Een intermediaire onderneming die op VDM’s opmerkingscode 61 vermeldt, neemt daarmee een mestverwerkingsplicht op zich. Dat die vermelding volgens de onderneming achteraf bezien een administratieve vergissing was, maakt de boete niet onevenredig. Ook al is dat voor alle betrokken partijen duidelijk. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt daarom de boete aan een intermediaire onderneming van € 12.652,20 wegens het te weinig verwerken van 1.278 kg fosfaat.

De onderneming had in 2018 driepartijenovereenkomsten gesloten voor de verwerking van 625 kg fosfaat. Daarnaast stonden op vijftien vervoersbewijzen dierlijke meststoffen VDM’s met opmerkingscode 61, waarmee de onderneming volgens de minister nog eens 4.779 kg fosfaat moest verwerken. Omdat de onderneming 4.126 kg fosfaat via export had verwerkt, resteerde volgens de minister een tekort van 1.278 kg fosfaat. Op grond van artikel 59 Meststoffenwet leidde dat tot een boete van € 11 per kilogram, na matiging wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn.

In hoger beroep stond niet meer ter discussie dat de onderneming niet volledig aan haar mestverwerkingsplicht had voldaan. De kernvraag was of de boete verder moest worden gematigd. De onderneming stelde dat zij bij de vijftien VDM’s per vergissing code 61 had gebruikt. Zij had volgens haar geen bedoeling gehad om de regelgeving te overtreden. Ook wees zij erop dat haar economisch voordeel beperkt was en dat aansluiting kon worden gezocht bij het boetebeleid voor administratieve tekortkomingen bij driepartijenovereenkomsten.

Het College volgt die redenering niet. De vermelding van code 61 was niet zonder gevolg: doordat die code op de VDM’s stond, had de leverancier aan diens mestverwerkingsplicht voldaan en had de intermediair de verplichting op zich genomen om de mest daadwerkelijk te verwerken. Dat is iets anders dan een geval waarin alleen niet aan een administratieve voorwaarde van een driepartijenovereenkomst is voldaan terwijl de mest feitelijk wel is verwerkt.

Ook het beroep op beperkt economisch voordeel helpt de onderneming niet. Het College verwijst naar zijn eerdere rechtspraak waarin is geoordeeld dat een gesteld beperkt voordeel op zichzelf geen reden is om een wettelijk vastgestelde boete te matigen. De rechter moet wel toetsen of de boete, als punitieve sanctie onder artikel 6 EVRM, evenredig is aan de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. Die toets vindt bij wettelijk vastgestelde boetes plaats binnen artikel 5:46, derde lid, Awb. In dit geval zijn er volgens het College geen bijzondere omstandigheden die maken dat de boete te hoog is.

De les voor de praktijk is duidelijk. Wie als intermediair VDM’s met code 61 accepteert of indient, moet ervan uitgaan dat daar een zelfstandige verwerkingsplicht uit volgt. Een beroep op administratieve vergissing zal alleen kans maken als die vergissing overtuigend uit het dossier blijkt. Controle op opmerkingscodes is dus geen formaliteit, maar onderdeel van de materiële naleving van de mestverwerkingsplicht.

Lees hier de volledige uitspraak