Wat in de bezinklaag zit, kan niet worden afgevoerd

Sinds enkele jaren kent RVO bij op te geven mestvoorraden het begrip bezinklaag: Een laag onderin een mestopslag die zo weinig vloeibaar is dat deze bij het afzuigen van de desbetreffende put niet kan worden afgevoerd. Het inrekenen van een dergelijke bezinklaag heeft bij veel – vooral – varkenshouders tot een aanzienlijke verlaging van de mestboete geleid. Feit is echter ook dat er niet veel over de opbouw en ontwikkeling van dergelijke lagen bekend is. RVO baseert zich bij het bepalen van de aangroei ervan en de gehalten er in, op een WUR rapport van 2003 opgesteld op basis van een beperkt aantal bedrijven. Dat dit niet zonder meer door iedere rechter wordt geaccepteerd bleek onlangs in een zaak tussen een veehouder (eiser) die bezwaar maakte tegen een door RVO (verweerder) aan hem opgelegde boete.

In deze zaak waren partijen het er over eens dat zich onderin de mestopslagputten onder de stallen bezinklagen bevinden. Partijen verschilden wel van mening over de wijze waarop de aangroei van de bezinklagen en de gehalten aan stikstof en fosfaat in de bezinklagen dienen te worden berekend.

Zo verschilden partijen van mening over de dikte van de laag en de gehalten van de bezinklaag. Eiser ging uit van een aangroei van de bezinklaag van 6 cm per jaar. Hij wijst erop dat uit de monsters die hij in 2012 heeft genomen volgt dat de bezinklagen in de mestopslagputten onder de stal A2 een gemiddelde dikte hebben van 70 centimeter die zich zou hebben gevormd in een tijdsbestek van twaalf jaar. Hij voert verder aan dat uit de door hem uitgevoerde monsters ook volgt dat de gehalten aan stikstof en fosfaat in de bezinklagen hoger zijn dan die waarvan verweerder uitgaat.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een aangroei van de bezinklagen van 2 centimeter per jaar aannemelijk is, waarbij zij zich baseert op het ‘Praktijkrapport Varkens 21 Bezinklagen en bemonstering van varkensmest’ van Wageningen University & Research center. Ook voor wat betreft de gehalten aan stikstof en fosfaat baseert verweerder zich op de uitkomsten van dit praktijkrapport. Voor zowel de aangroei als de gehalten heeft verweerder daarbij een nauwkeurigheidsmarge toegepast ten gunste van eiser.

De rechtbank acht het aannemelijk dat, gezien de specifieke omstandigheden op dit bedrijf, waaronder de specifieke vorm van de mestputten en de ligging van het afzuigpunt, bij het afzuigen van de desbetreffende putten een meer dan gemiddelde hoeveelheid residu achterblijft. De rechtbank merkt op dat niet is komen vast te staan dat de hoeveelheden aan stikstof en fosfaat in de aangroei van de bezinklagen over 2010 zo groot zijn als eiser stelt. Maar de rechtbank acht dit ook niet noodzakelijk. De maatstaf is immers of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheden die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd onjuist zijn. De rechtbank acht dit het geval. Dit heeft tot gevolg dat verweerder met de thans gehanteerde argumentatie niet heeft aangetoond dat eiser de gestelde overtreding (het niet naleven van de verantwoordingsplicht) heeft begaan. De boete werd verlaagd tot nul.