Wanneer is bos, landbouwgrond?

Wanneer is bos aan te merken als landbouwgrond en wanneer niet? Over deze vraag deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) onlangs uitspraak, naar aanleiding van een boete die was opgelegd wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (hierna: Msw). De overtreding werd veroorzaakt door het feit dat bij de vaststelling van de gebruiksruimte een oppervlakte van 40 hectare grond buiten beschouwing is gelaten vanwege het feit dat het bos op deze grond niet werd aangemerkt als landbouwgrond. De eigenaar van grond was het daar uiteraard niet mee eens en stelde dat de grond weldegelijk diende te worden aangemerkt als landbouwgrond.

In haar uitspraak stelt het College dat in artikel 1, onder g, van de Msw duidelijk gedefinieerd is wanneer grond waarop bosbouw wordt uitgeoefend, als landbouwgrond in de zin van de Msw aan te merken valt, namelijk indien de bosbouw voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde regels. Ingevolge artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Stcrt. 2005, 226, hierna: Uitvoeringsregeling) wordt als grond die aan deze regels voldoet aangemerkt als grond met een houtopstand die valt onder de vrijstelling bedoeld in de Regeling meldings- en herplantplicht. Uit de toelichting bij artikel 3 van de Uitvoeringsregeling (zie blz. 52 van genoemde Stcrt.) blijkt dat de wetgever aansluiting heeft gezocht bij de vrijstellingsbepaling van de Regeling meldings- en herplantplicht om een onderscheid te maken tussen commerciële bosbouw en andersoortig bos. De voorwaarden die in het kader van de Regeling meldings- en herplantplicht gelden, waarborgen volgens de toelichting dat de vrijstelling uitsluitend ziet op bossen die in ieder geval binnen 40 jaar na aanplanting geveld zullen worden. Dit betekent naar het oordeel van het CBb dat de wetgever bewust niet heeft gekozen voor het – materiële – criterium dat sprake moet zijn van commerciële bosbouw om grond waarop bosbouw wordt uitgeoefend als landbouwgrond in de zin van de Msw te kunnen aanmerken.

Niet in geschil was dat appellant geen vrijstelling als bedoeld in de Regeling meldings- en herplantplicht heeft aangevraagd. Het CBb is dan ook van oordeel dat het bosareaal van appellant om die reden niet is aan te merken als landbouwgrond in de zin van de Msw. De staatssecretaris heeft deze grond dus terecht niet meegenomen bij de vaststelling van de gebruiksruimte.

De conclusie is helder: ongeacht de feitelijke omstandigheden zal de grond alleen meetellen als landbouwgrond wanneer vrijstelling als bedoeld in de Regeling meldings- en herplantplicht is verkregen.

Huren mestopslag altijd op papier…

Regelmatig krijgen we bij mestboete.nl vragen over de  (tijdelijke) huur en verhuur van mestopslagen bij derden. Dit varieert van een silo tot opslag van (vaste) mest op een betonnen opslagplaat. Wanneer mest  naar een gehuurde opslag wordt gebracht of vanuit die opslag  wordt teruggehaald of uitgereden, is het  zaak dat kan worden aangetoond dat de betreffende opslag tot het hurende bedrijf hoort. Een mondelinge afspraak en verrekening met andere kosten  kan dan onvoldoende zijn, zoals blijkt uit onderstaande casus waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) onlangs uitspraak deed.

Aan een bedrijf werd een boete opgelegd  voor in het totaal € 2100 voor zeven overtredingen bij het transport van pluimveemest. De boetes waren gebaseerd op een afdoeningsrapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA), waarin werd geconstateerd dat op 19 en 20 oktober 2011, drie vrachten pluimveemest zouden zijn afgevoerd van een pluimveebedrijf naar het bedrijf van appellant.

Appellant claimde dat er tijdelijk pluimveemest zou zijn opgeslagen op een betonnen plat die later zou worden afgevoerd. De betonnen plaat zou worden gehuurd en daarmee onderdeel zijn van het bedrijf waar de mest naar werd vervoerd. De huurovereenkomst zou mondeling zijn overeengekomen en de huurprijs  zou worden verrekend met de aankoop van snijmaïs.  Omdat de mestopslag werd gehuurd zou het verplaatsen van de mest een bedrijfsintern proces zijn, waardoor het transport niet zou hoeven te lopen via een intermediair of  zou hoeven te worden gemonsterd of geanalyseerd.

RVO oordeelde echter anders en stelde dat niet aannemelijk kon worden gemaakt dat de mestopslag was gehuurd en daardoor bij het transport van de opslag naar het bedrijf sprake was van eigendomsoverdracht van de mest. Dit betekent dat de regels rond aanvoer en afvoer van mest hadden moeten worden betracht.

Het  CBb  ging mee met de zienswijze van RVO en stelde dat niet aannemelijk is gemaakt dat de opslag was verhuurd. Uit de overlegde factuur en het bankafschrift blijkt weliswaar dat mais is verhandeld, maar uit niets blijkt dat in de koopprijs een vergoeding is verrekend voor de  huur van de opslagplaats voor mest. Er was geen huurovereenkomst of ander bewijs van (ver)huur. Hierdoor was geen sprake van een bedrijfsintern  transport van mest en hadden de daaromtrent geldende regels moeten worden nageleefd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Moraal van het verhaal: zorg er voor dat bij de huur/verhuur van mestopslagen altijd kan worden aangetoond dat de huurder, voor een overeengekomen periode,  het exclusieve gebruiksrecht heeft voor de betreffende opslag. Leg dit ook schriftelijk vast en werk een en nader financieel ook als zodanig af. Het hoeft geen officieel geregistreerd document te zijn, zolang maar zonder twijfel aannemelijk kan worden gemaakt welke afspraken zijn gemaakt en hoe die worden nagekomen.

‘Boeren krijgen bijna nooit een boete’

artikel mestfraude

klik op het artikel voor een vergroting

De afgelopen weken was er, ook op mestboete.nl, veel aandacht voor de intensivering van de controles op fraude met mestafvoer. Het artikel hiernaast uit ‘Stal en Akker’ is daar een voorbeeld van. Het is geschreven vanuit de distributeurs en transporteurs van mest. De strekking van het artikel is duidelijk: ‘het zijn de cowboys die het verpesten voor de rest’.  Het artikel spreekt verder voor zich, behalve de conclusie:  ‘boeren krijgen bijna nooit een boete’. Die conclusie strookt niet met de ervaring  die we bij mestboete.nl hebben. Integendeel: De hoogste boetes komen vaak bij de boeren terecht. Niet eens door de boete voor het onjuist opmaken van een vervoersdocument mest, maar wel door de invloed die het wegvallen van (een deel van) de afvoer van fosfaat en stikstof heeft op het kunnen voldoen aan de verantwoordingsplicht en de daarmee samenhangende boetes.

Hieronder een voorbeeld van enige tijd geleden (2011):

In deze casus namen controleurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) waar dat een aantal vrachten pluimveemest werden afgevoerd van een pluimveebedrijf naar het bedrijf van de betreffende veehouder. Omdat het bedrijf vaste fractie na scheiding van rundveemest afvoerde met gehalten die ongeveer overeenkwamen met de gehalten in pluimveemest werd een onderzoek ingesteld naar de afgevoerde dikke fractie.

RVO nam daarbij de vervoersdocumenten mest en analyses als uitgangspunt. Die gaven een hoeveelheid afgevoerde dikke fractie rundveemest van 105 ton met daarin 1.394 kg fosfaat (13,2 kg per ton) en 4.530 kg stikstof (42,9 kg per ton). RVO stelde dat – op basis van rapport 284 van Wageningen UR over Mestscheiding op melkveebedrijven: resultaten van MOBIEDIK, Mobiele Mestscheiding in Dik en Dun (hierna: rapport 284) –  hiervoor minimaal 700 m3 ingaande drijfmest nodig zou zijn geweest, indien wordt uitgegaan van een zogenaamde schroefpers.

Volgens de forfaitaire gehalten bevat 700 m3 runderdrijfmest (volgens de toenmalige normen) 1190 kg fosfaat en 2940 kg stikstof.

Aan de hand van scheidingsrendementen van fosfaat en stikstof berekende RVO dat er dan door middel van de afvoer van 105 ton dikke fractie zo’n 381 kg fosfaat (3,6 kg fosfaat/ton) en 557 kg stikstof (5,3 kg stikstof/ton) zou zijn afgevoerd. De geconstateerde gehalten waren aanzienlijk hoger en de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de dikke fractie was zelfs hoger dan op basis van de ingaande mest zou kunnen, aldus RVO.

De veehouder stelde dat niet 700 m3 maar een hoeveelheid van 1.259 m3 rundveedrijfmest zou zijn gescheiden. Dan zou de ingaande hoeveelheid fosfaat en stikstof gerekend tegen de forfaitaire normen 2.140 kg fosfaat en 5.288 kg stikstof bedragen. Deze hoeveelheden zouden wel mogelijk zijn op basis van de ingaande mest.

RVO wees in dit verband  op het feit dat de scheidingsrendementen die de veehouder dan zou hebben behaald (8% voor het volume, 86% voor stikstof en 65% voor fosfaat) onwaarschijnlijk hoog zijn, voor met een schroefvijzelpers gescheiden rundveemest en wees er ook nog op dat het drogestof gehalte, zoals vermeld op het analyseverslag, voor gescheiden rundveemest onwaarschijnlijk hoog was.

De rechtbank ging mee in de visie van RVO en stelde dat voldoende aannemelijk was gemaakt dat en waarom de door de veehouder opgegeven hoeveelheid afgevoerde dikke fractie van 105 ton geen fractie van gescheiden rundveemest kan zijn geweest. De aangevoerde pluimveemest, het drogestof gehalte van de dikke fractie en het onvoldoende kunnen onderbouwen van de gehalten werkten in dit verband tegen de veehouder. Aan de veehouder werden boetes opgelegd ter hoogte van in totaal € 43.162,- .

Lees hier de volledige uitspraak.

inleidingen, lezingen en presentaties

Vanuit mestboete.nl geven we regelmatig inleidingen, trainingen en presentaties. De onderwerpen variëren van hoe de Meststoffenwet in elkaar zit. Op welke manier aan de regelgeving kan worden voldaan en wanneer het een keer mis is gegaan hoe dan te handelen. Wellicht dat zo’n presentatie ook interessant kan zijn voor  op uw bijeenkomst, studieclub of voor uw medewerkers. In dat geval bevelen we ons van harte daarvoor aan. De inhoud van zo’n inleiding, training of presentatie wordt uiteraard altijd op uw wensen afgestemd.

foto_lezing

inleidingen, trainingen en presentaties verzorgd mestboete.nl

Bij mestboete.nl hebben we de nodige ervaring met zowel toepassing van de regelgeving en de gevolgen daarvan voor de praktische bedrijfsvoering. De begeleiding van bedrijven bij het anticiperen op de gevolgen van de regelgeving en de mogelijkheden die dit biedt. Denk daarbij aan BEX of de kringloopwijzer, maar ook aan het voldoen aan de mestverwerkingsplicht. Een andere interessante insteek is die van de procedurele kant van mestboetes (van de administratieve controle, via het controle bezoek, naar het opstellen en indienen van zienswijzen en bezwaarschriften tot en met de zitting bij de rechtbank of het College van Beroep voor het bedrijfsleven), welke argumenten kunnen worden gebruikt  (het stikstofgat, BEX-berekeningen, bezinklaag, consistentie in berekeningen, bemestingsplannen, variatie in gehalten bij de aan- en afvoer van mest) en de juridische aspecten (Meststoffenwet, uitvoeringsregeling, verwijtbaarheid, vrije bewijsleer, feitelijke beschikkingsmacht, etc) van de materie. Onze ervaringen delen we graag met u. Saaie kost zult u wellicht zeggen. Misschien wel, maar we brengen het op een manier die u zeker niet als saai zult ervaren. Integendeel! Alle onderwerpen worden concreet gebracht en praktisch geïllustreerd.

Welke onderwerpen kunnen aan bod komen:

  • BEX en kringloopwijzer: Hoe werkt het en wat kan ik er mee ? Hoe werkt het in de praktijk en waar liggen de grenzen.
  • Ontwikkeling van het rundveebedrijf binnen de nieuwe fosfaatregelgeving en de Melkveewet, hoe kan ik invulling geven aan het nieuwe kenmerk: kg melk per kg fosfaat;
  • Controles: welke controles kennen we en wat is bijvoorbeeld het verschil tussen controle en opsporing. Wat zijn de rechten en plichten van de vertegenwoordigers van het bevoegde gezag? Hoe moet ik me gedragen tijdens een controle? Waaraan moet ik meewerken en waaraan niet?
  • Procedures: Hoe ziet een bezwaarprocedure er uit en waar moet ik wanneer op letten? Hoe moet ik reageren op een boetebesluit en wat zijn mijn rechten?
  • Inhoudelijk: Welke zaken zijn van belang bij het voldoen aan de verantwoordingsplicht, wat is logisch  en wat niet. Hoe kan ik een en ander onderbouwen richting het bevoegde gezag.

We lichten de theorie toe aan de hand van  denkbeeldige voorbeeldsituaties, waarbij we proberen deze voorbeelden zo dicht mogelijk bij de praktijk te houden.

Wilt u dat wij een inleiding, training of presentatie voor u verzorgen? Dat kan. Neemt u dan contact met ons op. In overleg kunnen we dan de exacte onderwerpen en inhoud vaststellen. We horen graag van u.

Bezwaar tegen de beschikking van de melkveefosfaatreferentie?

We hebben op mestboete.nl herhaaldelijk aandacht besteed aan de regelgeving rond de Wet verantwoorde groei melkveehouderij: in het kort de “Melkveewet”.

De basis van de Melkveewet vormt de zogenaamde Melkveefosfaatreferentie. Een dergelijke referentie krijgen alle bedrijven met melkvee (dieren in de categorie 100, 101 en 102) per beschikking toegewezen op basis van het peiljaar 2013.

koe in wei

De melkveefosfaatreferentie is de basis van de Melkveewet.

Het belang van de Melkveefosfaatreferentie is groot: het bepaalt het plafond voor de fosfaatproductie op een bedrijf en daarmee wanneer en hoeveel extra mest moet worden verwerkt of extra grond onder het bedrijf moet worden gebracht. De beschikkingen met de Melkveefosfaatreferentie zijn onlangs verstuurd. Tegen deze beschikking staat de mogelijkheid van bezwaar en eventueel beroep open. Gezien het belang van een juiste berekening is het zaak te controleren of de definitieve vaststelling van deze referentie juist is gebeurd, bijvoorbeeld op de volgende punten:

  • Is de berekening gebaseerd op het juiste aantal stuks melkvee (cat. 100, 101, 102);
  • Is de berekening gebaseerd op de juiste oppervlakte landbouwgrond en fosfaattoestand;
  • Is de eventuele natuurgrond binnen een bedrijf correct gewerkt.

Is de referentie niet berekend op basis van de juiste uitgangspunten dan kan binnen 6 weken een bezwaarschrift hiertegen worden ingediend. Naast de controle of de juiste gegevens zijn gebruikt, is het duidelijk dat sommige bedrijven zwaar gedupeerd worden door de gehanteerde systematiek. Denk daarbij bijvoorbeeld aan:

  • Er is gekozen voor een geleidelijke groei met eigen opfok waardoor de aanwezige stalcapaciteit niet is benut;
  • Er zijn contractuele verplichtingen aangegaan voor een uitbreiding na 2013, maar voor het bekend worden van de melkveewet;
  • Door wijzigingen in juridische structuur van het bedrijf wordt geen melkveefosfaatreferentie toegekend;
  • De vergunning voor de uitbreiding van de bestaande ligboxenstal is nog niet definitief afgegeven;
  • De verkoop van het bedrijf werd voorbereid. Omdat de melkveefosfaatreferentie slechts in sommige gevallen kan worden overgedragen, is de waarde van het bedrijf lager geworden: er kunnen immers minder dieren worden gehouden.

De vraag is wat dan? Toch bezwaar maken? En zo ja, op basis waarvan?

De Wet kent voor de vaststelling van de Melkveefosfaatreferentie geen zogenaamde “knelgevallenregeling” of “overgangsregeling”. Of die er komt is maar zeer de vraag, maar natuurlijk nooit uitgesloten. Daarnaast kan met name in individuele gevallen soms tot een specifieke oplossing worden gekomen. Het advies van mestboete.nl is om in dit soort gevallen in ieder geval binnen de gestelde termijn bezwaar te maken tegen de berekening van de melkveefosfaatreferentie om zodoende de rechten met betrekking tot de mogelijkheid tot het maken van bezwaar veilig te stellen. In het bezwaar zouden specifiek de factoren en argumenten moeten worden benoemd die voor uw bedrijf gelden. Het aandragen van aanvullende bezwaargronden later in de procedure, is immers vaak niet mogelijk. Het is daarom van belang direct de relevante bezwaargronden te noemen en dit zo specifiek mogelijk te doen. Een alternatief is u aan te sluiten bij een collectieve bezwaarprocedure. Dit scheelt immers aanmerkelijk in de kosten. Let er in dat geval wel op dat uw belang of uw specifieke situatie helder wordt benoemd en niet ondersneeuwt in het collectieve belang. Goedkoop wordt dan alsnog duurkoop.

Nader onderzoek gewenst…..

Wie in de tabellenbrochure Mestbeleid 2015 kijkt bij de normen voor de aan- en afvoer van dieren en meer specifiek van varkens (zie Figuur hieronder), ziet dat de fosfaatnorm per kg lichaamsgewicht voor vleesvarkens, fokzeugen, fokberen, slechtzeugen en biggen van circa 25 kg (ongeveer) gelijk zijn. De norm van opfokzeugen wijkt met 0.0132 kg fosfaat per kg lichaamsgewicht hier van af. Een foutje ? Twee cijfers omgedraaid ? Neen, het is een wijziging die is aangebracht naar aanleiding van onderzoek door Wageningen UR Livestock Research (klik hier voor dit rapport). Op basis van dit onderzoek heeft de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet geadviseerd om de forfaitaire normen voor de P-vastlegging in opfokzeugen te verhogen van 0.123 kg naar 0.132 kg per kg levend gewicht. Dit is in 2010 ook gebeurd.

.
tabel gehalten dieren

 

In de studie werd geconcludeerd dat de toenmalige forfaitaire norm voor het P-gehalte in opfokzeugen, was gebaseerd op gedateerd onderzoek. Het in die experimenten toegepaste type zeug, het P-gehalte in het voer en de gerealiseerde groeisnelheid van de opfokzeugen waren niet meer representatief voor de huidige praktijk. De auteurs maakten echter ook een duidelijk voorbehoud. De P-vastlegging in opfokzeugen wordt voor een groot deel bepaald door het vP-gehalte in het voer en de groeisnelheid van de dieren. De exacte effecten van deze factoren op de P-vastlegging en uitscheiding bij opfokzeugen waren onbekend. Het rapport dan ook stelt dat aanvullend onderzoek nodig is om de actuele en correcte mineralengehalten in opfokzeugen vast te stellen.

In een onlangs gevoerde procedure haakte de bezwaarmaker (hierna: eiser) in op deze conclusie door te stellen dat bijgestelde norm van 0,0132 kg fosfaat per kg lichaamsgewicht onjuist is, althans dat nader onderzoek nodig is om de actuele en correcte mineralengehalten in opfokzeugen vast te stellen. De kosten van een dergelijk omvangrijk onderzoek behoren gezien de aard, de kosten en het belang daarvan voor de sector niet voor rekening van eiser komen. Verweerder heeft echter aanvullend onderzoek achterwege gelaten en had hierom geen bestuurlijke boete op mogen leggen.

De rechtbank oordeelde echter dat verweerder (RVO) niet kan worden tegengeworpen deze bij de berekening van de bestuurlijke boetes is zijn uitgegaan van forfaitaire gebruiksnormen. Een dergelijke normstelling vloeit immers voort uit het wettelijke systeem als gegeven in de Meststoffenwet en de wijze waarop verweerder daaraan toepassing geeft is daarmee naar vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (12 april 2012, Awb 09/1390, ECVLI:NL:CBB:2012:BW3286) niet in strijd.

Evenmin volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt, dat verweerder – alvorens te besluiten tot het opleggen van bestuurlijke boetes – nader onderzoek had moeten instellen om de actuele en correcte mineralengehalten in opfokzeugen vast te stellen. Verweerder is immers uitgegaan van de stand van de wetenschap. Indien eiser meent dat de toepassing van die normering in het algemeen hetzij in zijn specifieke geval onjuist was, lag het in het kader van de vrije bewijsleer op zijn weg om dat aannemelijk te maken. Eiser heeft echter geen tegenbewijs geleverd, zodat de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten heeft voor de conclusie dat verweerder niet van de forfaitaire normen mocht uitgaan.

Het blijft merkwaardig: Een rapport stelt dat een norm moet worden aangepast, maar ook dat aanvullend onderzoek nodig is om de actuele en correcte mineralengehalten vast te stellen. De norm wordt aangepast, het aanvullende onderzoek vindt niet plaats. Deze – volgens het rapport niet-correcte – gehalten worden intussen wel gebruikt voor de onderbouwing van bestuurlijke boetes.

Melkveefosfaatreferentie: beschikkingen worden verstuurd

Op dit moment worden de beschikkingen van de melkveefosfaatreferentie verstuurd. Deze beschikking is hetbesluit omtrent het ontwikkelingsplafond waarbinnen een melkveebedrijf, zonder extra mestverwerking, extra grond of een combinatie van beiden,  mag ontwikkelen. De melkveefosfaatreferentie wordt berekend op basis van de in 2013 gehouden aantallen melkvee vermenigvuldigd met de forfaitaire fosfaatproductienormen op het moment van ingaan van de Wet (1 januari 2015) verminderd met de plaatsingsruimte voor fosfaat berekend op basis van oppervlakte landbouwgrond in 2013 vermenigvuldigd met de fosfaatgebruiksnormen van 2013. Komt uit deze berekening een negatief getal, dan wordt de melkveefosfaatreferentie op nul gesteld.

De beschikking is een besluit waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat. Gezien het belang van melkveefosfaatreferentie voor de ontwikkeling van het bedrijf is het van belang in ieder geval  te controleren of gebruik is gemaakt van de juiste uitgangsgegevens en indien nodig (binnen 6 weken) bezwaar te maken.

Belangrijke punten voor deze controle zijn:

  • Het gemiddeld aantal stuks melkvee (cat. 100, 101,102).
  • De melkproductie per koe.
  • De oppervlakte grond en fosfaattoestand.
  • De fosfaatruimte die is ingerekend voor natuurterreinen.
  • Het correct verwerkt zijn van een eventuele bedrijfsoverdracht.

Ook voor bedrijven die door ontwikkelingen of omstandigheden  benadeeld worden door de gehanteerde berekeningssystematiek is het zaak om tijdig bezwaar te maken tegen de nu berekende melkveefosfaatreferentie. Hoewel in de wet geen voorziening voor knelgevallen opgenomen, wil dit niet zeggen dat er geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de gevolgen van uitzonderlijke omstandigheden.

Tenslotte is het van belang om – ook wanneer het bedrijf niet uitbreidt – de consequenties van de melkveefosfaatreferentie voor dit jaar helder in beeld te brengen. Immers door de verlaging van de gebruiksnormen neemt het fosfaatoverschot op een groot aantal bedrijven dit jaar al toe. Mogelijk tot een niveau boven de melkveefosfaatreferentie. Zie hiervoor ook dit item.

Fosfaat vervluchtigt niet en spoelt (bijna) niet uit

Onlangs deed de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak in een zaak die onder andere handelde over de vraag of fosfaat uit een (mest)voorraad kan verdwijnen.

De verweerder (RVO) in deze zaak had aan een viertal eisers een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 495.000,-. Dit omdat in de periode 1 januari 2008 tot en met 13 september 2010 93.367 kg fosfaat niet was verantwoord.

Uit het onderzoek van de toenmalige Algemene Inspectiedienst (thans Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, hierna: NVWA) blijkt in het kort dat door eisers 93 vrachten (3.162 ton) vaste dierlijke meststoffen met 159.032 kg fosfaat zijn aangevoerd. Deze mest is vervolgens gemengd met partijen grond, waarbij de ontstane partijen maximaal 10% dierlijke meststoffen bevatten. De totale hoeveelheid werd opgegeven als eindvoorraad mest 2007.

Bij een controle in 2010 werd aangegeven dat het genoemde mengsel van grond en dierlijke meststoffen nog steeds op de aangegeven locaties in voorraad waren en derhalve niet op de bedrijven waren gebruikt of daar van waren afgevoerd. Hierop heeft de NVWA een controle van deze voorraad uitgevoerd. De aanwezige partijen zijn bemonsterd en geanalyseerd op het fosfaatgehalte. Geconcludeerd werd dat er nog 65.665 kg fosfaat in de gemengde partijen mest en grond aanwezig was. Er ontbrak dus een hoeveelheid van 93.367 kg fosfaat.

Eisers betwisten dat er sprake is van een overtreding en stellen dat het onderzoek naar de voorraad fosfaat op onzorgvuldige wijze is geschied. De bemonstering is onbetrouwbaar. Alleen het gedeelte boven het maaiveld is betrokken bij het onderzoek. Niet valt uit te sluiten, aldus eisers, dat een groot gedeelte van de fosfaten als gevolg van uitspoeling door regenval en door inklinking op een lager (onder het maaiveld) gelegen gedeelte terecht zijn gekomen. Verweerder heeft aangegeven dat van inklinking en uitspoeling, althans van een dergelijke omvang, geen sprake kan zijn.

De rechtbank oordeelt dat de stellingen van eisers omtrent inklinking en uitspoeling voldoende zijn weerlegd in een aanvullend  onderzoek, van een extern deskundige, waarin de volgende conclusie werd getrokken: “Op basis van de verstrekte informatie, enkele aannames en berekeningen kan worden berekend dat de uitspoeling van fosfaat uit de grondhopen theoretisch (worst-case situatie) kan variëren van 61 tot 608 kg P2O5 per jaar. Deze hoeveelheden zijn slechts een fractie van de 93.367 kg zoekgeraakte fosfaat, namelijk 0,06 tot 0,6%. Het is niet aannemelijk dat de 93.367 kg zoekgeraakte fosfaat door uit en afspoeling is verdwenen. ” De rechtbank ziet geen aanleiding om deze bevindingen en conclusies  niet te volgen.

Eisers hebben geen contra-onderzoek uitgevoerd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de ontbrekende hoeveelheid fosfaat is uitgespoeld. Omdat deze hoeveelheid evenmin in opslag aanwezig is en ook niet is afgevoerd heeft verweerder terecht een overtreding van de verantwoordingsplicht voor 93.367 kilogram fosfaat vastgesteld.

Conclusies
Wanneer dierlijke mest wordt gemengd met (een overmaat aan) zwarte grond, blijft het toch dierlijke mest en blijven de regels rond de verantwoording van dierlijke mest van toepassing. Ook de afvoer van het product dient te gebeuren volgens de regels van de afvoer van dierlijke mest.

Een voorraad die wordt opgegeven kan worden gecontroleerd door de NVWA. Dit geldt niet alleen voor intermediaire bedrijven, maar ook voor veehouderijbedrijven.

De rechtbank concludeert dat fosfaat, in tegenstelling tot stikstof, niet vervluchtigt (er is dus niet zoiets als een fosfaatgat) en weinig gevoelig is voor uit- en afspoeling. Dit betekent dat voor fosfaat altijd en volledig moet kunnen worden verantwoord of de aangevoerde of geproduceerde fosfaat is afgevoerd naar derden of nog in voorraad zit. Het resterende deel wordt geacht te zijn toegediend aan de grond van het bedrijf.

Wijziging Bgm en Ubm 2015

Vanaf  10 maart ligt een ontwerpwijziging van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet  (Ubm) ter inzage. Gedurende  een termijn van zes weken kan iedereen die wil een zienswijze met betrekking tot deze wijziging van het besluit indienen via een  zogenaamde internetconsultatie.

BGM

Het Besluit Gebruik Meststoffen wordt regelmatig aangepast. Op dit moment is het mogelijk op de meest recente wijzigingen een zienswijze in te dienen.

De consultatie is bedoeld om bij gebruikers/toepassers en andere belanghebbenden na te gaan of de voorgenomen veranderingen in de regelgeving voldoende aansluiten bij de praktijk en of ze haalbaar zijn.

De aanpassingen in het Bgm zijn gericht op:

  • het verantwoord kunnen gebruiken van herwonnen fosfaten,
  • het toepassen van drijfmest bij de inzaai van winterkoolzaad voor (olie)zaadwinning in het volgende seizoen,
  • het toepassen van stikstofkunstmest in de herfst op rietzwenkgras voor een tweede of latere graszaadoogst in het volgende jaar
  • het vernietigen van de graszode op zandgrond (en lössgrond) voor de teelt van aaltjesbeheersende gewassen.

De voorgestelde wijzigingen van het Ubm zijn van redactionele aard en betreffen het herstellen van een foute verwijzing en laten vervallen van een artikel dat is uitgewerkt.

Wie wil, kan via deze link zijn zienswijze indien of in laten dienen.

In uw voordeel bijgesteld…

foto rapport van bevindingen

Het rapport bij de boeteberekening is de basis voor de opgelegde boete

Bij de beoordeling of een bedrijf voldoet aan de gebruiksnormen past RVO bij sommige posten bijstellingen toe in het voordeel van het bedrijf. De afvoer van dierlijke mest is zo’n post. In het toelichtend rapport bij de (boete)berekening wordt dan bijvoorbeeld gesteld: ‘De post ‘afvoer’ heb ik berekend aan de hand van de Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen waarbij u als leverancier staat geregistreerd. RVO heeft deze post in uw voordeel bijgesteld’. Dat is mooi! Toch is het van belang na te gaan op basis van welke gegevens een correctie is berekend.

Ter illustratie onderstaand voorbeeld van een vleesvarkensbedrijf. Voor het gemak is aangenomen dat de mutatie van voorraadposten voer, dieren (netto) nul  is geweest, het bedrijf niet beschikt over grond en de eindvoorraad mest gelijk was aan de beginvoorraad mest in het betreffende kalenderjaar. De in dit voorbeeld berekende mestproductie bedraagt 4.214 kg fosfaat en (na correctie voor het N-gat) 5.585 kg stikstof.  Dis is wel na de correctie voor het stikstofgat die 2.735 kg bedraagt. De mestafvoer bedraagt 4.150 kg fosfaat en 5.500 kg stikstof. Hierdoor blijft 64 kg fosfaat en 85 kg stikstof onverklaard.

fosfaat (kg) stikstof (kg)
aanvoer voer 7214 17920
aanvoer dieren 900 1800
afvoer dieren 3900 7800
N-verlies 3600
correctie N-gat 2735
mestproductie 4214 5585
mestafvoer 4150 5500
onverantwoord 64 85

 

In onderstaande situatie is de mestafvoer (denkbeeldig) ‘in uw voordeel’ door RVO aangepast. De aanpassing is niet groot, maar elke correctie in het voordeel is meegenomen. Voor stikstof bedraagt het voordeel in dit voorbeeld 110 kg. Het addertje onder het gras is dat dit voordeel in het voorbeeld weer vrijwel geheel teniet wordt gedaan door het feit dat de correctie voor het N-gat met 97 kg daalt. De mestproductie na de correctie bedraagt daarmee 4.214 kg fosfaat en 5.682 kg stikstof. De bijgestelde mestafvoer bedraagt 4.160 kg fosfaat en 5.610 kg stikstof. Hierdoor blijft 54 kg fosfaat en 72 kg stikstof onverklaard. Vooral dit laatste is nauwelijks lager dan in de uitgangssituatie het geval was.

 

fosfaat (kg) stikstof (kg)
aanvoer voer 7214 17920
aanvoer dieren 900 1800
afvoer dieren 3900 7800
N-verlies 3600
correctie N-gat 2638
mestproductie 4214 5682
mestafvoer 4160 5610
onverantwoord 54 72

 

Moraal van het verhaal: ‘in uw voordeel bijgesteld’ klinkt mooi en dat is het ook. Maar het is wel van belang te controleren of op het juiste niveau wordt gecorrigeerd en de doorgevoerde correcties geen nivellerende werking op elkaar hebben.  Wanneer dit wel het geval is, is het van belang daar in de zienswijze, het bezwaarschrift of het beroepschrift op in te gaan.