Stikstof- en fosfaatgehalten van bezinklagen

Bezinklagen vormen, vaak in combinatie met de correctie voor het stikstofgat, een belangrijke post voor varkensbedrijven om aan de verantwoordingsplicht in de Meststoffenwet te kunnen voldoen. Over de gehalten die worden toegedicht aan zo’n bezinklaag bestaat enige verwarring.

Een bezinklaag kan ontstaan in een mestopslag, omdat de mest in de opslag niet of niet genoeg gemixt wordt. Deze laag is vaak zanderig en vast en kan niet meer weggepompt worden. Er zit meestal meer stikstof en fosfaat in dan in de mest daarboven. Gezien de afwijkende gehalten kan de bezinklaag als  een aparte voorraad worden opgegeven. De omvang van de bezinklaag wordt berekend op basis van de omvang van de bezinklaag in ton vermenigvuldigd  gehalte stikstof en fosfaat per ton in de bezinklaag. De gehalten die RVO toekent aan een bezinklaag (zeg maar de forfaitaire gehalten) zijn afhankelijk van de diercategorie zoals in onderstaande Tabel is weergegeven.

 

Diersoort Mestcode Kg stikstof per ton Kg fosfaat per ton
Guste en dragende zeugen 46 5,47 9,22
Kraamzeugen 46 7,77 19,36
Opfokzeugen 46 5,27 17,68
Biggen 46 13,21 22,75
Vleesvarkens 50 10,23 13,32

 

Daarbij wordt aangeven van een bezinklaag maximaal 2 cm per jaar aan kan groeien en in totaal maximaal 18 cm kan bedragen. Daarbij baseert men zich op het praktijkrapport Bezinklagen en bemonstering van varkensmest (pdf)van de Wageningen University & Research.

De verwarring ontstaat omdat RVO bij handhaving de forfaitaire gehalten voor stikstof en fosfaat in de bezinklaag verdubbelen, maar men doet dit uitsluitend voor de bezinklaag die in dat jaar is ontstaan. Er kan dus niet zondermeer met deze dubbele gehalten worden gerekend. Daarnaast dient bij de opgave van de Aanvullende Gegevens Landbouwbedrijven de gehalten van de volledige bezinklaag te worden gewaardeerd tegen de forfaitaire gehalten zoals die in bovenstaande Tabel staan vermeld, maar rekent RVO voor dat deel van de bezinklaag die zich heeft gevormd in het betreffende kalenderjaar met dubbele gehalten.

 

Een voorbeeld.

Op een vleesvarkensbedrijf ontstaat in jaar 1 een bezinklaag  van 2 cm. Deze bedraagt 50 ton met daarin dus 511,5 kg stikstof en 666 kg fosfaat. De bezinklaag wordt doorgegeven als een aparte voorraad in jaar 1.

In jaar 2 komt daar weer 2 cm bezinklaag bij. De totale bezinklaag bedraagt een hoeveelheid van 100 ton met daarin  1.023 kg stikstof en 1.332 kg fosfaat.

Bij handhaving rekent RVO echter met dubbele waarden voor de gehalten van dat deel van de bezinklaag die in dat jaar is gevormd. Dus rekent RVO met 100 ton met daarin 1.534,5 kg stikstof en 1.998 kg fosfaat. Het is dus niet zo dat de hele voorraad wordt gewaardeerd tegen de dubbele gehalten. En ook niet zo dat zowel de gehele beginvoorraad als de gehele eindvoorraad wordt gewaardeerd tegen de dubbele gehalten.

De beginvoorraad die door de varkenshouder dient te worden gehanteerd voor het volgende jaar bedraagt dan weer 1.023 kg stikstof en 1.332 kg fosfaat.

Moraal van het verhaal: Gebruik bij de waardering van een bezinklaag de forfaitaire normen per diercategorie die door RVO zijn gegeven, maar weet dat bij de handhaving voor (een deel van de) bezinklaag met hogere gehalten wordt gerekend.