Onderzaai bij mais mislukt, wat nu?

Al eerder besteden we op deze website aandacht aan de gewijzigde verplichting tot de teelt van een vanggewas na maïs op zand- en lossgrond.  In het kort: aan de verplichting tot de teelt van een nagewas kan  op 3 manieren invulling worden gegeven:

  1. Door onderzaai van een vanggewas;
  2. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 1 oktober – een vanggewas in te zaaien;
  3. Door direct na de oogst van de maïs – maar voor 31 oktober –  een wintergraan te telen, waarbij het wintergraan als hoofdteelt gebruikt dient te worden in het volgende kalenderjaar.

Veel maistelers hebben vanwege de ‘deadline’ van 1 oktober gekozen voor onderzaai van een vanggewas.  De droogte van dit jaar heeft echter  als een van de gevolgen dat bij een groot deel van de percelen waarbij voor de optie van onderzaai is gekozen de opkomst van de onderzaai dit jaar is mislukt,  deels is mislukt of dreigt te zijn mislukt.

Wie daarbij redeneert ‘jammer dan’. Ik heb onderzaai gedaan en daarmee aan mij verplichting voldaan komt echter bedrogen uit. RVO en de NVWA stellen nadrukkelijk dat sprake dient te zijn van van een bedekte bodem. Wanneer de mais dan niet voor 1 oktober wordt geoogst betekent dit dat geen invulling kan worden gegeven aan de verplichting tot het tijdig (voor 1 oktober) inzaaien van een vanggewas. RVO heeft inmiddels deze situatie onderkend en aangegeven daar bij een controle rekening mee te houden.  Maïstelers bij wie de onderzaai is mislukt, mogen ook na 1 oktober – onder vaoorwaarden – opnieuw een vanggewas inzaaien of vanggewas bijzaaien.

 

 

RVO stelt nu dat bedrijven bij wie de onderzaai mislukt is  direct na de oogst een vanggewas mogen bijzaaien of opnieuw mogen inzaaien. Daarbij mogen de gewassen worden gebruikt uit de tabel. Wanneer maar een deel van de onderzaai is mislukt kan alleen dat deel van het perceel opnieuw worden ingezaaid. Wel is een nadrukkelijke voorwaarde dat bij controle aannemelijk kan worden gemaakt dat eerder onderzaai is verricht en dat er normaal gesproken een vanggewas zou moeten hebben gestaan.  Dit betekent dat aannemelijk moet worden gemaakt wie, wat, wanneer en hoe het vanggewas is gezaaid. .

Deze toezegging van RVO is in zekere zin in tegenspraak met de informatiebrief die RVO onlangs heeft gestuurd over het inzaaien van een vanggewas als hoofdteelt. Deze brief had uitsluitend betrekking op optie 3 van de mogelijkheden om te voldoen aan de verplichting (vanggewas als hoofdteelt). Het hier besprokene heeft uitsluitend betrekking op optie 1 (vanggewas door onderzaai).

 

 

Vervanging grasland op zand- of lössgrond bij waterschade door overvloedige regen tijdelijk toegestaan

wateroverlast

Voor graslandpercelen op zand en loss met ernstige waterschade geldt een tijdelijke vrijstelling van het zogenaamde scheurverbod

Boeren op zand- of lössgrond, waarbij het grasland als gevolg van de overvloedige regenval ernstige schade heeft opgelopen krijgen de mogelijkheid om de graszode te vernietigen en het grasland opnieuw in te zaaien.

Het vernietigen van de graszode is op deze grondsoorten in deze periode, volgens artikel 4b, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm besluit). Tot  en met 15 september 2016 wordt vrijstelling van dit verbod  verleend wanneer:

  • de verwachte grasopbrengst door wateroverlast naar verwachting tenminste 25% lager is dan in een jaar zonder wateroverlast;
  • de totale oppervlakte beschadigd grasland tenminste 5% bedraagt van de oppervlakte grasland die bij het bedrijf in gebruik is;
  • een geregistreerd schade-expert in een op het bedrijf te bewaren rapport bevestigt dat is voldaan aan de bovengenoemde voorwaarden;
  • het voornemen om de graszode te vernietigen minimaal 7 werkdagen voorafgaand aan de daadwerkelijke vernietiging, maar uiterlijk op 31 augustus van het jaar 2016 en na gereedkomen van het rapport, wordt gemeld bij de minister van Economische Zaken (lees: RVO);
  • op de betreffende percelen grasland herinzaai van gras plaatsvindt binnen zeven werkdagen na de vernietiging van de graszode, maar uiterlijk op 15 september 2016.

Zie voor meer informatie de publicatie van de vrijstellingsregeling in de Staatscourant.

Indienen kringloopwijzer voor maart 2016

Vanaf 2015 zijn alle melkveebedrijven met een fosfaatoverschot verplicht de KringloopWijzer in te vullen. De zuivelondernemingen hebben deze verplichting opgenomen in hun leveringsvoorwaarden. De genoemde groep melkveebedrijven moet voor 1 maart 2016  de kringloopwijzer hebben opgesteld en ingediend. Dit  dient te gebeuren via de site: www.dekringloopwijzer.nl. Voordat kan worden begonnen met het invullen van de kringloopwijzer, moet op de site worden ingelogd. Dit inloggen verloopt via eHerkenning (Niveau 2+). Hiervoor is geopteerd vanuit privacy overwegingen: de gegevens die nodig zijn om de kringloopwijzer kunnen voor een belangrijk deel automatisch worden ingelezen. Dat vraagt natuurlijk om een deugdelijke afscherming. Na het inloggen kunnen machtigingen worden gegeven aan organisaties waarmee deze hun gegevens automatisch in kunnen laden.

Doel van het instellen van deze verplichting is dat met de KringloopWijzer de mineralenefficiëntie op een melkveebedrijf in beeld worden gebracht. Op  basis van dit inzicht kan beter worden gestuurd op de benutting van mineralen en daarmee worden bespaard op voer- en kunstmestaankoop en/of mestafvoer.

Door het optimaliseren van de bedrijfsvoering zou het in de toekomst bovendien mogelijk moeten zijn om ontwikkelingsruimte te creëren voor het bedrijf. In bovenstaande Youtube video wordt ingegaan op het proces omtrent de kringloopwijzer: van inloggen tot indienen.

Is de verplichting tot het indienen van de kringloopwijzer in 2015 beperkt tot melkveebedrijven met een fosfaatoverschot., vanaf 2016 is de kringloopwijzer verplicht voor alle melkveebedrijven.

Benutten van overblijvende fosfaatruimte

schema mestbeleid

In bovenstaand overzicht is – schetsmatig – de situatie weergegeven zoals we die regelmatig op melkveebedrijven tegen komen. In het schema is in het bovenste blok de mestproductie, in kg stikstof en fosfaat, gegeven. In de onderste rij blokken is de verantwoording van de geproduceerde stikstof en fosfaat gegeven via respectievelijk de gebruiksnormen van de grond die in gebruik is bij het bedrijf en de mest die wordt afgevoerd naar derden. Het derde blok, de mutatie van de voorraad dierlijke mest, is in dit voorbeeld beschouwd als sluitpost.

De cijfers in dit voorbeeld zijn afgerond en hebben geen betrekking op een specifiek bedrijf, maar staan model voor een groep bedrijven. Het zijn bedrijven die een aanzienlijk voordeel met BEX realiseren, maar de stikstof:fosfaat verhouding in de productie van de mest (3,0), niet terugvinden in de stikstof:fosfaat verhouding van de afgevoerde mest (2,66) en de gebruiksnormen (2,77).

Vaak doet zich dan, omdat mest wordt afgevoerd om de stikstofverantwoording te kunnen realiseren, de situatie voor dat er meer fosfaat wordt afgevoerd dan nodig is om aan de gebruiksnorm voor fosfaat te voldoen. In het voorbeeld hierboven betreft het 550 kg fosfaat oftewel bijna 20 kg fosfaat per ha (per jaar!), bij de toch al krappe gebruiksnormen. Fosfaatkunstmest aankopen is wellicht de gemakkelijkste oplossing, maar dit is niet op alle bedrijven (derogatie!) toegestaan.

Wanneer dit fenomeen zich een aantal jaren voordoet kan een situatie ontstaan waarin de fosfaatvoorziening van de gewassen in gevaar komt. Hetzelfde geldt in principe voor de organische stof .

Een aantal van de opties die we in de praktijk zien bij bedrijven die hierop anticiperen zijn wellicht wat verassend. In de eerste plaats  noemen we het scheiden van mest en het afvoeren van de dunne (!) fractie. Deze fractie bevat een relatief hoge verhouding tussen stikstof en fosfaat, waardoor deze afvoer beter aansluit bij de verhouding die nodig is met betrekking tot de mutatie van de voorraad. Plus de dikke fractie (met fosfaat en organische stof) kan voor het eigen bedrijf behouden blijven. Het nadeel is duidelijk: extra kosten in verband met het scheiden van de mest om vervolgens de meest waterige fractie af te zetten. Daarnaast moet in het achterhoofd worden gehouden dat dunne fractie als product maar een beperkte periode in het jaar kan worden afgezet en niet bij iedereen. Tenslotte moet wel voldoende fosfaat worden afgezet om te kunnen voldoen aan de verwerkingsplicht.

Andere bedrijven vullen de onbenutte ruimte voor fosfaat in door bijvoorbeeld een product als compost aan te voeren. Hiermee kan de overgebleven fosfaatruimte alsnog worden benut. Compost is vooral een product om  effectieve organische stof aan te voeren. Voor de mestwetgeving telt fosfaat in compost voor 50% mee mits deze 50% niet boven een fosfaatgehalte van 3,5 kg per ton drogestof uitkomt. Het deel boven de 3,5 kg per ton drogestof telt voor 100% mee. De stikstof in compost telt voor 10% mee en telt mee onder de gebruiksnorm werkzame stikstof dus niet voor de gebruiksnorm dierlijke mest.

Een alternatief voor compost kan het aanvoeren schuimaarde zijn. Schuimaarde  is een hoogwaardige snelwerkende kalkmeststof die ook extra beschikbaar calcium levert. Dit is met name van belang op percelen waar de calciumbezetting in de bodem laag is en waar verhoging van de pH gewenst is. Daarnaast brengt schuimaarde ook enige organische stof mee. Ook de stikstof in schuimaarde telt mee onder de gebruiksnorm werkzame stikstof.

Vanuit de kringloopgedachte is het natuurlijk merkwaardig: organische stof en fosfaat worden afgevoerd via dierlijke mest en vervolgens weer aangevoerd via een product als compost of schuimaarde dat onder een andere categorie meststoffen valt: het is maar welk labeltje je er op plakt.

Rietzwenkgras: kampioen fosfaatefficiëntie?

Zachtbladig rietzwenk; kampioen fosfaatefficiëntie’, zo kopte het artikel, om te vervolgen met de tekst:  ‘Nu fosfaatrechten in Nederland een feit zijn, is efficiënt omgaan met dit mineraal nog belangrijker om enige ontwikkelruimte te behouden op het melkveebedrijf’. Vervolgens wordt de link gemaakt naar het voordeel van een grassoort met een hoge fosfaatefficiëntie: zachtbladig rietzwenkgras. Het klinkt logisch, maar is dit wel zo? Is een hoge fosfaatefficiëntie van gewassen een gunstige eigenschap, die resulteert in  ontwikkelruimte?

Fosfaatrechten hebben betrekking op de uitscheiding van fosfaat via mest door melkvee. Hoe lager de fosfaatuitscheiding per dier, hoe meer dieren kunnen worden houden. Om een lagere fosfaatuitscheiding te krijgen – en dus ontwikkelingsruimte te realiseren –  moet de fosfaatopname door de dieren dus laag zijn bij voldoende opname van energie en eiwit. Dit betekent lage fosfaatgehalten in het ruwvoer. Een laag fosfaatgehalte kan alleen bij een lage fosfaatopname door het gewas. Dus zoek je naar gewassen met wellicht juist een lage fosfaatefficiëntie  in termen van fosfaatopname per kg drogestof. Op zich een verassende conclusie, maar wellicht ook wat kort door de bocht. Wat hierboven wordt gesteld is dat het gaat om het fosfaatgehalte in het ruwvoer, met andere woorden hoeveel fosfaat zit er in het gras per kg drogestof. En dan doet rietzwenk het best goed (zie onderstaande Tabel). Nog liever, zou je willen kijken naar de hoeveelheid fosfaat per kVEM of per kg ruweiwit.

Conclusie 1: Voor de fosfaatrechten is niet de efficiëntie van opname van belang, maar gaat om het gehalte aan P per kg drogestof of beter nog het gehalte aan P per kVEM.

tabel rietzwenk

bron: Barenbrug

 

In het artikel wordt verder gesteld: ‘De relatieve drogestof opbrengst van dit mengsel (rietzwenkgras) ligt 19 procent hoger dan van een grasmengsel met 100 procent Engels raaigras.’ Dit betekent dat het verschil in P opname geen kwestie is van efficiëntie, maar van een verschil in drogestofproductie. Bij een opbrengst van 11.900 kg drogestof zou het mengsel van rietzwenkgras 118 kg fosfaat opnemen (zie Tabel) en een mengsel van Engels raaigras met 10.000 kg drogestof 115 kg fosfaat. Het effect dat in de Tabel wordt gepresenteerd lijkt dus een opbrengst effect. Er wordt niet meer fosfaat opgenomen uit de bodem, de opgenomen fosfaat wordt verdund over meer kilogrammen drogestof.

Conclusie 2: rietzwenkgras is geen kampioen fosfaatefficiëntie, maar eerder kampioen drogestof produceren.

Bovenstaande wil niet zeggen dat rietzwenkgras geen rol kan hebben bij het invullen van maatregelen in het kader van het anticiperen op fosfaatrechten. Het geeft slechts aan dat een commerciële boodschap van een leverancier altijd binnen de feitelijke toepassing op het veehouderijbedrijf moet worden beoordeeld.