Het strafrecht heeft duidelijk een ander kader dan het bestuursrecht. Dit blijkt temeer uit het feit dat de Rechtbank Overijssel op 26 oktober 2026 in vier samenhangende strafzaken over vermoedelijke mestfraude vrijspraak heeft uitgesproken. De verdenkingen hadden onder meer betrekking op vervalste vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s), onjuiste AGR/GPS-registraties, een onjuiste mestadministratie en manipulatie van mestmonsters. Volgens de rechtbank was onvoldoende bewezen dat de verdachten de ten laste gelegde strafbare feiten hadden begaan.

De uitspraken zijn vooral interessant vanwege de wijze waarop de rechtbank de bewijswaarde van technische transportgegevens beoordeelt. Daarnaast maakt de rechtbank onderscheid tussen de afsluiting van een mestmonster en een verzegeling die onder de strafrechtelijke bescherming van artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht valt. De strafzaken volgden op onderzoek naar mesttransporten waarbij de geregistreerde laad- en lostijden vragen opriepen. Volgens de verdenking waren vervoersbewijzen opgesteld voor transporten die niet, of niet op de geregistreerde wijze, hadden plaatsgevonden.

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek betrof de AGR/GPS-apparatuur waarmee mesttransporten worden geregistreerd. De NVWA had onder meer gekeken naar het tijdsverloop tussen een losmelding en een daaropvolgende laadmelding. Op basis van de technische eigenschappen van de apparatuur werd aangenomen dat tussen beide meldingen minimaal vier minuten en 31 seconden moest liggen. De rechtbank acht die benadering onvoldoende om daaruit zonder meer af te leiden dat sprake was van fictieve mesttransporten.

Daarbij speelt een rol dat de instellingen van de AGR/GPS-apparatuur konden worden gewijzigd. Bovendien bleek uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut dat uit het geregistreerde tijdsverloop niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld of daadwerkelijk mest was geladen of gelost. Een opvallend korte tijd tussen twee registraties kan dus aanleiding zijn voor nader onderzoek, maar levert op zichzelf nog geen sluitend bewijs op dat een vervoersbewijs valselijk is opgesteld. Dat betekent overigens niet dat de rechtbank alle registraties betrouwbaar achtte. Bij een van de onderzochte transporten werd vastgesteld dat fictieve laad- en losmeldingen waren gedaan. Het probleem was echter dat onvoldoende kon worden bewezen dat de betreffende verdachte onderneming daarvoor strafrechtelijk verantwoordelijk was. Ook de vervolging van een natuurlijke persoon wegens feitelijk leidinggeven aan de vermeende mestfraude leidde tot vrijspraak. Zelfs wanneer binnen een onderneming onjuiste vervoersbewijzen zijn opgesteld, volgt daaruit niet automatisch dat een bestuurder of andere betrokkene daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Die betrokkenheid moet afzonderlijk worden bewezen.

Een tweede interessant onderdeel van de uitspraken betreft de verdenking van manipulatie van mestmonsters. In de strafzaken waren aanwijzingen voorhanden dat afsluitingen van mestmonsters waren verbroken of dat met monsters was gemanipuleerd. De vervolging was op dit onderdeel mede gebaseerd op artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht, dat onder meer betrekking heeft op het verbreken van bepaalde verzegelingen. De rechtbank oordeelt echter dat een afsluiting die door een intermediair op een mestmonster wordt aangebracht, niet zonder meer kan worden aangemerkt als een zegel dat door of vanwege het bevoegd gezag is aangebracht in de zin van die strafbepaling. Dat onderscheid is juridisch relevant. De omstandigheid dat de Meststoffenwet en de daarop gebaseerde regelgeving voorschriften stellen aan de bemonstering en afsluiting van mestmonsters, betekent niet automatisch dat het verbreken van die afsluiting strafbaar is op grond van artikel 199 Sr. Ook op dit onderdeel volgt daarom geen veroordeling op basis van de ten laste gelegde feiten.

De vier uitspraken maken duidelijk dat bij strafrechtelijke handhaving van de Meststoffenwet onderscheid moet worden gemaakt tussen aanwijzingen voor onregelmatigheden en het bewijs dat een specifieke verdachte een concreet strafbaar feit heeft begaan. AGR/GPS-gegevens en vervoersbewijzen vormen belangrijke onderdelen van de mestadministratie en kunnen aanleiding geven tot verdenkingen van fraude. Wanneer aan de betrouwbaarheid of interpretatie van die gegevens wordt getwijfeld, moet echter worden onderzocht of de technische aannames voldoende zijn onderbouwd en welke andere bewijsmiddelen de verdenking ondersteunen. Daarnaast moet bij vervolging van ondernemingen en feitelijk leidinggevenden zorgvuldig worden vastgesteld aan wie de verweten gedragingen kunnen worden toegerekend.

Voor de praktijk zijn de uitspraken vooral relevant in dossiers waarin de verdenking van mestfraude in belangrijke mate berust op afwijkende laad- en lostijden, technische registraties of vermeende manipulatie van mestmonsters en waarbij deze procedures in het strafrecht worden afgedaan.

De uitspraken betekenen niet dat dergelijke gegevens geen bewijswaarde hebben. Evenmin staat daarmee vast dat manipulatie van mestmonsters niet op andere gronden strafbaar kan zijn. Wel laten zij zien dat de bewijsvoering en de gekozen strafrechtelijke kwalificatie nauwkeurig moeten aansluiten bij de daadwerkelijk vastgestelde feiten. De kern is dat een administratieve of technische onregelmatigheid nog niet hetzelfde is als een bewezen strafbaar feit. Juist bij verdenkingen van mestfraude, waarbij de gevolgen voor de betrokken ondernemingen en personen aanzienlijk kunnen zijn, is dat onderscheid van wezenlijk belang.

ECLI:NL:RBOVE:2026:6444
ECLI:NL:RBOVE:2026:6439
ECLI:NL:RBOVE:2026:6448
ECLI:NL:RBOVE:2026:6451