Aanvullende voorwaarden bij nieuwe handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie

Op 12 juli 2019 is de nieuwe Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie gepubliceerd (hierna: Handreiking). Deze handreiking is de richtlijn voor melkveebedrijven die de BEX systematiek toepassen om daarmee aan te tonen dat de uitscheiding van stikstof en fosfaat lager is dan de forfaitaire normen. Voor bedrijven die over 2019 met de BEX-systematiek willen rekenen is het verplicht om de onlangs verschenen versie van de Handreiking tot te passen..

De nieuwe Handreiking bevat, zoals altijd bij een nieuwe versie, een aantal inhoudelijke wijzigingen of verbeteringen ten opzichte van de vorige versie. Opvallend bij deze versie is echter dat ook in de voorwaarden voor toepassing van de Handreiking een aantal aanvullende voorwaarden zijn toegevoegd.

Een van deze aanvullende voorwaarden is dat een bedrijf dat door middel van BEX methodiek de excretie van stikstof en fosfaat bij melkvee verantwoordt, de uitdraai van de resultaten van de BEX (via de Excretiewijzer, de KringloopWijzer of een ander programma met de berekeningswijze die in BEX is opgenomen) met de datum van uitdraai, op uiterlijk 1 februari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de BEX betrekking heeft,  in de administratie op moet nemen. Deze uitdraai – met een datum van vóór 1 februari,- dient altijd in de administratie bewaard te blijven, ook als blijkt dat op basis van een fout een nieuwe uitdraai na 1 februari wordt gemaakt om op te nemen in de administratie.

Een tweede procedurele voorwaarde die is toegevoegd aan de voorwaarden voor toepassing van de BEX is dat indien de Handreiking wordt gebruikt voor verantwoording van de lagere uitscheiding van stikstof en fosfaat, de daarin opgenomen invoergegevens over dieren, diervoeders en huisvesting gelijk dienen te zijn aan de invoergegevens die worden gebruikt voor de KringloopWijzer,  waarvan het resultaat over hetzelfde kalenderjaar ter beschikking dient te worden gesteld aan de afnemer(s) van de door geproduceerde koemelk. Hiermee legt de Handreiking een rechtstreekse koppeling met de Kringloopwijzer.

Beide aanvullingen lijken ingegeven door het feit dat de minister de borging van de BEX systematiek onvoldoende acht. Al eerder heeft de minister aangegeven dat de KringloopWijzer wel als voldoende geborgd werd geacht, maar de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie niet. Door de termijn van het opstellen te verkorten en de koppeling van invoergegevens tussen BEX en KringloopWijzer gelijk te stellen lijkt de minister de borging van de BEX te willen verbeteren.

Of wanneer niet aan deze voorwaarden ook kan of zal resulteren in het volledig afkeuren van een BEX berekening is de vraag. Immers zoals al eerder gesteld is de BEX van belang voor bedrijven waar sprake is van een  verschil tussen de feitelijke excretie van stikstof en fosfaat en de forfaitaire normen. Om dit verschil  te kunnen onderbouwen kan een beroep worden gedaan op de mogelijkheid van de zogenaamde ‘vrije bewijsleer’ die de Algemene wet bestuursrecht kent. De meest bekende methode van een dergelijke onderbouwing is de Bedrijfsspecifieke Excretie oftewel de BEX-berekening.

De reken- en verantwoordingswijze van de BEX-berekening kan worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze aan de hand waarvan bedrijven – gebruik makend van de Handreiking en de daarin genoemde voorwaarden – gemotiveerd en onderbouwd kunnen afwijken van de vastgestelde excretieforfaits voor melkveebedrijven. Hierbij wordt nadrukkelijk gesproken over een methode, niet over de of de enige methode. Er is immers sprake van vrije bewijsleer. Voor de BEX systematiek spreekt echter wel dat deze akkoord is bevonden door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM), breed wordt toegepast en, zoals reeds eerder vermeld, mag worden beschouwd als een vooraf door de overheid geaccordeerde reken- en werkwijze voor de invulling van de zogenaamde vrije bewijsleer.

De vraag is of dat wanneer niet wordt voldaan aan de genoemde aanvullende voorwaarden of termijnen niet kan worden onderbouwd dat de mestproductie lager was en dus daarmee de inhoudelijke bewijsvoering niet zal worden geaccepteerd. Immers wanneer wel aan de overige inhoudelijke voorwaarden van de Handreiking wordt voldaan is de inhoudelijke onderbouwing op zich gelijk. Duidelijk is wel dat het niet voldoen aan de nieuwe procedurele termijnen zal leiden tot discussie en risico op afkeuring. Immers de veehouder zal aan moeten kunnen tonen dat sprake is van een juiste berekening en vooral correcte invoer.

 

Klik hier om de Handreiking te bekijken

De Handreiking taat ook online op drie pagina’s bij RVO: