van de auteurs was dat er geen duidelijk verschil in emissie werd waargenomen tussen de berekende verliezen van traditionele en emissie-arme huisvestingssystemen. Vooral dit laatste kwam in de publiciteit.

Deze laatste conclusie is uiteraard een reden van zorg, maar de bevindingen en resultaten van het CBS-onderzoek moeten wel met de nodige voorzichtigheid worden beschouwd. Immers:

  • Het is niet is bekend in welke vorm hoeveel stikstof verdwijnt. Het maakt nogal wat uit of het als NH3 of als N2 verdwijnt:
  • De uitgangspunten van het onderzoek zijn vrij grofmazig als het gaat om de samenstelling van de geproduceerde mest;
  • De vraag kan worden gesteld of de samenstelling van de afgevoerde mest wel representatief is voor de geproduceerde mest. De Msw gaat daar wel van uit (artikel 94a van de uitvoeringsregeling), maar of het ook werkelijk zo is;
  • Wordt alle stikstof die wordt afgevoerd ook wel teruggevonden in de analyse van het genomen monster?
  • Tenslotte is het de vraag of de opgestelde balans wel compleet is (denk aan spuiwater) en het waargenomen verschil inderdaad is verdwenen als gasvormig verlies.

Duidelijk lijkt echter wel dat de momenteel gebruikte correctiefactoren zoals die door NEMA worden berekend te laag zijn binnen de nu gebruikte systematiek en dit er voor kan zorgen dat veehouders administratief te weinig stikstof via mest af kunnen voeren. Dit probleem kennen we ook als de problematiek van het ‘stikstofgat’ dat we regelmatig in de praktijk waarnemen.

Wat dat betreft bevestigt het onderzoek van het CBS wat eigenlijk al wel bekend was. Nu is het zaak om – mede gezien de hele discussie over stikstof en de veehouderij – hier goed en gedegen op door te pakken. Dat geeft meer inzicht en verbetert de mogelijkheid om gericht maatregelen te nemen.

Lees hier het rapport van het CBS