Het beëindigen van een eenmanszaak nadat een overtreding van de Meststoffenwet is begaan, staat niet in de weg aan het later opleggen van een mestboete. Bij een eenmanszaak is namelijk niet de onderneming zelf, maar de natuurlijke persoon die de onderneming exploiteert de overtreder. Dat bevestigt het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in een uitspraak van 6 oktober 2026.

De zaak betreft een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm in 2017. De minister legde daarvoor in juni 2022 een boete op van € 7.276,50. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep tegen de boete weliswaar gegrond, maar uitsluitend in verband met de lange duur van de procedure. De boete werd wegens overschrijding van de redelijke termijn uiteindelijk vastgesteld op € 5.530,14.

In hoger beroep werd een andere principiële vraag aan de orde gesteld. Op het moment waarop de boete werd opgelegd, bestond de eenmanszaak waaronder het landbouwbedrijf in 2017 was geëxploiteerd niet meer. Het bedrijf was inmiddels overgegaan in een andere ondernemingsvorm. Volgens de ondernemer kon daarom geen boete meer aan de voormalige eenmanszaak worden opgelegd. De boete had volgens haar aan de feitelijk leidinggevende moeten worden opgelegd.

Het College volgt die redenering niet.

Een eenmanszaak heeft geen rechtspersoonlijkheid. Anders dan bijvoorbeeld een BV is een eenmanszaak juridisch geen zelfstandige persoon die losstaat van degene die de onderneming drijft. Een eenmanszaak wordt voor het opleggen van een bestuurlijke boete ook niet met een rechtspersoon gelijkgesteld.Dat betekent volgens het College dat, wanneer een landbouwbedrijf als eenmanszaak wordt geëxploiteerd, de overtreding wordt begaan door de natuurlijke persoon die de eenmanszaak exploiteert.

In deze zaak was dat ook de persoon aan wie de minister de boete had opgelegd. Zowel het boetevoornemen als het boetebesluit en de beslissing op bezwaar waren aan deze natuurlijke persoon gericht. Dat de eenmanszaak inmiddels was beëindigd, maakt volgens het College geen verschil. Niet de eenmanszaak, maar de natuurlijke persoon had de overtreding in 2017 begaan. Om dezelfde reden gaat het beroep op het leerstuk van feitelijk leidinggeven niet op. Dat leerstuk kan relevant zijn wanneer een overtreding door een rechtspersoon is begaan en daarnaast wordt beoordeeld of een natuurlijke persoon daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Bij een eenmanszaak ontbreekt die scheiding: er is geen afzonderlijke rechtspersoon die de overtreding heeft begaan.

De ondernemer deed tijdens de zitting bij het College ook nog een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daarbij werd verwezen naar een t wordt beboet. Het College komt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan niet toe. Deze beroepsgrond werd pas tijdens de zitting naar voren gebracht en betekende een wezenlijke uitbreiding van het geschil. Het College laat de grond daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

Voor de praktijk maakt de uitspraak vooral duidelijk dat bij een eenmanszaak onderscheid moet worden gemaakt tussen de handelsnaam of onderneming en de persoon die de onderneming exploiteert. Een latere bedrijfsbeëindiging, overdracht of wijziging van ondernemingsvorm betekent niet dat een eerder begane overtreding van de Meststoffenwet daarmee verdwijnt. De natuurlijke persoon die ten tijde van de overtreding het bedrijf als eenmanszaak exploiteerde, kan daarvoor nog steeds worden beboet.

De uitspraak bevat daarnaast een procesrechtelijke waarschuwing. Een inhoudelijke beroepsgrond die de overtreding zelf ter discussie stelt, moet tijdig worden aangevoerd. Een wezenlijk nieuwe grond pas tijdens de zitting naar voren brengen, kan ertoe leiden dat het College die grond helemaal niet meer inhoudelijk behandelt.

Lees hier de volledige uitspraak