Dijken: landbouwgrond of niet?

LET OP: Dit artikel dateert uit 2018. Sinds het kalenderjaar 2019 is de regelgeving gewijzigd. Onderstaande geldt uitsluitend voor het kalenderjaar 2018. Het gewas natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw (gewascode 336) kunt u niet meer opgeven in Mijn percelen en in de Gecombineerde opgave. Nu geeft u in de Gecombineerde opgave aan dat u percelen als natuurterrein in gebruik heeft volgens de mestwetgeving. Of u heeft een primaire waterkering zoals een dijk in gebruik en heeft hierover niet de beschikkingsmacht. Daarna geeft u per perceel aan voor welke percelen dit geldt. Voor de regels in 2019 wordt verwezen naar de pagina in deze link.

 

Begin april 2018 gaf RVO in haar nieuwsbrieven die zijn gericht op de Meststoffenwet en de Gecombineerde Opgave aan dat men primaire waterkeringen (dijken die het land beschermen tegen buitenwater uit de Noordzee, de Waddenzee, de grote rivieren en het IJssel- en Markermeer) vanaf dit jaar automatisch aan zou merken als ‘natuurlijk grasland’ (gewascode 336). Recentelijk heeft  RVO, na gesprekken met vertegenwoordigers van LTO en waterschappen echter aangegeven dat haar duidelijk is geworden dat deze lijn voor problemen zorgt en haar standpunt gewijzigd. Enerzijds omdat RVO haar insteek pas laat bekend heeft gemaakt. Anderzijds omdat er verschillende pachtcontracten en beheertypen zijn voor dergelijke waterkeringen.

klik op het plaatje voor een vergroting

Dit gewijzigde standpunt van RVO  betekent echter niet dat primaire waterkeringen daarmee ook automatisch als landbouwgrond worden aangemerkt. Integendeel, de zinsnede ‘niet standaard’ moet  worden gelezen als dat per situatie de regels van de Meststoffenwet zullen worden gelegd op de feitelijke omstandigheden ter plekke. In die zin wordt de beoordelingssystemantiek gevolgd die men ook voor andere percelen grasland hanteert en waarvan hiernaast het schema is gegeven.

Het is en blijft daarom  van belang dat een juiste beoordeling wordt gemaakt van de indeling van het grasland. De verschillen lijken klein, maar kunnen grote gevolgen hebben. Zo telt natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw onder code 331 mee voor  de gebruiksnormen en derogatie, maar telt natuurlijk grasland, hoofdfunctie landbouw onder code 336 daar niet voor mee.  Wanneer een dijk (die door RVO standaard zou worden aangemerkt als code 336) onterecht wordt aangemerkt als landbouwgrond kan dit, wanneer dit later toch niet het geval blijkt te zijn, aanzienlijke gevolgen hebben.

Om dijken voor gebruiksnormen in aanmerking te laten moet sprake van zogenaamde feitelijke beschikkingsmacht. De interpretatie van het begrip ‘feitelijke beschikkingsmacht’ hangt af het geheel van de omstandigheden die betrekking hebben op het gebruik van een perceel. Wie beschikt over de feitelijke beschikkingsmacht is ‘In praktijk in staat is teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren’. Dit binnen de landbouwpraktijk van het bedrijf.

In een groot aantal overeenkomsten voor het gebruik van dijken is echter geen sprake van feitelijke beschikkingsmacht. Vaak zijn beperkende voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op het gebruik en het bemestingsplan beïnvloeden (er mogen maar een bepaald deel van het jaar dieren worden geweid, met een maximale veebezetting, er mag geen of een bepaalde hoeveelheid en soort mest op, er worden eisen gesteld aan het kunstmestgebruik, er worden eisen aan het maaibeheer gesteld). Daarnaast maakt een overeenkomst soms melding van zaken die door het waterschap zelf worden geregeld op de dijken. Het geheel van die voorwaarden kan tot de conclusie leiden dat  geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht.

Aan natuurlijk grasland met de hoofdfunctie natuur (gewascode 332) of de hoofdfunctie landbouw maar zonder feitelijke beschikkingsmacht (gewascode 336) worden geen gebruiksnormen toegekend. Wel mag er (wanneer de onderliggende overeenkomst dat toelaat) maximaal 170 kg stikstof of dierlijke mest en 70 kg fosfaat worden afgezet naar deze percelen, maar deze moet dan ook daadwerkelijk (via uitscharen dieren of afvoer dierlijke mest) naar de grond worden afgezet.

In het schema hiernaast staan de hoofdlijnen van de beoordeling gegeven. Wanneer sprake is van landbouwgrond (blijvend en tijdelijk grasland) of wanneer sprake is van natuurlijk grasland met hoofdfunctie landbouw, zonder beperking van het gebruik van meststoffen (gewascode 331), telt de grond voor de gebruiksnormen mee.

De beoordeling of wel of niet sprake is van landbouwgrond zal plaatsvinden op basis van de feitelijke omstandigheden en (vooral) op basis van hetgeen blijkt uit de onderliggende overeenkomst waarin de onderlinge afspraken en de afspraken met betrekking tot het gebruik van het perceel zijn vastgelegd. Het is dus van belang dat wanneer in de overeenkomst beperkingen zijn opgenomen die afwijken van het gebruik in de praktijk de overeenkomst daarop wordt aangepast.  Gelden er wel beperkingen of bent u niet zeker van of wel sprake is van het feit dat u de feitelijke beschikkingsmacht heeft, kies dan het zekere voor het onzekere en voer de mest af naar de percelen in gebruik, schaar de dieren die er grazen uit naar de percelen in gebruik en tel de percelen niet mee voor de 80% eis in het kader van derogatie.

Conclusie van bovenstaande is dat hoewel RVO  recentelijk heeft aangegeven primaire waterkeringen niet standaard aan te merken als ‘natuurlijk grasland’ dit zeker niet betekent dat primaire waterkeringen als landbouwgrond kunnen en zullen worden aangemerkt. Dit wordt bepaald op basis van het beoordelingskader van de Meststoffenwet. Daarin speelt de feitelijke beschikkingsmacht een bepalende rol vooral de beperkingen met betrekking tot de toegestane bemesting en beweiding. Dat was zo en dat blijft ook zo.