Het begrip ‘redelijke beslistermijn’

Op 3 november 2014 deed de Rechtbank Overijssel uitspraak in het beroep dat door een veehouder was ingesteld naar aanleiding van een door RVO aan deze veehouder opgelegde boete voor het overschrijden van de gebruiksnormen in de Meststoffenwet (hierna: Msw). Interessant aan deze casus is dat de Rechtbank in haar uitspraak ingaat op het begrip redelijke beslistermijn.

Bij besluit van 22 juli 2009 (het primaire besluit) heeft RVO aan de veehouder,  voor het jaar 2007 een bestuurlijke opgelegd voor een bedrag van € 45.000,- wegens het overschrijden van de gebruiksnormen in de Meststoffenwet.  Bij besluit van 21 november 2013 (het bestreden besluit) heeft RVO  het boetebedrag bijgesteld naar € 20.403,50. De veehouder heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De veehouder stelde zich in zijn beroepschrift onder andere op het standpunt dat RVO met het bestreden besluit, door ruim 4,5 jaar na zijn voornemen om veehouder bestuurlijke boetes op te leggen (van 11 maart 2009) te beslissen, in strijd is gekomen met de redelijke beslistermijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Artikel 6, eerste lid, van het EVRM brengt mee dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

De onderhavige procedure waarbij verweerder besluiten heeft genomen waarbij aan eiser in het kader van de  Msw bestuurlijke boetes zijn opgelegd, is begrepen onder de werkingssfeer van artikel 6, eerste lid van het EVRM.

De rechtbank diende derhalve te beoordelen of de hiervoor bedoelde redelijke termijn is overschreden. Daarbij geldt, volgens de Rechtbank, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt, dat de redelijkheid van de termijn niet in abstracto kan worden bepaald maar steeds moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval, waarbij onder meer in aanmerking moet worden genomen de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van partijen en het belang dat in het geding is.

De redelijke termijn neemt een aanvang wanneer door RVO jegens de betreffende onderneming een handeling wordt verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft ontleend, en in redelijkheid ook de verwachting heeft kunnen ontlenen, dat haar wegens overtreding van de Msw een boete zal kunnen worden opgelegd. In dit geval heeft de veehouder aan het boetevoornemen van 11 maart 2009 de verwachting kunnen ontlenen dat aan hem een boete zou kunnen worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft voor de beslechting van een geschil als het onderhavige in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat die niet binnen een redelijke termijn is geschied, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Aangezien de redelijke termijn is aangevangen met genoemd boetevoornemen van 11 maart 2009 en de rechtbank met de uitspraak van op 3 november 2014 uitspraak deed, is de redelijke termijn met 43 maanden (vanaf 11 maart 2011 tot heden) overschreden.

RVO heeft erkend dat de besluitvorming in eisers geval lang heeft geduurd, maar ziet hierin geen grond voor matiging van de opgelegde bestuurlijke boetes. Verweerder stelt daartoe, dat de lange duur van de beslistermijn gedeeltelijk te wijten is aan de problematiek rond eisers brijvoerinstallatie. Door het voeren met deze installaties leggen varkens meer fosfaat in hun lichaam vast dan bij een droogvoerinstallatie. Het verkrijgen van duidelijkheid over die problematiek heeft de nodige tijd gekost. Voorts stelt verweerder met besluitvorming te hebben moeten wachten tot de forfaitaire fosfaatgebruiksnorm bij opfokzeugen was aangepast.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen die omstandigheden niet de langere behandeltermijn die in het onderhavige geval in acht is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de zaak als ingewikkeld is aan te merken of dat het processuele gedrag van partijen de langere beslistermijn nadelig heeft beïnvloedt.

De rechtbank ziet in de overschrijding van de behandeltermijn met een periode van 43 maanden aanleiding de boete voor de veehouder te verminderen. Daarbij overweegt de rechtbank dat in een geval als het onderhavige waarin sprake is van een overschrijding van meer dan twaalf maanden met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad over de mate van vermindering naar bevind van zaken wordt gehandeld (zie onder meer:  ECLI:NL:HR:2008:BD0191). De rechtbank acht, gelet op alle omstandigheden, een vermindering van de boete met 30 procent niet onredelijk.

Lees hier de volledige uitspraak