Verantwoorde groei melkveehouderij: begrijpt u het nog ?

Er is de afgelopen dagen veel gezegd over de AmvB Verantwoorde groei melkveehouderij. Als één ding duidelijk is, dan is het wel dat nog lang niet alles duidelijk is. Het is dan ook een erg complexe systematiek geworden – met verschillende referentiejaren, waarin zowel de Wet als de AmvB een rol spelen, die soms ook door elkaar worden gehaald – dat niet direct valt te overzien. Mestboete.nl zet de basis van het systeem op een rij.

Artikel 21 eerste lid van de Meststoffenwet (hierna: Msw) stelt dat er een verbod is om fosfaat te produceren met melkvee. Gelukkig zijn op dit verbod zijn een viertal uitzonderingen gegeven:

  1. Bedrijven die minder dan 250 kg fosfaat produceren (artikel 21, tweede lid, onderdeel a);
  2. Bedrijven die geen bedrijfsoverschot voor fosfaat hebben (artikel 21, tweede lid, onderdeel b);
  3. Bedrijven die geen melkveefosfaatoverschot hebben (artikel 21, tweede lid, onderdeel c);
  4. Bedrijven die 100% van hun melkveefosfaatoverschot in het betreffende kalenderjaar verwerken (artikel 21, tweede lid, onderdeel d);

Bovenstaande is de basis van de Wet. De AmvB grijpt aan op de vierde uitzonderingsgrond door niet zonder meer toe te staan dat het volledige deel van het melkveefosfaatoverschot wordt verwerkt.

Een melkveebedrijf krijgt dus pas met de AmvB te maken wanneer niet aan één van de eerste drie uitzonderingen kan worden voldaan. Omdat de eerste uitzondering alleen voor kleine bedrijven geldt, betekent dit dat een melkveebedrijf alleen met de AmvB te maken krijgt wanneer het (afhankelijk van de situatie) een fosfaatoverschot of een melkveefosfaatoverschot heeft.

Het verschil tussen een fosfaatoverschot en het melkveefosfaatoverschot is de melkveefosfaatreferentie: de beschikking die bedrijven op basis van hun fosfaatoverschot in 2013 onlangs hebben ontvangen. Hiermee kan eigenlijk worden gesteld dat pas wanneer de rekensom: fosfaatproductie in jaar x – fosfaatreferentie – plaatsingsruimte voor fosfaat op de bij het bedrijf geregistreerde grond in jaar x, een positief getal oplevert, de AmvB voor een bedrijf van belang wordt.

In dat geval wordt gekeken naar de AmvB en daarmee naar de toename van de fosfaatproductie door melkvee in jaar x ten opzichte van de fosfaatproductie door melkvee in 2014  (deze laatste wordt waarschijnlijk bepaald op basis van forfaitaire normen).  Van de toename van de productie moet een afhankelijk van de bedrijfsintensiteit een gedeelte worden ingevuld door extra grond in het bedrijf te brengen, waarbij geldt hoe hoger het fosfaatoverschot per ha, hoe meer grond.

Belangrijk is dat niet naar het overschot wordt gekeken, maar naar de productie. Geen toename in de fosfaatproductie ten opzichte van 2014, maar wel een  positief melkveefosfaatoverschot, bijvoorbeeld omdat de gebruiksnormen lager zijn geworden betekent dat nog wel het volledige melkveefosfaatoverschot moet worden verwerkt, maar geen extra grond hoeft te worden ingebracht.

Het blad Boerderij heeft onlangs een handige Excel-sheet opgesteld op basis waarvan de gevolgen van de AmvB kunnen worden berekend voor een specifieke bedrijfssituatie. Klik hier om de Excel-sheet te downloaden.

Groei melkveehouderij alleen met extra grond

Melkveebedrijven moeten hun grondgebonden karakter behouden en versterken. Dat schrijft staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken in een brief aan de Tweede Kamer waarmee ze de algemene maatregel van bestuur (AMvB) grondgebondenheid aanbiedt. Dat betekent dat melkveebedrijven die uitbreiden dat voor een deel moeten baseren op meer grond.

De AMvB is onderdeel van de  Wet verantwoorde groei melkveehouderij die op 1 januari 2015 van kracht is geworden. Deze wet bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) beperkingen zullen worden gesteld aan de mogelijkheid om grondloos te groeien. De invulling daarvan staat beschreven in de brief van de staatssecretaris.

De AMvB heeft tot doel te borgen dat uitbreiding in de melkveehouderij tenminste gedeeltelijk grondgebonden plaatsvindt. Melkveebedrijven die door uitbreiding extra fosfaat produceren, moeten jaarlijks aantonen dat zij over voldoende grond beschikken om ten minste een deel van de extra fosfaat binnen het bedrijf te kunnen gebruiken.

Uitgangspunt is dat een gestaffeld systeem wordt ingevoerd. Melkveehouders met een fosfaatoverschot van 20 tot en met 50 kilogram per hectare moeten over voldoende grond beschikken om tenminste 25% van de extra fosfaat die zij produceren, binnen het bedrijf te gebruiken. De intensievere bedrijven, bedrijven met een fosfaatoverschot groter dan 50 kilo per hectare, moeten over voldoende grond beschikken om tenminste 50% van de extra fosfaat die zij produceren, binnen het bedrijf te gebruiken. De meest extensieve bedrijven, bedrijven met een fosfaatoverschot kleiner dan 20 kilo per hectare, hoeven niet aan te tonen dat zij over extra grond beschikken als zij meer fosfaat produceren. Hieronder vallen ook de bedrijven die meer grond hebben dan zij nodig hebben om alle fosfaat die wordt geproduceerd te kunnen gebruiken.

Knelgevallenvoorziening

De AMvB bevat een voorziening voor melkveehouders die financiële verplichtingen zijn aangegaan om de toename in fosfaat in zijn geheel te laten verwerken, vóór zij konden weten dat nadere voorwaarden gesteld zouden worden om grondloze groei te voorkomen. Op 7 november 2014 is de nota van wijziging bij het wetsvoorstel verantwoorde groei melkveehouderij aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2014/2015, 33 979, nr. 17). Melkveehouders die kunnen aantonen dat zij voor deze datum financiële verplichtingen zijn aangegaan voor het verwerken van hun gehele fosfaatoverschot, mogen dat overschot voor de duur van de daartoe afgesloten overeenkomst laten verwerken.

Inwerkingtreding AMvB

De AMvB zal in werking treden op 1 januari 2016. Er wordt aangesloten bij de bestaande systematiek van de Meststoffenwet waarin de fosfaatproductie na afloop van elk jaar wordt verantwoord. Melkveehouders moeten vanaf 2016 na afloop van elk jaar ook verantwoorden dat zij voor de fosfaat die zij in het betreffende jaar produceerden, hebben voldaan aan de verplichtingen die worden opgenomen in de AMvB. Als vanaf 2016 op een bedrijf meer fosfaat wordt geproduceerd dan in 2014, moet de betreffende melkveehouder aantonen dat hij over voldoende grond beschikte. Eventuele toename van fosfaatproductie als het gevolg van uitbereiding van de veestapel in 2015 is niet uitgezonderd van de verplichtingen die in de AMvB worden gesteld. De reikwijdte van de AMvB ziet daarmee ook op 2015. Toename van de fosfaatproductie in 2015 moet vanaf 2016 ook verantwoord worden volgens de verplichtingen van de AMvB.

Wijziging Bgm en Ubm 2015

Vanaf  10 maart ligt een ontwerpwijziging van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet  (Ubm) ter inzage. Gedurende  een termijn van zes weken kan iedereen die wil een zienswijze met betrekking tot deze wijziging van het besluit indienen via een  zogenaamde internetconsultatie.

BGM

Het Besluit Gebruik Meststoffen wordt regelmatig aangepast. Op dit moment is het mogelijk op de meest recente wijzigingen een zienswijze in te dienen.

De consultatie is bedoeld om bij gebruikers/toepassers en andere belanghebbenden na te gaan of de voorgenomen veranderingen in de regelgeving voldoende aansluiten bij de praktijk en of ze haalbaar zijn.

De aanpassingen in het Bgm zijn gericht op:

  • het verantwoord kunnen gebruiken van herwonnen fosfaten,
  • het toepassen van drijfmest bij de inzaai van winterkoolzaad voor (olie)zaadwinning in het volgende seizoen,
  • het toepassen van stikstofkunstmest in de herfst op rietzwenkgras voor een tweede of latere graszaadoogst in het volgende jaar
  • het vernietigen van de graszode op zandgrond (en lössgrond) voor de teelt van aaltjesbeheersende gewassen.

De voorgestelde wijzigingen van het Ubm zijn van redactionele aard en betreffen het herstellen van een foute verwijzing en laten vervallen van een artikel dat is uitgewerkt.

Wie wil, kan via deze link zijn zienswijze indien of in laten dienen.

Een termijn van orde….

20170425 Awb boeken

De 13 weken termijn moet worden geïnterpreteerd als een termijn van orde

Al eerder kwam op deze site het begrip ‘redelijke beslistermijn’ aan de orde. Dit in het kader van de termijn die mag verstrijken tussen het moment van de aankondiging van het voornemen tot het opleggen van een boete tot het moment dat de definitieve boete wordt opgelegd. Een andere termijn die vaak wordt genoemd is de zogenaamde 13 weken termijn: Binnen 13 weken na dagtekening van een proces-verbaal van de NVWA moet door het bevoegde gezag een besluit worden genomen over de boete. Hoe deze termijn moet worden geïnterpreteerd blijkt uit onderstaand voorbeeld:

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de staatssecretaris aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (hierna: Msw). De overtreding baseerde de staatssecretaris op het door de toenmalige Algemene Inspectiedienst (AID) bij appellant verrichte onderzoek.

In hoger beroep betoogde appellant dat de bevoegdheid van de staatssecretaris om een boete op te leggen was vervallen omdat niet binnen 13 weken na dagtekening van het proces-verbaal van de AID een besluit over de boete was genomen; het proces-verbaal was immers gedagtekend op 29 april 2010 terwijl het primaire boetebesluit dateerde van 16 december 2010. Voor zover de staatssecretaris nog wel bevoegd was tot het opleggen van een boete moest, zo stelde appellant, dit in ieder geval leiden tot een aanzienlijke matiging van de boete.

De staatssecretaris stelde zich op het standpunt dat het proces-verbaal eerst op 23 augustus 2010 van de officier van justitie was ontvangen. Pas toen is volgens de staatssecretaris de termijn van 13 weken gaan lopen. Daarbij wees de staatssecretaris er tevens op dat slechts indien het boetebesluit langer dan 26 weken na aanvang van de beslistermijn werd genomen, een matiging van 10% wordt toegepast.

Het College voor het Beroep van het Bedrijfsleven (hierna: College) overwoog als volgt. Uit artikel 5:44, tweede en derde lid, Awb volgt dat een gedraging die tevens een strafbaar feit oplevert in beginsel aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, en dat het bestuursorgaan – in dit geval de staatssecretaris – eerst (weer) bevoegd is om voor de overtreding een bestuurlijke boete op te leggen indien de officier van justitie heeft medegedeeld af te zien van strafvervolging. Het is immers niet mogelijk een overtreding zowel te bestraffen via het strafrecht als via het bestuursrecht.

Uit artikel 5:51, gelezen in samenhang met artikel 5:48, vierde lid, Awb volgt, zo stelt het College, dat het bestuursorgaan binnen dertien weken na dagtekening van het proces-verbaal omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete dient te beslissen, en dat deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de gedraging aan het openbaar ministerie wordt voorgelegd, tot aan de dag waarop het bestuursorgaan weer bevoegd wordt een bestuurlijke boete op te leggen.

De staatssecretaris heeft de in geding zijnde boete opgelegd naar aanleiding van het door opsporingsambtenaren van de AID opgemaakte proces-verbaal dat is gedagtekend op 29 april 2010. Uit het proces-verbaal kan worden opgemaakt dat de AID het proces-verbaal op diezelfde dag heeft voorgelegd aan de betrokken officier. Naar het oordeel van het College betekent dit dat de beslistermijn met ingang van die dag, op de voet van artikel 5:51, tweede lid, Awb was opgeschort.

Het College maakte uit het dossier tevens op dat de officier op 17 augustus 2010 heeft meegedeeld dat hij van strafvervolging afziet. Dit brengt met zich mee dat op 17 augustus 2010 de bevoegdheid van de staatssecretaris om een boete op te leggen is herleefd. Op grond van artikel 5:51, tweede lid, Awb is toen een einde gekomen aan de opschorting van de beslistermijn.

Dit betekent dat de staatssecretaris na beëindiging van de opschorting binnen 13 weken gerekend vanaf 17 augustus 2010 – te weten uiterlijk 16 november 2010 – zou moeten beslissen. Het primaire boetebesluit dateert echter van 16 december 2010. Het College oordeelt dat dit weliswaar te laat is, maar de 13 weken termijn moet als een termijn van orde worden aangemerkt (TK 2003-2004, 29702, nr. 3, p. 150), dus overschrijding daarvan leidt als zodanig niet tot verval van de bevoegdheid om een boete op te leggen. Omdat de termijnoverschrijding zich beperkte tot één maand, zag het College ook geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris tot een matiging van de boete had moeten komen.

Kortom: de termijn van dertien weken wordt opgeschort op het moment dat het dossier wordt voorgelegd aan de officier van justitie en gaat pas weer lopen op het moment dat het dossier terugkomt en het bestuursrechtelijke spoor wordt vervolgd.  Daarnaast is de termijn van 13 weken niet meer dan een termijn van orde. Dit betekent dat wanneer de staatssecretaris het niet te gek maakt, er door de rechter geen gevolg aan zal worden gegeven. Wordt de termijn fors overschreden dan zal de staatssecretaris een bescheiden matiging toepassen. Het bevoegde gezag mag hiermee een stuk ruimer omgaan met termijnen dan degene aan wie de boete wordt opgelegd!

Lees hier de volledige uitspraak.

Verwijtbaarheid bij overschrijding van de gebruiksnormen

Regelmatig wordt in procedures rond de overschrijding van de gebruiksnormen een beroep gedaan op schuld en verwijtbaarheid: Er is weliswaar sprake van een overschrijding van de gebruiksnormen, maar dit kan niet worden aangemerkt als verwijtbaar: ‘de gehalten in de aangevoerde mest vielen hoger uit dan gedacht’ of juist ‘de gehalten in de afgevoerde mest vielen lager uit dan verwacht’. Gevoelsmatig en bezien vanuit de praktijk volledig te begrijpen, maar de rechter zal er ongevoelig voor zijn.

Een belangrijk uitgangspunt binnen de Meststoffenwet (hierna: Msw) is de verantwoordingsplicht. Artikel 7 van de Msw stelt dat het verboden is om meststoffen op of in de bodem te brengen. In artikel 8 van de Msw wordt vervolgens bepaald dat het in artikel 7 gestelde verbod niet geldt indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar de gebruiksnormen niet overschrijdt. Het is aan de gebruiker om aan te tonen dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden: de verantwoordingsplicht. Vanwege deze verantwoordingsplicht is schuld in de zin van verwijtbaarheid bij overtredingen ingevolge de Msw geen bestanddeel. De verwijtbaarheid van de overtreding hoeft niet te worden bewezen, maar wordt verondersteld aanwezig te zijn ingeval het daderschap vaststaat.

Dit betekent dat wanneer in een procedure een beroep wordt gedaan op het aspect verwijtbaarheid, dit door de rechter, met toepassing van de wet, zal worden afgewezen. Wanneer er mogelijkheden voor zijn heeft het meer zin om aan te sturen op matiging van de boete vanwege bijzondere omstandigheden dan het argument van de verwijtbaarheid in te brengen. Een voorbeeld hiervan is de onderstaande casus. Appellant maakt daarin bezwaar tegen een door de staatsecretaris opgelegde boete vanwege het overschrijden van de gebruiksnorm. De overschrijding had plaatsgevonden door de aanvoer van een grote hoeveelheid compost.

In de casus voeren appellanten aan dat hen geen enkel verwijt valt te maken. Zij gingen er van uit dat de aan hen geleverde bodemverbeteraar geen compost was. Dit op grond van de informatie en toezeggingen van de leverancier van het product. Bovendien, zo betoogden appellanten, hadden zij aan de leverancier duidelijk gemaakt dat zij geen meststoffen wilden afnemen. Appellanten behoefden geen argwaan te hebben, gelet op de positie van de leverancier, de nauwe banden van de leverancier met RVO, de verwijzingen naar projecten waar volgens de leverancier het product met goedkeuring van RVO was gebruikt en de vele landbouwers die het product afnamen. Dat appellanten geen afleveringsbewijzen hebben ontvangen, was voor hen een bevestiging dat het niet om meststoffen ging. Om die reden, zo betogen appellanten, kan hen niet worden verweten dat zij de compost niet als aanvoerpost hebben geboekt.

Het College Beroep voor het Bedrijfsleven (hierna: College) is het in hoger beroep met de rechtbank eens dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de afname van producten die op of in de bodem worden gebracht appellanten een eigen verantwoordelijkheid hebben. Appellanten dienden rekening te houden met de reële mogelijkheid dat het product kwalificeert als “meststof” als omschreven in de Msw. Van appellanten had verwacht mogen worden dat zij zich ervan hadden vergewist wat de samenstelling was van het geleverde product. Nu appellanten niets hebben onderzocht, geen navraag hebben gedaan en geen bewijzen hebben gevraagd kan niet worden staande gehouden dat hen in het geheel geen verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, als bedoeld in artikel 52 van de Msw. De staatssecretaris heeft dan ook terecht een boete opgelegd wegens het overtreden van artikel 7 van de Msw.

Appellanten hebben in hoger beroep betoogd dat de boete op grond van artikel 59 van de Msw wegens bijzondere omstandigheden gematigd had moeten worden tot nul dan wel tot niet meer dan een symbolisch bedrag. Daarbij hebben appellanten gewezen op de omstandigheden die zij ook ten aanzien van de verwijtbaarheid hebben ingebracht. Bovendien hebben zij niet of nauwelijks economisch voordeel genoten. Vrees voor herhaling is niet aan de orde. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de boete met niet meer dan 25% gematigd hoefde te worden.

Ter zitting heeft de staatssecretaris naar voren gebracht bij nader inzien een matiging van 50% in plaats van 25% wegens de bijzondere omstandigheden van het geval op zijn plaats te vinden. Het College is van oordeel dat de aldus gematigde boete niet onevenredig is.

Het College handhaaft het oordeel dat sprake is van verwijtbaarheid, maar de boete wordt wel gematigd. Inzetten op matiging was in deze casus dus absoluut een juiste keuze.

Spuiwater als meststof

Helicon opleidingen in Boxtel organiseerde onlangs een bijeenkomst over spuiwater als meststof. Tijdens deze bijeenkomst kwamen de technische aspecten van spuiwater als meststof aan de orde. Zo werd gesproken over de producteigenschappen van spuiwater en de machines die kunnen worden gebruikt voor de toediening ervan (zie ook het filmpje hieronder). Daarbij werd, omdat het gaat om een vloeibare meststof, vaak de verbinding gemaakt met precisiebemesting. De toepassing van vloeibare meststoffen vindt immers plaats in de rij, waarbij de dosering kan worden aangepast tijdens het toedienen. Vloeibare meststoffen zijn hiervoor meer geschikt dan korrelmeststoffen.

 

Spuiwater is een restproduct van een luchtwassysteem. Spuiwater is ook een meststof in opkomst. Sommigen noemen het de stikstofmeststof van de 21e eeuw. Of dit het geval zal zijn is nog de vraag, maar de voordelen van het gebruik van spuiwater als meststof zijn evident: voldoende aanbod, sluiten van de kringloop, beperking van de CO2-voetafdruk, geschikt voor precisiebemesting, uitspoeling is nihil en een bemesting met zwavel als bonus. Er zijn echter ook nadelen: het werkt verzurend en de zwavelovermaat kan de toepassing beperken. Vaak onderbelicht is de regelgeving rond de toepassing van spuiwater binnen de Meststoffenwet. Reden te meer om hier kort bij stil te staan.

precisiebemester

Een ‘precisiebemester’ in actie.

Binnen de Meststoffenwet heeft spuiwater de status van anorganische overige meststof gekregen en is daarmee – voor wat betreft de regelgeving – vergelijkbaar met kunstmest. Deze aanwijzing gaat echter gepaard met een ‘maar‘. Degene die spuiwater afvoert wordt immers leverancier van meststoffen. En daar zijn regels aan verbonden.

Ook spuiwater van luchtwassers mag in sommige situaties als meststof worden verhandeld en gebruikt. Wanneer dat mag staat beschreven in Bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Kortweg staat in de bijlage dat als meststof mogen worden gebruikt:

Ammoniumsulfaathoudend spuiwater van chemische luchtwassers van composteerhallen Dit spuiwater (Bijlage Aa, onderdeel I,9) is de reststof die vrijkomt bij de chemische reiniging van lucht uit een bedrijfshal waar (gecomposteerd) zuiveringsslib met houtsnippers wordt gecomposteerd. Dit composteren moet gebeuren door het wassen met een verdunde waterige oplossing van zwavelzuur die bestaat uit een pH-neutrale oplossing van ammoniumsulfaat in water.

Ammoniumsulfaathoudend spuiwater van chemische luchtwassers van mestkorrelinstallaties voor pluimveemest Dit spuiwater (Bijlage Aa, onderdeel I,22) is de reststof die vrijkomt bij de chemische reiniging van lucht uit een bedrijfshal met tunnels waarin pluimveemest wordt gecomposteerd, gedroogd en gepelleteerd. Dit gebeurt door het wassen met een verdunde waterige oplossing van zwavelzuur die bestaat uit een zure oplossing van ammoniumsulfaat in water.

Spuiwater uit chemische luchtwassers en Spuiwater van biologische luchtwassers en luchtwassers met een waterwasstap Dit spuiwater (respectievelijk Bijlage Aan, onderdeel II, 1 en Bijlage Aa, onderdeel II, 2 en 3) is reststof die vrijkomt bij de reiniging van stallucht van veehouderijbedrijven. Spuiwater afkomstig uit een gecombineerde luchtwasser valt ook onder de ontheffing. Dit geldt als de luchtwasser minimaal twee van de hierboven genoemde omschrijvingen bevat en dat elke wasstap afzonderlijk is op te vangen.

bemestingsrobot

De bemestingsrobot: zonder chauffeur en plaatsspecifiek bemesten (foto: H Bartlema)

Wie spuiwater wil verhandelen of vervoeren moet voldoen aan de eisen die gelden voor overige anorganische meststoffen. Meer informatie hieromtrent is beschikbaar op deze pagina. De stikstof in spuiwater telt bij de afnemer mee in de gebruiksnorm werkzame stikstof; het werkingspercentage is 100%. Het gebruik van spuiwater valt onder de regels voor “stikstofkunstmest” in het Besluit Gebruik Meststoffen. Voor de afzet/levering van spuiwater heeft het ministerie van LNV een etiket/afleverbewijs/ gebruikershandleiding ontworpen. Hiermee is het voor alle partijen (leverancier, intermediair, afnemer) duidelijk hoe er met spuiwater omgegaan moet worden. In deze gebruikershandleiding wordt ook aangegeven hoe men veilig met spuiwater kan omgaan.

Tenslotte nog een woord van waarschuwing: Spuiwater uit een chemische en een biologische luchtwasser mag nooit worden gemengd met dierlijke mest of worden opgeslagen in een mestkelder. Wanneer spuiwater uit een chemische luchtwasser wordt gemengd met dierlijke mest, dan komt het gas diwaterstofsulfide vrij. Dit gas is giftig. Ook kan ijzersulfaat ontstaan. In de bodem wordt dit omgezet in zwavelzuur. Zwavelzuur verzuurt de bodem en is dus schadelijk voor het gewas.

Hoe zat het ook weer met mest uitrijden in 2015?

Vanaf 16 februari mag er weer drijfmest op grasland worden uitgereden. Dit mocht al eerder op bouwland, maar door de natte omstandigheden is het er wellicht nog niet van gekomen. Maar hoe zat het ook weer met de verschillende uitrijdperioden voor dierlijke mest? Hieronder een kort overzichtje: 

Grasland

  • Op alle grondsoorten mag u van 16 februari tot 1 september drijfmest uitrijden.
  • Op zand en lössgrond mag u van 1 februari tot 1 september vaste mest uitrijden.
  • Op klei- en veengrond mag u van 1 februari tot 16 september vaste mest uitrijden.

Bouwland

  • Op alle grondsoorten mag u van 1 februari tot 1 augustus drijfmest uitrijden. Tot 1 september uitrijden is toegestaan als u uiterlijk 31 augustus van dat jaar op die grond een aangewezen groenbemester* inzaait of in het najaar bloembollen plant. Het gewas staat minimaal 8 weken vóór het vernietigd mag worden.
  • Op zand en lössgrond mag u van 1 februari tot 1 september vaste mest uitrijden. U mag het hele jaar vaste mest gebruiken als u direct hierna fruit- en plantsoenbomen aanplant.
  • Op klei en veengrond mag u het hele jaar vaste mest uitrijden.

* (Niet-)vlinderbloemige groenbemesters vindt u in tabel 1 van bijlage a van de uitvoeringsregeling meststoffenwet.

uitrijden mest in 2015

Wanneer mag er geen mest worden uitgereden ?

Soms zijn er omstandigheden waardoor mest in de uitrijdperiode toch niet gebruikt mag worden. In de volgende situaties mag dierlijke mest niet gebruikt worden:

  • De bodem is geheel of gedeeltelijk bevroren, of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw. Dit verbod geldt niet voor vaste mest op grasland waar het gebruik onderdeel is van een beheersregime.
  • De bovenste bodemlaag is verzadigd met water.
  • Als u de bodem tegelijkertijd bevloeit, beregent of infiltreert in de periode 1 september tot en met 31 januari.
  • Grond met een hellingspercentage van 7% of meer, is aangetast door geulenerosie. Dit geldt ook voor beteelde grond.
  • Grond met een hellingspercentage van 7% of meer, ongelijkmatig bedekt met een gewas (niet-beteelde grond).
  • U mag wel dierlijke mest gebruiken als u binnen acht dagen een gewas inzaait. Voor maïs, aardappelen en bieten gelden extra voorwaarden aan het perceel. Als u hierover meer wilt weten, kunt u contact met RVO opnemen.
  • Bouwland met een hellingspercentage van 18% of meer.