Een registratie van een mesttransport is niet altijd voldoende om de aanvoer van mest op een landbouwbedrijf te bewijzen. Dat blijkt uit een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 22 september 2026. Vier geregistreerde mestvrachten konden uiteindelijk niet aan de ondernemer worden toegerekend, omdat de onderliggende Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen (VDM’s) ontbraken. De mestboete werd daardoor aanzienlijk verlaagd.

De zaak ging over een landbouwbedrijf dat door de NVWA was gecontroleerd op de naleving van de meststoffenregelgeving in 2017. Aanvankelijk legde de minister een boete op wegens overschrijding van meerdere gebruiksnormen. Na bezwaar resteerde een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 1.429 kilogram stikstof. De boete bedroeg na een eerste matiging € 9.002,70.

In hoger beroep bestreed de ondernemer onder meer de hoeveelheid mest die volgens de minister in 2017 op zijn bedrijf was aangevoerd.

Volgens de administratie waren in totaal 24 vrachten mest aangevoerd. Twintig daarvan waren afkomstig van één mestaanvoerder. De overige vier vrachten waren geregistreerd door een andere mestaanvoerder. De ondernemer ontkende dat deze laatste vier vrachten in 2017 op zijn bedrijf waren afgeleverd. Hij had in andere jaren wel mest van deze leverancier ontvangen, maar niet in het betreffende jaar.

De rechtbank had de minister nog gevolgd. In het overzicht van de geregistreerde transporten stonden immers de naam en het relatienummer van de ondernemer vermeld. De rechtbank vond dat voldoende om ervan uit te gaan dat alle 24 geregistreerde vrachten daadwerkelijk op het bedrijf waren aangevoerd.

Het College komt tot een ander oordeel.

De ondernemer wees erop dat van de vier betwiste vrachten geen VDM’s beschikbaar waren. Juist die documenten lagen ten grondslag aan het overzicht waarop de minister zijn berekening had gebaseerd. Nadat de ondernemer de aanvoer gemotiveerd had betwist, kon volgens het College niet worden volstaan met alleen het overzicht van de registraties door de mestaanvoerders. Omdat de onderliggende VDM’s ontbraken, heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat de vier vrachten daadwerkelijk op het bedrijf zijn aangevoerd.

Dat heeft direct gevolgen voor de mestbalans. De vier vrachten vertegenwoordigden gezamenlijk 495 kilogram stikstof. Het College brengt die hoeveelheid in mindering op de eerder berekende overschrijding van 1.429 kilogram stikstof. Daarmee resteert een overschrijding van 934 kilogram. Bij het gehanteerde boetetarief van € 7 per kilogram bedraagt de boete vóór verdere matiging € 6.538.

Vervolgens komt ook de redelijke termijn aan de orde. Het College stelt vast dat deze uiteindelijk met een jaar en ruim tien maanden is overschreden. Na toepassing van de verschillende matigingen wordt de boete definitief vastgesteld op € 5.001,57.

Voor de praktijk is vooral het oordeel over de vier mestvrachten relevant. Een registratie in de administratie van RVO vormt vanzelfsprekend belangrijk bewijs voor een mesttransport. Deze uitspraak laat echter zien dat zo’n registratie niet onder alle omstandigheden doorslaggevend is. Wanneer een ondernemer de aanvoer van concrete vrachten gemotiveerd betwist, moet de minister voldoende bewijs kunnen leveren dat die mest daadwerkelijk op het bedrijf is aangevoerd.

Het ontbreken van de onderliggende VDM’s kan dan doorslaggevend zijn.

Dat maakt het bij een mestboete belangrijk om niet alleen de totalen in de berekening van RVO te controleren. Ook de afzonderlijke aan- en afvoerposten verdienen aandacht. Als een geregistreerd transport niet wordt herkend, moet worden nagegaan waarop die registratie is gebaseerd en of het oorspronkelijke VDM en de overige transportgegevens nog beschikbaar zijn.

Deze uitspraak onderstreept daarmee een belangrijk uitgangspunt in mestboetezaken: een registratie is bewijs, maar wanneer die registratie gemotiveerd wordt betwist, moet ook kunnen worden vastgesteld waarop zij berust.

Bron: Rechtspraak.nl
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:459