Aanvullende gegevens 2016: werkelijke gehalten gebruiken

De periode van het invullen van de Aanvullende gegevens over 2016 is aanstaande. Agrarische ondernemers en intermediairs die een brief hebben ontvangen met het verzoek om aanvullende gegevens over 2016 voor het mestbeleid aan te leveren, moeten deze gegevens vóór 1 februari 2017 doorgeven aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Wie in 2017 gebruik maakt van derogatie dient altijd de opgave Aanvullende gegevens 2016 door te geven.

Naast de hoeveelheid mest die van een bepaalde mestcode in voorraad is moeten aan deze hoeveelheid ook gehalten worden toegekend. In het verleden werden daartoe veelal de forfaitaire gehalten gebruikt. Met betrekking tot de opgave van dit jaar merkt RVO in haar communicatie hieromtrent op dat het gebruik van deze gehalten niet langer zonder meer mogelijk is.

doorgeven-aanvullende-gegevens

Doorgeven van de aanvullende gegevens kan uitsluitend digitaal, via mijn dossier op de site van RVO

Voor het bepalen van het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de eindvoorraad dienen de best beschikbare gegevens te worden gebruikt. RVO geeft hierbij de volgende toelichting: ‘heeft u analyseresultaten van dierlijke mest, compost, zuiveringsslib of een mengsel hiervan dat u in de afgelopen jaren van uw bedrijf heeft aan- of afgevoerd? Dan moet u de gemiddelde gehaltes van deze analyseresultaten gebruiken. Heeft u geen analyseresultaten? Dan kunt u gebruik maken van de forfaitaire gehalten in tabel 5 en 5a voor het mestbeleid.’ Deze systematiek stond ook al voor de aanvullende gegevens van 2015, maar wordt nu nog eens extra door RVO onder de aandacht gebracht. Het is de vraag in hoeverre RVO met deze verplichting niet te kort door de bocht gaat.

RVO zoekt met de door haar voorgeschreven verplichting aansluiting bij artikel 94, tweede lid van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Dit artikel stelt: ‘Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens’. Onder de ‘best beschikbare gegevens’ kunnen bijvoorbeeld analyse uitslagen van  de aan/afgevoerde mest worden verstaan.

Echter in artikel 68, lid 3 van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wordt gesteld dat ’De op een bedrijf waar dierlijke meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde gewicht van de dierlijke meststoffen en het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen’.  Derhalve moet altijd op basis van de feitelijke omstandigheden worden beoordeeld of de gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest voldoen aan de definitie  ‘zo nauwkeurig mogelijke bepaling’ van de gehalten aan stikstof en fosfaat in de betreffende voorraad of dat wellicht een ander gehalte hier de voorkeur geniet. Het zonder meer moeten gebruiken van de gehalten in de aan- of afgevoerde mest lijkt daarmee een te absolute omschrijving of een te strikt voorschrift. Maar voor degene die toch af wil wijken van het gebruik van de gemiddelde gehalten geldt wel en nadrukkelijk: zorg voor een hele goede en degelijke onderbouwing van de gehalten die worden gebruikt.

Lees hier de volledige toelichting voor het invullen van de Aanvullende gegevens landbouwbedrijven 2016