Mestfraude of Mestopslag: het verschil tussen overtreder en slachtoffer

Op deze site besteden we met enige regelmaat aandacht aan het belang van het vooraf duidelijk en eenduidig vastleggen van afspraken. Dit geldt zeker als het om de aan- en afvoer van mest gaat. Hier moet een gewaarschuwd mens voor drie tellen. Waarom dat is blijkt onder andere uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) onlangs uitspraak deed.

Uit een strafrechtelijk onderzoek onder de naam “Osagedoorn” is onderzoek gedaan het lossen/afleveren van dierlijke meststoffen waarbij op de vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) fictieve afnemers zijn vermeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat dierlijke meststoffen vermoedelijk fictief zijn afgeleverd op naam van diverse particulieren, zonder relatienummer.

Naar aanleiding van dit onderzoek is het melkveebedrijf van appellant gecontrolleerd op naleving van de Meststoffenwet (Msw) in kalenderjaren 2010 en 2011. Daaruit is gebleken dat zowel in 2010 als in 2011 vier vrachten dierlijke meststoffen zijn afgeleverd op het adres van appellant en dat op de van deze vrachten opgemaakte VDM’s niet de naam van appellant als afnemer staat vermeld maar een andere naam. Niet is gebleken dat deze vrachten vervolgens zijn afgevoerd.

Appellant heeft aangevoerd dat in 2010 en 2011 door [naam 2] vrachten dierlijke mest zijn aangevoerd en opgeslagen in een aparte mestput op het bedrijf van appellant. [naam 2] heeft deze put van appellant gehuurd en daarvan is een huurovereenkomst opgemaakt. De vrachten zijn ook weer afgevoerd en zijn dus niet uitgereden op de grond van appellant.

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris appellant bestuurlijke boetes opgelegd van € 19.151,50 en € 14.565,50 wegens de overtreding van artikel 7 van de Msw in respectievelijk de kalenderjaren 2010 en 2011. Verhuur van de mestput aan [naam 2] achtte de staatssecretaris onaannemelijk. Tegen beide primaire besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. In dit verband heeft appellant gewezen op een huurovereenkomst tussen [naam 2] en hem en een bankafschrift waaruit de betaling van de huur blijkt.

De staatssecretaris heeft de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Op de door appellant verstrekte huurovereenkomst ontbreken essentiële gegevens, zoals de huurperiode, appellants ondertekening, de datum van ondertekening en welke mestopslag het betreft, zodat appellant hiermee de verhuur aan [naam 2] niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook het bankafschrift is onvoldoende specifiek.

Tegen deze besluiten heeft appellant beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant hoger beroep aangetekend. Met de rechtbank is het College van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mestopslag in 2010 en 2011 daadwerkelijk verhuurd is geweest aan [naam 2]. Appellant onderbouwt zijn stelling met een schriftelijke huurovereenkomst en een bankafschrift. Op die huurovereenkomst ontbreken evenwel gegevens met betrekking tot de huurperiode, de huurlocatie (er staat alleen ‘mestput’), de ondertekening door appellant en de datum van ondertekening. Op het bankafschrift staat dat appellant op 15 december 2010 € 1.020,60 heeft ontvangen voor ‘mestdistributie’. Los van het feit dat onduidelijk is wie dit heeft overgemaakt, blijkt hier geen verhuur van de mestput uit.

Het College is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat de betreffende mest niet op of in zijn grond is gebracht en is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris heeft aangetoond dat appellant artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw heeft overtreden.

De vraag die blijft is of appellant overtreder of slachtoffer is van [naam 2] is. De controle werd uitgevoerd naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, dus appellant begon al met een achterstand, verder geldt binnen de Msw dat bij het vermoeden van een overtreding, dit vermoeden door appellant moet worden ontkracht. Dit kan alleen maar wanneer de onderliggende stukken duidelijk, helder en eenduidig zijn. Is dit niet het geval dan worden het dure vrachten mest….of ze nu slechts waren opgeslagen of zijn toegediend.

Lees hier de volledige uitspraak