Spuiwater als meststof

Helicon opleidingen in Boxtel organiseerde onlangs een bijeenkomst over spuiwater als meststof. Tijdens deze bijeenkomst kwamen de technische aspecten van spuiwater als meststof aan de orde. Zo werd gesproken over de producteigenschappen van spuiwater en de machines die kunnen worden gebruikt voor de toediening ervan (zie ook het filmpje hieronder). Daarbij werd, omdat het gaat om een vloeibare meststof, vaak de verbinding gemaakt met precisiebemesting. De toepassing van vloeibare meststoffen vindt immers plaats in de rij, waarbij de dosering kan worden aangepast tijdens het toedienen. Vloeibare meststoffen zijn hiervoor meer geschikt dan korrelmeststoffen.

 

Spuiwater is een restproduct van een luchtwassysteem. Spuiwater is ook een meststof in opkomst. Sommigen noemen het de stikstofmeststof van de 21e eeuw. Of dit het geval zal zijn is nog de vraag, maar de voordelen van het gebruik van spuiwater als meststof zijn evident: voldoende aanbod, sluiten van de kringloop, beperking van de CO2-voetafdruk, geschikt voor precisiebemesting, uitspoeling is nihil en een bemesting met zwavel als bonus. Er zijn echter ook nadelen: het werkt verzurend en de zwavelovermaat kan de toepassing beperken. Vaak onderbelicht is de regelgeving rond de toepassing van spuiwater binnen de Meststoffenwet. Reden te meer om hier kort bij stil te staan.

precisiebemester

Een ‘precisiebemester’ in actie.

Binnen de Meststoffenwet heeft spuiwater de status van anorganische overige meststof gekregen en is daarmee – voor wat betreft de regelgeving – vergelijkbaar met kunstmest. Deze aanwijzing gaat echter gepaard met een ‘maar‘. Degene die spuiwater afvoert wordt immers leverancier van meststoffen. En daar zijn regels aan verbonden.

Ook spuiwater van luchtwassers mag in sommige situaties als meststof worden verhandeld en gebruikt. Wanneer dat mag staat beschreven in Bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Kortweg staat in de bijlage dat als meststof mogen worden gebruikt:

Ammoniumsulfaathoudend spuiwater van chemische luchtwassers van composteerhallen Dit spuiwater (Bijlage Aa, onderdeel I,9) is de reststof die vrijkomt bij de chemische reiniging van lucht uit een bedrijfshal waar (gecomposteerd) zuiveringsslib met houtsnippers wordt gecomposteerd. Dit composteren moet gebeuren door het wassen met een verdunde waterige oplossing van zwavelzuur die bestaat uit een pH-neutrale oplossing van ammoniumsulfaat in water.

Ammoniumsulfaathoudend spuiwater van chemische luchtwassers van mestkorrelinstallaties voor pluimveemest Dit spuiwater (Bijlage Aa, onderdeel I,22) is de reststof die vrijkomt bij de chemische reiniging van lucht uit een bedrijfshal met tunnels waarin pluimveemest wordt gecomposteerd, gedroogd en gepelleteerd. Dit gebeurt door het wassen met een verdunde waterige oplossing van zwavelzuur die bestaat uit een zure oplossing van ammoniumsulfaat in water.

Spuiwater uit chemische luchtwassers en Spuiwater van biologische luchtwassers en luchtwassers met een waterwasstap Dit spuiwater (respectievelijk Bijlage Aan, onderdeel II, 1 en Bijlage Aa, onderdeel II, 2 en 3) is reststof die vrijkomt bij de reiniging van stallucht van veehouderijbedrijven. Spuiwater afkomstig uit een gecombineerde luchtwasser valt ook onder de ontheffing. Dit geldt als de luchtwasser minimaal twee van de hierboven genoemde omschrijvingen bevat en dat elke wasstap afzonderlijk is op te vangen.

bemestingsrobot

De bemestingsrobot: zonder chauffeur en plaatsspecifiek bemesten (foto: H Bartlema)

Wie spuiwater wil verhandelen of vervoeren moet voldoen aan de eisen die gelden voor overige anorganische meststoffen. Meer informatie hieromtrent is beschikbaar op deze pagina. De stikstof in spuiwater telt bij de afnemer mee in de gebruiksnorm werkzame stikstof; het werkingspercentage is 100%. Het gebruik van spuiwater valt onder de regels voor “stikstofkunstmest” in het Besluit Gebruik Meststoffen. Voor de afzet/levering van spuiwater heeft het ministerie van LNV een etiket/afleverbewijs/ gebruikershandleiding ontworpen. Hiermee is het voor alle partijen (leverancier, intermediair, afnemer) duidelijk hoe er met spuiwater omgegaan moet worden. In deze gebruikershandleiding wordt ook aangegeven hoe men veilig met spuiwater kan omgaan.

Tenslotte nog een woord van waarschuwing: Spuiwater uit een chemische en een biologische luchtwasser mag nooit worden gemengd met dierlijke mest of worden opgeslagen in een mestkelder. Wanneer spuiwater uit een chemische luchtwasser wordt gemengd met dierlijke mest, dan komt het gas diwaterstofsulfide vrij. Dit gas is giftig. Ook kan ijzersulfaat ontstaan. In de bodem wordt dit omgezet in zwavelzuur. Zwavelzuur verzuurt de bodem en is dus schadelijk voor het gewas.

Mestanalyses niet betrouwbaar? Moeilijke zaak….

monstername apparatuur op tankwagen

monstername apparatuur: van 30 ton mest, naar 750 ml monster

Een argument dat vaak door veehouders wordt aangevoerd in hun verweer tegen een opgelegde mestboete, is dat de analyseresultaten van de van het bedrijf afgevoerde mest niet betrouwbaar zijn. Ondanks deed de rechter uitspraak in een zaak waarin een veehouder dit argument aanvoerde (ECLI:NL:RBMNE:2015:347). Hij onderbouwde zijn argument met de resultaten van analyses die hij had laten uitvoeren van een door hem zelf genomen monster. Hij had deelmonsters genomen van het monster en deze opgestuurd naar verschillende laboratoria. Uit de resultaten kwamen grote verschillen naar voren. Als er verschillende analysewaarden uit één monster komen, zo stelde hij, dan is de bepaling van de gehalten aan fosfaat en stikstof in de door hem afgevoerde mest ook niet betrouwbaar. RVO stelde zich op het standpunt dat de analyseresultaten van de afgevoerde mest wel betrouwbaar zijn, omdat de analyses op de wettelijk voorgeschreven wijze hebben plaatsgevonden.

De rechtbank zag zich voor de vraag gesteld of de veehouder met zijn bepalingen aannemelijk had gemaakt dat de analyseresultaten van de afgevoerde mest niet betrouwbaar genoeg zijn om als grondslag te kunnen dienen voor de opgelegde bestuurlijke boete.

De rechtbank oordeelde dat de wettelijk voorgeschreven wijze van bemonstering en analyse geen ruimte laat om de stikstof- en fosfaatgehalten op een andere wijze vast te stellen. Dat de veehouder verschillen heeft aangetroffen in de analyseresultaten van twee laboratoria in een door hem zelf genomen monster, maakt niet dat daarmee aannemelijk is dat de analyseresultaten van de geregistreerde mestafvoer onbetrouwbaar zouden zijn. Die analyses zijn, zo oordeelde de rechtbank, immers uitgevoerd door geaccrediteerde laboratoria en de bemonstering heeft plaatsgevonden op de voorgeschreven wijze, terwijl de veehouder bij zijn analyses zelf meststoffen heeft bemonsterd en laboratoria heeft benaderd. Daar komt bij dat de veehouder op grond van artikel 81, tweede lid, van de uitvoeringsregeling een heranalyse had kunnen aanvragen. Dat de veehouder op voorhand van mening is dat een heranalyse geen kans van slagen heeft, kan er niet aan afdoen dat dit op grond van de wettelijke regeling wel de eerste stap is om de betrouwbaarheid van een analyse aan de orde te stellen. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond niet slaagt.

Iedereen met enige kennis van mest, chemie en statistiek voelt aan dat de analyse van een vracht van 30 ton mest via een monster van 750 ml, waarvan slechts een klein deel feitelijk wordt geanalyseerd, kan leiden tot variatie in de uitslag. Dat de mogelijkheid van een heranalyse open staat doet daar niet aan af, omdat de heranalyse wordt uitgevoerd aan de hand van het verwerkte monster. De kans dat daaruit een vergelijkbaar resultaat als bij de oorspronkelijke bepaling uitkomt is groot. Of daarmee ook sprake is van een goede afspiegeling van de afgevoerde hoeveelheid mest is dan nog steeds de vraag.

Dat is de praktijk, maar de rechtbank oordeelt in eerste instantie over de wet- en regelgeving  (in dit geval  de Uitvoeringsregeling en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet) correct wordt toegepast. Onderdeel daarvan is de vraag waarom de voorgeschreven methode geen goede afspiegeling zou zijn van het gehalte aan stikstof en fosfaat in het monster en de vracht. De rechter oordeelt dat dit alleen kan worden onderbouwd en gemotiveerd door gebruik te maken van de in de Wetgeving voorgeschreven methoden. En daarin zit hem nu net de kneep.

Hoe zat het ook weer met mest uitrijden in 2015?

Vanaf 16 februari mag er weer drijfmest op grasland worden uitgereden. Dit mocht al eerder op bouwland, maar door de natte omstandigheden is het er wellicht nog niet van gekomen. Maar hoe zat het ook weer met de verschillende uitrijdperioden voor dierlijke mest? Hieronder een kort overzichtje: 

Grasland

  • Op alle grondsoorten mag u van 16 februari tot 1 september drijfmest uitrijden.
  • Op zand en lössgrond mag u van 1 februari tot 1 september vaste mest uitrijden.
  • Op klei- en veengrond mag u van 1 februari tot 16 september vaste mest uitrijden.

Bouwland

  • Op alle grondsoorten mag u van 1 februari tot 1 augustus drijfmest uitrijden. Tot 1 september uitrijden is toegestaan als u uiterlijk 31 augustus van dat jaar op die grond een aangewezen groenbemester* inzaait of in het najaar bloembollen plant. Het gewas staat minimaal 8 weken vóór het vernietigd mag worden.
  • Op zand en lössgrond mag u van 1 februari tot 1 september vaste mest uitrijden. U mag het hele jaar vaste mest gebruiken als u direct hierna fruit- en plantsoenbomen aanplant.
  • Op klei en veengrond mag u het hele jaar vaste mest uitrijden.

* (Niet-)vlinderbloemige groenbemesters vindt u in tabel 1 van bijlage a van de uitvoeringsregeling meststoffenwet.

uitrijden mest in 2015

Wanneer mag er geen mest worden uitgereden ?

Soms zijn er omstandigheden waardoor mest in de uitrijdperiode toch niet gebruikt mag worden. In de volgende situaties mag dierlijke mest niet gebruikt worden:

  • De bodem is geheel of gedeeltelijk bevroren, of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw. Dit verbod geldt niet voor vaste mest op grasland waar het gebruik onderdeel is van een beheersregime.
  • De bovenste bodemlaag is verzadigd met water.
  • Als u de bodem tegelijkertijd bevloeit, beregent of infiltreert in de periode 1 september tot en met 31 januari.
  • Grond met een hellingspercentage van 7% of meer, is aangetast door geulenerosie. Dit geldt ook voor beteelde grond.
  • Grond met een hellingspercentage van 7% of meer, ongelijkmatig bedekt met een gewas (niet-beteelde grond).
  • U mag wel dierlijke mest gebruiken als u binnen acht dagen een gewas inzaait. Voor maïs, aardappelen en bieten gelden extra voorwaarden aan het perceel. Als u hierover meer wilt weten, kunt u contact met RVO opnemen.
  • Bouwland met een hellingspercentage van 18% of meer.

Niet genoeg monster: toch analyse….

In een eerder bericht is ingegaan op de problemen die ontstonden omdat met de huidige monsterverpakkingen voor de analyse van mest een onvoldoende hoeveelheid mestmonster werd aangeleverd.  Vanwege het nieuwe AP05 dat per 1 januari 2015 van kracht is geworden, mochten laboratoria dergelijke monsters niet langer in behandeling nemen en werden ze afgedaan tegen de forfaitaire gehalten (zie dit bericht). Vooral bij vaste mest bleek het in sommige gevallen onmogelijk om het benodigde monstervolume in de daarvoor bestemde pot of zakje te krijgen.

Het ministerie heeft naar aanleiding van signalen uit de praktijk laten weten de aanscherping van de eisen met betrekking tot het minimale gewicht van een mestmonster tot 1 april 2015 op te schorten.  Monsters die vanwege het niet kunnen voldoen aan het minimale gewicht en hierdoor waren afgewezen, mogen alsnog in behandeling worden genomen.

Vanaf 1 april wordt een wijziging in de uitvoeringsregeling Meststoffenwet van kracht die het mogelijk maakt om grotere monsterpotten te gebruiken. Daarmee zou het minimale gewicht van de monsters geen problemen meer op moeten leveren. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft toegezegd de betrokken doelgroepen op de hoogte te zullen stellen van de nieuwe regeling.

Nieuwe forfaitaire normen voor mest

tabellenboekje

Nieuwe forfaitaire normen voor mest (2015-2017)

Op de website van RVO.nl zijn de nieuwe forfaitaire normen voor de verschillende mestsoorten gepubliceerd. Ten opzichte van 2014 zijn de normen aangepast voor vrijwel alle mestcodes van de diersoorten rundvee, kippen, varkens, geiten, schapen, nertsen en eenden. Een paar voorbeelden:

mestcode 41: gier en filtraat na mestscheiding (varkens):
2014: 3,9 kg stikstof en 1,1 kg fosfaat per ton
2015: 1,4 kg stikstof en 0,9 kg fosfaat per ton

mestcode 10: vaste mest (rundvee)
2014: 6,3 kg stikstof en 3,7 kg fosfaat per ton
2015: 7,7 kg stikstof en 4,3 kg fosfaat per ton

mestcode 33: mestband + nadroog (kippen)
2014: 35,1 kg stikstof en 28,1 kg fosfaat per ton
2015: 32,7 kg stikstof en 25,0 kg fosfaat per ton

In het verleden zijn de normen regelmatig aangepast. Addertje onder het gras was toen dat de wijzigingen van de normen ook direct in de beginvoorraad mest van het volgende kalenderjaar werden doorgevoerd bij bedrijven die hun eindvoorraad mest op basis van forfaitaire normen hadden doorgegeven.

Dit betekent dat wanneer bijvoorbeeld een voorraad van 100 ton mestcode 10 is doorgegeven als eindvoorraad 2014, dit een eindvoorraad gaf van 6.300 kg stikstof en 3.700 kg fosfaat, maar een beginvoorraad 2015 van 7.700 kg stikstof en 4.300 kg fosfaat. Met dit aspect en deze beginvoorraad moet rekening worden gehouden bij het bepalen van de eindvoorraad 2015.

Bekijk hier de forfaitaire stikstof en fosfaatgehalten in dierlijke mest 2014

Bekijk hier de forfaitaire stikstof en fosfaatgehalten in dierlijke mest 2015-2017

Niet genoeg monster: forfaitaire gehalten

Sinds 1 januari 2015 is een nieuw analyseprotocol dierlijke mest (AP05: Uitvoeringsregeling Meststoffenwet artikel 80 en 81) voor  laboratoria van kracht. Naast aanpassingen op laboratoriumtechnisch gebied, worden er ook strengere eisen gesteld aan de mestmonsters die wel of juist niet in behandeling mogen worden genomen.

In het nieuwe AP05 wordt gesteld dat een laboratorium een monsterverpakking waarin te weinig monster zit niet meer in behandeling mag nemen. De bijbehorende vracht mest wordt dan op forfaitaire basis afgerekend (klik hier voor een artikel uit Nieuwe oogst). Kort samengevat betekent dit het volgende:

Minimum hoeveelheid monster

gewicht mestmonster

Een volle monsterpot, maar toch maar 200 gram monster….een probleem (foto: Joep den Brok)

Vloeibare mestmonsters die minder dan de voorgeschreven 650 ml bevatten, mogen niet geanalyseerd worden en worden door RVO forfaitair geboekt. Voor vaste mest wordt de grens gelegd bij 500 gram. Monsters die minder dan 500 gram bevatten, mogen niet in analyse worden genomen en worden door RVO forfaitair geboekt.

Het probleem zit hem bij vaste mest. Het is namelijk bij veel soorten droge mest niet mogelijk om het minimale monstergewicht van 500 gram in de standaard verpakking te krijgen. Zie als voorbeeld de foto bij dit bericht.

Indien het gewicht van het monster te laag is, wordt dit monster niet geanalyseerd en mag het geen onderdeel uitmaken van een mengmonster

Ondanks dat bij de  NVWA is aangedrongen op een overbruggingsperiode is deze er niet gekomen. Daarom zijn de laboratoria genoodzaakt om ook bij vaste mest direct te handelen conform de nieuwe wetgeving. Dit komt regelmatig voor en kan gevolgen hebben voor de hoeveelheid afgevoerde mineralen in de mest, maar ook voor de mestverwerkingsovereenkomsten die met de monsters samenhangen.

 

Monsterverpakking

Tenslotte zijn onderstaande eisen aan de monsterverpakking geformaliseerd. Gesteld wordt dat de monsterverpakking ten minste dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • de met meststoffen gevulde monsterverpakking is zodanig gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging kan worden geopend en aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kan worden;
  • de monsterverpakking heeft een minimale inhoud van 750 milliliter;
  • de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, zijn voorzien van een unieke barcode die zich ten hoogste eenmaal in de drie jaar herhaald.

Een Pyrrhus-overwinning

Een Pyrrhus-overwinning is een overwinning die dezelfde uitwerking heeft als een nederlaag. Anders gezegd betekent het dat wat een overwinning lijkt, eigenlijk een verlies is; een “valse” overwinning. De uitdrukking is ontleend aan de veldslagen die Pyrrhus  leverde tegen de Romeinen.

Ook in procedures in het kader van de Meststoffenwet is soms sprake van een Pyrrhus-overwinning, zoals onderstaand voorbeeld duidelijk maakt.

Het voorbeeld betreft een varkensbedrijf  dat van RVO een voornemen tot het opleggen van een  boete ontving, vanwege het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht voor stikstof in dierlijke mest. Naar aanleiding van de tegen dit voornemen ingediende zienswijze paste RVO een correctie toe op basis van de rekenregels van het zogenaamde stikstofgat.  Hierdoor werd de niet verantwoorde hoeveelheid stikstof weliswaar kleiner, maar resteerde nog een bepaalde hoeveeheid niet verantwoorde stikstof. De boete werd hierdoor weliswaar gematigd, maar werd deels gehandhaafd en ook daadwerkelijk opgelegd.

Tegen deze boete werd beroep aangetekend. In het beroepschrift werd aangegeven dat RVO bij het berekenen van de productie van dierlijke meststoffen op het bedrijf ten onrechte had gerekend met een norm voor het stikstofverlies (een correctie voor onvermijdelijke verliezen van stikstof) die geldt voor dieren gehuisvest in een emissie-arme stal. In plaats daarvan had gebruik moeten worden gemaakt van de norm die geldt voor dieren gehuisvest in een traditionele stal. Deze norm is hoger en toepassing van ervan zou  de resterende hoeveelheid niet-verantwoorde hoeveelheid stikstof ruimschoots compenseren.

In zijn vonnis stelt de rechter het bedrijf op dit punt in het gelijk. De rechtbank onderkende echter terecht dat hierdoor de correctie voor het stikstofgat zoals die naar aanleiding van de zienswijze was toegekend ook zou moeten worden aangepast. De correctie voor het stikstofgat werd daarop verlaagd met exact evenveel kilogrammen stikstof als de correctie voor het stikstofverlies door dieren toenam. Het netto resultaat was daarmee nul en de boete bleef even hoog. Dit leidde tot de volgende uitspraak:

De rechtbank:

– Verklaart het beroep gegrond;
– Vernietigt het bestreden besluit van RVO
– Laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand;

De varkenshouder krijgt daarmee het gelijk van de rechter, maar de boete blijft gelijk. Een Pyrrhus-overwinning dus. Voorbeelden als deze geven aan dat wat gold voor de veldslagen van Pyrrhus, ook voor procedures in het kader van de Meststoffenwet van toespassing is: met een eenduidige strategie en een goed doordachte tactiek kunnen verassingen worden voorkomen.

Geen groei, toch extra mest verwerken door de Melkveewet

Er is de afgelopen periode al het nodige gezegd en geschreven over de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (de Melkveewet). Hoewel een aantal kernelementen van de Wet nog nader zullen worden uitgewerkt in een AMvB die pas later dit jaar bekend wordt en RVO hier en daar nog een foutje uit de berekeningen van de melkveefosfaatreferentie moet halen, is de kern van de Wet duidelijk: een melkveehouder die in de toekomst zijn bedrijf uit wil breiden moet deze uitbreiding compenseren door meer grond in zijn bedrijf te brengen of de extra geproduceerde mest volledig te verwerken. Het referentiepunt daarvoor is de zogenaamde melkveefosfaatreferentie. Is het overschot op het bedrijf groter dan deze  melkveefosfaatreferentie, dan moet de overschrijding van de melkveefosfaatreferentie volledig worden verwerkt of worden geborgd door extra grond.

Melkveehouders kunnen echter ook zonder dat hun melkveestapel groeit, te maken krijgen met een extra hoeveelheid te verwerken mest. Dat komt door de lagere gebruiksnormen in 2015 ten opzichte van die in het referentiejaar 2013.  In 2015 zijn, voor vrijwel alle grondsoorten,  de fosfaatgebruiksnormen aangescherpt  en dat betekent minder plaatsingsruimte en dus – bij een gelijke fosfaatproductie door de dieren –  een hoger fosfaatoverschot.

Een voorbeeld: Een melkveebedrijf had in 2013 gemiddeld 100 melkkoeien (melkproductie: 8.800 kg), 40 stuks jongvee onder het 1 jaar en 40 stuks jongvee boven 1 jaar. Dit betekent een fosfaatproductie van 5530 kg fosfaat. Met 40 hectare grasland en 10 hectare mais (alles fosfaattoestand neutraal) had het bedrijf in 2013 een plaatsingsruimte van 4.450 kg fosfaat. Dit betekent dat het bedrijf een fosfaatreferentie van 1080 kg krijgt toegekend. Wanneer de dieraantallen en de melkproductie per koe in 2015 gelijk blijven, blijft ook de fosfaatproductie gelijk blijft aan de 5530 kg fosfaat. Toch zal toch sprake zijn van een hoger overschot voor fosfaat. De plaatsingsruimte daalt immers, door de lagere gebruiksnormen, tot 4.200 kg. Hierdoor ontstaat een verplicht te verwerken melkveefosfaatoverschot van 250 kilo fosfaat.

Een mogelijke optie om dit te voorkomen is om via de BEX, de fosfaatproductie van het bedrijf te verlagen. Wanneer het bedrijf in het voorbeeld er in slaagt via de BEX systematiek de fosfaatproductie met 4,6% te verlagen ten opzichte van de forfaitaire norm past de fosfaatproductie weer binnen de fosfaatreferentie.

Wilt u de gevolgen van de melkveefosfaatreferentie in 2015 voor uw bedrijf doorrekenen dan is het  rekenmodel dat het vakblad Boerderij hiervoor ontwikkelde wellicht een aardig instrument. Klik HIER om naar het rekenmodel te gaan.

Inzendtermijn voor mestgegevens bij RVO verlengd tot en met 13 februari 2015

RVO

inloggen op de site van RVO was niet altijd mogelijk: vandaar uitstel van de termijn van indienen

Door netwerkproblemen op mijn.rvo.nl is was het niet altijd mogelijk  om de door RVO gevraagde gegevens in het kader van de Meststoffenwet door te geven. Daarom is de termijn voor het doorgeven van de betreffende gegevens verlengd tot en met vrijdag 13 februari 2015

Het gaat daarbij om:

  • de aanmelding derogatie 2015
  • de aanvullende gegevens 2014
  • een reactie op de referentiegegevens 2013 voor de melkveefosfaatreferentie
  • de voergegevens 2014.

(bron: mijn.rvo.nl)

Per 1 april 2015 AGR/GPS op vrachtauto verplicht bij vervoer vaste mest

 

Bij het aan- en afvoeren van meststoffen dient volgens de Meststoffenwet van elke vracht het stikstofgehalte en fosfaatgehalte te worden bepaald. Deze bepaling vindt plaats door weging, bemonstering en analyse  van de betreffende vracht door de vervoerder. De uitkomst van de bemonstering is voor de aan- en afvoerende partij van belang voor zijn/haar verantwoordingsplicht in het kader van de gebruiksnormen. In het verleden is al veel gezegd over de autonome of bewust gecreëerde onnauwkeurigheid van deze bepaling (het verschil tussen hetgeen op papier en wat in werkelijkheid wordt aan- of afgevoerd).

Hierbij ging het recentelijk vooral over de gehalten bij de afvoer van vaste mest na mestscheiding. Met de komst van de verwerkingplicht werd deze stroom nog belangrijker (niet alleen afvoer van het bedrijf, maar ook het voldoen aan de mestverwerkingsplicht) en nam de druk op de gehalten toe. Bovendien was het monsterprotocol voor deze meststroom nauwelijks uitgewerkt. Dit alles bij elkaar zou de fraudedruk opvoeren tot een onacceptabel niveau. Hierop heeft de overheid gereageerd door  vervoerders van deze meststoffen verplicht te stellen een systeem van automatische gegevensregistratie en Global Positioning Systeem (AGR/GPS-apparatuur) te hanteren bij het laden en lossen van de mest.

Tot op heden hanteren vervoerders bij de bemonstering van vrachten met vaste mest zogenaamde  ‘losse koffers’ met daarin de AGR/GPS-apparatuur (zie foto). Volgens de staatssecretaris waarborgen deze ‘losse koffers’ echter onvoldoende dat het fysieke mesttransport overeenkomt met de opgegeven hoeveelheid vaste mest en de gehaltes op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM). Het zou te gemakkelijk zijn gegevens te manipuleren en daarmee zou de toepassing van dit soort ‘losse koffers’ een mogelijke bron van fraude zijn.

Met ingang van 1 april 2015 is ter voorkoming hiervan, bij het vervoer van vaste mest, een onlosmakelijke verbinding verplicht van de AGR/GPS-apparatuur gemonteerd op het chassis van het transportmiddel, waarmee de mest wordt vervoerd. Hiermee wordt voor het vervoer van vaste mest aangesloten bij de verplichting die al geldt bij het vervoer van drijfmest. De sector krijgt gedurende een overgangsperiode, tot 1 januari 2016 de gelegenheid om de transportmiddelen uit te rusten met de gekoppelde AGR/GPS-apparatuur.

Een tweede maatregel is dat de monstername van vaste mest in de toekomst alleen nog worden uitgevoerd door geaccrediteerde, onafhankelijke laboratoria of monsternemende organisaties.  Hierover zijn weliswaar een aantal besluiten genomen, maar de exacte datum waarop dit wordt ingevoerd is nog niet bekend.  Wat al wel bekend is, is dat:

  • de onafhankelijke monsternemer zal een persoon zijn die werkt voor een geaccrediteerde organisatie
  • de monsternemende organisatie wordt door de overheid erkend
  • om marktwerking te bevorderen is er voor gekozen om niet alleen laboratoria maar ook andere monsternemende organisaties in aanmerking te laten komen voor accreditatie en erkenning.

Om praktische redenen wordt de onafhankelijke monsterneming gefaseerd ingevoerd, te beginnen met dikke fractie. Afhankelijk van de ervaringen en resultaten in dat traject, wordt de nieuwe werkwijze ook naar andere mestsoorten uitgerold. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als private systemen voldoende waarborg bieden. Het streven is om de maatregel voor de onafhankelijke monstername rond de zomer 2015 gereed te hebben voor introductie.