Onlangs deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak in een zaak waarin de boete werd verlaagd om andere dan inhoudelijke redenen. Een mestboete kan ook worden verlaagd wanneer de overtreding van omstandigheden de forfaitaire waarden mocht toepassen. Daarmee blijven de geconstateerde overtredingen van de Meststoffenwet overeind.

In een lopende procedure had de maatschap  aangevoerd dat haar financiële draagkracht onvoldoende was om de opgelegde boetes volledig te betalen. Ter onderbouwing daarvan waren financiële gegevens overgelegd waaruit onder meer een hoge schuldenlast en een zwaar gefinancierd eigen vermogen naar voren kwamen. Het Colleoe ziet hierin aanleiding om de boetes met 50% te matigen. Een dergelijk percentage sluit aan bij de gangbare praktijk van de Minister.

Daarbij speelt artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een centrale rol. Op grond van deze bepaling moet een bestuursorgaan een bestuurlijke boete verlagen wanneer de overtreder aannemelijk maakt dat bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Een beperkte financiële draagkracht kan zo’n bijzondere omstandigheid zijn. Een boete moet immers niet alleen in overeenstemming zijn met de wettelijke boetebepalingen, maar ook in het concrete geval evenredig zijn.

De uitspraak maakt duidelijk dat bij de beoordeling van de draagkracht verder moet worden gekeken dan alleen de aanwezigheid van eigen vermogen. Een agrarisch bedrijf kan op papier over aanzienlijke vermogensbestanddelen beschikken, terwijl daartegenover hoge financieringsverplichtingen staan. De aanwezigheid van grond, gebouwen en andere bedrijfsmiddelen betekent daarom niet automatisch dat voldoende financiële ruimte bestaat om een hoge bestuurlijke boete te betalen.

Voor de praktijk is vooral de matiging wegens beperkte draagkracht relevant. Bij mestboetes wordt doorgaans veel aandacht besteed aan de berekening van de overtreding: de mestproductie, de aan- en afvoer van mest, de voorraden en de beschikbare plaatsingsruimte. Deze uitspraak laat zien dat ook wanneer die berekeningen juridisch standhouden, de hoogte van de boete nog ter discussie kan staan.

Een beroep op beperkte financiële draagkracht moet wel zorgvuldig worden onderbouwd. Alleen stellen dat een boete niet kan worden betaald, is onvoldoende. Jaarrekeningen, financieringsoverzichten, liquiditeitsgegevens en een inzichtelijke toelichting op de schuldenlast kunnen daarbij van betekenis zijn.

De belangrijkste les is dat de vaststelling van een overtreding en de beoordeling van de evenredigheid van de boete twee afzonderlijke vragen zijn. Ook wanneer een mestboete inhoudelijk in stand blijft, kan de financiële situatie van het bedrijf aanleiding geven tot een aanzienlijke matiging.

Deze uitspraak onderstreept daarmee dat het bij de verdediging tegen een mestboete niet uitsluitend om kilogrammen stikstof en fosfaat hoeft te gaan. Ook de financiële draagkracht van de ondernemer verdient aandacht.

Lees hier de volledige uitspraak