Zorgplicht bij de aanvoer van mest

De Meststoffenwet gaat uit van een verdeling van de bewijslast waarbij de veehouder aan moet tonen dat hij binnen de gebruiksnormen is gebleven. Dit vraagt om extra waakzaamheid zoals blijkt uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) onlangs tussenuitspraak deed.

Naar aanleiding van een landelijk onderzoek naar leveringen van mest waarbij op de vervoersdocumenten een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “Groenerije” of “CTE Service” is een onderzoek gestart naar melkvee- en loonbedrijf [naam 1]. Uit dit onderzoek bleek dat in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009 twintig vrachten met dierlijke mest op de bedrijfslocatie van [naam 1] zijn aangevoerd, waarbij [naam 1] niet als afnemer zou zijn vermeld.

De mest werd toch beschouwd als zijnde aangevoerd door [naam 1] ook al stond hij niet geregistreerd als afnemer. Door de extra aanvoer overschreed het bedrijf van [naam 1] de gebruiksnormen. Hiervoor werd een boete opgelegd, het hiertegen ingestelde bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog in beroep echter dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser een verwijt kan worden gemaakt van de door verweerder gestelde overtreding. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld

Het College ziet zich bij de beoordeling van het hogere beroep gesteld voor de vraag of de minister bevoegd was aan [naam 1] een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van artikel 7 van de Msw . Daarvoor is van belang om vast te stellen of er (1) voldoende bewijs is voor de overtreding en de omvang daarvan en (2) of [naam 1] daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden

Is er voldoende bewijs?

Het College stelt vast dat op de vervoersbewijzen van de verweten twintig vrachten mest, in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009, kentekens, vervoerders en data zijn vermeld die overeenkomen met bij de meldingen van de AGR/GPS vermelde kentekens, vervoerders en data. Voorts zijn er aanvullende verklaringen van de vervoerders en stukken uit de administratie van de betrokken vervoerders en intermediairs die bevestigen dat de mest gelost is op het bedrijf van [naam 1]. De verklaringen van de directeuren van Groenerije, daarbij mede in acht genomen, kan verweerder worden gevolgd in de conclusie dat die onderneming niet de daadwerkelijke afnemer was, maar als fictieve afnemer is opgevoerd.

Verder is niet gebleken van verstoorde AGR/GPS-gegevens en bevinden de geregistreerde loslocaties zich op het bedrijf van [naam 1]. Ook voor het feit dat de mest weer zou zijn afgevoerd zijn geen bewijzen. Het College acht het op grond van de vermelde gegevens dan ook aannemelijk dat de twintig vrachten mest op het bedrijf van [naam 1] zijn aangevoerd.

Kan betrokkene aansprakelijk worden gehouden?

Ten aanzien van de vraag wie op de overtreding kan worden aangesproken, heeft het College in haar uitspraak van 6 juli 2015, (ECLI:NL:CBB:2015:233), het volgende overwogen:

“3.8 (…) In de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 29 930, nr. 3, p. 112) staat als toelichting op (thans) artikel 7 van de Msw het volgende vermeld.

“(…) De omschrijving in artikel 5a van de verboden gedraging als het «op of in de bodem brengen van meststoffen» sluit geheel aan bij de in bijlage III, onderdelen 1, onder 3, van de Nitraatrichtlijn ten aanzien van de gebruiksnormen gebruikte terminologie en ook bij het begrip «gebruiken», als gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit gebruik meststoffen. De omschrijving van de gedraging moet in de ruimste betekenis worden begrepen. Zij omvat elk handelen of nalaten waardoor meststoffen op of in de bodem belanden. Het gaat volgens de definitie van artikel 2, onderdeel h, in ieder geval om elk «toevoegen van stoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met oppervlaktelagen». (…)

Niet alleen degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult, maar ook de functionele dader kan voor overtreding van het verbod strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gehouden. (…)

Het woord «gedraging» in de definitie van het begrip «overtreding», moet in de ruimst mogelijke zin worden opgevat: elk handelen of nalaten wordt daaronder begrepen.(…) Dat kan zijn degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult, maar ook de functionele dader (vergelijk het zogenoemde ijzerdraad-arrest: HR 23 februari 1954 NJ 1954, 378). Functioneel dader is degene in wiens machtssfeer de fysieke handelingen liggen waardoor de overtreding is begaan en die voorts de handelingen heeft aanvaard of in het algemeen placht te aanvaarden. Van dit laatste is in beginsel reeds sprake als de functionele dader is tekortgeschoten in hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht om wederrechtelijke handelingen te voorkomen. “

(…) Van appellanten had mogen worden verwacht dat zij, toen zij het bemesten aan [naam 6] overlieten, precieze, op schrift gestelde afspraken met hem zouden hebben gemaakt en op de naleving daarvan toezicht zouden houden. Appellanten hebben onvoldoende toezichtmaatregelen genomen om overtreding van de gebruiksnormen te voorkomen. Zij waren niet aanwezig bij het lossen van de mest en hebben dit toezicht ook niet door een ander voor hen laten doen. Dat de betreffende percelen op 20 kilometer van hun huiskavel liggen maakt niet dat dit niet van hen kon worden verlangd, nu zij zeggenschap over deze percelen hadden. Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat appellanten terecht als overtreder van artikel 7 van de Msw zijn aangemerkt.”

Het College is van oordeel dat in dit geval de overtreding in redelijkheid aan [naam 1] kan worden toegerekend. [naam 1] heeft geen enkele afspraak op schrift gesteld. Hij heeft geen voorzorgsmaatregelen getroffen voor toezicht op de aanvoer van de mest en heeft geen bewijzen gevraagd van de aangevoerde mest en de hoeveelheid stikstof en fosfaat die de mest bevatte. Hij heeft aldus geen enkele controle uitgeoefend. De mest is bovendien gelost over een periode van 29 april 2009 tot 23 juni 2009, waardoor hij in de gelegenheid was om tussentijds in te grijpen. De conclusie is dan ook dat hij niet de zorg heeft betracht die van hem verwacht mocht worden. Van het ontbreken van verwijtbaarheid is gelet daarop evenmin sprake. De minister was derhalve bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen aan [naam 1] wegens overtreding van artikel 7 van de Msw, in samenhang met artikel 8 van de Msw.

Bovenstaande geeft aan dat vertrouwen weliswaar goed is, maar wanneer de spreekwoordelijke mest aan de knikker komt, je met vertrouwen alleen niet ver komt en zowel op schrift als in acties het nodige moet kunnen worden onderbouwd waaruit blijkt dat de mest niet op de landbouwgrond die hoort tot het bedrijf terecht is gekomen.

 

Lees hier de volledige (tussen)uitspraak

 

Voor wie zijn de fosfaatrechten bij opfok en inscharen?

Enige tijd geleden hebben we op mestboete.nl al enige aandacht besteed aan de problematiek van de toekenning van fosfaatrechten bij uitscharen en opfokken van jongvee. Melkveehouders schaarden een deel van het jaar een deel van hun (jong)vee uit bij een opfokker of een grondeigenaar om de dieren te weiden.  De fosfaatrechten werden toegekend aan de opfokker of de inschaarder . De eigenaar van de dieren of de uitschaarder stelt nu dat (een deel van) die rechten aan hem toebehoren. De inschaarder of opfokker kan zich niet vinden in die claim van de eigenaar of opfokker. In dergelijke situaties is in een aantal gevallen sprake van enig getouwtrek over en weer omtrent de vraag aan wie de fosfaatrechten toe behoren. Hoe zit het nu?

Bij de toekenning van de fosfaatrechten zijn de rechten toegekend aan het bedrijf dat op 2 juli 2015 aangemerkt werd als de houder van de dieren.  Het begrip ‘houden van dieren’, gaat, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten,  uit van het feitelijke houderschap. Het is daarbij van ondergeschikt belang of en dat de houder ook de eigenaar van de dieren is. Het gaat er dus,  voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten, niet om wie de eigenaar was van de dieren op de peildatum van 2 juli 2015, maar om wie de feitelijke houder van de dieren was. Dat wil zeggen degene die feitelijk de dieren in zijn stal had onderbracht, de dieren op zijn land weide of de verzorging op zich nam.

Dat rechten zijn toegewezen aan een partij wil nog niet per definitie zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij….

Maar dat de rechten zijn toegekend aan één partij wil nog niet zeggen dat ze ook toebehoren aan die partij. In de gevallen dat dit wringt komen in de meeste gevallen partijen onderling wel tot een vergelijk, door bijvoorbeeld  een 50/50 verdeling toe te passen of de toebedeelde fosfaatrechten naar rato van de lengte van de uitschaarperiode te verdelen tussen uit- en inschaarder.  Een dergelijke verdeling (naar rato van de inschaarperiode) is niet mogelijk bij de opfokkers van jongvee, waar jongvee van een melkveehouder 12 maanden per jaar  is ondergebracht bij de opfokker.  In een aantal gevallen maakt de eigenaar van de dieren ook dan aanspraak op de rechten die aan de opfokker zijn toegewezen.

De vraag is hoe de rechtbank zal oordelen inzake dergelijke claims van de eigenaar van de dieren of de uitschaarder. In een aantal kort gedingen kwam de voorzieningenrechter tot op het eerste oog geheel verschillende uitspraken. Toch kunnen in deze zaken al wel een aantal (on)mogelijkheden worden gezien.

In een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland oordeelde de voorzieningenrechter dat de rechten naar rato moesten worden verdeeld van de periode waarover partijen de dieren hielden in een kalenderjaar. Daarrbij achtte de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat de inschaarder had meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee het uitscharende bedrijf het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van inschaarder heeft verhoogd. Tenslotte overwoog de rechtbank dat de inschaarder er geen in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden. De inschaarder heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering.

De Rechtbank Noord Nederland oordeelde in een andere casus  dat de opfokker medewerking moest verlenen aan het overdragen van de hem toegekende rechten aan de melkveehouder. De Rechtbank vond de grond hiervoor in een specifieke voorwaarden uit de ‘overeenkomst van opfok‘ die stelt dat indien ‘er tussentijds veranderingen komen vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen in geval van ruiming (mkz of andere ziekten) dan zijn deze voor de eigenaar van de dieren.’ De conclusie van de Rechtbank is dat uit hetgeen partijen in hun onderlinge verhouding zijn overeengekomen, volgt dat de opfokker verplicht is om mee te werken aan de overgang van de fosfaatrechten naar de eigenaar van de dieren, voor zover die fosfaatrechten zijn verkregen uit hoofde van het stallen van jongvee van de eigenaren van die dieren.

In een derde uitspraak  oordeelde de voorzieningenrechter juist weer in het voordeel van de inschaarder. De rechtbank overwoog daarbij dat met het afstaan van de fosfaatrechten de inschaarder zou worden benadeeld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat slechts sprake was van een eenmalige inscharing tussen partijen en geen structurele relatie. Daarnaast oordeelt de voorzieningenrechter dat de uitschaarder door de gang van zaken niet belemmerd wordt zijn bedrijfsuitvoering en de regeling er niet voor bedoeld is om agrariërs anderszins een geldelijk voordeel te verschaffen. Dat de inschaarder toevallig een voordeel heeft verkregen is het gevolg van een bewuste keuze van de wetgever en kan de inschaarder niet worden aangerekend aldus de voorzieningenrechter.

Uiteraard moeten de uitspraken in bodemprocedure meer duidelijkheid geven over de uiteindelijke toekenning van de rechten, maar wat de uitspraken tot nu toe laten zien is dat elke zaak specifiek is en zowel in zijn algemene context als in detail dient te worden beoordeeld. Een aantal aspecten die daarbij van belang kunnen wel uit de uitspraken worden afgeleid. Duidelijk is dat onder andere de afspraken die tussen partijen zijn vastgelegd in de overeenkomst van opfok van belang zijn. Ditzelfde geldt ook voor de lengte van de periode van uitscharen en de lengte van de periode van samenwerking tussen partijen (structureel of eenmalig). Een ander aspect is in hoeverre partijen al dan niet worden benadeeld in relatie tot hun toekomstige bedrijfsvoering en hoe partijen zich hebben gedragen in het kader van het fosfaatreductieplan.

 

Bij twijfel over de gehalten in koek na mestscheiding moet eerst de afvoer aannemelijk kunnen worden gemaakt

Onlangs deed de Rechtbank Limburg uitspraak in een zaak waarin de afvoer van twee vrachten koek na mestscheiding van het bedrijf van eiseres door verweerder was geschrapt.

Uit een onderzoek naar het bedrijf Hamefo Nederland BV (Hamefo), is gebleken dat dit bedrijf Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen (VDM’s) voor transporten van dierlijke mest opmaakte en registreerde, maar deze transporten in werkelijkheid niet zou hebben uitgevoerd. Het betrof veelal vrachten koek na mestscheiding die zouden zijn vervoerd naar Mestverwerking Fryslȃn BV (MVF). De analyses van deze vrachten vertoonden bovendien vaak opmerkelijk hoge stikstof- en fosfaatgehaltes.

Het vermoeden is dat ten tijde van een werkelijk mesttransport extra VDM’s werden ingevuld. Op deze VDM’s werd dan geen kenteken van het vervoermiddel ingevuld. De chauffeurs zouden extra AGR/GPS-koffers bij zich hebben gehad om de fictieve vrachten uniek te maken. Daarnaast zouden de chauffeurs valse weegbonnen hebben opgemaakt bij MVF.
Naar aanleiding van bovenvermeld onderzoek heeft verweerder gecontroleerd of eiseres in 2013 de wet- en regelgeving van het mestbeleid heeft nageleefd. Specifiek werd gekeken naar twee VDM’s die door Hamefo van het bedrijf zijn afgevoerd.

Uit VDM1 blijkt dat Hamefo op 19 december 2013 om 06.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 47,68 ton heeft geladen en op 20 december 2013 om 13.00 uur bij MVF heeft gelost. Op VDM1 is het kenteken van de truck waarmee het transport is uitgevoerd niet vermeld. Op de weegbon die achterop het VDM is afgedrukt, blijkt dat de vracht op 20 december 2013 om 13.12 uur bij MVF is gewogen.

Uit VDM2 blijkt dat Hamefo op 20 december 2013 om 05.00 uur bij het bedrijf van eiseres een vracht koek na mestscheiding van 39,66 ton heeft geladen. Uit het VDM blijkt dat de vracht die dag om 14.00 uur bij MVF is gelost. Op VDM2 is het kenteken van de truck waarmee het transport is gedaan niet vermeld. Volgens de weegbon is de vracht om 13.57 uur bij MVF gewogen.

Uit het onderzoek naar deze twee transporten blijkt dat de VDM’s -volgens ARG/GPS-gegevens- zijn ingelezen op 20 december 2013 om 5:52 uur respectievelijk 5:47 uur. Volgens deze gegevens zouden de transporten toen ook geladen en bemonsterd zijn. De vrachten zouden bij MVF zijn gelost om 13.02 uur respectievelijk 13.11 uur.

Uit gegevens van Data2Track blijkt dat op 20 december 2013 één truck, met kenteken BT-JB-86 type walking floor, om 5.48 uur bij het bedrijf van eiseres is geweest. Volgens deze gegevens is deze truck om 5.54 uur weer vertrokken en om 12.44 uur bij MVF aangekomen. De truck is daar weer vertrokken om 13.13 uur. De geregistreerde laad en losmeldingen van VDM1 en VDM2 corresponderen daarmee met de Data2Track gegevens van deze truck.

Uit deze gegevens heeft verweerder afgeleid dat de VDM’s valselijk zijn opgemaakt en de mest niet is afgevoerd en de betreffende VDM’s niet meegenomen als afvoer van mest, maar beschouwd als zijnde aangewend op de eigen grond. Dit resulteerde in een boete van (in totaal) € 31.804,50.

Eiseres blijft erbij dat op 19 en 20 december 2013 containercombinaties op zijn bedrijf zijn geweest om koek na mestscheiding op te halen en [A.] de containers zelf met een shovel heeft gevuld. De vrachten zijn afgevoerd, de vervoerskosten betaald en de VDM’s en analyserapporten ontvangen. Er zijn monsters genomen die door het laboratorium geanalyseerd zijn. Eiseres stelt geen invloed te hebben gehad op de monsters en kan niet anders dan van de analyses uitgaan. Eiseres blijft erbij dat de vrachten als afvoer in de berekening, van de hoeveelheid mest die zij in 2013 op haar land heeft gebruikt, had moeten worden meegenomen.

Eiseres heeft geen truck met ‘walking floor’ op haar terrein gezien. Zij stelt dat de truck mogelijk ter plaatse is geweest om de chauffeur met de containercombinatie de weg te wijzen of mestmonsters op te pikken en geeft aan dat Hamefo met meer trucks reed dan enkel de trucks die in Data2Track geregistreerd stonden.

Eiseres stelt ook geen invloed te hebben gehad op de Data2Track-gegevens. Als vast komt te staan dat deze gegevens niet overeenkomen met de gegevens op de VDM’s, kan dat volgens eiseres nog niet leiden tot de conclusie, dat de mest helemaal niet is afgevoerd.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat de mest in containers is geladen en vervoerd, zoals eiseres heeft verklaard, omdat containers niet kunnen worden vervoerd met een vrachtwagen met ‘walking floor’ en de mest, gelet op de hoeveelheid, niet binnen zes minuten -tussen aankomst en vertrek- kan zijn geladen. Verweerder neemt aan dat de truck van Hamefo met kenteken BT-JB-86 alleen bij het bedrijf van eiseres is geweest om via het ARG/GPS-systeem een laadmelding te doen. Ook de gehaltes in de gestelde afvoer worden niet aannemelijk geacht. Verweerder acht dat echter niet direct van belang, omdat de afvoer sowieso niet aannemelijk is. Verweerder rekent het eiseres ook aan geen administratie over de mestscheiding kon worden overlegd en eiseres niet weet hoe de mest gescheiden is.

De rechtbank overweegt dat gelet op vaste rechtspraak verweerder mag aannemen dat eiseres de aangevoerde en geproduceerde mest in of op de bodem heeft gebracht, tenzij eiseres aannemelijk maakt dat zij dat niet heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 19 en 20 december 2013 twee vrachten koek na mestscheiding door Hamefo heeft laten afvoeren.

verzamel nota’s, werkbonnen, fotomateriaal, (extra) analyses, etc om de mestscheiding en de afvoer daarvan aannemelijk te maken.

Uit Data2Track-gegevens blijkt dat op 20 december 2013 één truck van Hamefo, de truck met kenteken BT-JB-86 en ‘walking floor’, in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest. De truck is daar aangekomen om 5.48 uur en daar weer vertrokken om 5.54 uur. De truck is bij MVF aangekomen om 12.44 uur en daar weer vertrokken om 13.13 uur.

Uit de gegevens van Data2Track blijkt ook dat de andere geregistreerde vrachtwagens van Hamefo die dag niet in de buurt van het bedrijf van eiseres zijn geweest. Ter zitting is gebleken dat uit die gegevens verder blijkt dat op 19 december 2013 geen geregistreerde truck van Hamefo in de buurt van het bedrijf van eiseres is geweest.

De omstandigheid dat eiseres geen invloed heeft op de Data2Track-gegevens, zoals zij heeft gesteld, betekent niet dat verweerder niet van deze gegevens heeft mogen uitgaan en mede op grond van andere gegevens heeft kunnen concluderen, dat de gestelde afvoer van dikke fractie niet aannemelijk is.

De truck met kenteken BT-JB-86 kan de vrachten waarbij de VDM1 en VDM2 horen niet hebben vervoerd. Volgens VDM1 is de vracht van 47,68 ton geladen op 19 december 2013. Volgens de Data2Track-gegevens was de truck toen niet in de buurt van het bedrijf van eiseres. Volgens VDM2 is de vracht van 39,66 ton geladen om 05.00 uur en dus vóórdat de truck er was.

Volgens VDM2 is de vracht om 14.00 uur bij MVF aangekomen en dus lang nádat de truck daar weer is vertrokken. De vracht met VDM1 is volgens het VDM bij MVF gelost om 13.00 uur en dus binnen de aankomst- en vertrektijd van de truck bij MVF, maar zoals al gezegd, is deze vracht, volgens het VDM, niet op 20 december 2013 geladen en blijkt niet dat de truck op 19 december 2013 al bij het bedrijf van eiseres was.

Daarbij zijn partijen het erover eens dat een truck met ‘walking floor’ niet in zes minuten kan zijn beladen met de vrachten dikke fractie en betwist eiseres zelf dat de vrachten met een truck met ‘walking floor’ zijn vervoerd.

Van het feit dat andere trucks, en wel containercombinaties, die [A.] zelf zou hebben beladen, zoals eiseres heeft verklaard, de vrachten hebben vervoerd, is in het geheel niet gebleken. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat Hamefo ook transporten verzorgde met niet in Data2Track geregistreerde vrachtwagens, maar noch aannemelijk gemaakt dat dat in december 2013 het geval was, noch aannemelijk gemaakt dat de voormelde vrachten door niet geregistreerde vrachtwagens zijn vervoerd. Daarbij heeft MVF verklaard dat Hamefo in december 2013 alleen met de vier in Data2Track geregistreerde vrachtwagens reed en ziet de rechtbank geen grond aan die verklaringen te twijfelen.

Dat eiseres VDM’s heeft die bij de transporten horen, de weegbonnen van de weging van de mest bij MVF en de analyserapporten van de analyses van de mestmonsters, maakt de transporten (toch) nog niet aannemelijk. Genoegzaam is gebleken dat van de VDM’s en weegbonnen niet kan worden uitgegaan. Uit VDM1 blijkt dat de vracht is geladen op 19 december 2013, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht met dat VDM-nummer geladen is op 20 december 2013. Van een laadmelding op 19 december 2013 is niet gebleken. Uit VDM2 volgt dat de vracht is geladen om 5.00 uur, terwijl uit de ARG/GPS-gegevens blijkt dat de vracht is geladen om 5.47 uur. Deze vracht is volgens het VDM gelost om 14.00 uur, terwijl het AGR/GPS-systeem 13.11 uur geregistreerd heeft. Daarbij zijn beide vrachten -volgens de weegbonnen- bij MVF gewogen nádat zij daar volgens de ARG/GPS-gegevens zijn gelost. De vracht met VDM1 zou zelfs zijn gewogen nadat ze volgens de VDM zou zijn gelost.

Dat er mestmonsters zijn genomen en geanalyseerd zijn zegt op zich niks over het transport van de mest. Hetgeen eiseres daarover heeft aangevoerd, kan dan ook verder buiten de beoordeling blijven. Hetgeen eiseres in verband met de mestmonsters, de analyses van de monsters en de mestscheiding heeft aangevoerd, kan immers niet alsnog tot de conclusie leiden dat de mest daadwerkelijk is afgevoerd.

Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren, heeft verweerder er van mogen uitgaan dat eiseres deze mest heeft aangewend.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat eiseres geen enkel verwijt van deze overtredingen kan worden gemaakt en eiseres het slachtoffer is geworden van malafide praktijken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verweerder op voldoende wijze gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de vrachten koek na mestscheiding heeft laten afvoeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres er alles aan gedaan heeft deze overtredingen te voorkomen. Verweerder heeft eiseres dan ook bestuurlijke boetes kunnen opleggen.

Procedures die betrekking hebben op de afvoer van dikke fractie handelen vaak over een verschil van inzicht in hoe de gehalten in de afgevoerde vrachten koek na mestscheiding dienen te worden geïnterpreteerd. In deze situatie deed deze situatie zich ook voor (verweerder achtte de gehalten onaannemelijk hoog), maar dit wordt verder niet direct van belang geacht, omdat verweerder het feit dat er mest is gescheiden en de koek na mestscheiding is afgevoerd sowieso niet aannemelijk acht.

De vraag kan met recht worden gesteld of eiseres in deze situatie de dupe is geworden van al dan niet bewuste praktijken van derden of daadwerkelijk zelf laakbaar heeft gehandeld. Verweerder en de rechtbank gaan uit van dit laatste of stellen dat eiseres tenminste daarvoor verantwoordelijk is.

Deze uitspraak geeft dan ook aan dat, voordat een discussie kan worden gevoerd over de aannemelijkheid van de gehalten, eerst de aannemelijkheid van de mestscheiding zelf, het laden van de koek na mestscheiding en de afvoer van deze koek na mestscheiding van het bedrijf vast dient te staan en moet kunnen worden onderbouwd.

Het advies ‘leg meer vast dan misschien zou moeten’ blijft dan ook als de spreekwoordelijke paal boven water staan. Zo kunnen nota’s, werkbonnen, maar ook foto’s van de scheider, het laden van de koek na mestscheiding, de vrachtwagens op het bedrijf een bijdrage leveren om het vermoeden van verweerder te ontkrachten en duidelijk te maken dat de betreffende vrachten wel zijn afgevoerd van het bedrijf.

Lees hier de volledige uitspraak

Wie moet wat bewijzen ?

De verdeling van de bewijslast binnen de Meststoffenwet is soms lastig te bevatten. Of toch niet ? Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak waarbij men in de uitspraak een duidelijke uitleg van de bewijslast gaf in de context van de betreffende zaak.

Uit het strafrechtelijke onderzoek “Osagedoorn” bleek dat dierlijke meststoffen vermoedelijk fictief zijn afgeleverd op naam van diverse particulieren terwijl deze vrachten in waarschijnlijk zijn geleverd aan landbouwbedrijven. Een van die landbouwbedrijven is het bedrijf van appellant. Zowel in 2010 als in 2011 zijn vier vrachten dierlijke meststoffen geleverd op het adres van appellant waarbij op de van deze vrachten opgemaakte vervoersbewijzen niet de naam van appellant als afnemer staat vermeld maar een andere naam. Verweerder heeft deze vrachten gerekend als zijnde aanvoer voor het landbouwbedrijf van appellant en het bedrijf een boete opgelegd vanwege het overschrijden van de gebruiksnormen.

Appellant heeft gesteld dat de in geding zijnde vrachten mest niet aan hem zijn geleverd, maar dat [naam 2] deze mest heeft ontvangen. [naam 2] had in de bewuste jaren de betreffende mestput van appalant gehuurd. Appellant hoeft, zo stelt hij, om deze reden ook niet te bewijzen dat de mest niet op zijn land is uitgereden. Hij heeft de mest immers nooit ontvangen. Dit zou ook worden bevestigd door enkele getuigen, die hebben verklaard de betreffende mest te hebben uitgereden in een weiland in de buurt van appellant.

Een duidelijke uitleg door het CBb

Het College heeft overwogen dat de wetgever bij invoering van de gebruiksnormen is, uitgegaan van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van meststoffen, waaraan de agrariër die meststoffen gebruikt slechts kan ontkomen als aan de voorwaarden voor opheffing van het verbod is voldaan (naleven van de gebruiksnormen). De materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen ligt volgens dit systeem daarmee primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen.

Uit deze maatstaf volgt dat verweerder weliswaar moet aantonen dat de overtreding is begaan, maar dat de materiële bewijslast van de overtreding op de agrariër berust. Concreet betekent dit dat, indien verweerder de aanwezigheid van mest (door aanvoer of eigen productie) heeft aangetoond, wordt aangenomen dat deze mest in of op de grond van de betreffende agrariër is gebracht. Het is dan aan de agrariër om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht.

In de onderhavige situatie toont verweerder aan dat de mest is geleverd op de locatie van appellant. Vervolgens is het aan appellant om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht. Appellant wijst in dit kader op de omstandigheid dat hij de betreffende mestput had verhuurd aan [naam 2]. Daarbij wijst appellant op een huurovereenkomst en een betaling door [naam 2] aan hem. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de mest niet op zijn grond is uitgereden en dat er aanwijzingen zijn dat [naam 2] de in zijn opdracht in de mestput geloste mest weer heeft afgevoerd, dan wel heeft laten afvoeren.

Het College is van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mestopslag daadwerkelijk verhuurd is geweest aan [naam 2] . Appellant onderbouwt zijn stelling met een schriftelijke huurovereenkomst en een bankafschrift. Op die huurovereenkomst ontbreken evenwel gegevens met betrekking tot de huurperiode, de huurlocatie (er staat alleen ‘mestput’), de ondertekening door appellant en de datum van ondertekening. Op het bankafschrift staat dat appellant een bedrag heeft ontvangen voor ‘mestdistributie’. Hier blijkt geen verhuur van de mestput uit. Daarnaast onderbouwt appellant zijn stelling door te wijzen op verklaringen van derden. Het College merkt deze verklaringen echter aan als niet voldoende feitelijk en controleerbaar. Daarmee bewijzen deze verklaringen niet dat de in de mestput van appellant afgeleverde mest niet bij appellant is uitgereden.

Het College is van oordeel dat verweerder heeft aangetoond dat sprake is van de aanwezigheid van de mest en hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende aantoont dat de betreffende mest niet op of in zijn grond is gebracht.

lees hier de volledige uitspraak

Wanneer is sprake van een bedrijf ?

De Meststoffenwet (hierna: Msw) is van toepassing voor bedrijven. Maar wanneer sprake is van een bedrijf? Soms is dat in geschil, zoals in onderstaande zaak waarin de Rechtbank Limburg onlangs uitspraak deed.

Eiser en zijn echtgenote bezitten een kasteel met onder andere 2,5 hectare grasland en 2 hectare fruitboomgaard. Op het grasland en tussen de fruitbomen grazen twee pony’s. Het gras wordt gemaaid om de grond rondom het kasteel te onderhouden. Het gemaaide gras, wordt aan de pony’s gevoerd. De pony’s worden hobbymatig gehouden. Het fruit dat de fruitboomgaard oplevert wordt niet verhandeld.

Verweerder heeft geconstateerd dat eiser drie vrachten varkensdrijfmest heeft aangevoerd met daarin 771 kilogram stikstof en 432 kilogram fosfaat en stelt dat eiser zowel de gebruiksnorm dierlijke meststoffen als de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden.

Een relevante vraag: werd het gras geteeld voor het kasteel of voor de dieren?

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een landbouwbedrijf heeft, omdat sprake is van ‘enige vorm van landbouw‘. Volgens verweerder is het begrip ‘landbouw’ een ruim begrip waaronder elke agrarische activiteit, op welke schaal dan ook, moet worden verstaan.

Verweerder heeft toegelicht dat eiser grasland heeft waarop gras wordt geteeld dat aan zijn dieren wordt gevoerd. Daarbij heeft hij op zijn grasland mest aangewend en daarvoor betaald gekregen. Verweerder heeft opgemerkt dat het niet nodig is een gebouw te hebben om van een landbouwbedrijf te kunnen spreken. Er hoeft ook geen sprake te zijn van bedrijfsmatig handelen, omdat dat alleen vereist is in geval er sprake is van een veehouderij en daar gaat verweerder niet vanuit. Verweerder ziet steun voor zijn standpunt in de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:5951).

Eiser is het niet eens met de boete en betoogt dat verweerder hem geen boete heeft mogen opleggen omdat hij geen landbouwbedrijf heeft en de Msw daarom niet van toepassing is. In geschil is daarmee of in de situatie van eiser kan worden gesproken over een landbouwbedrijf.

In de Msw wordt als bedrijf aangemerkt, ‘een geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden’. De tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is de ‘in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is’. Tenslotte is grasland ‘landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer’.

Gelet op wat de Msw onder een bedrijf verstaat, acht de rechtbank het standpunt van verweerder onjuist. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die verweerder heeft aangegeven, geen grond geven te concluderen dat sprake is van een bedrijf in de zin van de Msw.

Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat het gras wordt geteeld om het als veevoer te gebruiken. De enkele omstandigheid dat eiser het gemaaide gras aan zijn twee pony’s voert, vindt de rechtbank onvoldoende grond voor die conclusie. Het grasland is gelegen rondom het kasteel. Het maaien ervan behoort tot het normale onderhoud van het grasland. Niet gebleken is dat het grasland er is en gemaaid wordt om het aan de pony’s te kunnen voeren. Het gemaaide gras wordt aan de pony’s gevoerd omdat het er, na onderhoud van het grasland, is. Verweerder heeft op grond van deze omstandigheden dan ook niet kunnen concluderen dat sprake is van grasland en daarmee landbouwgrond in de zin van de Msw. Van een productie-eenheid, zoals verweerder de grasteelt heeft omschreven, is dan ook evenmin sprake.

Tenslotte is de rechtbank is ook niet gebleken van enig bedrijfsmatig handelen. De rechtbank is het niet eens met verweerder, dat geen sprake hoeft te zijn van bedrijfsmatig handelen om een bedrijf als een landbouwbedrijf in de zin van de Msw aan te merken. Zoals hiervoor al aangegeven, behoort landbouwgrond, in de zin van de Msw, tot het bedrijf als de landbouwgrond in het kader van de normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is. De rechtbank leidt hieruit af, dat sprake moet zijn van de exploitatie van een bedrijf en dat de landbouwgrond daarvan deel moet uitmaken om onder het bereik van de Msw te vallen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank pas te spreken van landbouw, in de zin van de Msw, als sprake is van enig bedrijfsmatig handelen.

De rechtbank ziet in de uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin verweerder steun vindt voor zijn standpunt, geen reden voor een ander oordeel, reeds omdat de uitspraak op een andere situatie ziet als de onderhavige. Daarbij komt dat de uitspraak in hoger beroep is vernietigd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De rechtbank toetst daarmee voor het geschil of sprake is van een landbouwbedrijf in de zin van de meststoffenwet, de grond in landbouwkundig gebruik is en sprake is van enig bedrijfsmatig handelen. De rechtbank oordeelt dat in dit specifieke geval geen sprake is van een bedrijf en verweerder eiser geen bestuurlijke boete op had kunnen leggen op grond van de Msw.

Lees hier de volledige uitspraak

Meer over mestboetes

‘Dit jaar zijn al 1.316 boetes opgelegd voor overtredingen van de Meststoffenwet. Het totaal daarbij opgelegde boetebedrag bedroeg € 8,6 miljoen’. Dat zei minister Schouten onlangs tijdens een interpellatiedebat in de Eerste Kamer. Een gemiddeld boetebedrag van zo’n 6.500 euro dus. Dat lijkt wellicht mee te vallen. Maar let op: Het boetebedrag varieerde tussen van € 100,- tot € 275.000,-. Veel lagere boetes en een aantal fors hoge boetes dus. Bovendien dient te worden opgemerkt dat in  een gegeven zaaknummer meerdere boetes kunnen worden opgelegd (bijvoorbeeld overtreding van de gebruiksnorm dierlijke mest, de gebruiksnorm stikstof, de gebruiksnorm voor fosfaat en de verwerkingsplicht) waardoor het totaal opgelegde boetebedrag aan een individueel bedrijf veel hoger kan zijn dan genoemde € 275.000,-.

In een aantal gevallen worden dus behoorlijk hoge boetebedragen opgelegd. De vraag die dan wordt gesteld is: kan dat zo maar en zijn die bedragen wel reëel?

Het doel van een bestraffende sanctie is duidelijk: het straffen van de overtreder en het ontnemen van eventueel onterecht genoten economisch voordeel. Maar voordat een bestuursorgaan een boete mag en kan opleggen moet worden getoetst of aan een aantal waarborgen wordt voldaan. Ook de hoogte van een boete is een onderdeel van een dergelijke waarborg.

Om de vraag te beantwoorden of een boete kan worden opgelegd moet eerst worden gekeken naar de wettelijke grondslag. Artikel 5:4 van de Algemene wet bestuursrecht geeft een bestuursorgaan de bevoegdheid tot het opleggen van een bestraffende sanctie. Dit kan echter niet willekeurig. In de eerste plaats moet sprake zijn van een overtreding van een wetsartikel. In de Msw is daarvan onder andere sprake indien niet wordt voldaan aan de gebruiksnormen (artikel 7 van de Msw) de verantwoordingplicht (artikel 14, eerste lid) of het niet voldoen aan de verwerkingsplicht (artikel 33a en verder). Bij een overtreding van onder andere deze artikelen geeft artikel 51 van de Msw het bevoegde gezag de bevoegdheid om voor de betreffende overtreding een boete op te leggen.

Vervolgens moet worden voldaan aan het zogenaamde ‘una via’ beginsel (de overheid moet een keuze maken tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke weg). Verreweg de meeste overtredingen van de Msw worden afgedaan met toepassing van het bestuursrecht. Binnen het  stelsel van de gebruiksnormen is weliswaar gekozen voor een systeem waarin overtredingen of  via het strafrecht of via het bestuursrecht gehandhaafd kunnen worden. De praktijk leert echter dat slechts in zeer ernstige gevallen wordt teruggevallen op het strafrecht.

Twee wat meer formele waarborgen die vervolgens gelden zijn dat de overtreder tijdig moet zijn gewezen op zijn zwijgrecht voordat hij wordt verhoord en dat moet worden voldaan aan het zogenaamde ‘ne bis in idem’ beginsel (niemand mag twee keer voor hetzelfde feit gestraft worden).

Tenslotte en dat is wellicht de belangrijkste voorwaarde of waarborg is dat sprake moet zijn van verwijtbaarheid. Verwijtbaarheid kan worden gevonden in het overtreden zelf, maar ook in het medeweten (het kennis hebben gehad) van of het achterwege laten van actie om een overtreding te voorkomen. Vrij breed dus.

Wordt onder andere aan bovenstaande voorwaarden voldaan, dan kan een boete worden opgelegd.  De vraag is dan nog de hoogte van die boete.  In de Msw liggen  de boetebedragen vast: ze zijn genormeerd en worden genoemd in artikel 57 van de Msw. De wetgever heeft daarmee zelf de afweging gemaakt, welke boete voor een bepaalde overtreding als evenredig kan worden beschouwd.

Niettemin moet bij het opleggen van de boete het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. Dit betekent, dat dient te worden getoetst of de uit de boetenormbedragen, voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot die omstandigheden behoren in ieder geval de aard en ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het toepassen van de normbedragen niet evenredig wordt geacht, is matiging van het boetebedrag gepast.

Met betrekking tot overtredingen van de Msw  is de insteek van het bevoegde gezag dat het niet naleven van de Meststoffenwet grote impact heeft op het milieu. Overtredingen kunnen leiden tot overbemesting en brengen daarmee de realisatie van milieudoelen in gevaar. Vanwege die reden acht het bevoegde gezag het opleggen van hoge boetebedragen gerechtvaardigd. Het is daarbij aan de overtreder om aan te tonen dat het opgelegde boetebedrag niet evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel, sprake is van een bijzondere omstandigheid (artikel 5.46 Awb) of het niet of verminderd aanwezig zijn van de verwijtbaarheid.

Kortom wanneer niet kan worden onderbouwd dat geen sprake is van verwijtbaarheid of wanneer zelfs opzet wordt aangenomen zullen – wanneer het bestuursorgaan aan de eerder genoemde voorwaarden heeft voldaan  – ook hoge boetes kunnen worden opgelegd.

Het is dan aan degene aan wie de boete wordt opgelegd om alle aspecten die verband houden met het geconstateerde, maar ook met de procedure en de motivering van de opgelegde boete te toetsen, te belichten, toe te lichten en te bestrijden.

 

Tijdige actie geboden bij hogere gehalten in aangevoerde mest

Een onzekere factor bij de levering van mest zijn de gehalten die volgen uit de analyse. Hoewel in de meeste gevallen daarvoor redelijk goed een bandbreedte kan worden aangegeven vallen de gehalten soms hoger of juist lager uit dan vooraf verwacht. Vooral bij hogere gehalten kan een situatie ontstaan waarbij daardoor de gebruiksnormen worden overschreden door de aanvoerende partij. Een vervelende situatie die  nog vervelender kan worden wanneer daar niet tijdig op wordt gereageerd. Dit blijkt ook uit onderstaand geschil waarin de Rechtbank Overijssel onlangs uitspraak deed.

[X] heeft in de periode van maart tot en met april 2012 ongeveer 600 ton mest geleverd aan [A]. Deze mest is gewogen en bemonsterd. Het gehalte aan fosfaat blijkt echter hoger dan verondersteld. Hierdoor heeft [A] de gebruiksnorm voor fosfaat overschreden en is hem een boete opgelegd.  [X] heeft op grond van het feit dat zij kippenmest van [A] heeft afgenomen een bedrag gevorderd. [A] heeft het betreffende bedrag niet betwist, maar heeft zich beroepen op een opschortingsrecht vanwege de haar opgelegde boete.

[A] voert aan dat [X] had moeten waarschuwen dat sprake was van afwijkende fosfaatgehalten in de betreffende mest. Het was volgens [A] op het moment van de ontvangst van de resultaten van de eerste levering onmogelijk om vast te stellen of de totale geleverde mest in overeenstemming zou zijn met de gebruiksnormen. Bovendien heeft [A] door drukte op het werk de onderzoeksresultaten niet direct gecontroleerd. Daar was volgens [A] ook geen aanleiding voor. Hij had immers afspraken gemaakt met [X] over de fosfaathoogte in de mest.

[X] stelt dat zij geen mededelingsplicht,  maar  [A] wel een onderzoekplicht,  had. [X] voert bovendien aan dat [A] te laat heeft geklaagd: pas in 2014, op het moment dat RVO het voornemen had om [A] een boete op te leggen. Door te laat te klagen is [X] de mogelijkheid ontnomen om schadebeperkende maatregelen te treffen en [A] te adviseren. [A] heeft niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht en zelf onvoldoende maatregelen getroffen teneinde (een definitieve) overschrijding van de fosfaatgebruiksnormen te voorkomen.

De rechtbank oordeelt als volgt: Artikel 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de koper geen beroep meer op kan doen op het argument dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.

[A] dient als akkerbouwer te voldoen aan de Meststoffenwet. In dat kader wordt op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet de mest die door [A] wordt aangevoerd onderzocht op het fosfaatgehalte en ontvangt [A] van dit onderzoek de resultaten. Als [A] niet voldoet aan de aan haar gestelde mestwaarden, kan zij een boete opgelegd krijgen. [A] heeft derhalve een eigen verantwoordelijkheid op de controle van de fosfaatgehalten in de aan haar geleverde mest. [A] had derhalve de onderzoeksresultaten sowieso moeten bestuderen. De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat [A] de onderzoeksresultaten had ontvangen, zij redelijkerwijs had kunnen ontdekken of de aan haar geleverde mest aan de overeenkomst beantwoordde. Vaststaat dat [A] dat niet heeft gedaan. [A] is er immers pas achter gekomen in augustus 2012, het moment waarop haar mestboekhouding werd bijgewerkt.

De rechtbank gaat er verder van uit dat de analysegegevens van de eerste vrachten in ieder geval vóór de latere mestleveringen van [X] aan [A]  bij [A] bekend hadden kunnen zijn. [A] had kunnen constateren dat de fosfaatwaarden afweken van hetgeen partijen met elkaar waren overeengekomen. [A] had op dat moment nog de tijd gehad om de daarop volgende mestleveringen te annuleren. Er zou dan sprake geweest zijn van een beperkte overschrijding van de fosfaatnormen, waarbij [A] zich eventueel had kunnen beroepen op de fosfaatverrekeningsregeling en er was [A] geen boete opgelegd.

[A] heeft aangegeven dat zij, als zij de analyses van de mest had bestudeerd, niet met één opslag had kunnen zien dat zij over het toegestane aantal fosfaten heen zou gaan. [A] had echter wel met één opslag kunnen zien dat de geleverde mest geen 2,9 kg fosfaat per ton bevatte, maar mest met een fosfaatgehalte van meer dan 4 kg per ton, derhalve aanzienlijk hoger dan partijen waren overeengekomen. Dat had [A] op dat moment moeten melden aan [X]. Op dat moment konden er nog maatregelen genomen worden, waardoor [A] geen boete opgelegd zou hebben gekregen. [A] heeft derhalve te laat geklaagd in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW. [A] kan er derhalve geen beroep meer op doen dat de door [X] geleverde mest niet beantwoordde aan hetgeen partijen waren overeengekomen. De rechtbank wijst op grond van het bovenstaande de vordering van [A] af.

 

De moraal van het verhaal is duidelijk: degene die mest aanvoert dient bij afwijkende gehalten (als daarover al iets is afgesproken) tijdig contact op te nemen met de leverancier van de mest. Alleen dan kan de schade worden beperkt en een claim in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW  worden voorkomen.

Lees hier de volledige uitspraak

Mestfraude of Mestopslag: het verschil tussen overtreder en slachtoffer

Op deze site besteden we met enige regelmaat aandacht aan het belang van het vooraf duidelijk en eenduidig vastleggen van afspraken. Dit geldt zeker als het om de aan- en afvoer van mest gaat. Hier moet een gewaarschuwd mens voor drie tellen. Waarom dat is blijkt onder andere uit onderstaande zaak waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) onlangs uitspraak deed.

Uit een strafrechtelijk onderzoek onder de naam “Osagedoorn” is onderzoek gedaan het lossen/afleveren van dierlijke meststoffen waarbij op de vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) fictieve afnemers zijn vermeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat dierlijke meststoffen vermoedelijk fictief zijn afgeleverd op naam van diverse particulieren, zonder relatienummer.

Naar aanleiding van dit onderzoek is het melkveebedrijf van appellant gecontrolleerd op naleving van de Meststoffenwet (Msw) in kalenderjaren 2010 en 2011. Daaruit is gebleken dat zowel in 2010 als in 2011 vier vrachten dierlijke meststoffen zijn afgeleverd op het adres van appellant en dat op de van deze vrachten opgemaakte VDM’s niet de naam van appellant als afnemer staat vermeld maar een andere naam. Niet is gebleken dat deze vrachten vervolgens zijn afgevoerd.

Appellant heeft aangevoerd dat in 2010 en 2011 door [naam 2] vrachten dierlijke mest zijn aangevoerd en opgeslagen in een aparte mestput op het bedrijf van appellant. [naam 2] heeft deze put van appellant gehuurd en daarvan is een huurovereenkomst opgemaakt. De vrachten zijn ook weer afgevoerd en zijn dus niet uitgereden op de grond van appellant.

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris appellant bestuurlijke boetes opgelegd van € 19.151,50 en € 14.565,50 wegens de overtreding van artikel 7 van de Msw in respectievelijk de kalenderjaren 2010 en 2011. Verhuur van de mestput aan [naam 2] achtte de staatssecretaris onaannemelijk. Tegen beide primaire besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. In dit verband heeft appellant gewezen op een huurovereenkomst tussen [naam 2] en hem en een bankafschrift waaruit de betaling van de huur blijkt.

De staatssecretaris heeft de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Op de door appellant verstrekte huurovereenkomst ontbreken essentiële gegevens, zoals de huurperiode, appellants ondertekening, de datum van ondertekening en welke mestopslag het betreft, zodat appellant hiermee de verhuur aan [naam 2] niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook het bankafschrift is onvoldoende specifiek.

Tegen deze besluiten heeft appellant beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant hoger beroep aangetekend. Met de rechtbank is het College van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mestopslag in 2010 en 2011 daadwerkelijk verhuurd is geweest aan [naam 2]. Appellant onderbouwt zijn stelling met een schriftelijke huurovereenkomst en een bankafschrift. Op die huurovereenkomst ontbreken evenwel gegevens met betrekking tot de huurperiode, de huurlocatie (er staat alleen ‘mestput’), de ondertekening door appellant en de datum van ondertekening. Op het bankafschrift staat dat appellant op 15 december 2010 € 1.020,60 heeft ontvangen voor ‘mestdistributie’. Los van het feit dat onduidelijk is wie dit heeft overgemaakt, blijkt hier geen verhuur van de mestput uit.

Het College is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat de betreffende mest niet op of in zijn grond is gebracht en is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris heeft aangetoond dat appellant artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw heeft overtreden.

De vraag die blijft is of appellant overtreder of slachtoffer is van [naam 2] is. De controle werd uitgevoerd naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, dus appellant begon al met een achterstand, verder geldt binnen de Msw dat bij het vermoeden van een overtreding, dit vermoeden door appellant moet worden ontkracht. Dit kan alleen maar wanneer de onderliggende stukken duidelijk, helder en eenduidig zijn. Is dit niet het geval dan worden het dure vrachten mest….of ze nu slechts waren opgeslagen of zijn toegediend.

Lees hier de volledige uitspraak

Afwijzing vrijstellingsregeling AMvB grondgebondenheid is geen besluit

Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) uitspraak in een zaak die handelde over de vrijstellingsregeling in het kader de AMvB grondgebondenheid.

De AMvB grondgebondenheid trad op 1 januari 2016 in werking en heeft  als doel grondloze uitbreiding op melkveebedrijven te voorkomen. Ten behoeve van deze AMvB is een artikel aan het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna: Ubm) toegevoegd: artikel 70a Ubm. Onderdeel van dit artikel is een voorziening dat bedrijven die aan konden tonen dat ze voor 30 maart 2015 financiële verplichtingen waren aangegaan om het gehele melkveefosfaatoverschot te (laten) verwerken in aanmerking komen voor een (tijdelijke) vrijstelling van deze AMvB grondgebondenheid. Deze vrijstelling wordt geregeld in het derde lid van het artikel.

Bedrijven die in aanmerking wilden komen voor de vrijstelling dienden voor 1 februari 2016, via een op de site van RVO beschikbaar gesteld formulier, een onderbouwd verzoek in te dienen. RVO besliste vervolgens of dit verzoek werd toe- of afgewezen.

Alleen tegen een formele beslissing staat bezwaar en beroep open.

In deze casus had een melkveehouder tijdig een dergelijk verzoek ingediend. De staatsecretaris wees het verzoek af. Deze afwijzing is vastgelegd in een brief, die door staatssecretaris is aangemerkt als een besluit, waartegen de mogelijkheid van bezwaar open stond. De melkveehouder heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Het bezwaar is door de staatssecretaris ongegrond verklaard. De melkveehouder heeft daarop beroep ingesteld bij het College.

In de procedure bij het College kwam de vraag aan de orde of de toewijzing of afwijzing van een verzoek om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de AMvB grondgebondenheid als een formeel besluit kan worden aangemerkt. Als geen sprake is van een formeel besluit, kan daartegen immers geen bezwaar en beroep worden ingediend.

Het College komt tot de conclusie  dat de toewijzing of afwijzing van een verzoek om vrijstelling van de AMvB grondgebondenheid geen formeel besluit is. Daarmee heeft de staatsecretaris een onjuiste waarde toegekend aan haar ‘beslissing’. Het College komt tot deze constatering omdat de regelgeving, in casu artikel 70a, derde lid, Ubm zelf al bepaalt wanneer de AMvB grondgebondenheid wel of niet van toepassing is. De toewijzing of afwijzing van een verzoek om vrijstelling van de AMvB grondgebondenheid verandert die in de regelgeving vastgelegde situatie niet. Daarom moet het schrijven van de staatssecretaris tot de toewijzing of afwijzing niet als een formeel besluit maar eerder als een ‘beoordeling’ of een ‘servicemelding’ moeten worden gezien. Dit betekent dat tegen de toewijzing of afwijzing van een verzoek ook niet de mogelijkheid van bezwaar en beroep open staat. Het door de melkveehouder ingestelde beroep wordt daarmee gegrond, maar niet ontvankelijk verklaard.

Het College stelt verder dat gelet op hetgeen in het verzoek voor vrijstelling is aangedragen, de staatssecretaris het verzoek ook op had kunnen vatten als een, eventueel nog aan te vullen, aanvraag om ontheffing op de grond van artikel 38, tweede lid, van de Meststoffenwet (de bevoegdheid van de staatssecretaris om ontheffing van het bij of krachtens de Meststoffenwet wet bepaalde te verlenen). Die zorgvuldigheid heeft de staatssecretaris niet in acht genomen. Het College bepaalt daarom dat de staatssecretaris in zoverre een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt dat het verzoek wordt aangemerkt als een aanvraag om in aanmerking te komen voor ontheffing op basis van artikel 38, tweede lid, van de Msw. Bij de behandeling van die aanvraag kunnen dan de aspecten naar voren kunnen komen die de melkveehouder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Tegen het besluit op dat bezwaarschrift staat vervolgens wel de weg van beroep bij het College open.

lees hier de volledige uitspraak

Wijziging Regeling fosfaatreductieplan: introductie van het jongveegetal

Door publicatie in de Staatscourant heeft Staatssecretaris Van Dam een aantal wijzigingen met betrekking tot de  Regeling fosfaatreductieplan 2017 vastgesteld. Een deel van deze wijzigingen was reeds aangekondigd. Zo was bekend dat de Regeling zou worden beperkt tot melkproducerende bedrijven. Ook had de Staatssecretaris al aangegeven zeldzame runderrassen te zullen ontzien. Deze toezeggingen zijn vertaald in deze wijziging van de Regeling.

20170429 weilandMet de wijzigingen zou het voor kunnen komen dat runderen van bedrijven die onder de Regeling vallen (melkleverende bedrijven) worden verplaatst naar bedrijven die niet langer onder de Regeling vallen (denk hierbij aan  jongvee van melkveebedrijven naar jongveeopfokbedrijven). Het zogenaamde ‘ontwijken’, wat het beoogde effect van de Regeling zou ondermijnen. In het oorspronkelijke plan van zuivel.nl was hiervoor een minimale jongveebezetting van 33% ingebouwd. In de wijziging van de Regeling wordt iets soortgelijks geïntroduceerd: het jongveegetal. Naast het referentieaantal en het doelstellingsaantal dus een nieuwe referentie.

Wat is het jongveegetal ?

Het jongveegetal wordt berekend door het aantal runderen op een melkleverend bedrijf op 28 april 2017 van 0 tot 1 jaar en van 1 jaar en ouder dat nog niet gekalfd heeft te delen door het aantal runderen dat op die dag aanwezig is op dit bedrijf en tenminste  eenmaal heeft gekalfd. Hierbij moet worden gerekend met de GVE-normen zoals deze in de Regeling staat.  Dus: het aantal GVE aan ‘jongvee’ gedeeld door het aantal GVE aan ‘melkkkoeien’. Om de voorgeschreven GVE-reductie te bereiken dient vanaf nu met deze verhouding te worden gerekend. Ook al is er minder jongvee op het bedrijf.

Het voldoen aan de doelstelling of de referentie is dus vanaf 28 april 2017 niet meer mogelijk door alleen het aantal dieren te reduceren dat nog niet heeft afgekalfd. De bedoeling van de Staatssecretaris is duidelijk: ontwijking voorkomen. Bedrijven die – volstrekt ter goeder trouw – afspraken hadden gemaakt om in de loop van het jaar hun jongvee onder te brengen bij een jongveeopfokbedrijf, zien hiermee hun plannen gedwarsboomd en dat is zuur.

20170429 melkstalEen tweede maatregel om ‘ontwijking’ te voorkomen die in de Regeling is opgenomen heeft betrekking op  melkkoeien. Voor runderen die tenminste eenmaal hebben gekalfd, geldt dat wanneer koeien worden afgevoerd naar een niet-melkleverend bedrijf,  deze koeien niet binnen een periode van 4 maanden terug mogen keren naar het oorspronkelijk afvoerende bedrijf. Gebeurt dit toch dan zal met terugwerkende kracht een herberekening van de heffing worden gemaakt.

Tenslotte is in de Regeling een uitzondering voor  de aanwas van runderen van de rassen Brandrood rund, Fries Hollands vee, Lakenvelder, Roodbont Fries vee en Groninger blaarkop opgenomen. Voorwaarde is wel dat de runderen als zodanig worden gemerkt in het I&R-systeem. Hoe dit dient te gebeuren zal nader worden aangegeven door de Staatssecretaris.

De wijzigingen van de Regeling treden per 1 mei 2017 in werking. Voor de onderdelen van de Regeling die betrekking hadden op niet-melkleverende bedrijven werkt de aanpassing terug tot en met 1 maart 2017. Deze bedrijven vallen hiermee dus met terugwerkende kracht uitgezonderd van de Regeling.

Lees hier de volledige tekst van de wijziging van de Regeling