Wijziging voorraad dierlijke mest: onderbouwen en motiveren

Bij procedures die betrekking hebben op het vermeend niet voldoen aan de voorwaarden van de Meststoffenwet komt het regelmatig voor dat de hoogte van de eindvoorraad dierlijke mest in geschil is. Een voorbeeld daarvan is een zaak waarin de rechtbank Gelderland onlangs uitspraak deed (ECLI:NL:RBGEL:2017:2942).

Wanneer we spreken over de hoogte van de eindvoorraad dierlijk mest zijn er twee aspecten aan de orde: de omvang van de mestvoorraad (de tonnen) en de gehalten aan stikstof en fosfaat in de mestvoorraad (kg per ton). Met betrekking tot het eerste komt het voor dat de betreffende agrariër aangeeft dat de omvang van de mestvoorraad in eerste instantie niet goed is ingeschat en bij nader inzien hoger (voor zover het de eindvoorraad betreft) had moeten zijn vastgesteld. Het tweede aspect, de gehalten in de mestvoorraad, worden door RVO – indien mogelijk – gerelateerd aan de afgevoerde mest. Vooral bij van nature sterk ontmengende mestsoorten kan dit resulteren in een vertekend beeld van de eindvoorraad.

20170313 ontvangstbevestiging

De eigen opgave van een mestvoorraad is een belangrijke basis

Met betrekking tot de correctie van een oorspronkelijke hoeveelheid mestvoorraad geldt dat RVO in beginsel de door agrariër zelf opgegeven cijfers tot uitgangspunt mag, kan en zal nemen. Dit wordt alleen anders wanneer de agrariër naderhand geloofwaardig kan maken dat en waarom zijn oorspronkelijke opgave (toch) onjuist was. Daarbij geldt dat minder snel reden bestaat tot afwijking van de oorspronkelijke opgave van de agrariër naarmate er meer tijd is verstreken tussen de eerste opgave en de voorgestelde correctie daarvan. Daarnaast geldt dat die correcties extra kritisch zullen worden bezien indien plaatsvinden in het kader van een procedure over een bestuurlijke boete. Dit betekent dat het op de weg van de agrariër ligt om zijn stellingen op dit punt aannemelijk te maken en te onderbouwen.

Dat een eenvoudige verklaring niet volstaat om de eindvoorraad dierlijke mest te corrigeren blijkt onder andere in deze procedure (ECLI:NL:RBGEL:2017:2942). Regel is dat op grond van de beschikbare stukken de betrouwbaarheid van de correctie moet kunnen worden vastgesteld en hoe later in de procedure deze wijziging moet worden doorgevoerd hoe overtuigender de argumenten zullen moeten zijn.

Hetzelfde geldt min of meer voor de vaststelling van de gehalten in de voorraad dierlijke mest. Op grond van artikel 94, lid 2 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) moeten de gehalten aan stikstof en fosfaat in de voorraad mest worden bepaald aan de hand van de ‘best beschikbare gegevens’. In de toelichting op artikel 94 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt het begrip ‘best beschikbare gegevens’ om het mineralengehalte in een voorraad te bepalen verder toegelicht:

  1. De beste methode is de gehele voorraad bemonsteren en analyseren op dezelfde manier als de aan- en afvoer van mest. Als dit praktisch gezien niet mogelijk is, dan:
  2. Uitgaan van de gehalten van de in het desbetreffende jaar afgevoerde hoeveelheid mest. Als die gegevens niet beschikbaar zijn, dan:
  3. Gebruik maken van de forfaitaire gehalten van de betreffende mestcode.

In de praktijk hanteert RVO waar mogelijk bemonsterde waarden van afgevoerde mest en anders de forfaitaire waarden van een gegeven mestcode. Wie daar van af wil wijken zal moeten motiveren waarom de afwijking beter voldoet als ‘best beschikbare methode’. Met andere woorden men zal moeten onderbouwen dat het gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest, niet voldoet aan de definitie  ‘best beschikbare methode’ van de gehalten aan stikstof en fosfaat in de betreffende voorraad dierlijke mest en bovendien aannemelijk moeten maken dat het voorgestelde alternatief dit wel of beter doet. In de eerder genoemde casus bepaalde de rechtbank dat RVO slechts andere – vaak voor de agrariër gunstigere – gehalten hoeft te hanteren indien er gerede twijfel bestaat over de juistheid van de vastgestelde waarden op basis van de gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest of het forfait.

Moraal van het verhaal is dus dat wanneer er een geschil is over de hoogte en/of het mineralengehalte in een mestvoorraad het niet een kwestie is van ‘even aanpassen’. Het zaak is, dit zo vroeg mogelijk in de procedure aan te geven en de argumenten daartoe stevig te onderbouwen en te motiveren.

analysegegevens grond verplicht verstrekken?

Ben je verplicht analysegegevens van de grond te verstrekken als  je ze wel hebt, maar er geen gebruik van hebt gemaakt en ze je ook niet beter uitkomen? Over deze vraag deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven onlangs uitspraak.

Appellant exploiteert een melkveehouderijbedrijf. In de Gecombineerde Opgaven van 2013 en 2014 heeft hij vermeld dat fosfaatdifferentiatie voor zijn percelen niet van toepassing is. Hij heeft daarmee gebruik gemaakt met de fosfaatgebruiksnorm voor de fosfaatklasse ‘hoog’.

De staatssecretaris heeft door middel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: verweerder) appellant een aankondiging melkveefosfaatreferentie (hierna: MVFR) gestuurd. Deze was opgebouwd uit de forfaitaire mestproductie van het in 2013 gehouden melkvee minus de fosfaatruimte in 2013. Bij primair besluit heeft verweerder de MVFR vervolgens ongewijzigd vastgesteld op 531 kg fosfaat.

stel je hebt een grondmonster. Ben je dan verplicht die te verstrekken en te gebruiken?

Stel je hebt een grondmonster. Ben je dan verplicht die te verstrekken en te gebruiken?

In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant aangevoerd dat hij een berekening van de fosfaatruimte wenst op basis van actuele cijfers van zijn grondmonsters. Daartoe heeft hij analysecijfers van de grond verstrekt. Verweerder heeft vervolgens de MVFR opnieuw berekend op basis van deze door appellant verstrekte gegevens en bij bestreden besluit  de MVFR verlaagd tot 0 kg.

In beroep voert appellant aan dat verweerder de MVFR ten onrechte heeft verlaagd. Appellant maakte in 2013 geen gebruik van fosfaatdifferentiatie voor zijn percelen. Hij heeft deze gegevens in bezwaar alsnog overgelegd in de veronderstelling dat dit hem een hogere MVFR zou opleveren. Een foutje dus.

Verweerder heeft het beroep van appellant opgevat als een beroep op het verbod van reformatio in peius (het recht waarmee de situatie wordt aangeduid dat appellant door het instellen van bezwaar of beroep er slechter voor komt te staan dan wanneer hij dat niet had ingesteld). Naar de mening van verweerder is dat verbod niet geschonden. Appellant was op grond van artikel 32 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, gelezen in samenhang met artikel 8, aanhef en onder c, en artikel 11 van de Meststoffenwet immers verplicht deze gegevens aan verweerder te verstrekken. Nu dit alsnog is gebeurd  acht verweerder zich (ambtshalve) bevoegd en verplicht het primaire besluit ten nadele van appellant te wijzigen. Gelet hierop is geen sprake van schending van het verbod van reformatio in peius, aldus verweerder.

Het College oordeelde als volgt: Op grond van artikel 21a van de Msw verleent verweerder aan een landbouwer die in het kalenderjaar 2013 melkvee hield een MVFR. Het tweede lid van die bepaling houdt in dat de MVFR wordt berekend door de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen door melkvee in het kalenderjaar 2013 op het bedrijf te verminderen met de fosfaatruimte van dat bedrijf in 2013. Daarbij wordt, voor zover van belang, aangesloten bij de gedifferentieerde fosfaatgebruiksnormen uit het stelsel van gebruiksnormen (zie TK, 2013-2014, 33 979, nr. 3, blz. 9).

Omdat op grond van artikel 24 van het Uitvoeringsbesluit Msw de situatie op 15 mei van enig kalenderjaar bepalend is voor de totale hoogte van de in dat kalenderjaar van toepassing zijnde gebruiksnormen, betekent dit dat de fosfaattoestand van de desbetreffende landbouwgrond uiterlijk op 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar moet zijn vastgesteld en dat de gegevens waaruit die fosfaattoestand blijkt eveneens voor die datum ter beschikking moeten zijn gesteld aan verweerder. Op grond van artikel 103b, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Msw meldt de landbouwer de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van artikel 103a, derde lid, geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.

Appellant heeft in zijn Gecombineerde Opgave 2013 vermeld dat fosfaatdifferentiatie niet van toepassing is. Ook anderszins is niet gebleken dat appellant uiterlijk op 15 mei 2013 gegevens heeft verstrekt aan verweerder over de fosfaattoestand van de bodem. Anders dan verweerder is het College van oordeel dat appellant ook niet verplicht was deze gegevens te verstrekken. Alleen indien appellant een beroep had willen doen op de fosfaatdifferentiatie, had hij de analysegegevens moeten verstrekken. Gelet op het voorgaande moeten de door appellant in 2013 opgegeven gronden dan ook worden aangemerkt als gronden met een hoge fosfaattoestand.

Nu, zoals uit het voorgaande volgt, voor appellant in 2013 de lagere fosfaatgebruiksnormen golden, had verweerder bij de bepaling van de fosfaatruimte in 2013 van die normen moeten uitgaan. Door in het bestreden besluit bij de berekening van de fosfaatruimte 2013 en de MVFR – ten nadele van appellant – uit te gaan van gedifferentieerde fosfaatnormen, heeft verweerder de fosfaatruimte in 2013 en daarmee ook de MVFR in strijd met artikel 21a, tweede lid, van de Msw berekend.

Lees hier de volledige uitspraak

Mestboetes in (on)redelijkheid – artikel V-focus

20170303 artikel v-focusOnder de treffende titel ‘Mestboetes in (on)redelijkheid schreef Geesje Rotgers in samenwerking met mestboete.nl in het decembernummer van V-focus een artikel over oorzaken, het verloop van de procedure en de gevolgen van mestboetes voor andere wetgeving.

Fouten maken met mest of in de mestadministratie leidt gemakkelijk tot een stapeling van boetes. Wanneer door een foutje de gebruiksnorm wordt overschreden, kan de derogatie worden ingetrokken met een boete tot gevolg. Mogelijk wordt dan ook niet voldaan aan de mestverwerkingsplicht en de voorwaarden die de Wet Verantwoorde Groei Melkveehouderij stelt, wat ook tot boetes zal leiden. Dan kan nog een korting op de betalingsrechten volgen.

Voor wie het artikel heeft gemist, maar wel is geïnteresseerd in het artikel, hierbij de kans om er nogmaals kennis van te nemen.

Klik hier om het gehele artikel te kunnen lezen.

Wat ? Hoe hoog is die boete ?

Wie een (mest)boete krijgt opgelegd voor het niet voldoen aan de gebruiksnormen of de verantwoordingsplicht schrikt zich vaak het spreekwoordelijke hoedje over de hoogte van het bedrag waarmee men wordt geconfronteerd. Een boete van meerdere tienduizenden euro’s lijkt eerder regel dan uitzondering. De eerste reactie is vaak dat het boetebedrag buiten elke proportie en niet reëel is. Wanneer dit argument op deze wijze wordt geformuleerd in een zienswijze is het nooit en direct een aanleiding voor matiging van een boete. Maar wat dan wel ?

Een bestuurlijke boete heeft enerzijds het doel om af te schrikken (het zogenaamd ontmoedigen van non-conform gedrag). Anderzijds is het doel om een overtreder het onterecht genoten financieel voordeel te ontnemen. In de Meststoffenwet (hierna: Msw) is in verband met de rechtszekerheid, het voorkomen van geschillen over tarief en de noodzaak van het stellen van effectieve en vooral afschrikkende sancties als uitgangspunt gekozen het tarief van de boete in de wet zelf vast te leggen: het zijn hiermee wettelijk vastgelegde boetebedragen. Dit is gedaan in de artikelen 57 (of 58) van de Msw (met als basis een bedrag van 7 euro per kg stikstof en 11 euro per kg fosfaat).

De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel houdende wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen) zegt hierover: “De hoogte van de tarieven is bepaald vanuit het uitgangspunt dat de bestuurlijke boete – wil zij afschrikwekkend zijn – hoger moet zijn dan het eventueel als gevolg van de overtreding genoten economisch voordeel en daarenboven een straffend element moet hebben. Deze elementen zijn in artikel 79 op forfaitaire wijze gebruikt, als bouwstenen om tot een totaal tarief te komen. Zij spelen als zodanig bij bestuursrechtelijke procedures geen rol meer: de voorgestelde wetsbepaling biedt aan overtreders bijvoorbeeld niet de mogelijkheid aan te tonen dat het werkelijk economisch voordeel lager is, dan het hier bij de bepaling van de hoogte van het tarief als uitgangspunt genomen bedrag. “

Met andere woorden: in beginsel is het niet mogelijk om van de wettelijk vastgelegde boetebedragen af te wijken ook al was het werkelijk genoten financiële voordeel (veel) kleiner. De boetebedragen staan vast, ook al zijn deze hoog. Dit is een bewuste keuze van de wetgever die daarbij al een evenredigheidstoets heeft uitgevoerd. Het bestuur en de rechter dienen daarmee in beginsel uit te gaan van deze afweging van de wetgever…….in beginsel…

Het kan namelijk voorkomen dat in een specifieke situatie onverkorte toepassing van artikel 57 (of 58) van de Meststoffenwet onbillijk uitwerkt. Omwille van deze reden moet het bestuur en de rechter wel een afweging maken over het feit dat de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Dit gebeurt bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen aan de hand de artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken.

cjib

De bedragen die samenhangen met een mestboete lopen snel op.

Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de ingevolge artikel 57 van de Msw voorgeschreven boete in een concreet geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het boetebedrag. Een aardig voorbeeld van zo’n afweging vormt deze casus, waarin het feit dat het betreffende bedrijf geen mest behoefde af te voeren, maar de gebruiksnormen had overschreden door een te hoge mestaanvoer, en daarmee geen transportkosten had uitgespaard, een dergelijke omstandigheid vormde.

Bovenstaande betekent dat wanneer binnen een procedure de redelijkheid en billijkheid van de opgelegde boete ter discussie wordt gesteld, dit alleen maar succesvol zal zijn wanneer specifieke omstandigheden kunnen worden aangeduid die gelden voor het betreffende bedrijf in de gegeven situatie en bovendien kan worden onderbouwd dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met deze omstandigheden bij de vaststelling van de vaste boetebedragen. Of en wanneer dit het geval is vraagt kennis van de specifieke materie en kennis van de praktijk en is meer dan de constatering dat het boetebedrag wel heel erg hoog is.

Matiging mestboete bij overschrijden redelijke termijn

Procedures rond een opgelegde mestboete kunnen lang duren, soms zelfs jarenlang. Maar wanneer is nu nog sprake van een redelijke termijn en wanneer duurt het echt te lang? Dat bepaalt de rechtbank.

Volgens vaste jurisprudentie onderzoekt de bestuursrechter ambtshalve of in een zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2010, ECLI:RVS:2010:BL3354 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2).

boete

procedures rond mestboetes kunnen een lange doorlooptijd hebben…

In zaken waarin een bestuurlijke boete wordt opgelegd (zogenaamde punitieve zaken) geldt daarbij het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep), zoals bij mestboetes het geval is, in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij wordt gerekend vanaf het moment waarop door het bevoegde gezag een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Bij het opleggen van een mestboete is dit in meeste gevallen de datum waarop het voornemen tot boeteoplegging aan aan betrokkene is meegedeeld.

Overschrijdt de lengte van de totale procedure ten tijde van de einduitspraak de termijn van vier jaar, dan wordt de vast te stellen boete om die reden gematigd. Het is dus niet zo, dat de boete dan komt te vervallen, het gaat om een korting op het vastgestelde boetebedrag. Daarbij gaat het overigens niet om forse percentages: Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer uitspraak van het College van College van 12 december 2013, ECLI:NL:CBB:2013:333) wordt bij overschrijding van de zogenaamde redelijke termijn de boete in beginsel met 5% per half jaar gematigd. Indien de periode tussen het voornemen en de datum van zes weken voor het doen van uitspraak bijvoorbeeld 4 jaar en 3 maanden bedraagt, zal een matiging worden doorgevoerd van 5% van het boetebedrag dat bij de einduitspraak zou zijn opgelegd.

In bepaalde situaties kan de rechtbank van dit uitgangspunt afwijken. De rechtbank kan oordelen dat gezien de ingewikkeldheid van een zaak of het processuele gedrag van één van de partijen een langere termijn gerechtvaardigd is. De termijnen (zonder reden) proberen te rekken kan in deze dus ook tegen een partij worden gebruikt.

Moraal van dit verhaal: De procedure met betrekking tot een mestboete is een proces van jaren. Het begrip redelijke termijn kan voor een dergelijke procedure op een termijn van 4 jaar worden gesteld. Daarna is de procedurelengte een factor die de boete enigszins kan matigen, maar de matiging zal eerder beperkt dan groot van omvang zijn. Voor een significante matiging zullen andere argumenten moeten worden ingebracht.

Is genoten financieel voordeel een argument voor matiging van een mestboete?

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak waarin partijen geen geschil hadden over het feit of er wel of geen overtreding van de Meststoffenwet (hierna: Msw) had plaatsgevonden, maar wel over de hoogte van de boete die daarvoor werd opgelegd.

20170425 paginasTussen partijen  is niet in geschil dat de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 4.767 kilogram stikstof is overschreden en de fosfaatgebruiksnorm met 3.225 kilogram. Wel in geschil is de stelling van appellante dat de hiervoor opgelegde boete van € 51.106,50 geenszins in verhouding staat tot het financieel genoten voordeel en daarmee zou moeten worden gematigd. Appellante heeft hiertoe in hoger beroep aangevoerd dat zij niet behoort tot de groep bedrijven die, om aan de gebruiksnormen te voldoen, mest had moeten afvoeren en die, nu dat niet is geschied, een voordeel heeft genoten dat bestaat uit het niet maken van kosten voor de afvoer van mest. Zij heeft erop gewezen dat het door haar, in verband met aanvoer van mest genoten financieel voordeel (becijferd op € 5.250,97) zeer gering is en de basis zou moeten zijn voor het op te leggen boetebedrag. Daarbij heeft appellante  gesteld dat, gelet op de toets die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) vereist, gelet op de omstandigheden van het geval niet tot de conclusie kan leiden dat de aan haar opgelegde boete evenredig is.

De staatssecretaris heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het feit dat appellante een gering economisch voordeel heeft genoten niet kan worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid op basis waarvan de boete moet worden gematigd. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst de staatssecretaris erop dat de wetgever bij de bepaling van de boetebedragen bij overschrijding van de gebruiksnormen al rekening heeft gehouden met het feit dat het daadwerkelijke economische voordeel geringer kan zijn dan de helft van het boetebedrag. De staatssecretaris wijst in dit verband naar de uitspraak van het College van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2239). Dat appellante niet onvoldoende meststoffen heeft afgevoerd, maar juist teveel meststoffen heeft aangevoerd, maakt dit volgens de staatssecretaris niet anders.

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of appellante door de opgelegde boete niet onevenredig is getroffen en dat er daarom geen aanleiding bestaat om de boete te matigen. Het College overweegt daartoe als volgt:

De opgelegde bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie. Artikel 6 van het EVRM brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Zoals het College eerder heeft overwogen ((destijds in het kader van artikel 59 (oud) van de Msw; zie ECLI:NL:CBB:2012:BV8605)) vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken.

Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de ingevolge artikel 57 van de Msw voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet reeds bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden.

De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel houdende wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen) ten aanzien van, ten tijde hier in geding artikel 57 Msw (Kamerstukken II, 2004/05, 29930, nr. 3, p. 125 en 126), luidt, voor zover in dit kader van belang, als volgt:

“De hoogte van de tarieven is bepaald vanuit het uitgangspunt dat de bestuurlijke boete – wil zij afschrikwekkend zijn – hoger moet zijn dan het eventueel als gevolg van de overtreding genoten economisch voordeel en daarenboven een straffend element moet hebben. Deze elementen zijn in artikel 79 op forfaitaire wijze gebruikt, als bouwstenen om tot een totaal tarief te komen. Zij spelen als zodanig bij bestuursrechtelijke procedures geen rol meer: de voorgestelde wetsbepaling biedt aan overtreders bijvoorbeeld niet de mogelijkheid aan te tonen dat het werkelijk economisch voordeel lager is, dan het hier bij de bepaling van de hoogte van het tarief als uitgangspunt genomen bedrag.

Bij de bepaling van het tarief is voor het bestraffende element aangesloten bij de bedragen in de huidige strafvorderingsrichtlijnen voor overtreding van de verboden van het stelsel van mestafzetovereenkomsten en van de stelsels van productierechten voornoemde delicten. Om zeker te stellen dat de bestuurlijke boete te allen tijde hoger is dan het economisch voordeel, is voor het element van het economisch voordeel aangesloten bij de verwachte kosten voor mestafzet op langere afstand: deze kosten worden maximaal bespaard bij overschrijding van de gebruiksnorm.

Wanneer deze elementen bij elkaar worden opgeteld leidt dat tot een tarief voor de bestuurlijke boete (…)”

Uit voornoemde toelichting leidt het College af dat de wetgever bij het bepalen van de boetenorm twee elementen heeft gecombineerd, te weten het aangehaalde economische voordeel en de bestraffing voor de overtreding. Het College constateert voorts dat de wetgever het tarief van de boete voor zover het element van het economisch voordeel betreft in belangrijke mate heeft gebaseerd op de kosten voor mestafzet op de langere afstand, waarbij de wetgever kennelijk met name het oog heeft gehad op veehouderijbedrijven die ter voldoening aan de gebruiksnormen (een deel van) de door hun dieren geproduceerde mest zullen moeten (doen) afvoeren. Tot deze groep van bedrijven behoort appellante niet. Daaruit volgt dat de gebruiksnormen door appellante niet zijn overschreden door de eigen mestproductie, maar het gevolg zijn van de aangevoerde meststoffen. Zij heeft dus geen transportkosten uitgespaard.

Het College stelt vervolgens vast dat de staatssecretaris in hoger beroep niet heeft bestreden dat het economische voordeel dat appellante voor de aanvoer van de meststoffen op haar bedrijf heeft genoten € 5.250,97 bedroeg. Hiervan uitgaande moet het bestraffende element in de opgelegde boete (€ 51.106,50) in dit geval worden geraamd op een veelvoud van het door appellante behaalde economisch voordeel. Het College neemt verder in aanmerking dat de staatssecretaris in dit geval zeer eenvoudig (namelijk door een administratieve controle waarbij hij is uitgegaan van de bij hem geregistreerde en de door appellante desgevraagd in het kader van de controle overgelegde gegevens) de overtreding heeft kunnen vaststellen en appellante direct, nadat haar gebleken was dat de gebruiksnormen op haar bedrijf waren overschreden, heeft toegegeven dat zij voor het aanbrengen van de mest op haar land toestemming heeft gegeven en aldus daarvoor de verantwoordelijkheid heeft genomen. Zij heeft daarbij steeds openheid van zaken gegeven. Van het heimelijk ontduiken van de Msw is derhalve geenszins gebleken. Tevens staat vast appellante niet eerder is beboet voor het overtreden van de Msw. Gelet op deze specifieke omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, is het College van oordeel dat appellante door de opgelegde boete onevenredig is getroffen. Het College ziet daarom aanleiding de boete vanwege deze omstandigheden met 50% te matigen tot een bedrag van € 25.553,25 dat uit een oogpunt van speciale en generale preventie passend te achten is.

Lees hier de volledige uitspraak.

Bewijslast naleving gebruiksnormen ligt altijd bij agrarisch bedrijf

Onlangs deed het College van beroep voor het bedrijfsleven (het College) uitspraak in een zaak die nogmaals aangeeft dat binnen de Meststoffenwet (Msw) de bewijslast met betrekking tot de naleving van de gebruiksnormen altijd ligt bij degene die dierlijke mest op het bedrijf produceert (verantwoordingsplicht) of aanvoert. Een goede administratie met de juiste onderliggende stukken (op papier) is daarvoor essentieel en kan een heleboel ellende voorkomen.

In deze casus exploiteren appelanten een agrarisch bedrijf. Het bedrijf is gecontroleerd in het kader van een landelijk onderzoek naar levering van mest waarbij sprake was van een fictieve afnemer bekend onder “[naam 4]”. De bevindingen van het onderzoek met betrekking tot het bedrijf van appelanten zijn vastgelegd in een afdoeningsrapport. Uit dat rapport blijkt dat, in de periode van 19 juni 2009 tot en met 29 juni 2009, in totaal 38 vrachten mest in mestopslagen zijn gelost die behoren tot het bedrijf van appellanten. Hierdoor vindt een overschrijding van de gebruiksnormen plaats. Op basis daarvan heeft de staatssecretaris een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 38.756,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw.

20170425 Awb boekenAppellanten verklaarden dat de silo’s in de periode van de lossingen verhuurd waren aan [naam 6] op basis van een mondelinge huurovereenkomst en dat de mest door hem is aangevoerd en nadien ook door hem is afgevoerd.

Het College is echter van oordeel dat de twee mestsilo’s in de betreffende periode wel tot het bedrijf van appellanten behoorden. Het College oordeelt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 6] de mestsilo’s in de betreffende periode daadwerkelijk van appellanten had gehuurd.

Weliswaar hebben appellanten gesteld dat sprake was van een mondelinge huurovereenkomst, maar appellanten hebben daar geen begin van bewijs voor geleverd. Wat betreft de door appellanten in dit verband overgelegde – achteraf opgestelde – schriftelijke huurovereenkomst, oordeelt het College dat hieraan geen waarde kan worden gehecht, omdat deze overeenkomst alleen door appellanten is ondertekend.

Ook een door appellanten overgelegd bankafschrift waaruit blijkt dat Mesthandel [naam 6] B.V. een bedrag van € 2.632,- heeft overgemaakt aan appellanten ten behoeve van ‘geleverde mest’ kan naar het oordeel van het College niet duiden op een mondelinge huurovereenkomst met betrekking tot de verhuur van de silo’s.

Dat [naam 6] heeft verklaard dat hij mestsilo’s heeft ‘bijgehuurd’ betekent niet dat hij de twee mestsilo’s van appellanten heeft gehuurd, zodat aan die verklaring in dit verband geen betekenis toekomt.

Evenmin komt betekenis toe aan de omstandigheid dat niet appellanten maar ‘[naam 4]’ als afnemer op de vervoersbewijzen stond vermeld, omdat juist deze afnemer voorwerp van onderzoek was naar aflevering van mest waarbij een fictieve afnemer zou zijn vermeld.

Tot slot komt geen betekenis toe aan het betoog van appellanten dat de door hun gebruikte hoeveelheid dierlijke mest (exclusief de 38 vrachten mest) nagenoeg overeenkomt met de hoeveelheid dierlijke mest die blijkens het overzicht ‘werk door derden’ is uitgereden en dat appellanten zelf niet de middelen hadden om mest uit te rijden. Uit het overzicht kan niet worden afgeleid dat de 38 vrachten mest niet zijn uitgereden.

Het College is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris heeft aangetoond dat appellanten artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw hebben overtreden en handhaaft de opgelegde boete.

Lees hier de volledige uitspraak

Inventarisatie gegevens fosfaatrechten

Momenteel wordt het wetsvoorstel voorbereid  waarmee een stelsel van fosfaatrechten voor de melkveehouderij zal worden ingevoerd. Naar verwachting zal dit stelsel ingaan op 1 januari 2017. Vooruitlopend daarop is de overheid begonnen met de voorbereidingen voor de invoering van deze rechten. De rechten zullen worden toegekend aan bedrijven die op 2 juli 2015 melkvee hielden en waar op 1 januari 2017 nog sprake is van een landbouwbedrijf.

Als onderdeel daarvan heeft RVO de informatie die van belang is voor het vaststellen van het aantal rechten verzameld. Bedrijven worden nadrukkelijk opgeroepen om de gegevens te controleren. Op de website van RVO kunnen de bedrijven deze gegevens inzien en wijzigen. Hiervoor kan de optie ‘direct regelen’ op de website van RVO worden gebruikt.

site fosfaatrechten RVO

bekijken en aanpassen van de verzamelde gegevens kan via de site van RVO

Naast deze controle zal RVO later deze maand ook een brief met alle gegevens die van belang zijn aan de bedrijven toesturen. Ook dan bestaat de mogelijkheid om de gegevens na te kijken en aan te passen.

De gegevens die in dit kader van belang zijn:

  • Het aantal stuks melkvee op 2 juli 2015
  • De melkproductie over 2015,
  • Het gemiddelde aantal melkkoeien over 2015
  • De fosfaatgebruiksruimte.

Zijn de gegevens niet juist dan kan dit via de website worden doorgegeven. De wijzigingen dienen te worden onderbouwd door middel van bewijsstukken. Deze bewijsstukken moeten worden voorzien van een paraaf of handtekening.

Welke bewijsstukken kunnen worden gebruikt:

  • melkproductie: afschriften van de melkfabriek (melkleverantieoverzicht), berekening voor melk die niet aan de fabriek is geleverd (bijvoorbeeld melk die aan kalveren is gevoerd)
  • diercategorie: veesaldokaarten, CRV-veesaldokaarten, koekaart, MPR-uitslag, veeregister
  • dieraantallen: aan- en afvoerbewijzen, facturen, veesaldokaarten, CRV-mineraal
  • oppervlakte grond: eigendomsaktes, pachtcontracten, grondgebruiksverklaring
  • fosfaattoestand van de bodem (PAL- en Pw-waarde): analyseverslagen die geldig waren in 2015. In de analyseverslagen over de fosfaattoestand geeft u aan bij welk perceel elk afzonderlijk verslag hoort.

RVO geeft bij voorbaat al aan dat uitdraaien van het managementsysteem worden niet geaccepteerd als bewijsstuk.

Aan bedrijven die tussen 2 juli 2015 en 1 januari 2017 zijn gestopt of overgedragen worden geen fosfaatrechten toegekend. Wie in de betreffende periode een bedrijf heeft overgenomen kan wel fosfaatrechten toegekend krijgen. Bedrijven die de overdracht voor  13 juni 2016 hebben gemeld ontvangen ook een brief. Wel moet dan bekend zijn welk bedrijf is overgenomen.  Is het bedrijf gesplitst en is daarbij het oorspronkelijke bedrijf opgeheven? Dan geeft u in uw reactie aan dat u een deel van het gesplitste bedrijf heeft overgenomen. Binnenkort komt op de site van RVO een formulier beschikbaar voor gesplitste bedrijven.

Op het moment dat de behandeling van de wet heeft plaatsgevonden en de exacte voorwaarden (en de aangekondigde knelgevallenregeling) duidelijk zijn zal  het aantal toegekende fosfaatrechten in een beschikking worden medegedeeld aan de betreffende bedrijven. Tegen deze beschikking staat de mogelijkheid van bezwaar open.

Wordt vervolgd!

Landbouwgrond: agrarische bestemming niet relevant, feitelijk gebruiksdoel wel!

Onlangs deed het College voor Beroep van het bedrijfsleven (hierna: CBb) uitspraak in onderstaande zaak:

Aan een melkveehouderij gelegen in de provincie Zuid Holland (hierna: appelante) werd een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.001,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). De staatssecretaris (hierna: verweerder) heeft geconcludeerd dat appellante niet onder de gebruiksnormen is gebleven. Appellante had bij de Gecombineerde Opgave een perceel gelegen in de provincie Groningen opgegeven dat door verweerder bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte is meegerekend. Volgens de staatssecretaris betrof het geen landbouwgrond en was het bovendien niet feitelijk in gebruik bij het bedrijf van appellante.

Het bezwaar van appellante is ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit is ongegrond verklaard door de rechtbank. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het hier niet gaat om landbouwgrond in de zin van de Msw, maar om braakliggend stuk industrieterrein met de bestemming “industrie”. Verder heeft verweerder erop gewezen dat de ondergrond ter plaatse bestaat uit wit/gele zandgrond met weinig humus en dat de vegetatie uit diverse soorten natuurlijk grassen bloemen en kruiden bestaat. Er waren geen sporen van bemesting en gebleken is dat de eigenaren hebben aangeven dat het perceel niet verhuurd of verpacht mag worden of op een andere manier in gebruik aan derden gegeven wordt. Ook volgt de rechtbank verweerders standpunt dat het feit dat in de praktijk gemaaid is en het maaisel aan schapen is gevoerd niet maakt dat hier sprake is van landbouwgrond in de hier bedoelde zin.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte bij zijn oordeel heeft betrokken dat de bestemming van de grond blijkens het bestemmingsplan industrie is. De gronden zijn landbouwkundig bewerkt; het gras is gemaaid, afgevoerd en aan schapen gevoerd.  Of de eigenaar toestemming heeft gegeven voor dit gebruik is naar het oordeel van appellante evenmin relevant voor de beantwoording van de vraag of sprake is van landbouwkundig gebruik. Reeds bij beperkt landbouwkundig gebruik is er sprake van landbouw in de zin van de Msw en dient de grond te worden aangemerkt als landbouwgrond. De staatssecretaris heeft gepersisteerd in het standpunt dat geen sprake is van landbouwgrond.

Het College overweegt dat volgens de definitie in artikel 1, aanhef en onderdelen g en h, van de Msw wordt onder “landbouw” respectievelijk “landbouwgrond” verstaan:

g. landbouw: akkerbouw, veehouderij – daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm van houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden – , tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet;

h. landbouwgrond: grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend;”.

bloemrijk grasland

Het feitelijke gebruiksdoel bepaalt mede of sprake is van landbouwgrond

Bij de beantwoording van de vraag of het betwiste perceel landbouwgrond is, dienen alle feiten en omstandigheden te worden betrokken. Het perceel betreft een deel van een veel groter perceel, feitelijk niet afgescheiden op enige wijze (afrastering of anderszins) van de rest van het perceel. De eigenaar heeft over het desbetreffende perceel verklaard dat gewacht wordt op een koper of een huurder, die conform de bestemming het terrein verder ontwikkelt. Met het oog daarop is de grond opgehoogd met 1,5 – 2 meter wit zand om deze rijp te maken voor bebouwing. Voorts komt naar voren dat de eigenaar een onderhoudscontract heeft gesloten met een loonwerker voor een aantal onderhoudswerkzaamheden, onder meer het klepelen van gras. Gebleken is dat deze loonwerker het onderhoud aan een ander heeft uitbesteed, die voor het maaien en afvoeren van het gras 15 euro per ha betaald kreeg. Deze persoon heeft op zijn beurt via bemiddeling van een tussenpersoon, zonder medeweten van de eigenaar, de grond ‘verhuurd’ dan wel in gebruik gegeven.

Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank onder deze omstandigheden terecht geoordeeld dat hier sprake is van braakliggend industrieterrein en niet van grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Van braakliggende grond waarop handelingen worden verricht om het geschikt te houden voor de teelt van gewassen, is geen sprake.

Hoewel het juist is dat de bestemming van de grond volgens het bestemmingsplan niet bepalend is, heeft de rechtbank naar het oordeel van het College de bestemming in deze context terecht als indicatie gezien voor het feit dat er van landbouwgrond in dit geval geen sprake is. Het feit dat appellante de grond heeft gehuurd met de bedoeling deze als landbouwgrond te gebruiken en dat ook daadwerkelijk gras is gemaaid, daarvan balen zijn gemaakt en deze zijn afgevoerd naar het bedrijf van de loonwerker/tevens gebruikgever maakt niet dat de grond, niettegenstaande het hiervoor overwogene, als landbouwgrond dient te worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande komt het College aan de vraag of er sprake is van landbouwgrond “die tot het bedrijf behoort” niet toe.

Lees hier de volledige uitspraak.

Overmacht Basisbetalingsregeling GLB

Wie door overmacht, zoals bijvoorbeeld vanwege uitzonderlijke (weers)omstandigheden, niet  of niet volledig kan voldoen aan de voorwaarden voor de uitbetaling van betalingsrechten, vergroeningsbetaling, extra betaling jonge landbouwers of graasdierpremie (Basisbetalingsregeling) kan een beroep doen op  overmacht. Hiervoor kent de systematiek een regeling.

Redenen voor overmacht

Redenen voor overmacht zijn onder andere het overlijden van de begunstigde, een dier- of plantenziekte of een niet voorziene onteigening. Echter ook extreme weersomstandigheden kunnen een reden voor overmacht zijn. Gezien de extreme weersomstandigheden in sommige delen van ons land is deze reden op dit moment actueel. Wordt een beroep op overmacht goedgekeurd, dan blijft het recht op uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling bestaan.

extreme neerslag

Extreme weersomstandigheden kunnen een reden zijn voor een beroep op overmacht als niet kan worden voldaan aan de voorwaarden van de basisbetalingsregeling.

Extreme weersomstandigheden in juni 2016

In juni 2016 was sprake van extreme weersomstandigheden onder andere in Zuidoost-Nederland. Het kan zijn dat door de overvloedige regen en hagel de toestand van de gewassen zodanig is dat er geen andere keuze rest dan het aanpassen van het bouwplan. Hierdoor wordt afgeweken van hetgeen op de Gecombineerde Opgave is aangegeven en kan wellicht niet meer aan de voorwaarden worden voldaan die gelden voor de Basisbetalingsregeling. Wat nu?

  • Kijk altijd eerst of met het alternatieve bouwplan alsnog kan worden voldaan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling. Lukt dit, dan hoeft er geen beroep te worden gedaan op overmacht. Wel moeten de wijzigingen in het bouwplan tijdig worden doorgegeven aan RVO. Dit kan via ‘mijn dossier’ op de site van RVO.
  • Lukt het niet om met een alternatief bouwplan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling te voldoen, dan kan een beroep worden gedaan op overmacht. Hiertoe moet een melding worden gedaan. In deze melding moet worden  aangegeven dat de wijzigingen in het bouwplan noodzakelijk zijn, maar ook waarom niet kan worden voldaan aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling. In dat geval hoeven de wijzigingen in het bouwplan niet te worden doorgegeven.

Wijziging in bouwplan

Bij het aanbrengen van wijzigingen van het bouwplan is het belangrijk dat eerst wordt gekeken of op een andere wijze kan worden voldaan aan de voorwaarden. Bijvoorbeeld door op hetzelfde perceel een ander toegestaan vanggewas voor ecologisch aandachtsgebied (EA) te zaaien of een volgteelt EA op een ander perceel te zaaien. Bijvoorbeeld als u na een mislukte hoofdteelt nog een tweede hoofdteelt wilt zaaien en deze niet voor 30 september wordt geoogst.

neerslagrecord juni

Met name het zuidoosten van ons land kreeg in juni van dit jaar grote hoeveelheden neerslag te verwerken (bron: website KNMI)

Wat te doen:

Gewijzigde bouwplan voldoet wel aan de voorwaarden

U wijzigt uw bouwplan en u kunt daarmee nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling.

  • Wijzigt vóór 15 juli de hoofdteelt, geef dit dan door in ‘Mijn percelen’ van de Gecombineerde Opgave in het digitale dossier op de site van RVO. Houd bij wijzigingen vóór 15 juli ook rekening met de verplichtingen die gelden voor gewasdiversificatie. Voor gewasdiversificatie moeten de gewassen in de periode van 15 mei tot en met 15 juli op het land staan.
  • Wijzigt de ingangsdatum van de volgteelt voor ecologisch aandachtsgebied? Geef dit dan uiterlijk op de dag van inzaai door met de Gecombineerde opgave op de site van RVO. Bij een vanggewas als ondervrucht in het hoofdgewas geldt de oogstdatum van het hoofdgewas als inzaaidatum van het vanggewas. De uiterste ingangsdatum van de volgteelt voor ecologisch aandachtsgebied is 30 september.

Gewijzigde bouwplan voldoet niet aan de voorwaarden : Beroep doen op overmacht 

Kunt u met een gewijzigd bouwplan toch niet voldoen aan de voorwaarden voor de Basisbetalingsregeling? Dan kunt u met het formulier Melding Overmacht Basisbetalingsregeling GLB een beroep worden gedaan op overmacht beroep doen op overmacht (kijk bij Direct Regelen). Bij de melding moet op het daarvoor bestemde formulier worden aangegeven, aan welke voorwaarden niet kan worden voldaan en waarom niet. Daarbij moet worden aangegeven om welke percelen het gaat. Bij de melding overmacht moeten ook bewijsstukken worden meegestuurd van de overmachtssituatie zoals bijvoorbeeld foto’s en een schaderapport. Zorg er tenslotte voor dat de melding zo snel mogelijk wordt gedaan. Alleen dan kan RVO op basis van een feitelijke controle constateren dat inderdaad sprake is van een uitzonderlijke situatie. De ingediende melding en de meegestuurde bewijsstukken worden door RVO beoordeeld. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de specifieke situatie zoals die zich heeft voorgedaan op het bedrijf in kwestie en wordt gebruik gemaakt van gegevens van onder andere het KNMI (neerslaggegevens) en actuele satellietbeelden.

Wanneer een beroep op overmacht wordt gedaan volstaat de melding en hoeft het gewijzigde bouwplan niet aan RVO te worden doorgegeven.