Wanneer is sprake van een bedrijf ?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) is van toepassing voor bedrijven. Maar wanneer sprake is van een bedrijf? Soms is dat in geschil, zoals in onderstaande zaak waarin de Rechtbank Limburg onlangs uitspraak deed.

Eiser en zijn echtgenote bezitten een kasteel met onder andere 2,5 hectare grasland en 2 hectare fruitboomgaard. Op het grasland en tussen de fruitbomen grazen twee pony’s. Het gras wordt gemaaid om de grond rondom het kasteel te onderhouden. Het gemaaide gras, wordt aan de pony’s gevoerd. De pony’s worden hobbymatig gehouden. Het fruit dat de fruitboomgaard oplevert wordt niet verhandeld.

Verweerder heeft geconstateerd dat eiser drie vrachten varkensdrijfmest heeft aangevoerd met daarin 771 kilogram stikstof en 432 kilogram fosfaat en stelt dat eiser zowel de gebruiksnorm dierlijke meststoffen als de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden.

Een relevante vraag: werd het gras geteeld voor het kasteel of voor de dieren?

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een landbouwbedrijf heeft, omdat sprake is van ‘enige vorm van landbouw‘. Volgens verweerder is het begrip ‘landbouw’ een ruim begrip waaronder elke agrarische activiteit, op welke schaal dan ook, moet worden verstaan.

Verweerder heeft toegelicht dat eiser grasland heeft waarop gras wordt geteeld dat aan zijn dieren wordt gevoerd. Daarbij heeft hij op zijn grasland mest aangewend en daarvoor betaald gekregen. Verweerder heeft opgemerkt dat het niet nodig is een gebouw te hebben om van een landbouwbedrijf te kunnen spreken. Er hoeft ook geen sprake te zijn van bedrijfsmatig handelen, omdat dat alleen vereist is in geval er sprake is van een veehouderij en daar gaat verweerder niet vanuit. Verweerder ziet steun voor zijn standpunt in de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:5951).

Eiser is het niet eens met de boete en betoogt dat verweerder hem geen boete heeft mogen opleggen omdat hij geen landbouwbedrijf heeft en de Msw daarom niet van toepassing is. In geschil is daarmee of in de situatie van eiser kan worden gesproken over een landbouwbedrijf.

In de Msw wordt als bedrijf aangemerkt, ‘een geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden’. De tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is de ‘in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is’. Tenslotte is grasland ‘landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer’.

Gelet op wat de Msw onder een bedrijf verstaat, acht de rechtbank het standpunt van verweerder onjuist. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die verweerder heeft aangegeven, geen grond geven te concluderen dat sprake is van een bedrijf in de zin van de Msw.

Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat het gras wordt geteeld om het als veevoer te gebruiken. De enkele omstandigheid dat eiser het gemaaide gras aan zijn twee pony’s voert, vindt de rechtbank onvoldoende grond voor die conclusie. Het grasland is gelegen rondom het kasteel. Het maaien ervan behoort tot het normale onderhoud van het grasland. Niet gebleken is dat het grasland er is en gemaaid wordt om het aan de pony’s te kunnen voeren. Het gemaaide gras wordt aan de pony’s gevoerd omdat het er, na onderhoud van het grasland, is. Verweerder heeft op grond van deze omstandigheden dan ook niet kunnen concluderen dat sprake is van grasland en daarmee landbouwgrond in de zin van de Msw. Van een productie-eenheid, zoals verweerder de grasteelt heeft omschreven, is dan ook evenmin sprake.

Tenslotte is de rechtbank is ook niet gebleken van enig bedrijfsmatig handelen. De rechtbank is het niet eens met verweerder, dat geen sprake hoeft te zijn van bedrijfsmatig handelen om een bedrijf als een landbouwbedrijf in de zin van de Msw aan te merken. Zoals hiervoor al aangegeven, behoort landbouwgrond, in de zin van de Msw, tot het bedrijf als de landbouwgrond in het kader van de normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is. De rechtbank leidt hieruit af, dat sprake moet zijn van de exploitatie van een bedrijf en dat de landbouwgrond daarvan deel moet uitmaken om onder het bereik van de Msw te vallen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank pas te spreken van landbouw, in de zin van de Msw, als sprake is van enig bedrijfsmatig handelen.

De rechtbank ziet in de uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin verweerder steun vindt voor zijn standpunt, geen reden voor een ander oordeel, reeds omdat de uitspraak op een andere situatie ziet als de onderhavige. Daarbij komt dat de uitspraak in hoger beroep is vernietigd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De rechtbank toetst daarmee voor het geschil of sprake is van een landbouwbedrijf in de zin van de meststoffenwet, de grond in landbouwkundig gebruik is en sprake is van enig bedrijfsmatig handelen. De rechtbank oordeelt dat in dit specifieke geval geen sprake is van een bedrijf en verweerder eiser geen bestuurlijke boete op had kunnen leggen op grond van de Msw.

Lees hier de volledige uitspraak

Mestfraude of Mestopslag: het verschil tussen overtreder en slachtoffer

Op deze site besteden we met enige regelmaat aandacht aan het belang van het vooraf duidelijk en eenduidig vastleggen van afspraken. Dit geldt zeker als het om de aan- en afvoer van mest gaat. Hier moet een gewaarschuwd mens voor drie tellen. Waarom dat is blijkt onder andere uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) onlangs uitspraak deed.

Uit een strafrechtelijk onderzoek onder de naam “Osagedoorn” is onderzoek gedaan het lossen/afleveren van dierlijke meststoffen waarbij op de vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) fictieve afnemers zijn vermeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat dierlijke meststoffen vermoedelijk fictief zijn afgeleverd op naam van diverse particulieren, zonder relatienummer.

Naar aanleiding van dit onderzoek is het melkveebedrijf van appellant gecontrolleerd op naleving van de Meststoffenwet (Msw) in kalenderjaren 2010 en 2011. Daaruit is gebleken dat zowel in 2010 als in 2011 vier vrachten dierlijke meststoffen zijn afgeleverd op het adres van appellant en dat op de van deze vrachten opgemaakte VDM’s niet de naam van appellant als afnemer staat vermeld maar een andere naam. Niet is gebleken dat deze vrachten vervolgens zijn afgevoerd.

Appellant heeft aangevoerd dat in 2010 en 2011 door [naam 2] vrachten dierlijke mest zijn aangevoerd en opgeslagen in een aparte mestput op het bedrijf van appellant. [naam 2] heeft deze put van appellant gehuurd en daarvan is een huurovereenkomst opgemaakt. De vrachten zijn ook weer afgevoerd en zijn dus niet uitgereden op de grond van appellant.

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris appellant bestuurlijke boetes opgelegd van € 19.151,50 en € 14.565,50 wegens de overtreding van artikel 7 van de Msw in respectievelijk de kalenderjaren 2010 en 2011. Verhuur van de mestput aan [naam 2] achtte de staatssecretaris onaannemelijk. Tegen beide primaire besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. In dit verband heeft appellant gewezen op een huurovereenkomst tussen [naam 2] en hem en een bankafschrift waaruit de betaling van de huur blijkt.

De staatssecretaris heeft de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Op de door appellant verstrekte huurovereenkomst ontbreken essentiële gegevens, zoals de huurperiode, appellants ondertekening, de datum van ondertekening en welke mestopslag het betreft, zodat appellant hiermee de verhuur aan [naam 2] niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook het bankafschrift is onvoldoende specifiek.

Tegen deze besluiten heeft appellant beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant hoger beroep aangetekend. Met de rechtbank is het College van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mestopslag in 2010 en 2011 daadwerkelijk verhuurd is geweest aan [naam 2]. Appellant onderbouwt zijn stelling met een schriftelijke huurovereenkomst en een bankafschrift. Op die huurovereenkomst ontbreken evenwel gegevens met betrekking tot de huurperiode, de huurlocatie (er staat alleen ‘mestput’), de ondertekening door appellant en de datum van ondertekening. Op het bankafschrift staat dat appellant op 15 december 2010 € 1.020,60 heeft ontvangen voor ‘mestdistributie’. Los van het feit dat onduidelijk is wie dit heeft overgemaakt, blijkt hier geen verhuur van de mestput uit.

Het College is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat de betreffende mest niet op of in zijn grond is gebracht en is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris heeft aangetoond dat appellant artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw heeft overtreden.

De vraag die blijft is of appellant overtreder of slachtoffer is van [naam 2] is. De controle werd uitgevoerd naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, dus appellant begon al met een achterstand, verder geldt binnen de Msw dat bij het vermoeden van een overtreding, dit vermoeden door appellant moet worden ontkracht. Dit kan alleen maar wanneer de onderliggende stukken duidelijk, helder en eenduidig zijn. Is dit niet het geval dan worden het dure vrachten mest….of ze nu slechts waren opgeslagen of zijn toegediend.

Lees hier de volledige uitspraak

Vormen hobbydieren met een weide een landbouwbedrijf?

Onlangs deed het College voor Beroep van het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een casus die handelde over de vraag of een particulier met enige grond een dient te worden aangemerkt als een landbouwbedrijf en daarmee in aanmerking kan komen voor overtreding van artikel 7 en 8 van de Meststoffenwet (hierna: Msw). De casus had ook betrekking op het onderwerp dat ook in het vorige bericht over het verschil tussen landbouwgrond en overige gronden aan de orde kwam. De casus was in zoverre bijzonder dat de particulier in kwestie (hierna: verweerder) in eerste instantie door de Rechtbank in het gelijk was geteld en de Staatssecretaris (hierna: appellant) beroep had aangetekend tegen deze uitspraak.

Verweerders houden twee shetlandpony’s op 0,68 ha grond. Uit een rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) blijkt dat twee inspecteurs van de NVWA op 17 oktober 2013 bij verweerders zijn langsgegaan in het kader van een onderzoek naar de levering van mest aan particulieren. Op basis van de controle heeft appellant bij besluit van 23 april 2014 (primaire besluit) aan verweerders drie bestuurlijke boetes opgelegd van in totaal € 2.478,- wegens overtredingen in het jaar 2012 van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw.

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft appellant het bezwaar van verweerders ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben verweerders beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep van verweerders gegrond verklaard door te oordelen dat nu slechts sprake is van twee hobbymatig gehouden shetlandpony’s en 0,68 ha grond aanwezig was, appellant daarmee de definitie van de begrippen landbouw, landbouwgrond en daarmee het begrip bedrijf in de Msw te veel oprekt. Nu geen sprake is van een bedrijf in de zin van de Msw en artikel 7 Msw spreekt van het “op een bedrijf” op of in de bodem brengen van meststoffen, kan evenmin sprake zijn van een overtreding van artikel 7 van de Msw en kon geen boete worden opgelegd.

20170524 tuin

Het beoordelingskader voor landbouwgrond verschilt van dat voor overige gronden

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een bedrijf in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Meststoffenwet. Verweerders hadden in 2012 de beschikkingsmacht over 0,68 ha grond. De omvang van de percelen en de activiteiten maakt niet dat er geen sprake kan zijn van een bedrijf. Het betrof grasland in de zin van artikel 1, eerste lid, onder q, van de Msw, omdat het op die percelen geteelde gras was bestemd voor het gebruik van veevoer voor de pony’s. Daarmee was sprake van landbouwgrond in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Msw. Deze landbouwgrond behoorde tot het bedrijf van verweerders. Of verweerders op hun bedrijfslocatie wel of niet beschikten over één of meer bedrijfsgebouwen of afgescheiden gedeeltes daarvan is daarbij niet doorslaggevend. Daarnaast hebben verweerder agrarische activiteiten ontplooid op hun landbouwgrond, te weten het laten beweiden van de grond door shetlandpony’s, het bemesten van de grond om gras te laten groeien en het maaien van gras om als hooi aan de pony’s te voeren. Niet van belang is voorts dat verweerders hun bedrijf niet voor winstdoeleinden hebben geëxploiteerd. Het oordeel van de rechtbank zou er immers toe kunnen leiden dat kleine(re) bedrijven of bedrijven zonder bedrijfsgebouwen onbeperkt meststoffen mogen aanvoeren op landbouwgrond. Dat is in strijd met de tekst, strekking en doelstelling van de Msw en overigens ook met de Wet bodembescherming.

Het College overweegt dat voor de kwalificatie van bedrijf in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, van de Msw onder meer vereist is dat er enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend op landbouwgrond. Onder landbouw wordt op grond van artikel 1, aanhef en onder g, van de Msw onder meer veehouderij verstaan, daaronder begrepen het bedrijfsmatig houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden. Uit wetsgeschiedenis blijkt de bedoeling van de wetgever om, in aansluiting op het begrippenkader van de Richtlijn van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (91/676/EEG, hierna: Nitraatrichtlijn) buiten twijfel te stellen dat onder veehouderij elke bedrijfsmatige vorm van het houden van dieren voor gebruiks- en winstdoeleinden begrepen dient te worden. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in zijn brief van 27 juni 2005 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal met betrekking tot de evaluatie Msw en de Wijziging van de Msw (invoering gebruiksnormen) medegedeeld dat niet bedrijfsmatig gehouden dieren, bijvoorbeeld als hobby of voor educatieve doeleinden, zoals kinderboerderijen, buiten de reikwijdte van de Msw vallen. Of sprake is van hobby of bedrijfsmatige veehouderij is, aldus de Minister in zijn brief, steeds een feitelijke beoordeling.

Gelet de aard en de omvang van de activiteiten van verweerders, namelijk het houden van twee shetlandpony’s op 0,68 ha grond, is het College van oordeel dat hier sprake is van het hobbymatig houden van dieren. Ook het feit dat de grond is bemest met dierlijke mest maakt niet dat sprake is van het bedrijfsmatig houden van dieren. Ook bij het hobbymatig houden van dieren is het niet ongebruikelijk dat ter bevordering van de groei van het gras gebruik wordt gemaakt van mest. Het College is daarom van oordeel dat de activiteiten van verweerders niet zijn aan te merken als het bedrijfsmatig houden van dieren en daarmee niet als veehouderij. De activiteiten van verweerders vallen daarmee niet onder het begrip landbouw in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Msw en hun percelen zijn daarom geen landbouwgrond in de zin van artikel 1, aanhef en onder h, van de Msw. Om die reden hebben verweerders ook geen bedrijf in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, van de Msw. Dat betekent dat verweerders de overtreding van artikel 7 Msw, nu dat artikel het bestanddeel “bedrijf” bevat , niet hebben gepleegd.

Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat als de activiteiten van verweerders niet als bedrijf in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, van de Msw worden aangemerkt, hun gebruik van dierlijke meststoffen onder geen enkel regime valt, en een en ander dus een sterke aanwijzing vormt om de termen “landbouwgrond” en “bedrijf” ruim uit te leggen, overweegt het College het volgende. In het op de Wet bodembescherming gebaseerde Besluit gebruik meststoffen is een systeem opgenomen dat equivalent is aan artikel 7 en 8 van de Msw. Nu de percelen van verweerders niet als landbouwgrond zijn aan te merken, vallen zij onder het begrip “overige grond” als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g van het Besluit. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is een verbod opgenomen om dierlijke meststoffen te gebruiken op overige grond. De door appellant geuite vrees dat een particulier zonder enige beperking meststoffen in of op zijn grond mag brengen, is dus onterecht.

Het College komt tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant aan verweerders geen bestuurlijke boetes had mogen opleggen wegens de overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Lees hier de volledige uitspraak

Landbouwgrond, natuurterrein of overige grond?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) kent in haar basis slechts een onderscheid tussen landbouwgrond en andere grond. Waarbij deze andere grond bijvoorbeeld bestaat uit natuurterrein en overige grond. De scheidslijn tussen wat kan worden gezien als landbouwgrond en wat niet is soms niet bij voorbaat helder, maar wel belangrijk. Immers de titel landbouwgrond impliceert dat de grond meetelt voor de gebruiksnormen. De discussie over wat mag worden gezien als landbouwgrond doet zich vooral voor bij grasland. Grasland kan zowel landbouwgrond (weideperceel), natuurterrein (blauwgrasland) als overige grond (grond in gebruik bij particulier) zijn. De vraag is dan ook: wat is landbouwgrond?

Landbouwgrond is grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Landbouw wordt omschreven als: ‘akkerbouw, veehouderij – daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm van houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden – , tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet’.

stockfotos 015a

uitscharen of gebruiksnormen?

Het begrip natuurterrein is als zodanig niet gedefinieerd in de Msw. De achtergrond hiervan is dat gekozen is voor gescheiden regimes: voor landbouwgrond, waarop de gebruiksnormen van de Msw van toepassing zijn, en voor natuurterrein en overige gronden, waarvoor afzonderlijke beheersregelingen en het, op de Wet bodemsanering gebaseerde, Besluit Gebruik Meststoffen gelden (BGM). Daarbij is niet van belang of het gronden betreft in gebruik bij landbouwbedrijven, natuurbeschermingsorganisaties, landgoederen, particulieren of anderszins.

Bij de discussie of een gegeven perceel grasland mag worden aangemerkt als landbouwgrond is vooraleerst van belang dat het perceel niet de hoofdfunctie natuur heeft en op het perceel sprake is van de teelt van gras dat bestemd is voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren.

Vervolgens geldt dat op het perceel sprake dient te zijn van een normale landbouwpraktijk. Hiervoor is bepalend dat de landbouwer over de feitelijke beschikkingsmacht over deze grond heeft, in die zin dat hij in de praktijk in staat is zijn teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren. Dit betekent dat de geldende beheers- en gebruiksmaatregelen op een perceel (bewerking, bemesting, beweiding) niet zodanig beperkend mogen zijn dat van een ‘normale landbouwpraktijk’ ten dienste van het landbouwbedrijf geen sprake kan zijn. Dit is geen zwart/wit verhaal: het dient te worden beoordeeld op basis van de feitelijke omstandigheden.

Een voorbeeld: Een perceel grasland (paardenweide) van een particulier is in gebruik bij een landbouwbedrijf, waarbij de particulier het perceel beweid met paarden en de verzorging van het gewas voor zijn rekening neemt. RVO oordeelt dat de feitelijke beschikkingsmacht niet bij de landbouwer ligt en daarmee telt het perceel niet mee als landbouwgrond bij het landbouwbedrijf.

Een tweede voorbeeld: Een perceel in de uiterwaarden dat wordt gehuurd door een landbouwbedrijf. De percelen mogen niet worden bemest en in beperkte mate worden geweid. Bij hoog water moet het perceel per direct worden ontruimd. Er moet regelmatig worden gemaaid om onkruiden te verwijderen. Verder zijn er geen subsidieregelingen van kracht op het perceel. Wat denkt u: landbouwgrond of niet? Er is sprake van grasland, dat wordt beweid door dieren die deel uitmaken van een landbouwbedrijf. Er zijn weliswaar beperkingen met betrekking tot het gebruik en beheer, maar is daarmee sprake van een dermate beperking dat geen sprake kan zijn van landbouwgrond? RVO oordeelt, op basis van de feitelijke omstandigheden dat dit het geval is en telt het perceel niet mee als landbouwgrond. De dieren die er grazen dienen te worden meegenomen als uitgeschaarde dieren. Het is de vraag of dit standpunt van RVO terecht is. Om dit standpunt te weerleggen zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat ondanks de beheersmaatregelen de mogelijkheden van het landbouwbedrijf om het teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen niet worden beperkt.

(hobby)schapen tellen….

De normen en verplichtingen van de Meststoffenwet zijn alleen van toepassing op landbouwbedrijven en op dierlijke meststoffen die afkomstig zijn van dieren die worden gehouden voor ‘gebruiks- of winstdoeleinden’. Mest afkomstig van hobbydieren wordt  niet gezien als zijnde dierlijke mest. Dat betekent niet dat deze mest volledig buiten beeld blijft. Wanneer de mest van hobbydieren wordt gebruikt op landbouwgrond (bijvoorbeeld omdat de dieren worden geweid), telt die mest wel mee als aanvoer van overige meststoffen en daarmee voor de gebruiksnorm werkzame stikstof en de fosfaatgebruiksnorm. De werkingscoëfficiënt waarmee moet worden gerekend voor de gebruiksnorm werkzame stikstof is die van ‘vaste mest van overige diersoorten’ en bedraagt 40%. Mest van hobbydieren telt dus niet mee in de gebruiksnorm voor dierlijke mest,  maar wel in de gebruiksnorm voor fosfaat en die van de werkzame stikstof.

Uit de definitie van dierlijke meststoffen in de Meststoffenwet blijkt dus dat mest van hobbydieren niet onder de definitie van ‘dierlijke meststof’ valt. Wanneer mest van hobbydieren wordt afgevoerd naar een ander bedrijf of naar een particulier geldt dat geen vervoersdocument mest (VDM) hoeft te worden opgemaakt. Wel moeten de gegevens omtrent onder andere de hoeveelheid afgevoerde mest afkomstig van hobbydieren in de eigen administratie worden bijgehouden.

In deze casus werden op een bedrijf, hobbymatig 15 schapen en 3 paarden gehouden. In het totaal goed voor een productie van 319 kg stikstof (waarvan 128 kg werkzaam) en 130 kg fosfaat.  Het bedrijf gaf deze dieraantallen keurig op toen door RVO de aanvullende gegevens werden opgevraagd. In de administratie van het bedrijf zaten geen stukken op basis waarvan de afvoer van mest van deze dieren aannemelijk kon worden gemaakt. De productie van de hobbydieren werd daarom opgeteld bij de aanvoer ‘overige meststoffen’ op het bedrijf.

In deze situatie bleef het bedrijf voor zowel de gebruiksnorm dierlijke mest als de gebruiksnorm werkzame stikstof binnen het daarvoor toegelaten maximum. De gebruiksnorm voor fosfaat werd echter wel overschreden. Deze overschrijding werd door de hobbydieren nog eens vergroot met 130 kg oftewel een verhoging van de boete met 1.430 Euro. Dat is natuurlijk zuur. Gelukkig kwam de cliënt er, na enige correspondentie, voor dit deel van de boete vanaf met een ‘eenmalige waarschuwing’,  die we hierbij graag met u delen. Een hobby moet tenslotte wel leuk blijven.

Mestafvoer naar particulieren

Soms gaat het mis op de kleine dingen. Mestafvoer naar particulieren of particuliere organisaties is daar een bekend voorbeeld van: het kan, het mag, maar is ook aan regels gebonden. Vindt de afvoer niet plaats volgens die regels, dan kunnen de consequenties aanzienlijk zijn. In dit bericht worden de regels met betrekking tot de afvoer van mest naar particulieren samengevat.

Wat is een particulier?

In de eerste plaats moet worden nagegaan of een particulier ook een particulier is. Een particulier, in het kader van de Meststoffenwet, is iemand zonder landbouwbedrijf en zonder relatienummer bij RVO. Wie wel beschikt over een relatienummer wordt door RVO gezien als een landbouwbedrijf. Op dat moment gelden, met betrekking tot de mestafvoer en de gebruiksnormen, de regels en normen van de Meststoffenwet. Iemand met minder dan 3 ha is zich vaak niet bewust van het feit dat hij/zij misschien nog wel een registratienummer bij RVO heeft. Even checken dus.

20170524 tuinDe grond die een particulier in gebruik heeft valt onder de definitie ‘overige grond’. Als deze grond wordt gebruikt als grasland of bouwland dan mag – vanaf 1 januari 2015 – maximaal 80 kg fosfaat per ha worden toegediend. Deze norm geldt voor fosfaat in dierlijke meststoffen en compost. De norm voor stikstof in dierlijke mest bedraagt 170 kg per ha.

Is de ‘overige grond’ geen grasland of bouwland, maar bijvoorbeeld tuin,  dan geldt een norm van 20 kg fosfaat per ha. In dat geval geldt geen stikstofnorm.

Afvoer van mest naar particulieren.

Een veehouder mag jaarlijks, zonder wegen en bemonsteren en op basis van de forfaitaire gehalten, maximaal 250 kg fosfaat uit dierlijke mest naar particulieren afvoeren. Naar één particulier mag jaarlijks maximaal 20 kg fosfaat worden afgevoerd. Op het ‘Vervoersbewijs dierlijke meststoffen’ (VDM) moet dan de opmerkingscode 31 ‘Levering aan particulier (en andere eindgebruiker zonder relatienummer)’ worden ingevuld.

Indien een veehouder meer dan 20 kg fosfaat naar een particulier wil afvoeren, dan mag dit alleen door middel van wegen en bemonsteren. De particulier mag uiteraard niet meer aanvoeren dan volgens de bovenstaande normen is toegestaan.