Over een oude bezinklaag…

Onlangs deed het College voor Beroep van het bedrijfsleven (hierna: CBb) een (tussen)uitspraak in een langlopende zaak die handelde over het wel of niet mogen inrekenen van een bezinklaag bij de bepaling van de eindvoorraad dierlijke mest.

Aan een vleesvarkensbedrijf (hierna: appellante) werd over 2007 (!) een boete opgelegd vanwege het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht. In bezwaar en beroep heeft appellante betwist deze overtreding te hebben begaan. Appellante voert aan aantoonbaar alle op haar bedrijf geproduceerde mest te hebben afgevoerd. Het aantal varkens dat is gehouden staat vast. Aan de hand daarvan kan de hoeveelheid geproduceerde mest worden berekend. Appellante heeft aangetoond al deze mest (gemeten in tonnen) te hebben afgevoerd en heeft aan de hand van bemonstering en analyse aangetoond wat het stikstof- en fosfaatgehalte daarvan was.

Hoewel aantoonbaar alle mest is afgevoerd zijn niet alle mineralen verantwoord. Appellante stelt dat daarmee een onmogelijke bewijslast bij haar wordt neergelegd om te verklaren waarom de stikstof- en fosfaatgehaltes in de door haar afgevoerde mest lager zijn dan mocht worden verwacht op basis van de aanvoer van stikstof en fosfaat op het bedrijf. Een mogelijke verklaring is dat sprake is van bezinking van mest die in de opslag is achtergebleven. Hoe dan ook had, zo stelt appellante,  vanwege het ontbreken van enige verwijtbaarheid van boeteoplegging moeten worden afgezien.

De Staatssecretaris (hierna: verweerder) stelt zich op het standpunt dat de verantwoordingsplicht ziet op het aantal kilogrammen stikstof en fosfaat in de meststoffen en niet op (gemeten) tonnen mest. Dat mogelijk sprake zou zijn van bezinking acht verweerder niet aannemelijk: uit de door appellante overgelegde specificaties van het stalsysteem blijkt dat er niet of nauwelijks dikke fractie achter kan blijven in haar stalsysteem.

Ter zitting van 29 oktober 2014 heeft verweerder  aangegeven dat hij appellante de gelegenheid wil bieden aan te tonen dat een bezinklaag zou kunnen ontstaan en dat een verklaring van de leverancier van het betreffende stalsysteem waaruit blijkt dat bezinking mogelijk is hiervoor voldoende is. Appellante heeft bij brief van 14 november 2015 een verslag van een door hem op 12 november 2014 op het bedrijf van appellante ingesteld onderzoek ingezonden. Dit verslag luidt als volgt:

“Doel: Vaststellen of er dikke mest op de bodem van de put is afgezet. Methode: Met een platte plaat tussen de roosters door steken om vast te stellen of op de bodem van de put dikke fractie is afgezet. Uitvoering: In diverse afdelingen op meerdere plaatsen gemeten of er dikke fractie is afgezet op de bodem van de putten. Conclusie: Op veel plaatsen in de put is een laag dikke fractie afgezet op de bodem van de put.”

Ter zitting van 6 juli 2015 heeft appellante het verslag toegelicht en verklaard dat dit verslag is opgesteld door een medewerker van de rechtsopvolger van het bedrijf dat het stalsysteem heeft geleverd. Tijdens deze zitting heeft de staatssecretaris desgevraagd medegedeeld dat hij bereid is alsnog rekening te houden met een bezinklaag, mits door de leverancier nader wordt toelicht hoe het ontstaan van een bezinklaag door het aankoeken van mest in 2007 mogelijk was, gelet op het specifieke stalsysteem dat toen op het bedrijf van appellante werd gebruikt voor de opslag van mest. Bij brief van 16 juli 2015 heeft appellante vervolgens een aanvullende nadere verklaring overgelegd:

“Op 12 november 2014 heb ik in de mestputten met een platte plaat duidelijk een bezinklaag vastgesteld. Ter toelichting kan ik nader verklaren dat de bezinking vermoedelijk in de loop der jaren is ontstaan omdat het spoelsysteem niet 100% goed alle mestdeeltjes uit de put wegspoelt. De betonnen vloer van de mestput is vermoedelijk bij de bouw van de stal niet goed glad afgewerkt. Daardoor is al vanaf ingebruikname van de stal in 1995 toch steeds meer mest blijven aankoeken op de ruwe vloer, vooral aan de randen en in de hoeken. Van lieverlee is de bezinklaag op de bodem van de put verder aangegroeid. Voor het functioneren van het Cevardo-systeem lijkt mij dit niet bezwaarlijk zolang de verse mest maar in de spoelvloeistof valt en de spoelgoten blijven werken.”

In haar tussenuitspraak ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan de waarneming dat als zodanig sprake is van een bezinklaag. Dit betekent dat de berekening waarop de aan appellante opgelegde boete is gebaseerd voor onjuist moet worden gehouden, nu daarin geen rekening is gehouden met de bezinking van mest en draagt verweerder op dit gebrek te herstellen.

Het bekende addertje onder het gras volgt wanneer het College verweerder opdraagt om op basis van de standaardformule bij bezinklagen, waarbij wordt gerekend met een aangroei van 2 cm per jaar, te berekenen wat dat in dit geval voor het totaal nog door appellante te verantwoorden aantal kilogrammen fosfaat en stikstof betekent, daarbij rekening houdend met de genoemde periode van 1995 tot en met 2007 en de door appellante vermelde putoppervlakte.

Deze casus maakt een aantal zaken duidelijk: In de eerste plaats de doorlooptijd van een dergelijk procedure. We praten over een boete over het kalenderjaar 2007. Vervolgens de motivering en de bewijslast. Hoewel de bewijslast bij appellante rust, moet verweerder, wanneer deze ter zake een boete op wil leggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden aantonen dat sprake was van een overtreding en dit niet doen op basis van wat door het College wordt aangeduid als ‘speculatie’. Een goede en deskundige onderbouwing vindt dus gehoor bij het College. Een laatste punt tenslotte zijn de gevolgen van het opnemen van een bezinklaag. Nu het College verweerder heeft opgedragen een berekening over een langere periode op te stellen kan de totale hoeveelheid te verantwoorden mineralen sterk toenemen ten opzichte van hetgeen nodig was om voor 2007 aan de verantwoordingsplicht te kunnen voldoen (verhoging van de totale eindvoorraad, maar ook verhoging van de totale beginvoorraad). De door verweerder op te stellen berekening zou daarmee niet alleen van belang zijn voor het kalenderjaar 2007, maar mogelijk ook een erfenis vormen voor de periode daarna. Wordt vervolgd!

Lees hier de volledige (tussen)uitspraak.