inleidingen, lezingen en presentaties

Vanuit mestboete.nl geven we regelmatig inleidingen, trainingen en presentaties. De onderwerpen variëren van hoe de Meststoffenwet in elkaar zit. Op welke manier aan de regelgeving kan worden voldaan en wanneer het een keer mis is gegaan hoe dan te handelen. Wellicht dat zo’n presentatie ook interessant kan zijn voor  op uw bijeenkomst, studieclub of voor uw medewerkers. In dat geval bevelen we ons van harte daarvoor aan. De inhoud van zo’n inleiding, training of presentatie wordt uiteraard altijd op uw wensen afgestemd.

foto_lezing

inleidingen, trainingen en presentaties verzorgd mestboete.nl

Bij mestboete.nl hebben we de nodige ervaring met zowel toepassing van de regelgeving en de gevolgen daarvan voor de praktische bedrijfsvoering. De begeleiding van bedrijven bij het anticiperen op de gevolgen van de regelgeving en de mogelijkheden die dit biedt. Denk daarbij aan BEX of de kringloopwijzer, maar ook aan het voldoen aan de mestverwerkingsplicht. Een andere interessante insteek is die van de procedurele kant van mestboetes (van de administratieve controle, via het controle bezoek, naar het opstellen en indienen van zienswijzen en bezwaarschriften tot en met de zitting bij de rechtbank of het College van Beroep voor het bedrijfsleven), welke argumenten kunnen worden gebruikt  (het stikstofgat, BEX-berekeningen, bezinklaag, consistentie in berekeningen, bemestingsplannen, variatie in gehalten bij de aan- en afvoer van mest) en de juridische aspecten (Meststoffenwet, uitvoeringsregeling, verwijtbaarheid, vrije bewijsleer, feitelijke beschikkingsmacht, etc) van de materie. Onze ervaringen delen we graag met u. Saaie kost zult u wellicht zeggen. Misschien wel, maar we brengen het op een manier die u zeker niet als saai zult ervaren. Integendeel! Alle onderwerpen worden concreet gebracht en praktisch geïllustreerd.

Welke onderwerpen kunnen aan bod komen:

  • BEX en kringloopwijzer: Hoe werkt het en wat kan ik er mee ? Hoe werkt het in de praktijk en waar liggen de grenzen.
  • Ontwikkeling van het rundveebedrijf binnen de nieuwe fosfaatregelgeving en de Melkveewet, hoe kan ik invulling geven aan het nieuwe kenmerk: kg melk per kg fosfaat;
  • Controles: welke controles kennen we en wat is bijvoorbeeld het verschil tussen controle en opsporing. Wat zijn de rechten en plichten van de vertegenwoordigers van het bevoegde gezag? Hoe moet ik me gedragen tijdens een controle? Waaraan moet ik meewerken en waaraan niet?
  • Procedures: Hoe ziet een bezwaarprocedure er uit en waar moet ik wanneer op letten? Hoe moet ik reageren op een boetebesluit en wat zijn mijn rechten?
  • Inhoudelijk: Welke zaken zijn van belang bij het voldoen aan de verantwoordingsplicht, wat is logisch  en wat niet. Hoe kan ik een en ander onderbouwen richting het bevoegde gezag.

We lichten de theorie toe aan de hand van  denkbeeldige voorbeeldsituaties, waarbij we proberen deze voorbeelden zo dicht mogelijk bij de praktijk te houden.

Wilt u dat wij een inleiding, training of presentatie voor u verzorgen? Dat kan. Neemt u dan contact met ons op. In overleg kunnen we dan de exacte onderwerpen en inhoud vaststellen. We horen graag van u.

Bezwaar tegen de beschikking van de melkveefosfaatreferentie?

We hebben op mestboete.nl herhaaldelijk aandacht besteed aan de regelgeving rond de Wet verantwoorde groei melkveehouderij: in het kort de “Melkveewet”.

De basis van de Melkveewet vormt de zogenaamde Melkveefosfaatreferentie. Een dergelijke referentie krijgen alle bedrijven met melkvee (dieren in de categorie 100, 101 en 102) per beschikking toegewezen op basis van het peiljaar 2013.

koe in wei

De melkveefosfaatreferentie is de basis van de Melkveewet.

Het belang van de Melkveefosfaatreferentie is groot: het bepaalt het plafond voor de fosfaatproductie op een bedrijf en daarmee wanneer en hoeveel extra mest moet worden verwerkt of extra grond onder het bedrijf moet worden gebracht. De beschikkingen met de Melkveefosfaatreferentie zijn onlangs verstuurd. Tegen deze beschikking staat de mogelijkheid van bezwaar en eventueel beroep open. Gezien het belang van een juiste berekening is het zaak te controleren of de definitieve vaststelling van deze referentie juist is gebeurd, bijvoorbeeld op de volgende punten:

  • Is de berekening gebaseerd op het juiste aantal stuks melkvee (cat. 100, 101, 102);
  • Is de berekening gebaseerd op de juiste oppervlakte landbouwgrond en fosfaattoestand;
  • Is de eventuele natuurgrond binnen een bedrijf correct gewerkt.

Is de referentie niet berekend op basis van de juiste uitgangspunten dan kan binnen 6 weken een bezwaarschrift hiertegen worden ingediend. Naast de controle of de juiste gegevens zijn gebruikt, is het duidelijk dat sommige bedrijven zwaar gedupeerd worden door de gehanteerde systematiek. Denk daarbij bijvoorbeeld aan:

  • Er is gekozen voor een geleidelijke groei met eigen opfok waardoor de aanwezige stalcapaciteit niet is benut;
  • Er zijn contractuele verplichtingen aangegaan voor een uitbreiding na 2013, maar voor het bekend worden van de melkveewet;
  • Door wijzigingen in juridische structuur van het bedrijf wordt geen melkveefosfaatreferentie toegekend;
  • De vergunning voor de uitbreiding van de bestaande ligboxenstal is nog niet definitief afgegeven;
  • De verkoop van het bedrijf werd voorbereid. Omdat de melkveefosfaatreferentie slechts in sommige gevallen kan worden overgedragen, is de waarde van het bedrijf lager geworden: er kunnen immers minder dieren worden gehouden.

De vraag is wat dan? Toch bezwaar maken? En zo ja, op basis waarvan?

De Wet kent voor de vaststelling van de Melkveefosfaatreferentie geen zogenaamde “knelgevallenregeling” of “overgangsregeling”. Of die er komt is maar zeer de vraag, maar natuurlijk nooit uitgesloten. Daarnaast kan met name in individuele gevallen soms tot een specifieke oplossing worden gekomen. Het advies van mestboete.nl is om in dit soort gevallen in ieder geval binnen de gestelde termijn bezwaar te maken tegen de berekening van de melkveefosfaatreferentie om zodoende de rechten met betrekking tot de mogelijkheid tot het maken van bezwaar veilig te stellen. In het bezwaar zouden specifiek de factoren en argumenten moeten worden benoemd die voor uw bedrijf gelden. Het aandragen van aanvullende bezwaargronden later in de procedure, is immers vaak niet mogelijk. Het is daarom van belang direct de relevante bezwaargronden te noemen en dit zo specifiek mogelijk te doen. Een alternatief is u aan te sluiten bij een collectieve bezwaarprocedure. Dit scheelt immers aanmerkelijk in de kosten. Let er in dat geval wel op dat uw belang of uw specifieke situatie helder wordt benoemd en niet ondersneeuwt in het collectieve belang. Goedkoop wordt dan alsnog duurkoop.

Nader onderzoek gewenst…..

Wie in de tabellenbrochure Mestbeleid 2015 kijkt bij de normen voor de aan- en afvoer van dieren en meer specifiek van varkens (zie Figuur hieronder), ziet dat de fosfaatnorm per kg lichaamsgewicht voor vleesvarkens, fokzeugen, fokberen, slechtzeugen en biggen van circa 25 kg (ongeveer) gelijk zijn. De norm van opfokzeugen wijkt met 0.0132 kg fosfaat per kg lichaamsgewicht hier van af. Een foutje ? Twee cijfers omgedraaid ? Neen, het is een wijziging die is aangebracht naar aanleiding van onderzoek door Wageningen UR Livestock Research (klik hier voor dit rapport). Op basis van dit onderzoek heeft de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet geadviseerd om de forfaitaire normen voor de P-vastlegging in opfokzeugen te verhogen van 0.123 kg naar 0.132 kg per kg levend gewicht. Dit is in 2010 ook gebeurd.

.
tabel gehalten dieren

 

In de studie werd geconcludeerd dat de toenmalige forfaitaire norm voor het P-gehalte in opfokzeugen, was gebaseerd op gedateerd onderzoek. Het in die experimenten toegepaste type zeug, het P-gehalte in het voer en de gerealiseerde groeisnelheid van de opfokzeugen waren niet meer representatief voor de huidige praktijk. De auteurs maakten echter ook een duidelijk voorbehoud. De P-vastlegging in opfokzeugen wordt voor een groot deel bepaald door het vP-gehalte in het voer en de groeisnelheid van de dieren. De exacte effecten van deze factoren op de P-vastlegging en uitscheiding bij opfokzeugen waren onbekend. Het rapport dan ook stelt dat aanvullend onderzoek nodig is om de actuele en correcte mineralengehalten in opfokzeugen vast te stellen.

In een onlangs gevoerde procedure haakte de bezwaarmaker (hierna: eiser) in op deze conclusie door te stellen dat bijgestelde norm van 0,0132 kg fosfaat per kg lichaamsgewicht onjuist is, althans dat nader onderzoek nodig is om de actuele en correcte mineralengehalten in opfokzeugen vast te stellen. De kosten van een dergelijk omvangrijk onderzoek behoren gezien de aard, de kosten en het belang daarvan voor de sector niet voor rekening van eiser komen. Verweerder heeft echter aanvullend onderzoek achterwege gelaten en had hierom geen bestuurlijke boete op mogen leggen.

De rechtbank oordeelde echter dat verweerder (RVO) niet kan worden tegengeworpen deze bij de berekening van de bestuurlijke boetes is zijn uitgegaan van forfaitaire gebruiksnormen. Een dergelijke normstelling vloeit immers voort uit het wettelijke systeem als gegeven in de Meststoffenwet en de wijze waarop verweerder daaraan toepassing geeft is daarmee naar vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (12 april 2012, Awb 09/1390, ECVLI:NL:CBB:2012:BW3286) niet in strijd.

Evenmin volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt, dat verweerder – alvorens te besluiten tot het opleggen van bestuurlijke boetes – nader onderzoek had moeten instellen om de actuele en correcte mineralengehalten in opfokzeugen vast te stellen. Verweerder is immers uitgegaan van de stand van de wetenschap. Indien eiser meent dat de toepassing van die normering in het algemeen hetzij in zijn specifieke geval onjuist was, lag het in het kader van de vrije bewijsleer op zijn weg om dat aannemelijk te maken. Eiser heeft echter geen tegenbewijs geleverd, zodat de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten heeft voor de conclusie dat verweerder niet van de forfaitaire normen mocht uitgaan.

Het blijft merkwaardig: Een rapport stelt dat een norm moet worden aangepast, maar ook dat aanvullend onderzoek nodig is om de actuele en correcte mineralengehalten vast te stellen. De norm wordt aangepast, het aanvullende onderzoek vindt niet plaats. Deze – volgens het rapport niet-correcte – gehalten worden intussen wel gebruikt voor de onderbouwing van bestuurlijke boetes.

Melkveefosfaatreferentie: beschikkingen worden verstuurd

Op dit moment worden de beschikkingen van de melkveefosfaatreferentie verstuurd. Deze beschikking is hetbesluit omtrent het ontwikkelingsplafond waarbinnen een melkveebedrijf, zonder extra mestverwerking, extra grond of een combinatie van beiden,  mag ontwikkelen. De melkveefosfaatreferentie wordt berekend op basis van de in 2013 gehouden aantallen melkvee vermenigvuldigd met de forfaitaire fosfaatproductienormen op het moment van ingaan van de Wet (1 januari 2015) verminderd met de plaatsingsruimte voor fosfaat berekend op basis van oppervlakte landbouwgrond in 2013 vermenigvuldigd met de fosfaatgebruiksnormen van 2013. Komt uit deze berekening een negatief getal, dan wordt de melkveefosfaatreferentie op nul gesteld.

De beschikking is een besluit waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat. Gezien het belang van melkveefosfaatreferentie voor de ontwikkeling van het bedrijf is het van belang in ieder geval  te controleren of gebruik is gemaakt van de juiste uitgangsgegevens en indien nodig (binnen 6 weken) bezwaar te maken.

Belangrijke punten voor deze controle zijn:

  • Het gemiddeld aantal stuks melkvee (cat. 100, 101,102).
  • De melkproductie per koe.
  • De oppervlakte grond en fosfaattoestand.
  • De fosfaatruimte die is ingerekend voor natuurterreinen.
  • Het correct verwerkt zijn van een eventuele bedrijfsoverdracht.

Ook voor bedrijven die door ontwikkelingen of omstandigheden  benadeeld worden door de gehanteerde berekeningssystematiek is het zaak om tijdig bezwaar te maken tegen de nu berekende melkveefosfaatreferentie. Hoewel in de wet geen voorziening voor knelgevallen opgenomen, wil dit niet zeggen dat er geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de gevolgen van uitzonderlijke omstandigheden.

Tenslotte is het van belang om – ook wanneer het bedrijf niet uitbreidt – de consequenties van de melkveefosfaatreferentie voor dit jaar helder in beeld te brengen. Immers door de verlaging van de gebruiksnormen neemt het fosfaatoverschot op een groot aantal bedrijven dit jaar al toe. Mogelijk tot een niveau boven de melkveefosfaatreferentie. Zie hiervoor ook dit item.

Fosfaat vervluchtigt niet en spoelt (bijna) niet uit

Onlangs deed de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak in een zaak die onder andere handelde over de vraag of fosfaat uit een (mest)voorraad kan verdwijnen.

De verweerder (RVO) in deze zaak had aan een viertal eisers een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 495.000,-. Dit omdat in de periode 1 januari 2008 tot en met 13 september 2010 93.367 kg fosfaat niet was verantwoord.

Uit het onderzoek van de toenmalige Algemene Inspectiedienst (thans Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, hierna: NVWA) blijkt in het kort dat door eisers 93 vrachten (3.162 ton) vaste dierlijke meststoffen met 159.032 kg fosfaat zijn aangevoerd. Deze mest is vervolgens gemengd met partijen grond, waarbij de ontstane partijen maximaal 10% dierlijke meststoffen bevatten. De totale hoeveelheid werd opgegeven als eindvoorraad mest 2007.

Bij een controle in 2010 werd aangegeven dat het genoemde mengsel van grond en dierlijke meststoffen nog steeds op de aangegeven locaties in voorraad waren en derhalve niet op de bedrijven waren gebruikt of daar van waren afgevoerd. Hierop heeft de NVWA een controle van deze voorraad uitgevoerd. De aanwezige partijen zijn bemonsterd en geanalyseerd op het fosfaatgehalte. Geconcludeerd werd dat er nog 65.665 kg fosfaat in de gemengde partijen mest en grond aanwezig was. Er ontbrak dus een hoeveelheid van 93.367 kg fosfaat.

Eisers betwisten dat er sprake is van een overtreding en stellen dat het onderzoek naar de voorraad fosfaat op onzorgvuldige wijze is geschied. De bemonstering is onbetrouwbaar. Alleen het gedeelte boven het maaiveld is betrokken bij het onderzoek. Niet valt uit te sluiten, aldus eisers, dat een groot gedeelte van de fosfaten als gevolg van uitspoeling door regenval en door inklinking op een lager (onder het maaiveld) gelegen gedeelte terecht zijn gekomen. Verweerder heeft aangegeven dat van inklinking en uitspoeling, althans van een dergelijke omvang, geen sprake kan zijn.

De rechtbank oordeelt dat de stellingen van eisers omtrent inklinking en uitspoeling voldoende zijn weerlegd in een aanvullend  onderzoek, van een extern deskundige, waarin de volgende conclusie werd getrokken: “Op basis van de verstrekte informatie, enkele aannames en berekeningen kan worden berekend dat de uitspoeling van fosfaat uit de grondhopen theoretisch (worst-case situatie) kan variëren van 61 tot 608 kg P2O5 per jaar. Deze hoeveelheden zijn slechts een fractie van de 93.367 kg zoekgeraakte fosfaat, namelijk 0,06 tot 0,6%. Het is niet aannemelijk dat de 93.367 kg zoekgeraakte fosfaat door uit en afspoeling is verdwenen. ” De rechtbank ziet geen aanleiding om deze bevindingen en conclusies  niet te volgen.

Eisers hebben geen contra-onderzoek uitgevoerd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de ontbrekende hoeveelheid fosfaat is uitgespoeld. Omdat deze hoeveelheid evenmin in opslag aanwezig is en ook niet is afgevoerd heeft verweerder terecht een overtreding van de verantwoordingsplicht voor 93.367 kilogram fosfaat vastgesteld.

Conclusies
Wanneer dierlijke mest wordt gemengd met (een overmaat aan) zwarte grond, blijft het toch dierlijke mest en blijven de regels rond de verantwoording van dierlijke mest van toepassing. Ook de afvoer van het product dient te gebeuren volgens de regels van de afvoer van dierlijke mest.

Een voorraad die wordt opgegeven kan worden gecontroleerd door de NVWA. Dit geldt niet alleen voor intermediaire bedrijven, maar ook voor veehouderijbedrijven.

De rechtbank concludeert dat fosfaat, in tegenstelling tot stikstof, niet vervluchtigt (er is dus niet zoiets als een fosfaatgat) en weinig gevoelig is voor uit- en afspoeling. Dit betekent dat voor fosfaat altijd en volledig moet kunnen worden verantwoord of de aangevoerde of geproduceerde fosfaat is afgevoerd naar derden of nog in voorraad zit. Het resterende deel wordt geacht te zijn toegediend aan de grond van het bedrijf.

Wijziging Bgm en Ubm 2015

Vanaf  10 maart ligt een ontwerpwijziging van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet  (Ubm) ter inzage. Gedurende  een termijn van zes weken kan iedereen die wil een zienswijze met betrekking tot deze wijziging van het besluit indienen via een  zogenaamde internetconsultatie.

BGM

Het Besluit Gebruik Meststoffen wordt regelmatig aangepast. Op dit moment is het mogelijk op de meest recente wijzigingen een zienswijze in te dienen.

De consultatie is bedoeld om bij gebruikers/toepassers en andere belanghebbenden na te gaan of de voorgenomen veranderingen in de regelgeving voldoende aansluiten bij de praktijk en of ze haalbaar zijn.

De aanpassingen in het Bgm zijn gericht op:

  • het verantwoord kunnen gebruiken van herwonnen fosfaten,
  • het toepassen van drijfmest bij de inzaai van winterkoolzaad voor (olie)zaadwinning in het volgende seizoen,
  • het toepassen van stikstofkunstmest in de herfst op rietzwenkgras voor een tweede of latere graszaadoogst in het volgende jaar
  • het vernietigen van de graszode op zandgrond (en lössgrond) voor de teelt van aaltjesbeheersende gewassen.

De voorgestelde wijzigingen van het Ubm zijn van redactionele aard en betreffen het herstellen van een foute verwijzing en laten vervallen van een artikel dat is uitgewerkt.

Wie wil, kan via deze link zijn zienswijze indien of in laten dienen.

In uw voordeel bijgesteld…

foto rapport van bevindingen

Het rapport bij de boeteberekening is de basis voor de opgelegde boete

Bij de beoordeling of een bedrijf voldoet aan de gebruiksnormen past RVO bij sommige posten bijstellingen toe in het voordeel van het bedrijf. De afvoer van dierlijke mest is zo’n post. In het toelichtend rapport bij de (boete)berekening wordt dan bijvoorbeeld gesteld: ‘De post ‘afvoer’ heb ik berekend aan de hand van de Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen waarbij u als leverancier staat geregistreerd. RVO heeft deze post in uw voordeel bijgesteld’. Dat is mooi! Toch is het van belang na te gaan op basis van welke gegevens een correctie is berekend.

Ter illustratie onderstaand voorbeeld van een vleesvarkensbedrijf. Voor het gemak is aangenomen dat de mutatie van voorraadposten voer, dieren (netto) nul  is geweest, het bedrijf niet beschikt over grond en de eindvoorraad mest gelijk was aan de beginvoorraad mest in het betreffende kalenderjaar. De in dit voorbeeld berekende mestproductie bedraagt 4.214 kg fosfaat en (na correctie voor het N-gat) 5.585 kg stikstof.  Dis is wel na de correctie voor het stikstofgat die 2.735 kg bedraagt. De mestafvoer bedraagt 4.150 kg fosfaat en 5.500 kg stikstof. Hierdoor blijft 64 kg fosfaat en 85 kg stikstof onverklaard.

fosfaat (kg) stikstof (kg)
aanvoer voer 7214 17920
aanvoer dieren 900 1800
afvoer dieren 3900 7800
N-verlies 3600
correctie N-gat 2735
mestproductie 4214 5585
mestafvoer 4150 5500
onverantwoord 64 85

 

In onderstaande situatie is de mestafvoer (denkbeeldig) ‘in uw voordeel’ door RVO aangepast. De aanpassing is niet groot, maar elke correctie in het voordeel is meegenomen. Voor stikstof bedraagt het voordeel in dit voorbeeld 110 kg. Het addertje onder het gras is dat dit voordeel in het voorbeeld weer vrijwel geheel teniet wordt gedaan door het feit dat de correctie voor het N-gat met 97 kg daalt. De mestproductie na de correctie bedraagt daarmee 4.214 kg fosfaat en 5.682 kg stikstof. De bijgestelde mestafvoer bedraagt 4.160 kg fosfaat en 5.610 kg stikstof. Hierdoor blijft 54 kg fosfaat en 72 kg stikstof onverklaard. Vooral dit laatste is nauwelijks lager dan in de uitgangssituatie het geval was.

 

fosfaat (kg) stikstof (kg)
aanvoer voer 7214 17920
aanvoer dieren 900 1800
afvoer dieren 3900 7800
N-verlies 3600
correctie N-gat 2638
mestproductie 4214 5682
mestafvoer 4160 5610
onverantwoord 54 72

 

Moraal van het verhaal: ‘in uw voordeel bijgesteld’ klinkt mooi en dat is het ook. Maar het is wel van belang te controleren of op het juiste niveau wordt gecorrigeerd en de doorgevoerde correcties geen nivellerende werking op elkaar hebben.  Wanneer dit wel het geval is, is het van belang daar in de zienswijze, het bezwaarschrift of het beroepschrift op in te gaan.

Een termijn van orde….

20170425 Awb boeken

De 13 weken termijn moet worden geïnterpreteerd als een termijn van orde

Al eerder kwam op deze site het begrip ‘redelijke beslistermijn’ aan de orde. Dit in het kader van de termijn die mag verstrijken tussen het moment van de aankondiging van het voornemen tot het opleggen van een boete tot het moment dat de definitieve boete wordt opgelegd. Een andere termijn die vaak wordt genoemd is de zogenaamde 13 weken termijn: Binnen 13 weken na dagtekening van een proces-verbaal van de NVWA moet door het bevoegde gezag een besluit worden genomen over de boete. Hoe deze termijn moet worden geïnterpreteerd blijkt uit onderstaand voorbeeld:

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de staatssecretaris aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (hierna: Msw). De overtreding baseerde de staatssecretaris op het door de toenmalige Algemene Inspectiedienst (AID) bij appellant verrichte onderzoek.

In hoger beroep betoogde appellant dat de bevoegdheid van de staatssecretaris om een boete op te leggen was vervallen omdat niet binnen 13 weken na dagtekening van het proces-verbaal van de AID een besluit over de boete was genomen; het proces-verbaal was immers gedagtekend op 29 april 2010 terwijl het primaire boetebesluit dateerde van 16 december 2010. Voor zover de staatssecretaris nog wel bevoegd was tot het opleggen van een boete moest, zo stelde appellant, dit in ieder geval leiden tot een aanzienlijke matiging van de boete.

De staatssecretaris stelde zich op het standpunt dat het proces-verbaal eerst op 23 augustus 2010 van de officier van justitie was ontvangen. Pas toen is volgens de staatssecretaris de termijn van 13 weken gaan lopen. Daarbij wees de staatssecretaris er tevens op dat slechts indien het boetebesluit langer dan 26 weken na aanvang van de beslistermijn werd genomen, een matiging van 10% wordt toegepast.

Het College voor het Beroep van het Bedrijfsleven (hierna: College) overwoog als volgt. Uit artikel 5:44, tweede en derde lid, Awb volgt dat een gedraging die tevens een strafbaar feit oplevert in beginsel aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, en dat het bestuursorgaan – in dit geval de staatssecretaris – eerst (weer) bevoegd is om voor de overtreding een bestuurlijke boete op te leggen indien de officier van justitie heeft medegedeeld af te zien van strafvervolging. Het is immers niet mogelijk een overtreding zowel te bestraffen via het strafrecht als via het bestuursrecht.

Uit artikel 5:51, gelezen in samenhang met artikel 5:48, vierde lid, Awb volgt, zo stelt het College, dat het bestuursorgaan binnen dertien weken na dagtekening van het proces-verbaal omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete dient te beslissen, en dat deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de gedraging aan het openbaar ministerie wordt voorgelegd, tot aan de dag waarop het bestuursorgaan weer bevoegd wordt een bestuurlijke boete op te leggen.

De staatssecretaris heeft de in geding zijnde boete opgelegd naar aanleiding van het door opsporingsambtenaren van de AID opgemaakte proces-verbaal dat is gedagtekend op 29 april 2010. Uit het proces-verbaal kan worden opgemaakt dat de AID het proces-verbaal op diezelfde dag heeft voorgelegd aan de betrokken officier. Naar het oordeel van het College betekent dit dat de beslistermijn met ingang van die dag, op de voet van artikel 5:51, tweede lid, Awb was opgeschort.

Het College maakte uit het dossier tevens op dat de officier op 17 augustus 2010 heeft meegedeeld dat hij van strafvervolging afziet. Dit brengt met zich mee dat op 17 augustus 2010 de bevoegdheid van de staatssecretaris om een boete op te leggen is herleefd. Op grond van artikel 5:51, tweede lid, Awb is toen een einde gekomen aan de opschorting van de beslistermijn.

Dit betekent dat de staatssecretaris na beëindiging van de opschorting binnen 13 weken gerekend vanaf 17 augustus 2010 – te weten uiterlijk 16 november 2010 – zou moeten beslissen. Het primaire boetebesluit dateert echter van 16 december 2010. Het College oordeelt dat dit weliswaar te laat is, maar de 13 weken termijn moet als een termijn van orde worden aangemerkt (TK 2003-2004, 29702, nr. 3, p. 150), dus overschrijding daarvan leidt als zodanig niet tot verval van de bevoegdheid om een boete op te leggen. Omdat de termijnoverschrijding zich beperkte tot één maand, zag het College ook geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris tot een matiging van de boete had moeten komen.

Kortom: de termijn van dertien weken wordt opgeschort op het moment dat het dossier wordt voorgelegd aan de officier van justitie en gaat pas weer lopen op het moment dat het dossier terugkomt en het bestuursrechtelijke spoor wordt vervolgd.  Daarnaast is de termijn van 13 weken niet meer dan een termijn van orde. Dit betekent dat wanneer de staatssecretaris het niet te gek maakt, er door de rechter geen gevolg aan zal worden gegeven. Wordt de termijn fors overschreden dan zal de staatssecretaris een bescheiden matiging toepassen. Het bevoegde gezag mag hiermee een stuk ruimer omgaan met termijnen dan degene aan wie de boete wordt opgelegd!

Lees hier de volledige uitspraak.

Nieuwe forfaitaire normen voor mest

tabellenboekje

Nieuwe forfaitaire normen voor mest (2015-2017)

Op de website van RVO.nl zijn de nieuwe forfaitaire normen voor de verschillende mestsoorten gepubliceerd. Ten opzichte van 2014 zijn de normen aangepast voor vrijwel alle mestcodes van de diersoorten rundvee, kippen, varkens, geiten, schapen, nertsen en eenden. Een paar voorbeelden:

mestcode 41: gier en filtraat na mestscheiding (varkens):
2014: 3,9 kg stikstof en 1,1 kg fosfaat per ton
2015: 1,4 kg stikstof en 0,9 kg fosfaat per ton

mestcode 10: vaste mest (rundvee)
2014: 6,3 kg stikstof en 3,7 kg fosfaat per ton
2015: 7,7 kg stikstof en 4,3 kg fosfaat per ton

mestcode 33: mestband + nadroog (kippen)
2014: 35,1 kg stikstof en 28,1 kg fosfaat per ton
2015: 32,7 kg stikstof en 25,0 kg fosfaat per ton

In het verleden zijn de normen regelmatig aangepast. Addertje onder het gras was toen dat de wijzigingen van de normen ook direct in de beginvoorraad mest van het volgende kalenderjaar werden doorgevoerd bij bedrijven die hun eindvoorraad mest op basis van forfaitaire normen hadden doorgegeven.

Dit betekent dat wanneer bijvoorbeeld een voorraad van 100 ton mestcode 10 is doorgegeven als eindvoorraad 2014, dit een eindvoorraad gaf van 6.300 kg stikstof en 3.700 kg fosfaat, maar een beginvoorraad 2015 van 7.700 kg stikstof en 4.300 kg fosfaat. Met dit aspect en deze beginvoorraad moet rekening worden gehouden bij het bepalen van de eindvoorraad 2015.

Bekijk hier de forfaitaire stikstof en fosfaatgehalten in dierlijke mest 2014

Bekijk hier de forfaitaire stikstof en fosfaatgehalten in dierlijke mest 2015-2017

Niet genoeg monster: forfaitaire gehalten

Sinds 1 januari 2015 is een nieuw analyseprotocol dierlijke mest (AP05: Uitvoeringsregeling Meststoffenwet artikel 80 en 81) voor  laboratoria van kracht. Naast aanpassingen op laboratoriumtechnisch gebied, worden er ook strengere eisen gesteld aan de mestmonsters die wel of juist niet in behandeling mogen worden genomen.

In het nieuwe AP05 wordt gesteld dat een laboratorium een monsterverpakking waarin te weinig monster zit niet meer in behandeling mag nemen. De bijbehorende vracht mest wordt dan op forfaitaire basis afgerekend (klik hier voor een artikel uit Nieuwe oogst). Kort samengevat betekent dit het volgende:

Minimum hoeveelheid monster

gewicht mestmonster

Een volle monsterpot, maar toch maar 200 gram monster….een probleem (foto: Joep den Brok)

Vloeibare mestmonsters die minder dan de voorgeschreven 650 ml bevatten, mogen niet geanalyseerd worden en worden door RVO forfaitair geboekt. Voor vaste mest wordt de grens gelegd bij 500 gram. Monsters die minder dan 500 gram bevatten, mogen niet in analyse worden genomen en worden door RVO forfaitair geboekt.

Het probleem zit hem bij vaste mest. Het is namelijk bij veel soorten droge mest niet mogelijk om het minimale monstergewicht van 500 gram in de standaard verpakking te krijgen. Zie als voorbeeld de foto bij dit bericht.

Indien het gewicht van het monster te laag is, wordt dit monster niet geanalyseerd en mag het geen onderdeel uitmaken van een mengmonster

Ondanks dat bij de  NVWA is aangedrongen op een overbruggingsperiode is deze er niet gekomen. Daarom zijn de laboratoria genoodzaakt om ook bij vaste mest direct te handelen conform de nieuwe wetgeving. Dit komt regelmatig voor en kan gevolgen hebben voor de hoeveelheid afgevoerde mineralen in de mest, maar ook voor de mestverwerkingsovereenkomsten die met de monsters samenhangen.

 

Monsterverpakking

Tenslotte zijn onderstaande eisen aan de monsterverpakking geformaliseerd. Gesteld wordt dat de monsterverpakking ten minste dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • de met meststoffen gevulde monsterverpakking is zodanig gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging kan worden geopend en aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kan worden;
  • de monsterverpakking heeft een minimale inhoud van 750 milliliter;
  • de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, zijn voorzien van een unieke barcode die zich ten hoogste eenmaal in de drie jaar herhaald.