De Bedrijfsspecifieke Excretie, kortweg BEX, wordt gebruikt op melkveebedrijven als onderbouwing  dat de werkelijke stikstof- en fosfaatexcretie van het melkvee op een bedrijf afwijkt van de wettelijke forfaits. RVO beschouwt de BEX daarbij als een verantwoordingsinstrument binnen de vrije bewijsleer. De veehouder moet met de berekening overtuigend onderbouwen waarom de excretie op bedrijfsniveau afwijkt van de forfaitaire uitkomst. Deze onderbouwing staat beschreven in de zogenaamde Handreiking BEX.

De gedachte achter de BEX klinkt logisch. Hoe meer rekening wordt gehouden met de werkelijke melkproductie, het rantsoen, de voersamenstelling, de veestapel, de huisvesting en de beweiding, hoe beter de berekende excretie bij het individuele bedrijf zou moeten aansluiten. Maar bedrijfsspecifiek is niet hetzelfde als nauwkeurig. Dat onderscheid wordt duidelijk wanneer wordt gekeken naar de wijze waarop de BEX rekening houdt met gasvormige stikstofverliezen. Die verliezen hebben rechtstreeks invloed op de uitkomst van de berekening. De bruto-excretie wordt namelijk verminderd met de berekende gasvormige verliezen. Wat daarna resteert, wordt aangemerkt als de netto stikstofexcretie: de hoeveelheid stikstof die volgens de berekening beschikbaar blijft in de mest, inclusief de mest die tijdens beweiding wordt uitgescheiden.

Van bruto- naar netto-excretie
De BEX berekent eerst hoeveel stikstof het melkvee via het voer opneemt en hoeveel daarvan wordt vastgelegd in melk, groei, dracht en dieren. Het verschil vormt de bruto stikstofexcretie: de stikstof die via feces en urine wordt uitgescheiden. Ve rvolgens wordt deze bruto-excretie gecorrigeerd voor gasvormige stikstofverliezen. De Handreiking BEX formuleert dit als volgt:

Netto stikstofexcretie = bruto stikstofexcretie – bedrijfsspecifieke gasvormige stikstofverliezen.

RVO vermeldt uitdrukkelijk dat deze verliezen worden berekend aan de hand van onder meer de rantsoensamenstelling, het staltype, het weideseizoen, het aantal uren weidegang en de verdeling tussen drijfmest en vaste mest.Dat klinkt sterk gedifferentieerd. De vraag is echter wat precies bedrijfsspecifiek wordt vastgesteld en welke onderdelen op algemene aannames blijven berusten.

Beweiding beïnvloedt vooral hoeveel mest in de stal terechtkomt
Binnen de BEX wordt op basis van het aantal weidedagen en de dagelijkse weide-uren berekend welk gedeelte van de stikstof- en TAN-excretie in de stal plaatsvindt. Voor melkkoeien wordt daarbij tevens rekening gehouden met de aanname dat droogstaande koeien niet weiden.

De berekening van de stalurenfractie luidt, vereenvoudigd weergegeven: het aandeel van het jaar dat lacterende koeien in de wei verblijven.

Meer weidegang betekent daardoor minder in de stal uitgescheiden stikstof en TAN. Op die lagere hoeveelheid stalmest worden vervolgens de emissiefactoren voor huisvesting en opslag toegepast. Dat is een belangrijk mechanisme. De BEX berekent niet rechtstreeks hoeveel stikstof bij beweiding op het individuele bedrijf werkelijk verloren gaat. Beweiding werkt in de BEX vooral door doordat een kleiner gedeelte van de mest de route via stal en opslag volgt.

Wat wordt binnen de BEX als verlies berekend?
Voor de stikstof die in de stal terechtkomt, onderscheidt de BEX verschillende verliesposten. Ten eerste wordt de ammoniakemissie uit de stal berekend. Voor melk- en kalfkoeien in een standaardstal bedraagt de emissiefactor in de stalperiode in de Handreiking BEX 2025 14,3% van de TAN die in de stal wordt uitgescheiden. Voor afwijkende stalsystemen wordt deze factor gecorrigeerd met een staltypefactor.

Tijdens de weideperiode gebruikt de BEX voor de nog in de stal uitgescheiden TAN een emissiefactor die afhankelijk is van het aantal weide-uren per dag. Deze factor loopt in de tabel op naarmate de koeien langer worden geweid. Dat lijkt op het eerste gezicht merkwaardig, maar de factor wordt toegepast op de kleinere hoeveelheid TAN die tijdens de resterende staluren wordt uitgescheiden. De totale stalemissie hangt dus af van zowel de omvang van de TAN-stroom naar de stal als de toepasselijke emissiefactor.

Daarnaast wordt gerekend met overige gasvormige stikstofverbindingen. Voor drijfmest van melkvee bedraagt deze factor sinds 2025 5,83% van de totale in de stal uitgescheiden stikstof. Voor vaste mest is dat 31,71%. Volgens de Handreiking bestaan deze factoren uit de NEMA-verliezen voor N₂, N₂O en NOₓ, vermeerderd met een aanvullende correctie wegens het inzicht dat de totale gasvormige verliezen hoger liggen dan eerder in NEMA werd aangenomen.

Ten slotte wordt een verlies uit externe opslag berekend. Daarbij neemt de BEX forfaitair aan dat 20% van de drijfmest en 100% van de vaste mest extern wordt opgeslagen. Voor die opslag wordt vervolgens gerekend met een emissiefactor van 1% voor drijfmest en 2% voor vaste mest, toegepast op de na de eerdere verliezen resterende stikstof.

Wat wordt niet in mindering gebracht?
Dit is voor de beoordeling van de nauwkeurigheid minstens zo belangrijk. De BEX-correctie omvat niet de volledige stikstofketen van uitscheiding tot en met benutting door het gewas. De ammoniakemissie uit mest en urine die rechtstreeks tijdens beweiding op het land terechtkomen, wordt binnen de BEX niet als afzonderlijk verlies van de bruto-excretie afgetrokken. Hetzelfde geldt voor ammoniakverliezen bij de latere aanwending van de opgeslagen mest en voor verdere bodemverliezen na uitscheiding of aanwending.

Die posten worden binnen de bredere KringloopWijzer wel behandeld, maar in andere modules. De BEA berekent onder meer ammoniakverliezen bij beweiding en mesttoediening. De BEN richt zich onder meer op nitraatuitspoeling, lachgasemissie uit de bodem en andere bodemgerelateerde stikstofverliezen. Het rekenregelrapport behandelt deze modules dan ook afzonderlijk van de BEX.

Dat onderscheid is essentieel. De BEX-netto-excretie is niet hetzelfde als de hoeveelheid stikstof die uiteindelijk daadwerkelijk door de bodem of het gewas wordt benut. Het is een berekende hoeveelheid stikstof die na aftrek van bepaalde, binnen de BEX geselecteerde gasvormige verliezen geacht wordt in de geproduceerde mest aanwezig te zijn.

De BEX vergelijkt dus niet volledig de feitelijke verliesroute van beweiding met die van stal, opslag en uitrijden. Zij berekent vooral hoeveel mest in de stal terechtkomt en hoeveel stikstof daaruit volgens algemene emissiefactoren tijdens huisvesting en opslag verloren gaat.

Bedrijfsspecifieke invoer, generieke rekenfactoren
Daarmee ontstaat een gemengd beeld. Een deel van de invoer is daadwerkelijk bedrijfsspecifiek. Denk aan:

  • de melkproductie;
  • de voersamenstelling;
  • de hoeveelheid en kwaliteit van het voer;
  • het aantal dieren;
  • het staltype;
  • het aantal weidedagen;
  • het aantal weide-uren;
  • de verhouding tussen drijfmest en vaste mest.

De vertaling van deze invoer naar gasvormige verliezen vindt echter grotendeels plaats met algemene rekenfactoren. De ammoniakemissie wordt niet op het bedrijf gemeten. Ook de verliezen van N₂, N₂O en NOₓ worden niet voor het individuele bedrijf vastgesteld. De externe opslag wordt bovendien gedeeltelijk forfaitair ingevuld, bijvoorbeeld door aan te nemen dat 20% van de drijfmest extern wordt opgeslagen. De uitkomst is daarmee bedrijfsspecifiek in de zin dat algemene rekenregels op bedrijfseigen invoer worden toegepast. Dat betekent nog niet dat de werkelijke verliezen van het individuele bedrijf bedrijfsspecifiek zijn vastgesteld.

Meer differentiatie is nog geen grotere nauwkeurigheid RVO noemt de gasvormige verliezen in stap 5 van de Handreiking “bedrijfsspecifiek”. Dat is begrijpelijk, omdat de uitkomst varieert met het rantsoen, de huisvesting en de beweiding.

Wetenschappelijk moet echter onderscheid worden gemaakt tussen differentiatie en nauwkeurigheid.

Een model kan twee bedrijven verschillend behandelen doordat zij verschillende invoergegevens hebben. Daarmee is het model gevoeliger voor verschillen in bedrijfsvoering. Maar daaruit volgt niet zonder meer dat de berekende uitkomst dichter bij de werkelijke emissie van elk individueel bedrijf ligt.

Daarvoor moet worden beoordeeld:

  • hoe nauwkeurig de invoergegevens zijn;
  • hoe representatief de emissiefactoren zijn;
  • hoe groot de spreiding achter die factoren is;
  • of relevante bedrijfsomstandigheden in het model ontbreken;
  • hoe onzekerheden uit verschillende rekenstappen doorwerken in de einduitkomst;
  • en of de modeluitkomsten zijn gevalideerd aan de hand van onafhankelijke bedrijfsmetingen.

Een complexere berekening kan nauwkeuriger zijn, maar alleen wanneer de extra detaillering aantoonbaar voorspellende waarde heeft. Zonder een vergelijking met onafhankelijke waarnemingen kan niet uitsluitend uit de complexiteit van het model worden afgeleid dat de uitkomst betrouwbaarder is.

De wijziging in 2025 maakt de modelafhankelijkheid zichtbaar
De wijziging van de Handreiking BEX in 2025 illustreert dit scherp. RVO verhoogde in 2025 de gasvormige stikstofverliezen op basis van nieuwe inzichten. De verhoging werd volledig toegeschreven aan stikstofgas, N₂. Voor drijfmest werd de factor voor overige gasvormige stikstofverliezen vastgesteld op 5,83% van de in de stal uitgescheiden stikstof; voor vaste mest op 31,71%.

Daardoor kon de netto-excretie van een bedrijf veranderen zonder dat de bedrijfsvoering, het rantsoen, de veestapel of de feitelijke mestproductie veranderde. Niet het bedrijf veranderde, maar de wetenschappelijke aanname over de omvang van de verliezen. Dat is op zichzelf geen bezwaar. Een rekenmodel moet kunnen worden aangepast wanneer de wetenschappelijke inzichten veranderen. Het laat echter wel zien dat de uitkomst van de BEX niet uitsluitend een eigenschap is van het individuele bedrijf. Zij is mede een product van de op dat moment gekozen emissiefactoren en modelaannames.

Hoe nauwkeurig is de berekende netto-excretie?
De BEX bevat zonder twijfel meer differentiatie dan een eenvoudig excretieforfait. Zij houdt rekening met verschillen in voer, productie, beweiding en huisvesting. Daarmee kan zij verschillen tussen melkveebedrijven zichtbaar maken die in een algemeen forfait ontbreken. De vraag is echter of de berekende gasvormige verliezen ook met voldoende nauwkeurigheid de werkelijke verliezen op het individuele bedrijf benaderen.

Juist daar blijft reden voor kritische aandacht. Een deel van de bedrijfsvoering wordt gedetailleerd ingevoerd, maar de feitelijke verliezen worden niet gemeten. Zij worden afgeleid met emissiefactoren die zijn gebaseerd op gemiddelden, onderzoeksresultaten en aanvullende modelcorrecties. Ook is de aanduiding “bedrijfsspecifieke gasvormige verliezen” ruimer dan de feitelijke inhoud van de correctie wellicht doet vermoeden. De berekening ziet niet op alle gasvormige verliezen die gedurende de gehele mestketen en na uitscheiding in de wei optreden. Zij ziet binnen de BEX hoofdzakelijk op verliezen uit stal en opslag. Daarmee is de BEX wel bedrijfsspecifieker dan het forfait, maar is nog niet zonder meer aangetoond hoe nauwkeurig de berekende netto-excretie op het niveau van één individueel bedrijf is.

Conclusie
De BEX is een geavanceerd verantwoordingsinstrument. Zij gebruikt aanzienlijk meer bedrijfseigen informatie dan de forfaitaire excretienormen. Dat maakt de berekening gedifferentieerder en gevoeliger voor verschillen tussen bedrijven. Maar bedrijfsspecifieker betekent niet automatisch nauwkeuriger.

Vooral bij de gasvormige stikstofverliezen bestaat de uitkomst uit een combinatie van bedrijfsspecifieke invoer en algemene emissiefactoren. Bovendien omvat de correctie binnen de BEX niet alle stikstofverliezen bij beweiding, opslag, aanwending en bodemprocessen. De BEX berekent in hoofdzaak verliezen uit de hoeveelheid mest die in de stal terechtkomt en uit een verondersteld deel van de externe opslag. De principiële vraag luidt daarom niet of de BEX méér rekent dan een forfait. Dat doet zij evident. De relevante vraag is of wetenschappelijk voldoende is aangetoond dat deze uitgebreidere berekening de werkelijke netto stikstofexcretie van een individueel melkveebedrijf ook aantoonbaar nauwkeuriger vaststelt.

Die vraag krijgt extra gewicht wanneer een BEX-uitkomst een rol speelt bij besluiten over gebruiksnormen, mestverwerking of bestuurlijke boetes. Wanneer de overheid een modeluitkomst aan een belastend besluit ten grondslag legt, kan immers niet alleen de berekeningswijze van belang zijn. Ook de validatie, de onzekerheidsmarge, de representativiteit van de gebruikte factoren en de toepasbaarheid op het concrete bedrijf kunnen dan relevant worden. Deze verantwoordingsplicht wordt nu bij de gebruiker van de  berekening, de veehouder neergelegd.

Dit artikel is deel één van een drieluik. In een volgend artikel op mestboete.nl gaan wij daarom nader in op de wetenschappelijke onzekerheidsmarges van de BEX. Hoe groot is de spreiding achter de gebruikte emissiefactoren? Hoe worden onzekerheden uit verschillende rekenstappen gecombineerd? En in hoeverre is de uitkomst van de BEX daadwerkelijk gevalideerd op het niveau van individuele melkveebedrijven?

Daarna komt de juridische vraag aan de orde: welke eisen stelt het bestuursrecht aan het gebruik van complexe rekenmodellen en kan een modeluitkomst zonder voldoende inzicht in de betrouwbaarheid en foutmarge daarvan een dragende grondslag vormen voor een belastend besluit of een bestuurlijke boete?