Over mestboetes, medeplegen, feitelijk leidinggeven en het beginsel van ne bis in idem

Wanneer een mestboete wordt opgelegd aan een Besloten Vennootschap (hierna: BV) wordt regelmatig ook aan de bestuurders van die BV een boete wordt opgelegd vanwege feitelijk leiding geven aan of het medeplegen van de overtreding. Soms gebeurt dit ook voor zowel het feitelijk leidinggeven als het medeplegen. Niet in alle gevallen is dat terecht, zoals blijkt uit onderstaande uitspraak van de Rechtbank Oost Brabant.

Eiser heeft een bedrijf [bedrijf 2] dat dierlijke meststoffen van leverancier naar afnemer brengt. [bedrijf 1] en [bedrijf 3] zijn de enige aandeelhouders en tevens bestuurders van [bedrijf 2]. [bedrijf 1] had als enig aandeelhouder en bestuurder de heer [persoon 1]. [bedrijf 3] had als enig aandeelhouder en bestuurder de heer [persoon 2].

Tijdens een controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is vastgesteld dat door [bedrijf 2] een aantal overtredingen van de Meststoffenwet zijn gepleegd. Op grond hiervan zijn door verweerder bij de primaire besluiten bestuurlijke boetes opgelegd aan [bedrijf 2] maar tevens aan (onder meer) [persoon 1] als feitelijk leidinggever en [persoon 1] als medepleger.

In beroep voeren eisers, kort weergegeven, aan dat [persoon 1] en [bedrijf 1] niet kunnen worden aangemerkt als medeplegers van de overtredingen van de Meststoffenwet- en regelgeving en [persoon 1] evenmin als feitelijk leidinggever aan die overtredingen.

20170425 Awb boekenrechtbank stelt in haar uitspraak dat voor de kwalificatie “medeplegen” sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer (rechts)personen. Dat is het geval als een delict gezamenlijk wordt uitgevoerd door de overtreder en een andere betrokkene. Bestaat de samenwerking niet uit een gezamenlijke uitvoering, dan is voor de kwalificatie medeplegen vereist dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de betrokkene aan het delict van voldoende gewicht is (zie ECLI:NL:RVS:2015:2386ECLI:NL:HR:2015:928).

De vraag of een betrokkene aangemerkt kan worden als feitelijk leidinggever, komt aan de orde nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een verboden gedraging heeft verricht. Vervolgens is de enkele omstandigheid dat de betrokkene bestuurder van die rechtspersoon is, niet voldoende om hem aan te merken als feitelijke leidinggever. Anderzijds is een dergelijke positie ook geen vereiste; ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon kan feitelijke leidinggever zijn. Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de betrokkene gevoerde beleid. Ook een meer passieve rol, kan de kwalificatie “feitelijk leidinggever” rechtvaardigen. Dat zal in het bijzonder het geval zijn als de betrokkene die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, zulke maatregelen achterwege laat (zie  ECLI:NL:CBB:2016:54, ECLI:NL:HR:2016:733).

In haar uitspraak overweegt de rechtbank, dat gelet op de gegeven feiten en omstandigheden, zowel [bedrijf 1] als [persoon 1] kunnen worden aangemerkt als medeplegers van de door [bedrijf 2] gepleegde overtredingen. Bovendien staven de feiten en omstandigheden dat [persoon 1] kan worden gezien als feitelijke leidinggevende aan de verboden gedragingen.

Verder heeft [persoon 1] aangevoerd dat het opleggen van een boete in zowel zijn hoedanigheid als medepleger als in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever in strijd is met het beginsel van ne bis in idem.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aan [persoon 1] opgelegde boetes als respectievelijk medepleger en feitelijk leidinggever gebaseerd op exact dezelfde overtredingen zoals bedoeld in artikel 5:43 van de Awb. Daaruit volgt dat het verweerder niet vrijstond om aan [persoon 1] in beide hoedanigheden een boete op te leggen en dit niet had mogen doen.

Vervolgens dient de rechtbank te bepalen welke van de twee bestuurlijke boetes voor vernietiging wegens strijd met artikel 5:43 Awb in aanmerking komt. De Awb biedt hier geen uitsluitsel. Uit de wetsgeschiedenis van de Awb blijkt dat het “bestraffende bestuursrecht” niet nodeloos moet afwijken van het strafrecht (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 125). De rechtbank ziet daarin aanleiding aansluiting te zoeken bij het strafrechtelijke leerstuk “Samenloop van strafbare feiten” (boek 1, Titel VI, van het WSr). In dat leerstuk geldt dat, indien een feit onder meer dan één strafbepaling valt, de strafbepaling wordt toegepast waarop de zwaarste straf is gesteld. Hiervan uitgaande en in aanmerking genomen dat het verweerder vrijstaat eiser te beboeten als medepleger of als feitelijk leidinggever, komt de rechtbank tot het oordeel dat in dit geval de laagste boete, vernietigd dient te worden.

Lees hier de volledige uitspraak